4. Beleidskader en juridisch kader
4.1 Algemene uitgangspunten
Artikel 168 Gemeentewet verleent de gemeentelijke overheid de mogelijkheid om op grond van openbare orde, zedelijkheid, gezondheid en andere gemeentelijke belangen ook regelend op te treden op het gebied van standplaatsen. E.e.a. is geregeld in Afdeling 4. Standplaatsen (artikelen 5:17 t/m 5:20 van de Algemene Plaatselijke Verordening). Op basis van artikel 5:18, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Brunssum is het verboden om zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. In het tweede lid is bepaald dat het college de vergunning kan weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. In het derde lid is bepaald dat onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 de vergunning kan worden geweigerd:
a.indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
b.indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Ingevolge artikel 1.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Aan de hand van deze weigeringsgronden kunnen beleidsregels worden vastgesteld, waarin wordt aangegeven wanneer wel en niet een standplaatsvergunning wordt verleend.
4.2 Uitwerking en toelichting toetsingscriteria / weigeringsgronden
De APV geeft naast de weigeringsgronden, redelijke eisen van welstand en strijd met een geldend bestemmingsplan, een aantal toetsingscriteria aan op basis waarvan de aanvragen voor standplaatsen worden beoordeeld (artikel 1.8). De toetsingscriteria worden in het navolgende beschreven en zijn op alle standplaatsen van toepassing.
Openbare orde:
-brandveiligheid: op een afstand van minder dan vijf meter vanaf bebouwing mag geen standplaats worden ingenomen in verband met gevaar voor overslag van brand in het geval dat brand op de standplaats ontstaat. Onder bebouwing kan worden begrepen: alles wat gebouwd is en bestaat uit muren en een overkapping met een permanent karakter;
-sociale veiligheid: in het belang van sociale veiligheid dient de openbare ruimte open en controleerbaar te zijn.
Voorkomen of beperken van overlast:
-In het kader van de Wet milieubeheer mag in de nabijheid van woonbebouwing of andere gevoelige gebouwen, niet gefrituurd, gebakken of gebraden worden. Er dient in ieder geval een afstand te zijn van tenminste 5 meter.
Ongehinderde doorgang van het verkeer of verkeersveiligheid
Het beperken van overlast, garanderen van de verkeersvrijheid en veiligheid, het ordelijk en veilig verloop van verkeersbewegingen. Kramen, karren en stalletjes mogen een vlotte doorstroom van voetgangers niet beletten. Ook gehandicapten in rolstoelen, scootmobielen etc. dienen voldoende doorgang te behouden van tenminste 1,20 meter. Een standplaats mag geen verkeer- of parkeerhinder tot gevolg hebben. Standplaatsen mogen voorts nooit verkeersgevaarlijke situaties opleveren doordat zij bijvoorbeeld het zicht op naderend verkeer ontnemen. Tevens dient rekening te worden gehouden met de toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten. Tenslotte dienen kabels, leidingen, rioolputten e.d. bereikbaar te zijn ten behoeve van reparatie of onderhoud.
4.3 Uitwerking en toelichting op de weigeringsgronden anders dan genoemd in artikel 1.8 APV.
Redelijke eisen van welstand.
Deze weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan maar ook het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundig aanzien worden gewaarborgd.
Bestemmingsplan
De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van standplaats zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot de huishouding van de gemeente
behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag om standplaatsvergunning altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien.
Als een bestemmingsplan standplaatsen niet toelaat is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar is verleend, maar dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt wegens strijd met bestemmingsplan.
Wanneer wel een standplaatsvergunning kan worden verstrekt, kan het college een aanvraag voor het innemen van standplaats mede opvatten als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in te dienen.
4.4 Inhoud standplaatsenbeleid/motieven hanteren weigeringsgronden
De motieven bij het hanteren van de weigeringsgronden mogen niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag. Het beleid dat door het College wordt vastgesteld ter uitvoering van de APV-bepaling mag niet de wettelijke grondslag (i.c. artikel 149 Gemeentewet) overschrijden. Dit houdt in dat het beperken van het aantal af te geven standplaatsvergunningen om de gevestigde winkeliers tegen concurrentie te vrijwaren, niet is toegestaan. Reguleren van de concurrentieverhoudingen wordt niet tot de huishoudelijke belangen van de gemeente gerekend. De vrije marktwerking dient hier zijn beloop te krijgen.
De aanvragen om vergunning dienen uitsluitend te worden getoetst aan de weigeringsgronden in de APV.
Het ordenen van het innemen van standplaats is mogelijk doordat het College in dit standplaatsenbeleid zaken kan vastleggen betreffende:
a.vaststelling van het maximum aantal af te geven vergunningen;
b.de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;
c.de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen;
d.de beperking van de standplaatsen i.v.m. de fysieke gesteldheid van de locatie.
Met betrekking tot het maximumstelsel kan opgemerkt worden dat de Raad van State heeft bepaald dat in het belang van de openbare orde nodig kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Ook op basis van de Europese Dienstenrichtlijn is een maximumstelsel toegestaan.
5. Maximumstelsel Standplaatsen
5.1 Criteria waaraan standplaatsen moeten voldoen
Parkeerplaatsen zijn in principe geschikt als locatie voor standplaatsen, omdat deze locaties meer ruimte geven voor het publiek, parkeerruimte direct aanwezig is en publiek en passanten geen last hebben van de geplaatste kraam of verkoopwagen. Het innemen van standplaats op trottoirs moet
voorkomen worden. Om overlast te voorkomen moet verder worden vermeden dat standplaatsen worden ingenomen direct voor woningen, winkels en andere publieksgevoelige ruimten. Het innemen van standplaats aan een (drukke) weg is vooral uit oogpunt van verkeersveiligheid ongewenst.
5.2 Maximumstelsel
Op basis van bovenstaande criteria worden de navolgende locaties aangewezen welke geschikt zijn voor het innemen van standplaats. Daarbij wordt vastgelegd dat op de navolgende locaties om reden van handhaving van de openbare orde niet een onbeperkt aantal standplaatsvergunningen kan worden afgegeven.
Het maximaal aantal standplaatsen binnen de gehele gemeente bedraagt 5 per dag, gesitueerd op de volgende door burgemeester en wethouders in de te verlenen vergunning nader te omschrijven plaatsen gelegen:
1trottoir bij parkeerterrein Koutenveld (tegenover entree promenadegebied Schiffelerstraat);
(alleen gedurende de periode van half november t/m december)
2op de locatie Winkelcentrum Brunssum-Noord;
1Pijler 37 (rechts naast de ingang winkelbedrijf Praxis);
1Pijler 38 (parkeerplaats bij winkelbedrijf Gamma);
Indien omstandigheden dat noodzakelijk maken, kunnen burgemeester en wethouders na overleg met de vergunninghouder tijdelijk wijziging brengen in de situering van de bedoelde standplaatsen.
Daarbij wordt bepaald dat indien het maximum aantal standplaatsvergunningen reeds is afgegeven, er een wachtlijstensysteem van toepassing is. De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst. Daarbij zij opgemerkt dat het de eis van de Dienstenrichtlijn is dat een wachtlijst noch direct noch indirect discriminatoir mag zijn.
Overigens mag uit deze opsomming van standplaatslocaties niet worden afgeleid dat vergunningen voor andere locaties geweigerd moeten of kunnen worden. Een dergelijke aanwijzing ontslaat het college immers niet van zijn verplichting om iedere aanvraag op zijn eigen merites te beoordelen.
Het toetsingskader voor dergelijke aanvragen blijft artikel 5:18 APV, waarbij nagegaan dient te worden of zich in het individuele geval bijzondere omstandigheden voordoen die afwijking van het beleid rechtvaardigen.
Tevens komt het voor dat politieke partijen, bedrijven of instellingen een tijdelijke standplaats willen innemen. Het gaat dan vaak om: voorlichting- en promotieactiviteiten, graveren autoruiten, etc.
Omdat het onmogelijk is om alle uitzonderingen in het beleid te verwoorden, behoudt de gemeente Brunssum zich het recht voor dergelijke aanvragen op haar merites te beoordelen en per keer te bepalen of het maken van een uitzondering wenselijk is met inachtneming van de toetsingscriteria.
De vastgestelde tijden waarop standplaats mag worden ingenomen is van 08.00 uur tot 22.00 uur. Daarbij mag een uur vooraf begonnen worden met de opbouw en tot een uur erna worden afgebroken. De openingstijden van de Winkeltijdenwet staan hieraan niet in de weg, gelet op een ander motief van de Winkeltijdenwet (openingstijden winkels regelen) dan het standplaatsenbeleid (openbare orde).
6. Vergunningvoorschriften
6.1 Standplaatsen: de vergunningaanvraag
De volgende stukken dienen bij de aanvraag te worden ingediend:
-een recent uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel;
-(indien van toepassing) document rechtmatig verblijf (verificatieplicht Vreemdelingenwet).
6.2 Standplaatsen: de vergunning
-een standplaatsvergunning komt op naam van een natuurlijk persoon en niet op naam van een onderneming en is in principe niet overdraagbaar. In geval van ziekte of vakantie mag een vervanger de standplaats gebruiken, mits deze voldoende gekwalificeerd is.
-de vergunning wordt voor maximaal 1 kalenderjaar verleend;
-een vergunning geldt niet voor de dagen dat er op de standplaatslocatie een weekmarkt wordt gehouden;
-een standplaats mag worden ingenomen tussen 08.00 uur en 22.00 uur; Daarbij kan een uur voorafgaand de standplaats worden ingericht en een uur achteraf worden afgebroken
-het innemen van de standplaats dient door de vergunninghouder persoonlijk te geschieden. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon aan wie geen vergunning is verleend;
-naast de intrekkingsgronden genoemd in artikel 1.6 APV kan een vergunning worden ingetrokken ingeval van overlijden van de vergunninghouder, tenzij het college heeft besloten dat de vergunning kan worden overgedragen. Een standplaatsvergunning kan worden overgedragen aan familie in de eerste of tweede graad of aan een werknemer die aantoonbaar tenminste drie jaar in loondienst is. Daarbij moet diegene wel voldoen aan alle voorwaarden ingevolge de APV en het beleid.
6.3 Leges en precario
Voor het innemen van standplaats op de openbare weg en op privéterrein is een standplaatsvergunning vereist. Op grond van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Brunssum houdende regels omtrent de heffing en invordering van leges en werken voor derden (verder: Legesverordening) is men voor de behandeling van de aanvraag leges verschuldigd. Wanneer de grond waarop standplaats wordt ingenomen eigendom van de gemeente is wordt tevens een vergoeding in rekening gebracht voor het gebruik van de grond, de precariobelasting. Deze heffing vindt plaats op basis van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Brunssum houdende regels omtrent de heffing en invordering van precariobelasting (verder: Verordening precariobelasting).
Voor die gevallen dat standplaats wordt ingenomen op privégrond, geldt naast de standplaatsvergunning tevens privaatrechtelijke toestemming van de grondeigenaar.
7. Toezicht en handhaving
7.1 Algemeen
Onder toezicht wordt verstaan het signaleren en controleren. Om de verschillende belangen die gepaard gaan met het innemen van een standplaats of het venten te borgen worden, naast de bestaande wet- en regelgeving, voorschriften en beperkingen aan de standplaats- of ventvergunning verbonden. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor de naleving hiervan. Via toezicht en handhaving vindt controle op de naleving van de wet- en regelgeving (zoals de APV) en de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen plaats.
Het toezicht op en de handhaving van standplaatsen en venten is integraal vormgegeven. Dit betekent dat toezicht en handhaving gezamenlijk plaatsvindt door de toezichthouders/BOA’s, politie, brandweer, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuid-Limburg (RUD). De Omgevingsdienst Zuid-Limburg is namens het college belast met het toezicht op de milieueisen.
Toezicht
Zowel de toezichthouders, Boa’s en politie houden zich bezig met de controle van de standplaatsen. Zij vervullen allen een signalerende functie op basis van de APV.
7.2 Handhaving
Handhaving betreft m.n. het feit dat illegaal een standplaats wordt ingenomen dan wel het feit dat men zich niet aan de vergunningvoorschriften houdt. Er wordt primair bestuursrechtelijk gehandhaafd. Bij constatering van een overtreding is het ongedaan maken van deze overtreding het meest van belang. Bij gevaar kan politie altijd direct optreden op basis van artikel 2 politiewet.
Bijlage 1 Aanvraagformulier standplaatsvergunning
[Dit formulier kunt u als externe bijlage downloaden.]