Gemeentelijke regelgeving

Beleidsnota Archeologie Gemeente Brunssum

Gemeente Brunssum · geldt sinds 30 juni 2022

Aanhef

Erfgoed is identiteit

Samenvatting

Het archeologisch erfgoed betreft overblijfselen uit ons verleden. Het vertelt ons hoe vroegere generaties leefden en hoe onze samenleving er toentertijd uitzag. Het vertelt ons iets over onszelf, onze cultuur en onze identiteit. Brunssum is een gemeente met een rijk verleden met veel archeologische vindplaatsen.

De vroegste bewoningssporen uit de regio zijn net over de gemeentegrens, in Amstenrade, aangetroffen. De resten dateren uit het Midden Paleolithicum (300.000-35.000 v. Chr.). De vondsten uit deze periode zijn zeer bijzonder, omdat in Nederland slechts vijf sites uit deze periode onderzocht zijn. De meeste archeologische vindplaatsen dateren uit de Romeinse tijd. De regio werd toen doorsneden door verschillende Romeinse wegen, waarvan de Via Belgica en de Via Traiana de meest bekende zijn. Aan weerszijden van deze weg lagen grote agrarische villacomplexen en inheems Romeinse nederzettingen. De bewoners werden na hun dood begraven in grafvelden en individuele grafmonumenten, die eveneens langs de wegen lagen. Zeer fraaie voorbeelden uit de regio van monumentale grafmonumenten zijn de ‘Askist van Bocholtz’, de sarcofaag van de dame van Simpelveld, het Romeinse vrouwengraf aan de Hereweg in Landgraaf en de vier askisten bij de Voskuilenweg in Heerlen. In Brunssum zelf werden in 1966 op het Brunssumerveld (voormalig industrieterrein ‘Kling-Rode Beek ’) twee Romeinse graven ontdekt. Eén graf bestond uit een askist, waarin de resten van waarschijnlijk een vrouw waren gedeponeerd. Daarnaast zijn in het kader van de aanleg Buitenring Parkstad Limburg in Merkelbeek nog twee crematiegraven aangetroffen uit de Midden Romeinse periode. De gemeente bleef ook tijdens de Middeleeuwen en

de Nieuwe Tijd bewoond. Daarvan getuigen vandaag de dag nog de vele historische kernen, eeuwenoude hoeves, kastelen en kerken, zoals kasteel Genhoes, de middeleeuwse Clemenskerk en de voormalige St. Gregoriuskerk en de hoeve Onderste hof aan de Merkelbekerbeek. Bovendien werden gedurende de Middeleeuwen op verschillende locaties in het dal van de Roode Beek in de gemeente Brunssum potten gebakken. Dat blijkt uit talrijke Middeleeuwse pottenbakkersovens waarvan een aantal zijn opgegraven. Een lineaire versterking uit de Late Middeleeuwen is de Landgraaf. De Landgraaf is vandaag de dag als een droge greppel met een wal aan weerszijden nog te traceren in het landschap.

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting medio 2022 ingaat, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed moge- lijk. Voor het onroerend cultureel erfgoed zijn deze wetten van grote betekenis. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, gaat namelijk op in de Omgevingswet. Het resterende deel van de Monumentenwet gaat op in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet voorziet ook in het nodige overgangsrecht, zodat artikelen uit de Monumentenwet tussen 2016 en 2022 niet zo maar komen te vervallen. De erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de zorg voor ons bodemarchief en zijn de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. De essentie van deze wet is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. Indien dit niet mogelijk is geldt het zogenaamde het ‘veroorzaker-betaalt-principe’.

Al sinds 2007 (ingang Wet op de Archeologische Monumentenzorg ) zijn de gemeenten in over- wegende mate verantwoordelijk voor het behoud van archeologisch erfgoed. Om op een verantwoorde wijze om te gaan met het archeologische erfgoed heeft de gemeente Brunssum al heel snel na het ingaan van deze wet een aantal acties ondernomen. In 2007 heeft de gemeente Brunssum, samen met de andere Parkstadgemeenten een gedetailleerde archeologische verwachtings en advieskaart laten opstellen, waarvan de geactualiseerde versie (archeologische verwachtings- en beleidskaart) op 1 oktober 2013 is vastgesteld (Vanneste & Verhoeven, 2013).

Omdat de gemeente als bevoegde overheid beslissingsbevoegdheid heeft over archeologische belangen binnen de ruimtelijke ordening, hebben de parkstadgemeenten in 2011 een regioarcheoloog aangesteld. Sedertdien is bij de gemeente inhoudelijke archeologische kennis en expertise aanwezig op het niveau van een KNA senior-archeoloog (KNA: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie).

Als basis voor het gemeentelijke beleid geldt de volgende doelstelling:

Het archeologisch beleid van de gemeente Brunssum heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het ‘gemeenschappelijke geheugen’ en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk.

Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Het beleid van de gemeente Brunssum is opgenomen in een archeologische beleidskaart en vertaald naar de bestemmingsplannen.

Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Brunssum ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden.

Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit.

Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde.

Voorwoord

Brunssum bestaat als gemeente 225 jaar, maar de rijke geschiedenis van de streek gaat veel verder terug. De naam Brunssum komt van Bronsheim of Bronsham, ‘heim’ was woonplaats en ‘brons’ kwam van bronnen. Door zijn vruchtbare bodems wordt het gebied reeds vroeg bewoond. De oudste resten van de gemeente Brunssum gaan terug tot de (late) prehistorie, maar het is pas vanaf de Romeinse periode dat Brunssum echt tot ontwikkeling komt. In het gebied worden wegen aangelegd met in de buurt nederzettingen en, soms monumentale, graven. Zo zijn in de jaren 60 van de 20e eeuw op het voormalige industrieterrein ‘Kling-Rode beek’ de overblijfselen aangetroffen van een askist van vermoedelijk een vrouw. Ook recenter, bij de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg, zijn in het dal van de Merkelbekerbeek bij archeologische opgravingen twee crematiegraven gevonden uit de 1e en 2e eeuw na Chr.

Mede dankzij de bijzondere klei in de ondergrond heeft Brunssum een belangrijke rol gespeeld in de pottenbakkersindustrie. Al in de Romeinse periode zijn pottenbakkersovens in het gebied bekend, maar het is voornamelijk vanaf de 11e tot en met de 14e eeuw dat de keramische industrie uit Brunssum een wereldwijde bekendheid vergaart. In deze periode ontstaan talrijke pottenbakkersovens. De wijk Oeloven verwijst hier rechtstreeks naar; oelen zijn potten die in een oven gebakken worden. Omstreeks 1150 groeit Brunssum uit tot een heerlijkheid en worden kerken gesticht, zoals de Clemenskerk in Merkelbeek en de inmiddels gesloopte St. Gregoriuskerk (Unitas). Opgravingen van deze kerk hebben een vroege steenbouwfase uit vermoedelijk de 12e eeuw blootgelegd. Daarnaast zijn bij de opgravingen ook inhumatiegraven gevonden, waaronder de vermaarde reus van Brunssum, een uitzonderlijk groot skelet.

In de loop van de middeleeuwen en nieuwe tijd verschijnen in Brunssum en omgeving verschillende adellijke hoeves en kastelen, zoals de hoeve Onderste Hof in het gehucht de Kling. De oudste vermelding van deze hoeve dateert uit 1381. Daarnaast zijn de kastelen Vossenleen, Cluttenleen en Genhoes bekende namen in Brunssum. Restanten van deze kastelen zijn bij verschillende opgravingscampagnes blootgelegd. Omstreeks 2013 zijn ook nog de resten van een 15e eeuwse landweer in kaart gebracht. Deze landweer is onderdeel van een groter geheel dat zich uitstrekte tussen Schinveld en Nieuwenhagen. Het zuidelijke deel van de landweer ligt ter hoogte van het Schutterspark.

Brunssum behoorde begin 18e eeuw tot Oostenrijk (de Oostenrijkse grenspaal staat momenteel voor het bestuurscentrum) en eind 18e eeuw tot de Franse Republiek. Het internationaal karakter van Brunssum zien we nu ook terug met Jont Force Command (het Nato Hoofdkwartier). Brunssum telde rond 1900 ca.1200 inwoners. In het begin van de 20e eeuw begon in Brunssum bruinkoolwinning in het Vijverpark en steenkoolwinning rond 1910. De staatsmijn Hendrik ontstond en trok veel internationale werknemers, waarvan er zich velen in Brunssum vestigden. Brunssum groeide uit tot de parel van de mijnstreek met bijna 3000 inwoners. Het zwarte goud zette Brunssum op de kaart. Er ontstonden nieuwe wijken en het inwonertal steeg tot ca. 28000.

De rijke historie van Brunssum is onder meer bewaard gebleven door de opgerichte Heemkunde vereniging, die we hiervoor zeer dankbaar zijn. Een verantwoord archeologiebeleid is van grote waarde zodat iedereen kan genieten van een bijzondere geschiedenis van ons mooie Brunssum en de Limburgse archeologie. Daarom dat de gemeente zich in de toekomst wilt blijven engageren om een juiste balans te vinden tussen enerzijds de bescherming van het archeologisch erfgoed en anderzijds de realisatie van andere maatschappelijke doelen. Met deze nota is hiermee een belangrijke stap genomen.

Jo Mertens, wethouder-locoburgemeester gemeente Brunssum.

2 Erfgoed is identiteit

2.2 Unieke parels uit de gemeente Brunssum en de omringende regio

2.2.1 Prehistorie

Steentijd (Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum)

De oudst gevonden resten van menselijke bewoning dateren uit de Prehistorie: het deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. In de regio zijn veel

(soms zeer) bijzondere resten uit deze periode aangetroffen. Meest bijzonder zijn de vondsten uit de Midden Steentijd (periode van de Neanderthalers) toen de mens nog leefde van jagen en verzamelen. De vondsten uit deze periode zijn zo bijzonder, omdat in Nederland slechts enkele sites uit deze perioden onderzocht zijn, waarvan er dus 2 in de regio Parkstad liggen:

•Bij de Ubachsberg in Voerendaal (Colmont-Ponderosa) zijn minstens 1000 Midden-Paleolithische vuurstenen artefacten aangetroffen. Het betreft vondsten van de Neanderthalers uit de periode van de jager-verzamelaars (ongeveer 400.000 tot 40.000 jaar geleden).

•In Amstenrade (gemeente Schinnen, net over de gemeentegrens met Brunssum) is recent eveneens een vindplaats uit het Midden Paleolithicum aangetroffen (onderzoek in het kader van de Buitenring Parkstad Limburg). Op deze locatie zijn o.a. vuistbijlen, mesjes en schrabbers aangetroffen. Gezien de nabijgelegen opduiking van het maasterras, is de locatie vermoedelijk gebruikt voor het vervaardigen van nieuwe werktuigen. De resultaten van het onderzoek zijn momenteel uitgewerkt (Raczynski-Henk, e.a. 2018) en zijn aan het grote publiek gepresenteerd tijdens de tentoonstelling Expeditie Vuistbijl in De Vondst in Heerlen, hèt centrum voor archeologie in Limburg.

Reconstructie persoon uit de Steentijd. Inzet: vondsten uit de steentijd.

Eerste boeren (Neolithicum t/m IJzertijd)

Vanaf het Neolithicum werd de landbouw in het gebied geïntroduceerd. Van de allereerste boeren in Nederland is het beeld van de Lineair-bandkeramische cultuur (LBK; Vroeg-Neolithicum) het meest compleet. Vanaf die periode is landbouw steeds meer gemeengoed geworden. Vondsten uit de daarop volgende perioden (Brons-/IJzertijd) zijn redelijk schaars in het lössgebied. Het feit dat er tot op heden weinig materiaal is aangetroffen wil echter niet zeggen dat er geen bewoning heeft plaatsgevonden. Waarschijnlijk worden de vindplaatsen niet herkend. Het handgevormde aardewerk uit deze periode is erg bros en verweert snel als het aan het oppervlak ligt. Aangezien uit deze periode tot nu toe weinig bekend is, zijn vindplaatsen die uit deze periode worden aangetroffen per definitie van extra belang.

Vindplaatsen uit deze periode liggen verspreid over het gebied:

•Het Michelsberg aardwerk Schelsberg in Heerlen (datering: midden-Neolithicum). Typisch voor de Michelsbergcultuur zijn aardwerken, grote structuren bestaande uit één of meerdere grote grachten en wallen die bijna steeds een hoge plek in het landschap afsluiten.

Interpretaties omtrent de functies van aardwerken lopen uiteen van vluchtburg, veekraal, centrale plaats, marktplaats, ritueel centrum en versterkte nederzetting.

•Tijdens gravend onderzoek op het Trilandis-terrein in Heerlen zijn – naast grotendeels resten uit de Romeinse tijd – ook enkele kuilen uit het Laat Neolithicum gevonden. In een kuil was een rechtop geplaatste zogenaamde All Over Ornamented beker aanwezig. Tijdens de opgraving is een groter gebied rondom deze kuil onderzocht, maar dit leverde slechts een lichte clustering van nagenoeg vondstloze kuilen op, waarvan er minstens één ook in het Laat Neolithicum A dateert. Uit de context kon worden opgemaakt dat het waarschijnlijk één of meerdere inhumatiegraven betreft (Tichelman, 2014).

•Strijthagerbeekdal/Nieuwenhagerheide (gemeente Landgraaf): op deze locatie zijn verschillende urnen uit de IJzertijd aangetroffen (ongeveer 800 tot 12 voor Christus).

Kom met kamstreekversiering uit de Midden IJzertijd, aangetroffen bij de opgraving Buitenring Parkstad Limburg, vindplaats 8 (foto © RAAP Hensen, 2015a, tekening G. Berkenbosch).

•Ook bij de Villa Voerendaal zijn mogelijke bewoningsresten aangetroffen uit de IJzertijd. In diverse kuilen zijn vondsten uit deze periode (scherven, een fragment La Tène armband, een kapfibula en een ijzeren haardschep) aangetroffen.

•In 2013 zijn bij opgravingen ten behoeve van de Buitenring van Parkstad op 2 locaties resten uit de IJzertijd aangetroffen, waaronder een greppel (Tichelman, 2015) en resten van een nederzetting (Hensen, 2015a).

2.2.2 Romeinse tijd

De regio komt pas echt tot bloei in de Romeinse tijd. In het gebied zijn dan ook veel restanten uit de periode van de Romeinse tijd (van circa 75 tot 500 na Christus) teruggevonden. Het grote aantal objecten en de diversiteit aan overblijfselen uit deze tijd is uniek voor Nederland. Het toeristisch promoten van de parels uit de Romeinse tijd gebeurt niet alleen in samenspraak met de convenantpartners van de Via Belgica (provincie Limburg, 2005), maar ook op eigen initiatief (Ellenkamp, 2015).

Parels uit deze periode zijn o.a.:

•Via Belgica en Via Traiana (romeins wegennet, o.a. de grotere heerwegen zoals de Heer- weg van Boulogne-sur-Mer naar Keulen en de Heerweg van Xanten naar Trier, maar ook de kleinere wegen zoals de weg bij Merkelbeek, Rolduc, Etzenrade, etc. . Het wegennet wordt momenteel beleefbaar gemaakt door middel van herbouw en reconstructie, kijkvensters, landschappelijke visualisaties en informatieborden (zie kader: De Via Belgica wordt weer zichtbaar en beleefbaar).

•Een zeer groot aantal villaterreinen: tot nu toe zijn zo’n 60 Romeinse villacomplexen van de zuidlimburgse lössgronden bekend. Bekend zijn o.a. de Villa Ten Hove ( Voerendaal), Villa Holzkuil (Kerkrade), Villa Steenland (Nuth) en Villa Vlengendaal (Simpelveld). Villa Krichelberg te Kaalheide (Kerkrade) is de enige bovengronds zichtbare Romeinse villa in Nederland.

•Nederzettingsresten, zoals de vicus Rimburg in Landgraaf (Romeins straatdorp bij een brug), de zogenaamde non-villanederzetting nabij Trilandis in Heerlen (inheemse Romeinse boerennederzetting) en de romeinse vicus Coriovallum. Corriovallum lag onder het huidige Heerlen, op een kruispunt van twee belangrijke wegen. De legerplaats groeide mettertijd uit tot een belangrijk regionaal centrum. In het Romeinse kwartier van Heerlen komen een groot aantal Romeinse vindplaatsen samen, waaronder een Thermencomplex, resten van de 3e eeuwse versterking (castellum), pottenbakkersovens, e.d. Het Romeinse kwartier van Heerlen betreft een IBA project (paragraaf 3.6). Het project richt zich niet alleen op Heerlen maar op de gehele regio. Het Thermenmuseum (en de directe omgeving) wordt een plek waar het verhaal van Romeins Zuid-Limburg verteld wordt waar door- verwezen wordt naar andere locaties langs de Via Belgica. Hierdoor ontstaat een aanbod dat meer bezoekers naar Heerlen én de regio zal trekken.

•Een groot aantal monumentale graven. Grafvelden zijn zeldzaam en duidelijk kleiner dan in bijvoorbeeld Noord-Brabant. Opvallend zijn echter het grote aantal monumentale graven en rijke graven, zoals een Romeins graf, waarin een rijke vrouw begraven lag (Landgraaf), een Tumulusgraf, waarin een askist aangetroffen is (de ‘Askist van Bocholtz), vier askisten met bijzondere prachtige voorwerpen van goud, barnsteen en glas (Voskuilenweg in Heerlen) en een sarcofaag met de asresten van een vrouw (de dame van Simpelveld).

Grafmonumenten stonden doorgaans in de buurt van het woonhuis van de overledene en bij voorkeur langs een (hoofd)weg. Ook in de gemeente Brunssum zelf werden in 1966 op het Brunssummerveld ter plaatse van het voormalige industrieterrein ‘Kling-Rode Beek’, meerdere Romeinse graven ontdekt, Daarnaast zijn in het kader van de aanleg Buitenring Parkstad Limburg in 2009 (proefsleuven) en 2013 (opgraving) nog twee crematiegraven aangetroffen (zie kader).

Overzicht Romeinse vondsten in Heerlen/Parkstad.

•Romeinse wachttorens, zoals de mogelijke wachttoren bij de kerk van Klimmen.

•Romeinse mijlpalen, zoals de twee delen van mijlpalen die bij de restauratie van de kerk van Eygelshoven(gemeente Kerkrade) in 1939 in de kerktorenmuur zijn teruggevonden (nu te bewonderen in het Thermenmuseum in Heerlen). Van één van de mijlpalen zit het onderste vierkante deel nog in het fundament van de kerk. Nog vaag is een inscriptie te herkennen. In de romeinse tijd en ook daarna was het gebruikelijk om grote stenen te recyclen.

Zo zijn de Romeinse mijlpalen in de kerktorenmuur beland. Ook in de Broekhuizenstraat 53 in Landgraaf is nog een dergelijke mijlpaal aanwezig. De kans dat deze mijlpaal op zijn oorspronkelijke plek gevonden is, is eveneens klein (o.a. www.viabelgicadigitalis.nl).

Romeinse graven op het Brunsummerveld

Bij de aanleg van een industrieterrein op het Brunssummerveld, op een rug tussen de Merkelbeker Beek en de Brunssummer Dorpsbeek, werd in 1966 een Romeins graf uit het midden van de 3e eeuw ontdekt. Het graf bestond uit een askist, waarin de verbrande resten van waarschijnlijk een vrouw waren gedeponeerd. De bijgiften bestonden uit minstens 27 voorwerpen, waaronder aardewerk, glas, een benen handvat van een spiegel, een stukje goudbeslag, barnstenen schijven en twaalf bronzen schijfjes, die waarschijnlijk als schellen dienst hebben gedaan om muziek te maken. Enkele dagen later werd op 50 meter afstand een 2e-eeuws crematiegraf gevonden, dat onder andere enkele Romeinse munten bevatte (Stoepker, 2011).

Bij de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg is in 2009, op een naar het noordwes- ten georiënteerde afbraakwand nabij het beekdal van de Merkelbeker Beek een crematiegraf gevonden uit de Midden Romeinse periode (Spanjer & Vanderhoeven, 2012). Het graf bevat drie secundaire, onverbrande bijgiften: een kruik, een bord en een beker. Op basis van het aardewerk kan het graf gedateerd worden in de eerste helft van de 2e eeuw na Chr. Naast deze secundaire bijgiften zijn er ook primaire bijgiften gevonden die aan de dode op de brandstapel zijn meegegeven. Het gaat om de persoonlijke opsmuk van de dode, zoals een tinnen armband, een bronzen haarspeld, brokjes glas van mogelijk een zalf- of parfumflesje en schoenspijkertjes. In het graf is slechts 40 gram botmateriaal verzameld. Uit crematieonderzoek blijkt dat er twee individuen in het graf aanwezig zijn, waar- onder een kind van 3 tot 6 jaar oud. Op basis van de grafinhoud kan gesteld worden dat minstens één van de individuen vrouwelijk is geweest. Naast het graf zijn ook nog twee brandkuilen aangetroffen die vermoedelijk samenhangen met het begrafenisritueel.

De opgraving in het tracédeel T5 (vindplaats 10) heeft nog slechts één bijkomend crematiegraf opgeleverd. Voor de rest zijn er geen archeologische sporen aangetroffen. Het graf heeft eveneens een bord, een beker en een kruik als secundaire bijgift opgeleverd. Primaire bijgiften zijn hier niet aanwezig. Alleen zijn verschillende spijkerfragmenten aangetroffen die wellicht afkomstig zijn van de lijkbaar waarop de dode was opgebaard. Op basis van het fysisch antropologisch onderzoek behoort het graf aan een vrouw tussen de 20 tot 30 jaar oud. Vanwege het voorkomen van de kruik van het type Hofheim 51 kan het graf gedateerd worden aan het eind van de 1e eeuw na Chr. De volledige grafinhoud en de inhoud van de recipiënten zijn onderzocht om na te gaan of er voedselresten aanwezig zijn. In de kruik zijn klompjes verkoold, bewerkt plantaardig voedsel aangetroffen, maar de SEM-analyse hiervan heeft helaas niets opgeleverd.

De ligging van de graven nabij de Merkelbeker Beek is geen onbekend verschijnsel. Graven zijn dikwijls langs depressies of in de nabijheid van beekdalen gelokaliseerd.

Daarbij liggen ze doorgaans ook in de nabijheid van een hoofdweg of binnen een straal van circa 250 m van de nederzetting. Het is echter niet bekend tot welke nederzetting de graven behoren. Circa 300 m ten noordwesten van de graven liggen resten van een (inheemse) nederzetting uit de Romeinse tijd. Deze situeren zich op de zuidoostflank van de Merkelbeker Beek. Op deze manier keken de bewoners uit op de graven van hun dier- baren. De graven kunnen echter ook nog tot een nog niet ontdekte nederzetting horen. Dit zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen (Hensen, 2015b).

Romeins crematiegraf met bijgiften, aangetroffen bij de opgraving Buitenring Parkstad Limburg, vind plaats 10. Onder de grafinventaris na schoonmaak (© RAAP, Hensen, 2015b).

De Via Belgica wordt weer beleefbaar en zichtbaar

Schematische weergave van het wegennet in de Romeinse tijd (Rogge & Sas, 2006); legenda: bruin = Via Belgica.

De naam Via Belgica’ is de door archeologen bedachte naam van een 400 kilometer lange Romeinse hoofdweg, die in de Romeinse tijd de Franse zeekust met het Duitse Rijnland verbond. De weg liep - ten opzichte van de huidige landsgrenzen - dwars door België, Zuid-Limburg en het Duitse Rijnland. De Via Belgica komt bij Maastricht Nederland binnen en vervolgt zijn weg langs Meerssen, Valkenburg, Voerendaal, Heerlen en Landgraaf, om tenslotte bij Rimburg de Worm over te steken naar Duitsland. De weg was een belangrijk onderdeel van een groot en complex netwerk van wegen, dat zich uitstrekte tot de verste uithoeken van het Romeinse imperium. Inmiddels ligt de Via Belgica al vele eeuwen lang verstopt onder de grond, maar dat gaat veranderen! De Via Belgica wordt weer beleefbaar en zichtbaar gemaakt. Dat is het ambitieuze plan dat de provincie Limburg en zeven gemeenten die langs de weg liggen (Maastricht, Meerssen, Valkenburg, Voerendaal, Heer- len, Landgraaf en Simpelveld) en andere convenantpartners (o.a. Parkstad Limburg en Thermenmuseum Heerlen) ter hand hebben genomen. In 2005 heeft de provincie Limburg de visie ‘Via Belgica; Verleden op weg naar de toekomst’ laten ontwikkelen. Daarin wordt uiteengezet hoe de Via Belgica en het Romeinse culturele erfgoed van Zuid-Limburg kunnen worden ingezet voor toekomstige ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het gebied van erfgoededucatie, toerisme, ruimtelijke ordening en/of landschapsontwikkeling. Het Via Belgica-project is echter niet alleen een project van de overheid. Ook anderen (instellingen, bedrijfsleven en particulieren) worden van harte uitgenodigd om mee te denken over en te werken aan de realisatie van het project (www.viabelgica.nl). De Via Belgica is via een website en een gratis app digitaal te beleven (www.viabelgicadigitalis.nl).

Grafinventaris uit de askist van Brunssum, ontdekt in 1966.

2.2.3 Middeleeuwen en Nieuwe tijd

Vanwege de vruchtbare löss was het gebied in de Middeleeuwen en Nieuwe tijd goed ontwikkeld. Het was een plek voor heerlijkheden en buitenplaatsen van adel, maar ook voor de boerenhoeven van het gewone volk. De bestaande en verdwenen kastelen, kerken, abdijen, molens, boeren- erven en zelfs hele dorpskernen uit deze perioden kunnen ondergrondse archeologische resten herbergen. De bewoningsplekken worden vaak al vele eeuwen gebruikt. Gebouwen zijn verrezen, gesloopt en verbouwd, waarbij ondergrondse restanten vaak als getuige van vroegere bouwfasen bewaard zijn gebleven. In sommige gevallen is ook de huidige bebouwing zo oud, dat de gebouwen en omliggende erven naast een bouwhistorische ook een archeologische waarde hebben.

De parels uit deze tijd liggen verspreid over het gebied. Het betreft onder andere:

•Mottes: Een motte of kasteelheuvel is een kunstmatig opgeworpen heuvel omgeven door een gracht waarop een versterkte wacht-, verdedigings- of uitzichttoren stond. Het betreft veelal voorlopers van kastelen. In Heerlen is o.a. een motte bekend (motte ten Eschen), in Onderbanken (motte Vossenberg, motte Roer en motte Etzenrade) en in Voerendaal (abschnittsmotte Struven, motte Dammerscheid).

•Kastelen en versterkingen: In het gebied is een opvallend groot aantal kastelen en versterkingen aanwezig. Bekend zijn onder andere kasteel Schaesberg en Strijthagen (Land- graaf), kasteel Hoensbroek (Heerlen), Huis Oelbroek (Nuth), Rivieren (Voerendaal) en

Voormalig Landsfort Herle, een grote middeleeuwse versterking (Heerlen).

In Brunssum zelf zijn de kastelen Vossenleen, Cluttenleen (ook wel Rozengaard, Rozengoed of Rosgoed genoemd) en Genhoes bekende namen. In 1622 werd op enkele honder- den meters van het eeuwenoude houten kasteel “Vossenleen” een nieuwe omgracht kasteel, Genhoes (of Op Gen Hoes) genaamd, gebouwd waarna ook een hoeve met schuur werd bijgebouwd. Toen dit kasteel in gebruik werd genomen, zijn de kastelen Vossenleen en Cluttenleem gesloopt. De grachten rond het kasteel en een deel van de kasteelhoeve zijn inmiddels verdwenen. Wel resteert nog een vleugel van het oorspronkelijke kasteel- complex. Het werd vanaf 2002 grotendeels gerestaureerd en maakt nu deel uit van een nieuwbouwcomplex (www.rijckheyt.nl/).

•Een deel van de historische kernen gaat tot de Middeleeuwen tijd terug, zoals het middeleeuwse Adam van Nuttahof (historische centrum van Nuth), de historische kern van Kerkrade met de resten van een gracht (in 2014 ontdekt in het centrum van Kerkrade), de historische kern van Voerendaal die recentelijk in ruimere context is onderzocht, de historische kern van Waubach en het Landsfort Herle.

•Graven: Bij Villa Voerendaal zijn niet allen resten uit de Romeinse tijd opgegraven, maar ook resten uit de periode die direct daarop volgt, de Vroege Middeleeuwen. Tijdens de opgravingen van het villaterrein werden tevens ‘als bijvangst’ de resten aangetroffen van een 7-tal graven uit de Vroege Middeleeuwen (Merovingische periode) tot de 7e eeuw.

•Middeleeuwese kerken en kloosters, zoals de vroegere abdij Kloosterrade Rolduc (Kerk- rade), de Pancratiuskerk in Herlen en het ‘Kleine kerkje’ in Eyghelshoven.

In de gemeente Brunssum zijn ook twee Middeleeuwse kerken aanwezig namelijk het Clemenskerkje in Merkelbeek en de inmiddels gesloopte St. Gregoriuskerk (Unitas) in Brunssum (zie kader).

•In Parkstad zijn veel historische hoeven aanwezig. Een aantal mooie voorbeelden betreft hoeve Wissegracht (gemeente Nuth), hoeve Laathof (Eygelshoven, Kerkrade), de hoeven Kaardenbeek en Bokhof (gemeente Voerendaal), 17e eeuwse hoeven aan de Bulkemstraat (gemeente Simpelveld), Hoeve de Geleenhof (Heerlen) en de verdwenen hoeve Roer (gemeente Onderbanken).

Aan de Merkelbekerbeek in de gemeente Brunssum ligt de van oorsprong middeleeuwse Onderste Hof, een hoeve in het gehucht Kling waarvan de eerste vermelding uit 1381 dateert. De boerderij is als rijksmonument beschermd. Ook de middeleeuwse Bovenste Hof, verder stroomopwaarts gelegen en in hetzelfde jaar voor het eerst vermeld, heeft die status.

•Ook watermolens zijn in Parkstad goed vertegenwoordigd, zoals de Strijthagermolen (gemeente Landgraaf), de Baalsbruggermolen (gemeente Kerkrade), de watermolens bij de Caumerbeek in het Aambos (gemeente Heerlen) en de Broek- of Brugmolen bij kasteel Erenstein (gemeente Kerkrade).

•Resten van de Middeleeuwse pottenbakkersindustrie: Het waren al de Romeinen die ontdekten dat de klei van de Roode beek (Brunssum, Onderbanken/Schinveld) voor industriële doeleinden geschikt was. Er ontstond een keramische industrie, die tot na de Middel- eeuwen is blijven bestaan (zie paragraaf 2.2.4).

•De Middeleeuwse handelsweg – ‘de wijngracht’ genaamd - betreft een grote handelsweg die Keulen en Maastricht met elkaar verbond. In de plaatselijke straatnaamgeving zijn sporen hiervan nog terug te vinden (de ‘Wijngracht’). Wijn was de voornaamste handelswaar die vanuit Keulen over de weg werd vervoerd. Ter plaatse moest de weg over een steile helling naar beneden; deze was gedeeltelijk uitgespoeld, zodat de weg als het ware via een ‘gracht’ omlaag liep.

•Landgraaf of landweer ‘Boebegraaf’ op de Brunsummerheide (lijnelement Beekdaelen- Brunssum-Heerlen-Landgraaf): een lijnvormige aarden grenswal en of diepe sloot met vaak een doornenhaag. Deze diende ter bescherming van een streek tegen vijandige invloeden van buiten. De 15e eeuwse landgraaf op de Brunssummerheide is nog over een lengte van circa 1 kilometer intact en bestaat uit twee wallen met een spitsgracht ertussen. Het deel van de landgraaf in Brunssum (Schutterspark) heeft de status van rijksmonument gekregen in 2016 en is een speerpunt van de Archeoroute Limburg.

Kasteel Genhoes in Brunssum (Wikimedia Commons)

Onderste Hof in Brunssum (Wikimedia Commons).

Opgravingen van kasteel Cluttenleen met rechts de restantenvan de houten brug.

Boven: Opgraving Gregoriuskerk (Unitaskerk) Brunssum

Onder: Archeologische opgravingen van graven bij de Gregoriuskerk in Brunssum. Inzet: Christuskopje van Walrusivoor.

Twee parels uitgelicht: Het Middeleeuwse Clemenskerkje en de Gregoriuskerk

De oudste vermelding van de zelfstandige parochie Merkelbeek dateert uit 1234, waar- bij de Clemenskerk, hoewel een rechtstreekse historische bron hiervoor ontbreekt, heel waarschijnlijk als kerkgebouw van de parochie fungeert. De Sint-Clemenskerk is vermoedelijk oorspronkelijk een zaalkerk. In de huidige gedaante bestaat de kerk uit een middenschip, met in het westen een toren, en in het oosten een polygonaal koor. Aan de oostkant is tegen dit koor een vierhoekige uitbreiding aangebouwd, die dienst deed als sacristie.

Deze huidige vorm is het resultaat van vele eeuwen van verbouwingen en uitbreidingen. De afgelopen jaren is de Clemenskerk grondig gerenoveerd. Voorafgaand aan de renovatie is in 2013 een archeologisch en een bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd op het kerkterrein. Tijdens het onderzoek zijn interessante ontdekkingen gedaan over de geschiedenis van de kerk.

De oorsprong van deze kerk is niet volledig duidelijk. Sommige bronnen vermelden een ontstaan uit de 8e-9e eeuw terwijl een opgraving uit de jaren 70 van de vorige eeuw een ontstaan in de 10e eeuw plaatst. Een goede onderbouwing voor beide dateringen ontbreekt echter. De vroegste steenbouwfase van de Gregoriuskerk uit Brunssum doet qua afmeting, gebruikt bouwmateriaal (kalksteen, Romeins dakpanmateriaal) denken aan de Sint-Clemenskerk. Echter, deze vroegste steenbouwfase is niet eerder te dateren dan in de tweede helft van de 12e eeuw. Mogelijk dat de oudste resten van de Clemenskerk ook in deze periode te plaatsen zijn. Uit de periode van de 14e tot en met de 16e eeuw is histo- risch gezien niks bekend over de ontwikkeling van het kerkgebouw. In de daaropvolgende eeuwen zijn wel verschillende verslagen gemaakt over onderhoudswerken en/of herstellingen aan de Clemenskerk, zoals het verplaatsen van het altaar van de zijbeuk naar het middenschip in 1721 en de bouw van een nieuwe toren omstreeks 1746. In 1879 vervalt de functie van parochiekerk en wordt het gebouw omgevormd tot kloosterkapel. In 1882 wordt het klooster door de Liefdezusters van Het Kostbaar Bloed uitgebreid. Het nieuwe, grotere klooster omvat de voormalige pastorie met ten noordwesten daarvan een nieuwe aanbouw.

Ter ere van Maria wordt een Lourdesgrot opgericht naast de kerk op het terrein van het voormalige kerkhof. De Lourdesgrot wordt in 1887 in gebruik genomen. In 1892 wonen in het klooster Benedictijnen waarbij opnieuw uitbreiding van het klooster plaatsvindt, waaronder de bouw van een geheel nieuwe kloosterkerk in 1899. In 1904 krijgt het ‘oude kerk- hof’ met de Lourdesgrot een ommuring. In 1923 verdwijnen de Benedictijnen en wordt het klooster bewoond door Karmelieten, met opnieuw een aanbouw en de bouw van een muur in 1948 tot gevolg. Begin 1968 wordt het klooster verkocht en worden de gebouwen ingericht als bejaardentehuis; Huize Tieder. De kloosterkerk wordt gesloten en de Clemenskerk (de oude parochiekerk) wordt in gebruik genomen als huiskapel van het bejaardente- huis. De Kloosterkerk raakt steeds meer in verval en in 1975 wordt deze gesloopt. Na twee branden in 2008 en 2009 is ook de rest van het klooster in 2009 gesloopt waardoor de Clemenskerk weer geheel vrij is komen te staan (Smeets, 2015; Kimenai, 2016 en Van der Laan, 2019). Door inspanningen van vrijwilligers wordt de kerk en de Lourdesgrot onderhouden en vinden hier regelmatig activiteiten plaats. Het Clemenskerkje vormt samen met het kerkhof en de Lourdesgrot een rijksmonument.

Archeologische opgravingen in het Clemenskerkje in Merkelbeek

De middeleeuwse Gregoriuskerk, waarvan de laatste resten gesloopt zijn in 1840, is in 1995 opgegraven. De oudste steenbouwfase dateert uit omstreeks 1175 en bestaat uit een zaalkerk, zoals die in de regio veelal bekend zijn. Mogelijk is deze vroegste steenbouwfase voorafgegaan door een kleine houten zaalkerk. In de funderingsresten van de muur is Romeins dakpanpuin verwerkt (Stoepker, 2011a). Bij de opgraving zijn funderingen aangetroffen van acht steenbouwfasen. In en om het kerkgebouw bevinden zich diverse begravingen, waarvan sommige skeletten goed geconserveerd zijn. De oudste begravingen zijn in de 1e helft van de 12e eeuw te plaatsen. Een bijzondere vondst uit grafgrond is een klein Christuskopje van Walrusivoor, dat waarschijnlijk onderdeel is geweest van een borstkruisje. Een 12e of 13e eeuwse datering is het meest waarschijnlijk. Bijzonder aan de kerk is dat deze gebouwd is binnen een bestaande, omstreeks 1100 gestichte, nederzetting. Onder de eerste stenen kerk zijn kuilen, paalgaten en een oven aangetroffen en daar- naast een groot aantal vondsten (o.a. maalsteen, aardewerk). De locatie is als speerpunt opgenomen in de Archeoroute Limburg.

2.2.4 Eeuwenoude pottenbakkersindustrie

Het waren al de Romeinen die ontdekten dat de klei uit het dal van de Rode Beek in Brunssum en Schinveld voor industriële doeleinden geschikt was (van Kerckhove, 2014). Er ontstond een keramische industrie, die tot na de Middeleeuwen is blijven bestaan. De hier gebakken producten werden tot diep in Duitsland en Frankrijk verhandeld. De klei uit Brunssum werd o.a. vervoerd richting Coriovallum, het romeinse Heerlen. In Coriovallum waren vele pottenbakkers, die de klei uit de streek gebruikten om aardewerk te produceren. Diverse pottenbakkersovens uit deze periode zijn in Heerlen opgegraven en er worden nog steeds nieuwe ovens aangetroffen.

In de parkstadgemeenten is een groot aantal locaties bekend (o.a. Brunssum, Schinveld en Nieuwenhagen) waar pottenbakkersovens uit de Middeleeuwen zijn aangetroffen. Op deze locaties werd het typische Brunssum-Schinveldse aardewerk gemaakt. Er is al veel wetenschappelijk onderzoek naar dit aardewerk gedaan. Al in het midden van de 20e eeuw werden pottenbakkers- ovens en afvalhopen met misbaksels uit die ovens onderzocht. Dit aardewerk, proto-steengoed en steengoed, werd van de tweede helft van de 11e tot het midden van de 14e eeuw geproduceerd. Het kende een verspreiding in delen van het Rijnland, Noord- Brabant, Limburg en de Belgische Kempen en in een enkel geval tot ver daarbuiten. De typochronologie is verbonden met die van Rijnlandse en Maaslandse producten. Vondsten van het ‘Brunssum-Schinveld’- of ‘Zuid-Limburgs aardewerk’ spelen wegens hun betrekkelijk nauwkeurige dateringsmogelijkheid een grote rol bij het onderzoek van nederzettingen in Zuid-Nederland.

Ook na de jaren zestig zijn aardewerkvindplaatsen in dit gebied bekend geworden. Sprake van coherent onderzoek was er echter niet. Er is op het gebied van analyse, documentatie en publicatie van recente vondsten nog veel te doen (bron: o.a. Stoepker, 2011a en 2011b). Momenteel inventariseert SAGA Archeologie in opdracht van de provincie Limburg de verschillende pottenbakkerijen in Zuid-Limburg met als doel een nieuwe, consistente typologie op te stellen. Dit is echter nog een work in progress.

Pottenbakkersindustrie in zuid-Limburg (foto’s: DenesMiklos)

2.2.5 Mijnverleden

Zuid-Limburg wordt vaak geassocieerd met het mijnverleden. De eerste ondergrondse winning van grondstoffen begon reeds omstreeks de 14e eeuw in Rolduc. Vanaf 1900 intensiveerde de steenkoolwinning zeer sterk en ontstond de Mijnstreek. De mijnwerkers die naar de regio kwamen, zorgden ervoor dat het bevolkingsaantal explosief groeide. De mijnwerkers die uit vele windrichtingen afkomstig waren, vestigen zich vaak in mijnkoloniën die snel uit de grond werden gestampt. Dorpen werden door deze nieuwe mijnkoloniën aaneengesmeed tot steden. Ook uit deze periode zijn diverse parels te benoemen:

•Het schachtgebouw van de voormalige Oranje Nassau mijn I in Heerlen, met het bijbehorende ophaalgebouw, betreft een rijksbeschermd monument. Hier exploiteert Stichting Car- boON het Nederlands Mijnmuseum.

•De Miljoenenlijn (met tegenwoordig een station in Simpelveld en Kerkrade) betreft een voormalige spoorlijn die gereed kwam in 1934. De naam is ontleend aan de geschatte kosten per kilometer. De lijn werd in eerste instantie gebruikt voor vervoer van materialen en mijnwerkers t.b.v. de exploitatie van de steenkoolmijnen. In 1949 vond het eerste open- bare reizigersvervoer plaats. Tegenwoordig wordt de stoomtrein toeristisch geëxploiteerd. Een rit met de stoomtrein en een bezoek aan het vrij toegankelijke erfgoedpark rondom het station Simpelveld biedt een bijzonder dagje uit in de sfeer van reizen uit lang vervlogen tijden.

•Immaterieel erfgoed, zoals gebruiken, tradities, verenigingen, platvorm de Mijnen (een netwerkorganisatie waarin de regionale partijen die betrokken zijn bij het mijnverleden, verenigd zijn).

•Schacht Nulland behoorde tot de voormalige Domaniale mijn in Kerkrade. Deze was in productie van 1815 tot 1969. De mijn beschikte over zes schachten waarvan de 349 meter diepe ventilatieschacht Nulland er één was. De schacht werd in 1907 aangelegd door de toenmalige exploitant van de Domaniale Mijn, de Aken-Maastrichtsche Spoorweg-Maatschappij. In eerste instantie deed schacht Nulland alleen dienst als intrekkende luchtschacht. In 1919 besloot de Domaniale Mijn de schacht te gaan gebruiken voor het vervoer van materialen en personeel. In 1921 werd de schacht verbouwd naar ontwerp van technische directeur Wilhelm Husmann en kreeg het zijn karakteristieke uiterlijk. De schacht staat in de volksmond ten onrechte bekend als de “Malakovschacht”: een verwijzing naar de torens van het bastion Malakov nabij de vestingstad Sebastopol. Uiteindelijk is in Kerk- rade de herinnering aan de mijnbouw door de operatie van Zwart naar Groen zo goed als uitgewist in het landschap. Slechts één mijnschacht, schacht Nulland, herinnert nog aan de oudste mijn van Nederland.

•De wijk de Hopel (grenzend aan Eygelshoven, gemeente Kerkrade) werd in opdracht van de mijn Laura en Vereeniging tussen 1901 en 1910 aangelegd, om een deel van haar werknemers te huisvesten. De karakteristieke huizen zijn ontworpen door architect A. Reichpietsch en zijn allemaal rijkmonumenten. De witte eengezinswoningen vormden een contrast met het zwart van de mijn.

•Het grootste aaneengesloten stads- en dorpsgezicht van Nederland ligt in Brunssum. Het gezicht omvat vijf mijnwerkerskoloniën plus enkele losse woninggroepen voor mijnpersoneel en drie parken. Eén ligt rond een voormalige bruinkoolgroeve en één rond een dijklichaam van een oude mijnspoorweg. Het beschermd gebied is grotendeels tot stand gekomen in de jaren 1910 – 1930. De koloniën waren bedoeld voor personeel van de Staatsmijnen Hendrik en Emma. De huizen zijn gebouwd in opdracht van de Staatsmijnen en de woningbouwverenigingen Ons Limburg en Thuis Best en zijn opgezet volgens de tuindorp-filosofie.

Schachtgebouw vande voormalige Oranje Nassau I mijnin Heerlen (bron: Rijksmonumenten.nl).

Impressie van kolonie Treebeek (https://nl.pinterest.com/dalmvisie/limburg-vroeger-en-nu).

2.2.6 Schuilkelder uit Wereldoorlog II in Oude Egge

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontsnapte ook Brunssum niet aan de bombardementen door de Duitsers. Om zich te beschermen tegen de verwoestende bommen, verscholen de inwoners zich in ondergrondse schuilkelders. Zo ook ten huize Hendriks in de wijk de Oude Egge. Bij de sloop van de woning in het kader van de wijkvernieuwing, werd in april 2020 de oude schuilkelder herontdekt. De ondergrondse schuilplek bestond uit een ingegraven grote rioolbuis die via een gemetseld voorportaal met een houten trap bereikbaar was. Op maaiveld niveau was het geheel afgesloten met een deur. In de schuilkelder was plaats voor 6 - 8 volwassenen (www.wellernet.nl). Het doel is om de schuilkelder voor de toekomst te bewaren en op termijn toegankelijk te maken voor het brede publiek.

De opgraving van de schuilkelder uit WOII uit Oude Egge (© BAAC met Military Legacy): inzet impressievan de ingang (© Bert van Ogtrop).

3 Archeologiebeleid gemeente Brunssum

3.5 Regie van het archeologisch onderzoek

3.5.1 Begeleiden van het archeologisch onderzoekstraject

Het archeologisch onderzoekstraject: de AMZ-fasering

Het proces van archeologisch onderzoek is opgebouwd uit verschillende stappen en wordt aangeduid als de fasering van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ-fasering; bijlage 5). De verschillende onderzoeksmodules die hierin onderscheiden worden, verlopen qua zwaarte van onder- zoek van licht naar zwaar. Deze opzet is gekozen om na het uitvoeren van elke onderzoeksmodule te kunnen beslissen of aanvullend onderzoek noodzakelijk is of dat er genoeg gegevens zijn verzameld om tot een goed onderbouwde beslissing te komen. Vaststellen wanneer er voldoende onder- zoek heeft plaatsgevonden, is afhankelijk van de aard en omvang van de geplande ingrepen en de aard van de aanwezige waarden. Soms kan een globale indruk van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden al voldoende zijn. In andere gevallen echter zal wel heel nauwkeurig de aard, omvang, datering en diepteligging van archeologische waarden moeten worden vastgesteld. Bij een keuze tussen deze twee uitersten spelen ook tijd en geld een belangrijke rol.

De AMZ-fasering als ambtelijk besluitvormingstraject

De AMZ-fasering is behalve een archeologisch onderzoekstraject, ook een ambtelijk besluitvormingstraject. Het is de taak van de gemeente om dit traject op te starten, te bewaken en op consequente wijze in te passen in de projecten die in de gemeente plaatsvinden. Voor de gemeente zijn de volgende 3 beslisstappen te onderscheiden:

•Stap 1: afweging archeologisch onderzoek noodzakelijk of niet?

•Stap 2: beslissing over vervolgonderzoek na iedere fase van onderzoek

•Stap 3: het selectiebesluit

1Afweging archeologisch onderzoek noodzakelijk of niet?

Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij de bodem wordt geroerd, komt ook het aspect archeologie om de hoek kijken. De gemeente bekijkt in dat geval - aan de hand van de archeologische verwachtingse en beleidskaart en/of bestemmingsplankaart - of archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht. Zo ja, dan wordt vervolgens bekeken of de plannen eventueel kunnen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Wanneer de ontwikkelingen de ondergrenzen niet overschrijden (zie § 3.3), is er vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar om de vergunning te verlenen of de bestemming van de gronden te wijzigen. Er hoeft derhalve geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Wanneer de ondergrenzen wel worden overschreden, dienen de plannen te worden aangepast of zal de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek moeten laten uitvoeren. Dit laatste betekent dat de AMZ-fasering wordt opgestart.

De coördinatie van het AMZ-proces binnen de gemeente Brunssum is bij een ambtenaar neergelegd, die archeologie in zijn portefeuille heeft. Dit hoeft geen archeoloog te zijn. Hij/zij kan de beoordeling van de onderzoeksverplichting met behulp van tabel 3 zelfstandig uitvoeren. Bij twijfelgevallen en voor volgende processtappen is advies van de regioarcheoloog nodig.

2Beslissing over vervolgonderzoek na iedere fase in de AMZ-fasering

Het archeologisch onderzoek dient vervolgens te worden uitgevoerd door een deskundig onderzoeksbureau. De gemeente dient na iedere fase in de AMZ-fasering een beslissing over het vervolgtraject te nemen. Is vervolgonderzoek al dan niet noodzakelijk? De rapportages worden inhoudelijk door de regio-archeoloog beoordeeld. Op grond van diens advies kan de gemeente een gemotiveerde beslissing nemen.

3Het selectiebesluit

Het uiteindelijke doel van het archeologisch onderzoek is vaststellen of er daadwerkelijk sprake is van archeologische resten in het gebied en zo ja, wat de waarde hiervan is. Op basis van de waardering door de onderzoekers wordt een selectieadvies uitgebracht: beschermen, opgraven, vrijgeven of een archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Hierbij streeft de gemeente Brunssum altijd zoveel mogelijk naar behoud van archeologische waarden in situ.

Een uiteindelijke beslissing over de omgang met een vindplaats is een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid (B&W). Het betreft het zogenaamde selectiebesluit.

Na het doorlopen van het boven beschreven proces zijn er in principe 4 opties:

1de werkzaamheden kunnen zonder voorwaarden plaatsvinden;

2de werkzaamheden kunnen plaatsvinden, met inachtneming van de voorwaarden voor aanvullende maatregelen (bijvoorbeeld aanpassing van de plannen);

3de werkzaamheden kunnen plaatsvinden onder de voorwaarde dat archeologisch vervolgonderzoek (archeologische opgraving of archeologische begeleiding) plaatsvindt;

4de werkzaamheden worden niet geaccepteerd, hetgeen meestal tot bescherming leidt.

3.5.2 Aanvullende onderzoekseisen

De gemeente Brunssum hecht veel waarde aan de kwaliteit van archeologische onderzoeken die op haar grondgebied worden uitgevoerd. Ten aanzien van archeologische onderzoeken stelt zij daarom een aantal aanvullende eisen.

1Ieder onderzoek moet voldoen aan de op dat moment geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

2Om er zeker van te zijn dat er bij onderzoek geen belangrijke archeologische feiten worden gemist, is een lijst opgesteld van uitgaven die verplicht geraadpleegd moeten worden. Dit zijn:

•Verhoeven, M.P.F., 2007. Hoog, middelhoog en laag; een archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart voor de Parkstad Limburg gemeenten en de gemeente Nuth. Deelrapport I: de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart en Deelrapport II: Catalogus van archeologische vindplaatsen en bouwhistorische elementen RAAP-rapport 1483. Weesp.

•Archeologische verwachtings- en beleidskaart Brunssum, vaststellingsdatum 1 oktober 2013. En bij gravend onderzoek tevens:

•De Grooth, M., 2007, De Vroege Prehistorie. Deeben, J., H. Peeters, D. Raemae- kers, E. Rensink & L. Verhart, 2006. De vroege prehistorie. NOaA hoofdstuk 11 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl.

•Enckevort, H. van, T. de Groot, H. Hiddink & W. Vos, 2006. De Romeinse tijd in het Midden-Nederlandse rivierengebied en het Zuid-Nederlands dekzand- en lössge- bied. NOaA hoofdstuk 18 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl.

•Gerritsen, F., P. Jongste & L. Theunissen, 2006. De Late Prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied. NOaA hoofdstuk 17 (versie 1.0). Ontleend aan http://www.noaa.nl.

•Hoevenberg, J., 2007, De Romeinse tijd.

•Hoof, L. van, 2007. Late Prehistorie.

•Stoepker, H., 2007, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd

•Stoepker, H., E. Rensink & E. Drenth, 2002. Behoud en onderzoek van archeologische waarden in het Maasdal in het kader van de Maaswerken en de Via Limburg: wetenschappelijk beleidsplan 2002. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

•Verhart, L. De vroege Prehistorie in Limburg; een actuele kennisstand van de vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.

•Meurkens, L. en A. Tol. De late Prehistorie in Limburg; een actuele kennisstand van de vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.

•Tichelman, G. Romeinse tijd in Limburg; een actuele kennisstand van de vroege prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.

3De gemeente vindt het belangrijk dat bij archeologisch onderzoek lokale kennis zoveel mogelijk wordt benut. De gemeente is zich ervan bewust dat er lokaal veel kennis over het verleden aanwezig is en dat het een gemiste kans is om deze niet te benutten. Actieve participatie van de bevolking levert niet alleen inhoudelijk betere plannen op; de plannen kunnen ook rekenen op een groter maatschappelijk draagvlak. De gemeente adviseert de uitvoerende bureaus om bij interessant archeologisch onderzoek (met name gravend onderzoek) de lokale heemkundeverenigingen en amateur archeologen te benaderen om te bekijken of zij iets kunnen en willen betekenen. Het betreft vrijwilligerswerk, dat in de praktijk niet mag leiden tot vertraging.

4De gemeente vindt het belangrijk dat de resultaten van archeologische onderzoeken niet verscholen blijven voor de burgers. Onderzoeksbureaus zijn daarom verplicht om een samenvatting (met conclusies) in de rapportage op te nemen. Bij ieder interessant groter onderzoek is, naast een gewone samenvatting, tevens een publiekssamenvatting - liefst voorzien van een foto of kaart - vereist. Interessant onderzoek betreft veelal gravend onderzoek (proefsleuven- onderzoek, opgraving of archeologische begeleiding) waarbij interessante vondsten of resultaten zijn gedaan.

5Om de gegevens vervolgens gemakkelijk toegankelijk te maken, dient ieder onderzoeksrapport ook digitaal (pdf-formaat) te worden aangeleverd.

6Verder stelt de gemeente dat het bij opgravingen van enige omvang of bij bijzondere vondsten gewenst is dat een open dag wordt georganiseerd. De coördinatie hiervan gebeurt door regioarcheoloog, in samenwerking met betreffende uitvoerende instantie en opdrachtgever.

3.5.3 Omgang met toevalsvondsten

Toevalsvondsten betreffen archeologische resten die ontdekt worden tijdens niet archeologische graafwerkzaamheden. Door de keuzes die de gemeente in onderhavige beleidsnota maakt, probeert de gemeente echter de kans op het aantreffen van toevalsvondsten zoveel mogelijk te beperken. Toch is het niet ondenkbaar dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt archeologische resten worden ontdekt. Welke werkwijze dient er dan gevolgd te worden?

Voor toevalsvondsten bestaat een meldingsplicht (Erfgoedwet, art. 5.10): “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologisch monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister.” Het doel van de meldingsplicht is onder andere om de informatie over het bodemarchief in het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) up-to-date te houden. Daarvoor dient de toevalsvondst aangemeld te worden bij de regioarcheoloog Parkstad.

Als de toevalsvondst behoudenswaardig wordt geacht, kan de bouw worden stilgelegd. In de prak- tijk legt de minister alleen de bouw stil bij toevalsvondsten van nationaal belang. Indien de toevalsvondst niet van nationaal belang is, kan de gemeente actie ondernemen. Zij zal bepalen of de vondst wel van regionaal of provinciaal belang is en in overleg met de initiatiefnemer bepalen hoe verder te handelen. Men kan ook (gemotiveerd) besluiten om de toevalsvondst verloren te laten gaan.

Indien de verstoorder aan al zijn wettelijke verplichtingen ten aanzien van archeologisch onderzoek heeft voldaan, kunnen de kosten die gemoeid zijn met het verder onderzoeken van een toevalsvondst niet verhaald worden op de initiatiefnemer. De gemeente is in dit geval een tegemoet- komende rol toebedeeld en zal de kosten voor haar rekening nemen (eventueel samen met Rijk, Provincie). Met andere woorden: als de verstoorder geen onderzoeksplicht heeft omdat de bode- mingreep binnen de ondergrenzen valt, maar er tijdens de graafwerkzaamheden wel archeologische resten worden ontdekt, ligt het risico bij de gemeente en niet bij de verstoorder.

Een toevalsvondst komt in gelijke delen toe aan de vinder én de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin deze is aangetroffen (artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek). De vondst hoeft dan ook niet aangeleverd te worden bij het provinciaal depot.

4 Organisatie en financiën

4.2 Gemeentelijke archeologische kosten

4.2.1 Bekostiging Regioarcheoloog

Na een proefperiode van 2 jaar is de regioarcheoloog per 1 oktober 2013 in vaste dienst getreden. De kosten van de regioarcheoloog worden in rekening gebracht op basis van de verdeelsleutel naar rato van het aantal inwoners van de gemeenten in Parkstad Limburg.

Uitgangspunten waren de bewonersaantallen in Parkstad Limburg per 1 januari 2013 en de kosten van € 90.000 = op jaarbasis. In onderstaande tabel is per gemeente in procenten en euro’s de bijdrage in de kosten van de regioarcheoloog weergegeven.

Inwonersaantal

Wettelijke taken

Onderzoekskosten

Totale kosten 2021

Brunssum

28.282

12.468

906

13.374

Kerkrade

45.817

19.790

1.468

21.258

Landgraaf

37.579

16.232

1.204

17.436

Beekdaelen

35.743

15.439

1.145

16.584

Simpelveld

10.573

4.567

339

4.906

Voerendaal

12.439

5.373

399

5.772

Heerlen

88.832

37.506

2.764

40.270

Totaal

259.265

111.375

8.225

119.600

Tabel 4: verdeling kosten regioarcheoloog 2021

Momenteel wordt er een voorstel uitgewerkt om een nieuwe overeenkomst op te stellen waarin duidelijke afspraken gemaakt worden over de werkzaamheden van de regioarcheoloog en de daaraan gekoppelde jaarlijkse kosten, inclusief indexering, per gemeente.

4.2.2 Algemene uitvoeringskosten

De algemene uitvoeringskosten van de gemeente worden voornamelijk gevormd door de hoeveelheid tijd die wordt besteed aan handhaving en uitvoering van de in dit document voorgestelde omgang met de archeologische monumentenzorg.

Het takenpakket ten aanzien van archeologie neemt toe. Dit betekent dat het aantal fte dat er nu beschikbaar is, zal moeten worden uitgebreid en/of dat er intern met taken moet worden geschoven. Momenteel beschikken we echter nog niet over voldoende gegevens om te bepalen in welke mate de werklast zal toenemen. Het is daarom van belang dat de komende jaren de werklast wordt gemonitord.

De gemeente brengt de ambtelijke ‘handeling’ van het beoordelen van rapporten, PvE’s, etc. reeds (deels) in rekening bij de vergunningaanvrager. Hiertoe is de legesverordening aangepast (Leges- verordening en Werken voor derden 2022 gemeente Brunssum).

In de Legesverordening wordt het als volgt omschreven:

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van eenomgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aan- vraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde indit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.

4.2.3 Projectgebonden uitvoeringskosten

De gemeente als ‘verstoorder’

De projectgebonden uitvoeringskosten betreffen de kosten die gemaakt worden in het kader van de archeologische monumentenzorg. Deze kosten zijn voor rekening van de ‘verstoorder’ (veroorzakerprincipe). In het geval de gemeente initiatiefnemer is (gemeentelijke projecten), komen deze dus ten koste van de gemeente. In tegenstelling tot de algemene uitvoeringskosten zijn deze direct te relateren aan individuele ontwikkelingsprojecten. De kosten kunnen dan ook binnen het budget van het desbetreffende project verrekend worden. Bij gemeentelijke ontwikkelingsprojecten, waar- bij de gemeente kan worden aangemerkt als de rechtstreekse ‘verstoorder’, dienen binnen de projectbegroting dan ook standaard de benodigde middelen gereserveerd te worden voor het volgens de archeologische verwachtings- en beleidskaart (en het daaraan gekoppelde beleid) noodzakelijke archeologische onderzoek.

Gemeente als voorbereider

De gemeente draagt vaak zorg voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied. Indien sprake is van het oprichten van een bouwwerk zoals opgenomen in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening moeten gemeenten op grond van de Grondexploitatiewet de door hen gemaakte kosten ver- halen. Dat geschiedt door het vaststellen van een exploitatieplan waarbij aan de omgevingsvergunning een planregel wordt verbonden, dat inhoudt dat de vergunninghouder aan de gemeente een exploitatiebijdrage is verschuldigd (artikel 6.17 Wro) of middels het sluiten van een anterieure overeenkomst.

Ook de kosten die de gemeente maakt in het kader van de archeologische monumentenzorg vallen hieronder en zullen derhalve via de omgevingsvergunning of bij privaatrechtelijke overeenkomst worden verhaald.

Kosten in verband met toevalsvondsten

Zie hiervoor paragraaf 3.5.3.

Bijlage 1. Het archeologisch karakter van Parkstad

Inleiding

In de laatste 10.000 jaar (het Holoceen) is onder invloed van een belangrijke temperatuurstijging de natuurlijke vegetatie aan een voortdurende verandering onderhevig geweest. Deze vegetatie- ontwikkeling is dermate kenmerkend voor het Holoceen, dat de onderverdeling ervan in perioden hierop gebaseerd is (biostratigrafische indeling). In de laatste 5000 jaar heeft de mens in toenemende mate invloed gehad op veranderingen in de vegetatie (Berendsen, 1998). Voor een goed begrip van het landschap en de gebruiksmogelijkheden ervan voor de mens door de tijd heen wordt aan de hand van de vegetatieontwikkeling een korte beschrijving gegeven van de landschappelijke context en bewoningsgeschiedenis. Achtereenvolgens worden vanaf het Laat Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd de belangrijkste karakteristieken van de vegetatie per geologische en archeologische periode beschreven.

Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. In de Steentijd (Paleolithicum t/m Neolithicum) leefde de mens voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Omdat alle gewenste voedingsbronnen niet op één plaats aanwezig waren en om de natuurlijke omgeving niet uit te putten, trokken ze van de ene kampplaats naar de andere. Uit diverse ruimtelijke analyses van bekende kampementen blijkt dat deze vaak op de overgang van droog (hoog) naar nat (laag) liggen: de zogenaamde gradiëntzones. Hier was op relatief korte afstand een grote verscheidenheid aan voedsel- en grondstofbronnen voorhanden en was drinkwater beschikbaar. Vuursteenvindplaatsen kenmerken zich voornamelijk door een (oppervlakkige) spreiding van vuurstenen artefacten (verplaatsbaar object dat door de mens is vervaardigd, bewerkt en/of gebruikt) en ondiep ingegraven grondsporen (o.a. haardkuilen). Met de introductie van de landbouw (vanaf het Neolithicum) bleven de mensen steeds meer op een vaste plek. De mate waarin gronden geschikt waren om te akkeren werd een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens. De eerste akkergronden werden op de van nature vrucht- baarste gronden aangelegd. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Aangenomen wordt dat de vruchtbare lössbodems zeer aantrekkelijk waren voor (prehistorische) landbouwactiviteiten. Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat vlakke gebieden, nabij markante reliefverschillen (met name de randen in het landschap) in veel gevallen ook bij landbouwers in trek waren als vestigingsplaatsen. De vindplaatsen kenmerken zich onder andere door een spreiding van vondstmateriaal (veelal aardewerk) en het voorkomen van dieper ingegraven grondsporen en/ of funderingsresten.

In deze bijlage worden de verschillende relevante archeologische perioden en hun landschappelijke context globaal en kort geschetst. In paragraaf 2.2 is een aantal belangrijke vindplaatsen in de regio Parkstad beschreven (zogenaamde archeologische parels van de regio). Voor meer uitgebreide informatie en algemene overzichten over de Steentijd, metaaltijden, Romeinse tijd, Middel- eeuwen en Nieuwe tijd in Zuid-Limburg wordt verwezen naar respectievelijk: Deeben e.a., 2005; Goossens, 1981; Van Hoof, 2000; Mares & Van Agt, 1962; Renes, 1988; Sprokholt, 1992; Ubachs, 2000; Venner, 2001.

Midden Paleolithicum (300.000-33.000 voor Chr.)

De midden-paleolithische bewoning van Zuid-Nederland vond plaats in het tweede deel van het Midden Pleistoceen en het eerste deel van het Laat Pleistoceen. Dit is een periode waarin ijstijden (glacialen: Saalien en Weichselien) en tussen-ijstijden (interglacialen: Eemien) elkaar afwisselden. Deze periode van meer dan een kwart miljoen jaar kenmerkt zich door grote veranderingen in klimaat, landschap, flora en fauna. De menselijke bewoning volgt in zekere zin het ritme van de glacialen en interglacialen. Van minstens even grote betekenis is de afwisseling van stadialen en interstadialen in het Saalien en Weichselien. Het Midden Paleolithicum is een bijzondere periode omdat het gaat om de nalatenschap van Neanderthalers (Homo neanderthalensis), die vanaf circa 500.000 jaar geleden in Noordwest-Europa leefden. De anatomisch moderne mens (Homo sapiens sapiens) verscheen omstreeks 40.000 jaar geleden in Europa: in het Midden Pleniglaciaal van het Weichselien (glaciaal: ijstijd). Deze overgang van menstype gaat in grote lijnen gepaard met het gebruik van nieuwe bewerkingstechnieken van stenen werktuigen en markeert de overgang van het Midden naar het Laat Paleolithicum (Rensink, 2005).

In het Zuid-Limburgse heuvelland zijn de plaatselijk metersdikke lösspakketten uit het Saalien en Weichselien van belang voor de conservering van bewoningssporen van Neanderthalers en hun voorlopers. Midden-paleolithische artefacten kunnen er tot verscheidene meters beneden maaiveld voorkomen. De ontdekking ervan is per definitie het resultaat van diepe ingravingen, zoals groeves, bouwputten, etc.

Laat Paleolithicum (33.000-8800 voor Chr.)

Het Laat Paleolithicum betreft het laatste deel van de ijstijd (Weichselien). In eerste instantie overheersten nog koude omstandigheden; kenmerkend voor deze periode was een toendraland- schap bestaand uit een zeer open vegetatie met veel kruiden (Janssen, 1974). Uit deze vroege periode van het Laat Paleolithicum zijn uit (Zuid-)Nederland weinig archeologische gegevens bekend. Aangenomen wordt dat de mens in deze fase in warmere en beschutte oorden vertoefde ten zuiden van Nederland (zoals in grotten in België). In een latere fase zijn relatief snelle opeen- volgingen van koude en warme perioden kenmerkend voor de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen. De koudere perioden (Oude en Jonge Dryas-stadialen) worden gekenmerkt door een boomloze en open toendravegetatie met kruiden en dwergstruiken. In warmere perioden (Bøl- ling/Allerød-interstadiaal: rond 13.000-12.000 en 11.800-10.000 jaar geleden) was sprake van een taiga-achtige vegetatie, waarbij een groot oppervlak bestond uit gemengd dennen-berkenbos. Het bomenbestand (vooral berk en den) nam toe in deze fase, waardoor de (typische) taigabewoners zoals rendieren langzamerhand verdwenen. Hun plaats werd ingenomen door bosdieren als eland, edelhert, wild zwijn en oerrund.

Vanaf circa 13.000 jaar geleden zijn er tenminste 3 culturele tradities te onderscheiden in Zuid-Nederland: het Magdalénien, de Federmesser-traditie (vroeger ook wel Tjongercultuur genoemd) en de Ahrensburg-cultuur (Deeben & Arts, 2005; Deeben & Rensink, 2005). Op de lössgronden in het zuiden van Limburg zijn resten uit deze periode uiterst zeldzaam.

Mesolithicum (8800-5300 voor Chr.)

De aanvang van het Mesolithicum in het Preboreaal (10.000-9000 jaar geleden) werd gekenmerkt door de overgang van het toendralandschap naar een gesloten berkenbos onder invloed van een relatief snelle opwarming, gevolgd door een gesloten dennenbos (taiga). Vanaf het Boreaal (9000- 8000 jaar geleden) arriveerden de eerste warmteminnende planten zoals hazelaar en eik in rivier- dalen, waarbij het aandeel den en berk snel werd teruggedrongen. Halverwege het Mesolithicum, bij aanvang van het Atlanticum (8000-5000 jaar geleden), was het klimaat reeds dermate verbeterd dat de vegetatie voornamelijk bestond uit warmteminnende soorten. De dichtheid en de soorten rijkdom van de begroeiing in het Maasgebied en de rivierdalen is door de tijd heen groter geweest dan bijvoorbeeld op de hogere (soms drogere) gedeelten. Toch ontwikkelde zich op de hogere gronden een eiken-berkenbos, terwijl in de beekdalen en andere lagere delen de vegetatie werd gedomineerd door vochtige elzenbossen. De den was toen vrijwel verdwenen. Gedurende het Atlanticum veranderde er vervolgens relatief weinig in deze vegetatieopbouw.

Met name door de vrij snelle overgang van naaldbos met een relatief hoge verdamping naar loof- bos met een relatief lage verdamping, trad in het Atlanticum een sterke grondwaterspiegelstijging op (Berendsen, 1998). Deze vernatting had tot gevolg dat in de laaggelegen (natte) zones op grote schaal veenvorming kon optreden. Depressies en laagten (zoals beekdalen) verveenden, hetgeen weer een verdere vernatting en veenvorming in het omliggende gebied met zich meebracht. In het onderzoeksgebied (parkstadregio) trad slechts op beperkte schaal vernatting op en slechts op enkele laaggelegen locaties veenvorming. Door de meer gesloten vegetatie en de kleinere fauna ontwikkelde de mens wel geleidelijk andere voedselpatronen. Het verzamelen van planten en vruchten, visvangst en jacht bleven belangrijk. Binnen de jacht verschoof het accent echter naar klein standwild, dat de grote kudden rondtrekkende dieren van het taigalandschap definitief ver- vangen had (zie o.a. Arts, 1988; Vermeersch & Van Peer, 1990; Verhart, 2000).

Neolithicum (5300-2000 voor Chr.)

Bepalend voor de vegetatieontwikkeling vanaf het Neolithicum was de introductie van landbouw, ook wel aangeduid met de term ‘neolithisering’. Door het kappen van het gemengd eikenbos, waarvoor van vuursteen geslepen bijlen werden gebruikt, ontstonden open terreinen met grassen en kruidachtigen. In het Neolithicum vond geleidelijk een belangrijke verschuiving plaats in de houding van de mens ten aanzien van de natuur. Beduidend meer dan voorheen bracht de mens aanpassingen aan in zijn leefomgeving. Het proces van ‘neolithisering’ was lang en complex, waarbij met name in het begin sprake was van het naast elkaar bestaan van gemeenschappen van jager- verzamelaars en landbouwers. Ook vond het proces niet overal tegelijkertijd plaats. In het Maas- dal vond deze overgang relatief snel plaats, maar voor de zandgronden in Zuid-Nederland lijkt het waarschijnlijk dat de overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw pas in het Laat Neolithicum echt op gang kwam (Louwe Kooijmans, 1993; Verhart, 2000).

Van het Vroeg en Midden Neolithicum in Limburg is het beeld van de Lineair-bandkeramische cultuur (LBK) het meest compleet. Het betreft de allereerste boeren in Nederland. De Limburgse LBK is de noordwestelijke uitloper van een groot complex dat het oudste Neolithicum in de gematigde zones van Europa omvat.

Bronstijd (2000-800 voor Chr.)

Terwijl in grote delen van het dekzandgebied het gesloten eiken-berkenbos nog domineerde, ontstonden in gebieden met (relatief) intensieve landbouw mogelijk al in de Bronstijd de eerste heidevelden. Deze ontstonden als gevolg van beweiding van gekapte bosgronden, waardoor jonge zaailingen zich niet konden ontwikkelen. Gedurende de Bronstijd vingen de eerste structurele landbouwactiviteiten aan en nam het areaal landbouwgrond geleidelijk toe.

Wat betreft archeologische kennis is de Bronstijd (2000-800 voor Chr.) in (Zuid-)Limburg ondervertegenwoordigd. Het feit dat er tot op heden weinig materiaal uit de Bronstijd is aangetroffen wil niet zeggen dat er geen bewoning heeft plaatsgevonden. Waarschijnlijk worden de vindplaatsen

niet herkend of zijn ze niet meer herkenbaar. Met name het aardewerk uit de Bronstijd is erg bros en verweert snel als het aan het oppervlak ligt. Vuurstenen artefacten uit de Bronstijd zijn nog vrij onbekend. Grafheuvels uit deze periode zijn alleen bewaard gebleven op plaatsen waar ze niet zijn geëgaliseerd door bijvoorbeeld landbouwwerkzaamheden (Van der Graaf, 1989). Slechts incidenteel wordt een bronzen bijl aangetroffen.

Late Bronstijd-Vroege IJzertijd: Nederrijnse Grafheuvelcultuur (1100-600 voor Chr.)

De Nederrijnse Grafheuvelcultuur of Niederrheinische Grabhügelkultur maakt deel uit van de zogenaamde urnenveldentijd uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd. Zoals de naam duidelijk aangeeft, wordt de urnenveldtijd gekenmerkt door een begrafenisritueel waarbij crematies worden bij- gezet in urnen. De urnen gaan vaak samen met een uitgebreide serie grafgiften. Kenmerkend voor de graven is de gegroepeerde aanleg die resulteerde in de zogenaamde urnenvelden. De eerder nog gebruikelijke grafheuvel ontbreekt of er wordt nog slechts een laag heuveltje opgeworpen. De cultuur strekt zich uit over Oost- en Zuid-Nederland alsmede over aangrenzende delen van Duits- land en België (Van den Broeke, 2005).

Urn van een graf uit de Vroege IJzertijd, afkomstig van de opgraving in Arensgenhout (Hensen, 2010).

IJzertijd (800-12 voor Chr.)

Gedurende de IJzertijd nam de uitbreiding van het areaal landbouwgrond en heidevelden verder toe ten koste van het areaal eikenberkenbos. In de lager gelegen oude Maasgeulen en beekdalen bleven de elzenbroekbossen intact. De veengroei in de lage delen van het landschap bereikte vermoedelijk in de IJzertijd zijn maximale omvang; door de ontbossingen trad vanaf die periode een versnelde afvoer op van het oppervlaktewater.

Uit diverse onderzoeken blijkt dat de bewoning op de zandgronden zich in de IJzertijd kenmerkte door verspreid in het landschap liggende boerderijen. Rond deze boerderijen bevond zich dan het akkerareaal. De boerderijen werden waarschijnlijk niet gelijktijdig gebruikt en met een zekere regel- maat verplaatst. De geregelde verplaatsing hing samen met de eenvoudige wijze van beakkering die zorgde voor een snelle uitputting van de bodem. Hierdoor moesten geregeld nieuwe akkerarealen ontgonnen worden. De akkers werden vooral aangelegd op de relatief hooggelegen gebieds- delen die tevens een natuurlijke vruchtbaarheid hadden. Een nieuwe boerderij werd gebouwd in de buurt van de akkers die op dat moment in gebruik waren. Dit patroon van ‘zwervende erven’ resulteerde na verloop van tijd in een landschappelijke eenheid met een grote dichtheid en verscheidenheid aan archeologische resten: boerderijen, grafvelden en sporen van akkerarealen (Fokkens & Roymans, 1991; Gerritsen, 2004; Schinkel, 1994).

In het lössgebied is uit de IJzertijd weinig bekend en is sprake van een onduidelijk bewoningspatroon. Behalve een enkele huisplattegrond zijn nauwelijks tot geen nederzettingsgegevens beschikbaar. Op basis van de beperkte hoeveelheid archeologische informatie over de IJzertijd in het löss- gebied kunnen dan ook geen bewoningspatronen worden verondersteld zoals voor de zandgronden.

Romeinse tijd (12 voor-450 na Chr.)

Met de komst van de Romeinen eindigde de Prehistorie en begint de periode waaruit naast archeologische bronnen ook geschreven bronnen voorhanden zijn. In de Romeinse tijd ging de bewoning zich concentreren in kleine gehuchten die vaak aan de rand van de uitgestrekte akkerarealen lagen. Ook kwam het landschap nog meer ten dienste van de mens te staan, hetgeen leidde tot een sterke afname van het bosbestand (Tack e.a., 1993).

In de 1e eeuw na Chr. kwam in Noordwest-Europa een opvallend en in Zuid-Limburg zeer veel voorkomend Romeins nederzettingstype op: de villa’s. Een villa kan worden omschreven als een agrarisch bedrijf, geïntegreerd in de sociale en economische organisatie van de Romeinse wereld (zie bijv. Slofstra, 1983) dat over het algemeen bestond uit een hoofdgebouw met eventuele bijgebouwen en een stuk grond (ager) voor de verbouwing van gewassen. De Nederlandse villa’s zijn eenvormig en in het algemeen relatief eenvoudig (Van der Graaf, 1989). In de ligging van de villa’s zijn 2 patronen zichtbaar. Enerzijds liggen ze op de plateaus of op flauwe hellingen, anderzijds kunnen ze ook aan de hellingvoet voorkomen. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen het echte villa-landschap van Zuid-Limburg en het gebied ten noorden daarvan waar inheemse huistypen bleven domineren (Roymans, 1996).

Twee Romeinse wegen kruisen elkaar in het hart van Parkstad. De Via Belgica is een grote weg die Boulogne-sur-Mer met Keulen verbindt. De Via Traiana verbindt Aken met Trier. De aanwezigheid van deze wegen in Parkstad en het unieke villalandschap, zorgt ervoor dat deze regio zich op het vlak van Romeinse erfgoed onderscheidt van de rest van Nederland. Parkstad maakt deel uit van het Zuid-Limburgse villa-landschap in het meest geromaniseerde deel van Nederland. Dit komt tot uiting in het feit dat de meeste vindplaatsen in het gebied (32,3%) dateren uit de Romeinse tijd. Deze bijzondere karakteristiek vormt een aanknopingspunt voor archeologische beleidsontwikkeling in relatie tot educatieve en cultuurhistorische projecten.

Vroege en Volle Middeleeuwen (circa 450-1300 na Chr.)

De val van het Romeinse Rijk en de komst van de Germanen markeert het begin van de Vroege Middeleeuwen (450-1050 na Chr.). In Zuid-Limburg was er een continue ontwikkeling vanaf de Romeinse tijd of eerder. Hierop wijzen bijvoorbeeld de plaatsnamen Heerlen en Maastricht, die uit de Romeinse tijd stammen. Beeknamen als Itter, Jeker en Worm zijn waarschijnlijk zelfs nog ouder.

Enkele Romeinse wegen bleven functioneren. Met hun grindverharding waren ze zelfs lange tijd de enige verharde wegen en kregen ze namen als Steenstraat of Steenweg. Aanwijzingen voor bewoningscontinuïteit in de overgangsperiode van de Romeinse tijd naar de Vroege Middeleeuwen staan tegenover een sterke bevolkingsafname die tegelijkertijd plaatsvond. De grootschalige land- bouw moest plaatsmaken voor een kleinschalige, op zelfvoorziening gerichte economie, waardoor een licht herstel optrad van het bosareaal. Dit herstel was echter van korte duur. Vanaf de Karolingische tijd werd onder invloed van een sterke bevolkingsgroei het landbouwareaal voortdurend uit- gebreid, waarbij tevens het areaal heidevelden sterk toenam.

In de Volle Middeleeuwen is een groot aantal kastelen gebouwd. Hooggelegen kastelen wijzen op hoge ouderdom. Latere kastelen lagen in lage en natte gebieden, waarin een waterhoudende gracht kon worden aangelegd (Renes, 1988). Bij de meeste grotere middeleeuwse heerlijkheden hoorde een kasteel. Naast woonplaats van de heer vormde dit het bestuurlijk centrum van de heerlijkheid en een strategisch bolwerk ter verdediging van het gebied.

Late Middeleeuwen (circa 1300-1500 na Chr.)

Uit de opdeling van de Frankische koningsgoederen uit de Vroege Middeleeuwen ontwikkelde zich het feodale stelsel met zijn standenmaatschappij. Bij de kleine landadel ontstond in de 11e en 12e eeuw de behoefte om verdedigingswerken aan te leggen, met name in het zeer feodale Limburg.

Zo werden mottes en donjons gebouwd en werden grenzen tussen gebieden soms gemarkeerd door een wal: een ‘landweer’ of ‘landgraaf (motte: kunstmatig aangelegde heuvel, waarop veelal een verdedigingswerk was aangebracht; donjon: verdedigbare woontoren).

Stenen gebouwen gingen een steeds prominentere plaats innemen in het landschap, onder andere boerderijen, kerken en kastelen. Veel kastelen en versterkte plaatsen werden verwoest tijdens de Limburgse Successie-oorlog van 1238 tot 1288. Na de 14e eeuw raakten kastelen echter in onbruik vanwege de onverdedigbaarheid tegen kanonnen. Vanwege verwoesting of verbouwing gaan slechts weinig gebouwen - uitgezonderd heiligdommen - terug tot de Middeleeuwen (Brounen, 1989: 38).

Vanaf de Late Middeleeuwen werden ook de lagere delen van het landschap ingrijpend door de mens beïnvloed. Omstreeks 1300 waren nog slechts weinig onontgonnen gebieden over. De laatste bossen kwamen steeds meer onder druk te staan door de behoeften van een groeiende bevolking. Het grootste deel ervan degenereerde tot ‘heide’: struikgewas en open landschap. De neder- zettingen die aan heide hun naam te danken hebben, behoren tot de weinige die na 1300 zijn gesticht. De goede gronden waren over het algemeen al ontgonnen. Ook de onontgonnen gronden in de natte broekgebieden of op steile hellingen waren niet langer veilig. In deze gebieden was aanvankelijk een bosbegroeiing aanwezig die in de loop van de tijd degenereerde tot ‘heide’. De elzenbossen in de beekdalen en andere laaggelegen gebieden werden ontgonnen ten behoeve van de vergroting van het areaal weidegrond.

Nieuwe tijd (1500-heden)

Met name vanaf de Late Middeleeuwen werd het landschap steeds meer en bovendien in steeds sterkere mate beïnvloed door de mens (Renes, 1988 & 2000). Dit heeft verstrekkende gevolgen gehad voor het landschap en de vegetatie. Uiteindelijk hebben deze ontwikkelingen geresulteerd in het tegenwoordig zichtbare landschap.

Uit de periode na de Middeleeuwen zijn alleen ontginningen van enige omvang bekend op de Heerlerheide en in het Ravensbos (17e eeuw) en op de Graetheide (18e-20e eeuw). De bevolkingsgroei werd vooral opgevangen door uitbreiding van bestaande nederzettingen en door productieverhoging van de landbouwgronden (Bieleman, 1992). De bevolkingsgroei leidde tot de splitsing van boerderijen alsmede tot de vorming van een klasse van ‘keuters’ en landlozen. Zij vormden het merendeel van de bewoners van de jonge heidegehuchten en veroorzaakten een

sterke verdichting van de bebouwing in de oudere dorpen. De grotere boerderijen groeiden vanaf de 16e eeuw uit tot de bekende gesloten hoeven. In delen van Zuid-Limburg leverde de mijnbouw enige aanvullende werkgelegenheid. In de 14e eeuw begon bij Kerkrade de ondergrondse winning van steenkool, iets later ook die van kalksteen. Vanaf circa 1900 intensiveerde de steenkool- winning zeer sterk en ontstond de Mijnstreek rondom Heerlen. Vanwege de bevolkingsgroei in dit gebied was er een groeiende vraag naar fruit en zuivel. Daarom werden rondom de boerderijen steeds meer fruitbomen in boomgaarden aangeplant. Na de Tweede Wereldoorlog intensiveerde zowel de verstedelijking, met name in Heerlen en omgeving, als de landbouw. Vooral in het noordelijke deel van het lössgebied veranderde het landschap op veel plaatsen ingrijpend vanwege grote ruilverkavelingen.

Literatuur bijlage

Arts, N., 1988. Mesolithische jagers, vissers en voedselverzamelaars in noordoost België en zuid- oost Nederland. De prehistorische mens in Limburg. Archeologisch Congres 27-28 september 1986.

Berendsen, H.J.A., 1998. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen.

Bieleman, J., 1992. Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950. Boom, Meppel/ Amsterdam.

Broeke, P. van den, 2005. Late bronstijd en ijzertijd: inleiding. In: L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.); Nederland in de Prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam: 1477-489.

Brounen, F., 1989. Mergelland-Oost: Een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Deeben, J. & N. Arts, 2005. Van jagen op de toendra naar jagen in het bos; Laat-paleolithicumen vroeg-mesolithicum. In: L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.); Nederland in de Prehistorie: 139-156. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam.

Deeben, J. & E. Rensink, 2005. Het Laat-Paleolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 171-199.

Deeben, J., E. Drenth, M.F. van Oorsouw & L. Verhart (red.), 2005. De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12.

Fokkens, H. & N. Roymans, 1991. Een overzicht van veertig jaar nederzettingsonderzoek in de Lage Landen. In: H. Fokkens & N. Roymans (red.); Nederzettingen uit de bronstijd en de vroege ijzertijd in de Lage Landen. Nederlandse Archeologische Rapporten 13. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Gerritsen, F., 2004. Leven temidden van het verleden; veranderende ruimtelijke ordeningen in het prehistorische landschap. In: R.M. van Heeringen, E.H.P. Cordfunke, M. Ilsink & H. Sarfatij (red.); Geordend landschap; 3000 jaar ruimtelijke ordening in Nederland. Verloren, Hilversum.

Goossens, H.M.H., 1981. Ubach over Worms; van Overworms kwartier tot gemeente Landgraaf. Groenevelt, Ubach over Worms.

Graaf, K. van der, 1989. Centraal Plateau & Beek; een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. RAAP-rapport 19. Stichting RAAP, Amsterdam.

Hoof, L.G.L. van, 2000. Filling black holes: Leven, sterven en deponeren in de metaaltijden van Zuid-Limburg. Afstudeerscriptie. Faculteit der Archeologie, Leiden.

Janssen, C.R., 1974. Verkenningen in de Palynologie. Oosthoek, Scheltema & Holkema, Utrecht. Landesvermessungsamt Nordrhein-Westfalen, 1970. Kartenaufnahme der Rheinlande durch Tranchot und Von Müffling 1803-1820, schaal 1:25.000; Kaartbladen 73 Rekem en 74 West Val- kenburg. Landesvermessungsamt Nordrhein-Westfalen, Bonn.

Louwe Kooijmans, L.P., 1993. The Mesolithic/Neolithic Transformation in the Lower Rhine Basin. In: P. Bogucki (red.); Case Studies in European Prehistory. Boca Raton (VS).

Mares W. & J.J.F.W. van Agt, 1962. De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. Deel V: de Provincie Limburg. Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, Den Haag.

Renes, J., 1988. De geschiedenis van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap. Van Gorcum, Assen/ Maastricht.

Renes, J., 2000. Krijt/lösslandschap. In: Barends, S. e.a. (red.); Het Nederlandse landschap; een historisch-geografische benadering: 129-141. Stichting Matrijs, Utrecht.

Rensink, E., 2005. Het midden-paleolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 119-141.

Roymans, N., 1996. The Sword or the Plow, Regional dynamics in the romanisation of Belgic Gaul and the Rhineland area. In: N. Roymans (ed.); From the Sword to the Plough. Amsterdam Uni- versity Press, Amsterdam.

Schinkel, K., 1994. Zwervende erven; bewoningssporen in Oss-Ussen uit bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd: opgravingen 1976-1986. Proefschrift, Universiteit Leiden, Leiden.

Slofstra. J., 1983. An Anthropological Approach to the Study of Romanization Processes. In: R.W. Brandt & J. Slofstra (eds.); Roman and Native in the Low Countries. British Archaeological Report (BAR), International Series 184.

Sluys van der, J., 1998. De naam van Schinveld is in klei geschreven: Limburgse landschappen 3. De Natuurgids 1998(7 - Heerlen): 206-208.

Sprokholt, H.J., 1992. Romeinse bewoning in en om het Maasdal; Catalogus van villaterreinen in Limburg en delen van Noord-Brabant en Gelderland. Gecorrigeerde versie van de doctoraal- scriptie “Romeinse villae in het Maasdal en overig Nederlands Limburg”. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort.

Tack, G., P. van den Brempt & M. Hermy, 1993. Bossen in Vlaanderen. Een Historische ecologie. Kredietbank en Stichting Leefmilieu, Leuven.

Ubachs, P.J.H., 2000. Handboek voor de geschiedenis van Limburg. Maaslandse Monografieën 63. Maastricht.

Venner, J., red., 2001. Geschiedenis van Limburg. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, Maastricht (2 delen).

Verhart, L., 2000. Times fade away: the neolithization of the southern Netherlands in an anthropo- logical and geographical perspective. Proefschrift Universiteit van Leiden, Leiden.

Verhart, L. & Arts, N., 2005. Het Mesolithicum in Zuid-Nederland. In: J. Deeben, E. Drenth, M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.); De Steentijd van Nederland. Archeologie 11/12: 235-260.

Vermeersch, P.M. & P. van Peer, red., 1990. Contributions to the mesolithic in Europe; papers pre- sented at the fourth international symposium ‘The Mesolithic in Europe’. Studiapraehistorica Belgica 5. Leuven.

Zimmermann, A., J. Meurers-Balke & A.J. Kalis, 2006. Das Neolithikum. In: J. Kunow & H.H. Wegner (red.); Urgeschichte im Rheinland: Jahrbuch 2005 des Rheinischen Vereins für Denk- malpflege und Landschaftsschutz: 159-210. Verlag des Rheinischen Vereins für Denkmalpflege und Landschaftsschutz, Köln.

Bijlage 2. Wettelijk kader

Inleiding

In deze bijlage staat het wettelijke kader op het gebied van archeologie centraal. Het archeologie- beleid dat op gemeentelijk niveau dient te worden uitgewerkt, wordt namelijk gestuurd door wet- en regelgeving op hoger niveau. Voor het gemeentelijk archeologiebeleid waren tot recentelijk de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) en de Monumentenwet 1988 van belang. Deze wetten regelden de zorg voor ons bodemarchief en waren een vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. Beide wetten zijn echter per 1 juli 2016 komen te vervallen. Met de komst van twee nieuwe wetten, namelijk de Erfgoedwet (per 1 juli 2016) en de toekomstige Omgevingswet (naar verwachting in 2019) wordt een integrale bescherming van ons cultureel erf- goed mogelijk gemaakt. De onderdelen van de Monumentenwet 1988, die pas later overgaan naar de Omgevingswet, blijven wel van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.

Verdrag van Malta

Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd (Ministerie van WVC en BZ, 1992). Het verdrag van Malta heeft als doel archeologische waarden in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed (artikel 1). Het accent ligt op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem en op het zoveel mogelijk beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen (artikel 2). Het verdrag bepaalt dat archeologische waarden voortaan expliciet bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen moeten worden meegewogen. Waar mogelijk dienen de archeologische waarden te worden ontzien (behoud in situ). Wanneer bescherming en inpassing van archeologisch waardevolle terreinen niet mogelijk blijkt, zal de historische informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek moeten worden veilig gesteld (behoud ex situ). Om deze doelstelling te bereiken, moet het archeologische belang volledig erkend worden in planologische besluitvormingsprocessen (artikel 5).

De veroorzaker van de bodemverstoring is verantwoordelijk voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek en de financiering daarvan (het ‘veroorzaker-betaalt-principe’; artikel 6). Onderzoek moet worden uitgevoerd door deskundigen en worden afgesloten met een schriftelijke wetenschappelijke verslaglegging (artikel 7).

Een informatieplicht is vastgelegd in de vorm van verplichte uitwisseling van informatie en het actueel houden van een databank met archeologische gegevens (artikels 7 en 8). Het verdrag verplicht ook voorlichting aan het publiek en publiekgerichte ontsluiting van archeologische waarden om bij het publiek meer begrip te ontwikkelen voor het belang van het archeologische erfgoed (artikel 9).

Wet op de Archeologische MonumentenZorg (2007) / Monumentenwet 1988

Voor het gemeentelijk archeologiebeleid was tot op heden met name de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van belang (vastgesteld in 2007). De wet sluit zoveel mogelijk aan op bestaande wet- en regelgeving en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988 (Ministerie van OCenW, 1988; Ministerie van OCenW, 2006). Doelstelling van de Wamz is archeologische resten waar nodig te beschermen, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk is. De bescherming van archeologische resten dient proportioneel te zijn. Dit geeft ruimte voor een belangenafweging.

De uitgangspunten van deze monumentenwetgeving sluiten veelal aan bij het verdrag van Malta. Zo wordt veel waarde gehecht aan behoud en beheer in de bodem en verbetering van de informatievoorziening over het archeologisch erfgoed. Ook het ‘veroorzaker-betaalt-principe’ is integraal overgenomen. Meest relevant voor de gemeenten is de verankering van de archeologie in de bestemmingsplannen en het feit dat het bevoegde gezag ten aanzien van het de omgang met het bodemarchief grotendeels bij de gemeente is komen te liggen.

Erfgoedwet (2016) als onderdeel van Omgevingswet (2022)

Overgangssituatie in de wetgeving: 2016 - 2022

De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de erfgoedwet (certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten). De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2022 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016- 2022. Concreet betekent dit, dat onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2022 naar de Omgevingswet over gaan, van kracht blijven tot die wet in werking treedt.

Omgevingswet

Veel gemeenten vinden de regels voor ruimtelijke plannen nu ingewikkeld en onduidelijk. Met de Omgevingswet wil het kabinet het omgevingsrecht makkelijker maken. Door regels te vereenvoudigen en samen te voegen is het straks gemakkelijker om bouwprojecten te starten.

Het omgevingsrecht bestaat uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. En allemaal met hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De wetgeving is daardoor te ingewikkeld geworden voor de mensen die ermee werken. Daardoor duurt het bijvoorbeeld langer voordat een project kan starten. Het kabinet wil het omgevingsrecht makkelijker maken en samenvoegen in één Omgevingswet. Een aantal wetten gaat in zijn geheel op in de Omgevingswet, waaronder de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de Monumentenwet 1988 gaan alle de onderdelen over omgevingsrecht naar de Omgevingswet (bron: www.rijksoverheid.nl). Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving:

•Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten

•Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie

•Bescherming van stads- en dorpsgezichten

De wet gaat naar verwachting in 2022 in. De Erfgoedwet regelt dat de onderdelen van de Monumentenwet 1988, die in 2022 overgaan naar de Omgevingswet, van kracht blijven tot de Omgevingswet in werking treedt (bron: www.cultureelerfgoed.nl; zie kader volgende paragraaf).

Erfgoedwet

Per 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed.

Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden (bron: www.cultureelerfgoed.nl en www.rijksoverheid.nl).

De wet vervangt zes bestaande wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, name- lijk 1) Monumentenwet 1988 (deels), 2) Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten, 3) Wet tot behoud van cultuurbezit, 4) Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied, 5) Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 en 6) Regeling materieel beheer museale voorwerpen.

In de Erfgoedwet komen de volgende acht zaken aan de orde:

•Beheer van de rijkscollectie

•Sturingsrelatie met Rijksmusea

•Regels voor afstoten van objecten en collecties

•Bescherming van rijksmonumenten

•Regels archeologische monumentenzorg

•Teruggave van cultuurgoederen

•Financiën

•Toezicht en handhaving

Bepalingen/ veranderingen die voor gemeenten van belang zijn:

•Het college van B&W heeft adviesrecht als het gaat om het aanwijzen van beschermde rijksmonumenten (artikel 3.2).

•De gemeenteraad kan een erfgoedverordening vaststellen. De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzon-

•der belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. (artikel 3.16, eerste en tweede lid).

•Het college van B&W houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij (artikel 3.16, derde lid).

•College van B&W moet het voornemen om cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend maken, de kans bieden om zienswijzen in te dienen en bij het vermoeden van landelijke betekenis een adviescommissie van onafhankelijke deskundigen inschakelen (artikel 4.17 en 4.18).

•Het vergunningstelsel voor archeologische bedrijven wordt vervangen door wettelijk geregelde certificering. Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden. Het is verboden zonder certificaat daartoe handelingen te verrichten met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt. Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, krijgen hiermee te maken. Door het certificeringssysteem wordt de gemeentelijke opgravingsbevoegdheid landelijk geldig en is deze niet langer beperkt tot de gemeentegrenzen. Zo kunnen gemeenten eenvoudiger in regioverband opgravingen uitvoeren en kunnen zij met hun archeologische expertise effectiever buurgemeenten ondersteunen (paragraaf 5.1 en www.cultureelerfgoed.nl).

•Een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, is eigendom van de gemeente waar de vondst is aangetroffen, indien die gemeente beschikt over een aangewezen depot als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid.

•Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in de desbetreffende gemeente een depot aanwijzen waarin archeologische vondsten die in die gemeente zijn aangetroffen bij opgravingen kunnen worden opgeslagen op een wijze die uit een oogpunt van behoud en toegankelijkheid verantwoord is (artikel 5.8, tweede lid).

Daarnaast geldt:

•De tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten voor excessieve opgravingskosten vervalt; hiervoor is een beperkte tegemoetkoming in het gemeentefonds: gemeenten ontvangen sinds 2007 circa € 0,17 per woonruimte per jaar voor excessieve opgravingskosten. Dit is een klein bedrag, maar dit bedrag zou wel gereserveerd kunnen worden tot een moment dat een opgravingssituatie zich voordoet. Overigens is de verstoorder als eerste aanspreekbaar op het betalen van de kosten. Er is geen norm voor de verdeling van de kosten tussen de verstoorder en de gemeenten.

•Er is een (tijdelijk?) landelijk fonds of subsidieregeling voor wetenschappelijk onderzoek naar (recente) uitzonderlijke archeologische vondsten in Nederland van (inter)nationaal belang (in 2016 een bedrag van € 250.000,00). Het is vooralsnog onduidelijk of en in welke mate deze subsidieregeling blijft bestaan.

Erfgoedwet, Artikel 9.1. Overgangsrecht Omgevingswet

1Tot het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 16 juni 2014 ingediende voor- stel van wet houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) (Kamerstukken 33 962) tot wet is verheven en in werking is getreden:

a.blijven de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.

Hoofdstuk V, § 1, Monumentenwet 1988. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen [Vervallen per 01-07-2016]

Artikel 38 [Vervallen per 01-07-2016]

1De gemeenteraad kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij veror- dening onder meer:

a.regels vaststellen met betrekking tot de eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan onderzoek in het kader van het doen van opgravingen; of

b.gevallen vaststellen waarin burgemeester en wethouders kunnen afzien van nader archeologisch onderzoek of het opleggen van daartoe strekkende verplichtingen.

2Indien een verordening als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gebied waarvoor een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 38a is vastgesteld, blijft die veror- dening van kracht voor zover zij niet met dat bestemmingsplan in strijd is.

3Op de voorbereiding van een verordening als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 38a [Vervallen per 01-07-2016]

De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersver- ordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Artikel 39 [Vervallen per 01-07-2016]

1Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht worden gesteld.

2Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 40 [Vervallen per 01-07-2016]

1Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.

2Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid voorschriften kunnen worden verbonden die zijn vastgesteld krachtens artikel 2.22, derde lid, onderdeel d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 41 [Vervallen per 01-07-2016]

1De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.

2De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rap- port over te leggen, waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 41a [Vervallen per 01-07-2016]

De artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, zijn niet van toepassing op projecten met een opper- vlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

Artikel 42 [Vervallen per 01-10-2010] Artikel 43 [Vervallen per 01-07-2016]

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid.

Bijlage 3. Beleidskader

Inleiding

Vanuit de archeologische wetgeving hebben de diverse overheden bepaalde taken en bevoegdheden gekregen. De verantwoordelijkheden zijn vervolgens vertaald in beleid en regelgeving. Dit proces is echter nog niet afgerond. De huidige stand van zaken van dit lopende proces wordt hieronder toegelicht. Er wordt ingegaan op het rijksbeleid en het provinciaal beleid. Deze vormen het kader voor het archeologiebeleid van de gemeente.

1.1Rijksbeleid

Behalve de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het rijksarcheologiebeleid en de handhaving van de Monumentenwet, geeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) advies en ontwikkelt kennis. Samen met anderen is het verantwoordelijk voor de zorg van het Nederlandse erfgoed boven de grond, onder de grond, onder water en in musea. Ook houden ze zich bezig met erfgoed in relatie tot onze leefomgeving. De uitgangspunten van het te voeren beleid zijn o.a. ver- woord in:

•Nationale Omgevingsvisie (2020): In het kader van de Omgevingswet heeft het Rijk in 2020 een Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld waarin het Rijk een langetermijnvisie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereik- baarheid en woningbouw waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Met de NOVI biedt het Rijk een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen (www.rijksoverheid.nl en www.novistukken.nl).

•Missie, visie en strategie (2020): In dit document worden de missie, visie en strategie van het rijk uiteengezet inzake monumenten, roerend erfgoed, archeologie en het landschap (www.culturee- lerfgoed.nl).

•Beleidsbrief Erfgoed Telt - De betekenis van erfgoed voor de samenleving (2018, www.cultureel- erfgoed.nl). Het kabinet werkt hierin het erfgoedbeleid uit van 2018 tot 2021. De 3 pijlers van Erf- goed Telt zijn:

•instandhouding

•erfgoed in onze leefomgeving

•de verbindende kracht van erfgoed.

•Evaluatie Erfgoedwet voor het onderdeel archeologie (2020-2021): De in 2016 in werking getreden Erfgoedwet omvat meer dan alleen archeologie. De wet wordt in de komende jaren geëvalueerd, maar het onderdeel archeologie is door een motie van de Tweede Kamer naar voren gehaald. In die motie van 2 juli 2019 verzocht de Kamer de regering om de Erfgoedwet op het onderdeel archeologie samen met de archeologische sector te evalueren. Het ministerie van OCW wilt de werking van de Erfgoedwet in de praktijk inzichtelijk maken en toetsen aan de doel- stellingen van het Verdrag van Valletta. De evaluatie concentreert zich rond een aantal thema’s:

•Taken en rollen van overheden

•Kwaliteit van archeologisch onderzoek

•Marktwerking

•Publieksbereik en participatie

•Behoud in situ

•Certificering

•Arbeidsmarkt

De resultaten van reeds uitgevoerde onderzoeken zijn terug te vinden op de website van de Rijks- dienst van het Cultureel Erfgoed (www.cultureelerfgoed.nl).

1.2Provinciaal beleid

Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

In het kader van de Omgevingswet dient de provincie Limburg medio 2022 te beschikken over een Omgevingsvisie (POVI) en een Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarbij staan de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving centraal. Het huidige Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vormt deels het vertrekpunt voor de Omgevingsvisie. De keuzes uit de provinciale omgevingsvisie worden vervolgens in de Omgevingsverordening vertaald naar regels, zodat deze juridisch geborgd zijn.

De Provincie stelt dat de verantwoordelijkheid voor een groot deel van het archeologisch erfgoed bij de gemeenten ligt. De Provincie beperkt haar betrokkenheid tot archeologische waarden die van provinciaal belang worden geacht. Daartoe is een aantal archeologische aandachtsgebieden aangewezen, representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden.

In de Parkstadgemeenten ligt 1 aandachtsgebied: Via Belgica (zie kader).

Provinciaal aandachtsgebied: Via Belgica

Het huidige Heuvelland werd in de Romeinse tijd van oost naar west doorkruist door de oorspronkelijk vooral militair belangrijke weg van Keulen via Heerlen en Maastricht (Maasbrug) naar Boulogne. Deze “Via Belgica” was een belangrijke as waarlangs zich allerlei ontwikkelingen hebben afgespeeld. Het tracé van deze internationale route (Romeinse Rijksweg) werd in 2003 in opdracht van de Provincie Limburg nader onderzocht: 39 oude meldingen en waarnemingen werden gecontroleerd, ankerpunten vastgesteld, nieuw bureauonderzoek onder andere met behulp van de AHN, historische kaarten en luchtfoto’s en op drie locaties werd een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit- gevoerd. Van de in Limburg ca. 40 km lange weg staat inmiddels 7 km tracé vast. Vooral tussen Heerlen en Voerendaal is de weg goed in kaart gebracht. Om het provinciale belang van de weg en de naaste omgeving daarvan tot uitdrukking te brengen wordt een zone van ongeveer een kilometer ter weerszijden van de vermoedelijke route tussen Meerssen en Voerendaal als aandachtsgebied aangewezen. Het tracé was het best bekend in de vicus Coriovallum (Heerlen) en de vicus Traiectam ad Mosam (Maastricht). Het onderzoek heeft geleid tot de volgende conclusies:

•de weg lijkt niet direct gekoppeld aan één landschapstype

•de weg volgt niet uitsluitend hoogten en heeft ook geen voorkeur voor lage delen

•de weg volgt een relatief rechte lijn tussen Heerlen, Valkenburg en Maastricht, waarbij de wisseling tussen het volgen van die rechte lijn en het vermijden van moeilijk begaanbare delen zoals moerassige laagtes heeft geleid tot creatieve oplossingen

•de weg is nauwelijks of niet bewaard als ter plaatse afdekkende sedimenten ontbreken. De conservering verschilt dus sterk. Gebrek aan onderhoud, de afdekking door colluvium en het hergebruik van grind leiden tot onzichtbaarheid van delen van de weg.indien de weg niet verdwenen is onder latere afzettingen (bijvoorbeeld colluvium) is continue gebruik mogelijk. Het middeleeuwse en postmiddeleeuwse wegstelsel overlappen echter meestal niet. Er is hooguit sprake van lokale continuïteit.

•De Provincie wil, in samenwerking met de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Valkenburg a/d Geul en Voerendaal, deze route weer beleefbaar en zichtbaar maken. De ambities zijn:

•Het verhaal van de Via Belgica ontwikkelen en breed uitdragen via storytelling

•Het maken van een overkoepelende huisstijl

•Het ontwerpen, bouwen en beheren van een website, social media, app, augmented reality

•Het ontwikkelen van storytelling tool

•Het opzetten van aansprekende arrangementen, samen met lokale onder- nemers en gemeenten

•De belangrijkste herkenningspunten, zoals de wachttorens en villa’s, nog meer zichtbaar en toegankelijk maken

•Ruimte geven om aan te haken en een eigen bijdrage te leveren aan het verhaal van Via Belgica.

•Meer informatie is te vinden op de website van de provincie www.limburg.nl en op www. viabelgica.nl

De Provincie zet zich in voor onderzoek naar en behoud van de archeologische waarden in deze aandachtsgebieden. Dit gebeurt door toe te zien dat de aandachtsgebieden geborgd worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, in gemeentelijke bestemmingsplannen. Via het Platform Archeologie wordt gewerkt aan een goede inbedding op gemeentelijk niveau. Bij ontgrondingen en inpassingsplannen is de Provincie bevoegd gezag en wordt de aanpak afgestemd met de gemeente.

De archeologische aandachtsgebieden en de voorschriften die daaraan verbonden zijn, zijn uitgewerkt in van der Gaauw, 2008. Ten opzichte van de archeologische aandachtsgebieden wordt de volgende beleidslijn aangehouden:

•Bij onderzoek dat in het kader van bestemmingsplannen plaatsvindt, is de gemeente bevoegd gezag. De provincie ondersteunt waar nodig. De provincie heeft voor de aandachtsgebieden wetenschappelijke kaders uitgewerkt (een methodische werkwijze), die als uitgangspunt kunnen dienen bij het onderzoek.

•Als een bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met archeologische waarden, kan de provincie een attentiegebied aanwijzen. Het bestemmingsplan zal dan door de gemeente moeten worden herzien. De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat gemeenten, die over een archeologische beleidskaart en kader beschikken, wel voldoende rekening zullen houden met de archeologische waarden. De Provincie zal daarom terughoudend zijn met het aanwijzen van attentiegebieden.

•Zowel voor concrete plannen als voor ruimtelijke ontwikkelingen op de langere termijn zal de provincie bevorderen dat het archeologisch onderzoek in een vroegtijdig stadium wordt opgepakt.

•Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv dient in de aandachtsgebieden archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Tenzij de gemeente lagere ondergrenzen heeft vastgesteld, gelden hierbij de volgende ondergrenzen:

•gebieden met een hoge verwachting: 1000 m²

•gebieden met een middelhoge verwachting: 2500 m²

•gebieden met een lage verwachting: 10.000 m²

•vindplaats binnen 50 meter: altijd archeologisch onderzoek

•Behoudenswaardige vindplaatsen in aandachtsgebieden zijn per definitie van provinciaal belang. Het selectiebesluit zal hier dan ook in alle gevallen inhouden om de vindplaats in situ te behouden of, als dat niet mogelijk is, op te graven.

•PvE’s, PvA’s en rapporten van archeologisch onderzoek in de aandachtsgebieden worden getoetst door de provincie.

Buiten de aandachtsgebieden wordt het archeologisch beleid van de gemeente gevolgd.

De kracht van Archeologie 2020-2023

De provincie Limburg wil de komende jaren stappen zetten op het gebied van digitalisering, ontsluiting van het archeologisch erfgoed voor het Limburgse publiek en het stimuleren van efficiënte samenwerking en onderlinge kennisuitwisseling tussen partijen. Veel collecties liggen immers nog verstopt op zolders of in depots of men is niet op de hoogte van lopende initiatieven en projecten.

Samen met partners en vrijwilligers in de archeologie wordt ingezet op de instandhouding en beleving van het archeologisch erfgoed in Limburg. Met het archeologiebeleid zet de Provincie in op:

•publieksbereik

•publieksparticipatie

•de (digitale) ontsluiting

•benutting van resultaten archeologisch onderzoek

Het beleidsprogramma is opgedeeld in twee actielijnen.

Actielijn 1: ‘de verbindende waarde van archeologie’ richt zich op de (digitale) ontsluiting van archeologie voor een breder publiek. Enerzijds vanuit de attractiviteit ervan, anderzijds vanuit de maatschappelijke waarden zoals identiteit en cohesie.

Actielijn 2: ‘de verbeterde archeologische monumentenzorg’ richt zich op de wettelijke archeologische verplichtingen in heel Limburg doelgericht en efficiënt in te vullen en de resultaten ervan zoveel mogelijk te benutten.

Via een subsidieregeling ondersteunen we initiatieven die bijdragen aan de ambitie van ons beleid. Deze regeling wordt gecombineerd open gesteld met het beleidsonderdeel ‘klein erfgoed’ vanuit monumenten. Onderstaande projecten zijn door de Provincie actief ondersteund dan wel opgericht.

De Vondst, centrum voor archeologie Limburg

De Vondst is het centrum voor archeologie in Limburg. Op deze unieke locatie in Heerlen bundelen de Provincie Limburg, gemeente Heerlen en stichting Restaura hun krachten. Zowel het Provinciaal depot voor bodemvondsten als het restauratieatelier van Restaura is er gehuisvest. Het doel van De Vondst is om het archeologisch proces ‘van vondst tot vitrine’ inzichtelijk te maken voor iedereen in Limburg. Er is een gratis toegankelijk, speciaal publieksgedeelte ingericht waar je alles kunt horen, zien en beleven op het gebied van de Limburgse archeologie. Bezoekers kunnen de permanente expositie bekijken en meekijken met restauratoren die aan het werk zijn. Ook is een rondleiding door het provinciaal depot of het ervaren van archeologische werkzaamheden moge- lijk. Tevens worden diverse lezingen en workshops georganiseerd rondom actuele thema’s. De Vondst is daarmee een verbindingsplatform in de breedste zin van het woord. Het is dé plek in Lim- burg waar iedereen met zijn of haar vragen over en nieuwsgierigheid naar archeologie terecht kan.

ArcheoRoute

In samenwerking met Limburg Marketing en diverse gemeenten is de Archeo Route Limburg ontwikkeld. Door een fysiek speerpunt en de modernste virtuele technieken worden archeologische vindplaatsen fysiek en digitaal beleefbaar gemaakt. Je beleeft de verborgen geschiedenis van de plek op een moderne manier en gaat via augmented reality terug in de tijd. Er zijn reeds tientallen plekken in Limburg op deze manier te bezoeken.

Foto van archeoroute, speerpunt De reus van Brunssum, op de hoek Dorpstraat-Kerkstraat (www.archeoroute-limburg.nl).

Via Belgica

Door middel van een projectmatige samenwerking tussen gemeenten en ondernemers wordt het Romeins verleden in Zuid-Limburg beleefbaar gemaakt. Door de combinatie van meer dan 400 deelnemers bestaande uit overheden, ondernemers en verenigingen is een divers aanbod voor- handen waarin het verhaal achter deze Romeinse weg tot leven komt. Of je nu de verhalen al wandelend, fietsend, proevend, ruikend of met augmented reality wil beleven, het kan bij de Via Belgica.

Nationale Archeologiedagen

Ieder jaar, in het tweede weekend van oktober, vinden de Nationale Archeologiedagen plaatst. Limburg is de provincie met de meeste activiteiten en deelnemers tijdens dit weekend. In 2018 vonden 69 activiteiten op 37 plekken plaats die ruim 11.000 bezoekers trokken. Zowel onze musea met archeologische collecties, als heemkundeverenigingen en archeologische werkgroepen organiseren tal van activiteiten waar het publiek archeologie kan beleven. Het aanbod varieert van het uitvoeren van archeologische werkzaamheden tot tentoonstellingen, lezingen, open depots en workshops dwars door de hele provincie.

Kennisstand

De Provincie Limburg heeft de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst laten onderzoeken op basis van onderzoeksrapporten vervaardigd tussen 2007 en 2013. In 2007 was reeds een kennisstand opgemaakt op basis van onderzoeken uitgevoerd tussen 1995 en 2006. Om de in de onderzoeken opgedane archeologische kennis te synthetiseren zijn in 2017 drie rapporten gepubliceerd die samen een actueel overzicht geven van de kennis per periode, per thema en per landschap. De syntheserapporten (https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeolo- gie/arch-onderzoek/) beslaan de Vroege prehistorie, Late prehistorie en Romeinse tijd. Het rapport over de Middeleeuwen/NieuweTijd volgt op een later moment.

De komende jaren wensen provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader volgen onderstaande onderzoeksvragen die in elk Programma van Eisen voor onderzoeken in Limburg dienen opgenomen te worden:

1Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017?

2Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)?

Villa Voerendaal - Limburgs Museum

Villa Voerendaal moet rond het jaar 100 een enorm agrarisch bedrijf zijn geweest. Sterker nog: het is de grootste Romeinse villa van Nederland en omstreken die we tot op heden kennen. Al in 1985 werd de villa grotendeels blootgelegd en werden er zo’n 20.000 vondsten gedaan, maar die opgravingen zijn nooit onderzocht aangezien er geen geld voor verder onderzoek was. De vondsten zijn voor een groot deel opgeslagen bij De Vondst, centrum voor archeologie in Limburg. Onder leiding van het Limburgs Museum kijkt een team van experts nu voor het eerst naar deze cold case. Het meerjarig onderzoek naar Villa Voerendaal wordt gesubsidieerd door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Het bijbehorende publieksprogramma wordt gesubsidieerd door de Provincie Limburg. Door het creëren van een publieksprogramma wordt op diverse locaties het onderzoek bij het publiek onder de aandacht gebracht.

Villa Voerendaal

Als ambitie voor 2020-2023 formuleert de Provincie:

Limburg werkt actief aan het vergroten van de (digitale) zichtbaarheid en toegankelijkheid van archeologie in de Limburgse samenleving, verbindt partijen met elkaar en laat mensen vaker met de verhalen achter de vondst in aanraking komen. Het financieel kader is opgebouwd uit de regulier in de programmabegroting en Meerjarenraming 2020-2023 opgenomen middelen voor Archeologie: € 1.568.200. Uit de beleidsintensiveringsmiddelen voor monumenten wordt een bedrag van € 1,5 mln ingezet voor archeologie voor de jaren 2020 en 2021. Verder wordt voor de periode 2022-2023 op basis van een financiële tussenrapportage in het kader van de begrotingscyclus eventuele, extra inzet van middelen opnieuw bezien. Conform de financiële spelregels zoals vast- gesteld in de herfstbrief 2019 blijven de in enig jaar niet benutte middelen in principe beschikbaar voor de volgende jaren van dit beleidsprogramma (www.limburg.nl).

Bijlage 4. Stappenplan bij vergunningaanvraag

Afkortingen:

I Initiatiefnemer / vergunningaanvrager

V Gemeentelijk medewerker vergunningen

A Gemeentelijke adviseur archeologie

U Uitvoerend archeologisch bedrijf

B&W Burgemeester en Wethouders*

*de beslissingsbevoegdheid van B&W wordt vaak gedelegeerd

Stap

Actor

Processtap

Besluit

Vervolg

1(vergunning-aanvraag)

I

Vraagt vergunning aan

V

Beoordeelt onderzoeksplicht (toet- singskader: bestemmingsplan)

A

Adviseert V bij twijfel

V

Deelt I mee of sprake is van onderzoeksplicht

Nee

Vergunning zonder voorwaarden

Ja

Stap 2

2(vergunning-aanvraag)

V

Deelt I type onderzoek mee én de daaraan gekoppelde onderzoekseisen.

Bij niet gravend onderzoek: stap 3

Bij gravend onderzoek: stap 5

3(niet gravend onderzoek; bureauonderzoek en/of verkennend/karterend booronderzoek en/of oppervlaktekartering

I

Geeft opdracht aan U voor niet-gra- vend onderzoek

U

Voert onderzoek uit conform onder- zoekseisen en stelt rapport op

I

Legt het rapport ter toetsing aan de gemeente (V) en diens adviseur (A) voor

A

Toetst rapport en koppelt dit terug aan I

I

Laat U - indien nodig - het rapport aanpassen

A

Toetst het rapport opnieuw. Indien akkoord volgt advies aan B&W over noodzaak vervolgonderzoek.

B&W

Beslist over vervolg (selectie- besluit). Is vervolgonderzoek noodzakelijk?

Nee

Vergunning zonder voorwaarden

Ja

Stap 4

4

V

Deelt I het besluit mee. Het vervolg- traject wordt uitgelegd én de daar- aan gekoppelde onderzoekseisen.

Advies niet-gravend onder- zoek: Stap 3

Advies gravend onderzoek: stap 5 e.v.

5(PvE voor gravend onderzoek)

I

Geeft U opdracht tot opstellen PvE voor gravend onderzoek

U

Stelt PvE op conform onderzoekseisen.

I

Legt het PvE ter toetsing aan de gemeente (V) en diens adviseur (A) voor

A

Toetst PvE en koppelt dit terug aan I

I

Laat U – indien nodig - het PvE aanpassen

A

Toetst het PvE opnieuw. Indien akkoord volgt goedkeuringsadvies aan B&W

B&W

Stelt PvE vast.

U/A/B&W

Ondertekenen PvE

Stap 6

6(proefsleuven, opgraving, begeleiding)

I

Geeft opdracht tot uitvoering onderzoek

U

Voert onderzoek uit en stelt (indien relevant) evaluatierapport op

I

Legt het evaluatierapport aan de gemeente (V) en diens adviseur (A) voor

A/V (B&W)

Overlegt met U over inhoud evalu- atierapport t.a.v. uitwerking en rap- portage. Uiteindelijk besluit over de mate van uitwerking wordt door B&W genomen.

U

Past evaluatierapport aan

B&W

Stelt evaluatierapport vast

U/A

Ondertekenen evaluatierapport

I

Geeft U – indien noodzakelijk – een aanvullende opdracht tot uitwerking en rapportage

U

Stelt conceptrapport op

I

Legt het conceptrapport ter toetsing aan de gemeente (V) en diens advi- seur (A) voor

A

Toetst conceptrapport en koppelt dit terug aan I

I

Laat U – indien nodig - het concep- trapport aanpassen

A

Toetst het rapport opnieuw totdat het akkoord wordt bevonden.

B&W

Keurt rapport goed

Na proefsleuven volgt stap 7

Na opgraving en begeleiding volgt stap 8

7

A

Adviseert B&W over noodzaak vervolgonderzoek.

B&W

Neemt selectiebesluit. Is het een waardevol terrein?

Nee

Vergunning zonder voorwaarden

Ja

Vergunning met voorwaarde: Planaanpassing of opgraving, begelieding (stap 5 en 6)

8

U

Verzorgt deponering vondstel verspreiding rapport, registratie bij RCE

Einde project

Bijlage 5. AMZ-fasering

AMZ: Archeologische MonumentenZorg

Als eerste stap in het AMZ-fasering dient een bureauonderzoek te worden uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiermee kan inzicht verkregen worden in welke archeologische waarden waar verwacht worden en reeds bekend zijn en kan ook bepaald worden waar deze mogelijk door geplande bodemingrepen bedreigd worden.

Als de resultaten van het bureauonderzoek hier aanleiding toe geven, dient vervolgens een inventariserend veldonderzoek (IVO) plaats te vinden. Vaak worden het bureauonderzoek en het veldonderzoek gelijktijdig uitgevoerd, maar dan nog zijn de resultaten van het bureauonderzoek richting- gevend voor de aard van het uit te voeren veldonderzoek. Het resultaat van een IVO is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie-)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing genomen kan worden. Dit betekent dat de veldactiviteiten uit- gevoerd worden tot het niveau dat voldoende gegevens verzameld zijn om deze beslissing gefundeerd te kunnen nemen.

Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting. Dit gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Meestal wordt eerst een ver- kennend of karterend booronderzoek uitgevoerd, soms aangevuld met of vervangen door een oppervlaktekartering. Door middel van deze vormen van onderzoek wordt getracht een eerste inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Indien geen archeologische waarden (vindplaatsen) worden aangetroffen of blijkt dat de archeologische waar- den niet door geplande ingrepen verstoord worden, gelden geen verdere restricties met betrekking tot de verdere planuitvoering.

Bij vaststelling van archeologische resten dienen de omvang en gaafheid hiervan te worden vast- gesteld aan de hand van een waarderend vervolgonderzoek. Ook deze waarderende fase is onder- deel van het IVO. Meestal gebeurt dit in de vorm van zogenaamde proefsleuven, wat de mogelijkheid biedt om nauwkeuriger gegevens met betrekking tot aspecten als omvang, kwaliteit en kwantiteit van de archeologische sporen te verkrijgen. Door middel van één of enkele proefsleuven worden de archeologische sporen blootgelegd en opgetekend. Proefsleuven zijn dan ook opgravingen in het klein, waarvoor min of meer dezelfde eisen gelden die aan een opgraving worden gesteld. Het onderzoek is vrij arbeidsintensief en vindt bij voorkeur ruim voor de planuitvoering plaats. De resultaten van het proefsleuvenonderzoek geven uitsluitsel over de behoudenswaardigheid van de archeologische resten, op basis waarvan een selectiebesluit kan worden genomen.

Hierbij bestaan verschillende mogelijkheden:

•De vindplaats is niet behoudenswaardig, kan dan ook afgeschreven worden en er zijn geen verdere restricties voor de planvorming.

•De vindplaats is behoudenswaardig en kan in situ behouden worden (bescherming) door planinpassing/planaanpassing.

•De vindplaats is behoudenswaardig, maar behoud in situ is niet reëel. In dit geval dient de vind- plaats ex situ behouden te worden, wat betekent dat er een volwaardige opgraving dient plaats te vinden.

•Afhankelijk van de aard van de geplande werkzaamheden of als er minder waardevolle archeologische resten zijn aangetroffen, kan ook voor archeologische begeleiding tijdens de werkzaam- heden worden gekozen (conform protocol opgraven).

Zowel voorafgaand aan een waarderend onderzoek als aan een definitieve opgraving en een archeologische begeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin de archeologische eisen staan omschreven waaraan het onderzoek dient te voldoen. Dit PvE dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.