Gemeentelijke regelgeving

“REGIONAAL PROGRAMMA ENERGIEVOORZIENING”, GEMEENTE BRUMMEN

Gemeente Brummen · geldt sinds 27 mei 2025

Aanhef

Kenmerk Z099968/D458201

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE BRUMMEN;

Heeft besloten:

1In te stemmen met het ontwerp-Regionaal programma energievoorziening (RPE) (D458309) en de bijbehorende bijlagen.

0. Een blik op de toekomst

0.2 De energie-voorziening van de toekomst

Leeswijzer

Voordat u verder leest in het Regionaal Programma Energievoorziening; heeft u de toekomstbeelden in het begin van het document gelezen? Met het RPE in de hand willen we, met elkaar, stappen zetten om die geschetste toekomst te bereiken.

Een piramide, geen trechter

Het begin van dit document kenmerkt de manier waarop het opgebouwd is: met een piramide in gedachten. Dit in tegenstelling tot de trechtermethode die vaak gebruikt wordt, en waarin uitleg leidt tot een conclusie. Dit document start dus met de kern: de energievoorziening van de toekomst. Daarna, in hoofdstuk 2, leest u hoe u nu meteen al stappen kunt zetten op weg naar die toekomst.

In hoofdstuk 3 krijgt u hulp aangereikt: het energie-perspectief. Dat bevat uitgangspunten en afspraken die alle spelers in de energietransitie kunnen gebruiken. In de handreiking die bij het energieperspectief hoort (bijlage 1) leest u welke energietechnologieën u allemaal ter beschikking staan. Hoofdstuk 4 gaat verder in op de energievraag, het energieaanbod en de omvang daarvan binnen onze regio, uitgewerkt in energiestromen en hoeveelheden. Dit hoofdstuk bevat zowel een doorkijk naar het eindbeeld voor onze energievoorziening in 2050, als het bod uit het RPE, dat een mijlpaal vormt onderweg daar naartoe. Hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 belicht het belang van samenwerking en hoe we in die samenwerking de visie op de energievoorziening van de toekomst kunnen gebruiken. Het RPE bouwt voort op de RES 1.0: bijlage 2 geeft een toelichting op de redenen om de RES 1.0 te herijken.

Begrijpelijke taal

Dit document is begrijpelijk geschreven, met korte zinnen en zo min mogelijk jargon. Gebruikte energie-uitdrukkingen worden zo goed mogelijk toegelicht.

Bijzondere tussenkoppen

Wat ook anders is dan in de meeste beleidsdocumenten, is de keuze voor een bijzondere vorm van tussenkoppen. Ze zijn geschreven in de vorm van een zin. Die zin geeft de kern van de tekst daaronder weer. De rest van de alinea volgt daar aansluitend op. En als u de tussenkopzinnen achter elkaar leest, geven ze u een lopende samenvatting van de inhoud van een paragraaf of hoofdstuk.

Deze opbouw, taal en tussenkoppen zijn gekozen, omdat het RPE is opgesteld voor alle deelnemers aan de energietransitie. Enerzijds natuurlijk voor de RPE-partners; anderzijds ook voor inwoners, ondernemers, agrariërs en maatschappelijke partners.

Op de plekken waar we een specifieke groep aanspreken (gemeenten, of RPE-partners, bijvoorbeeld) benoemen we dat. Daarmee ligt hier een praktisch bruikbaar document waarmee u aan de slag kunt: op weg naar de energievoorziening van de toekomst.

Inleiding

U bent volksvertegenwoordiger of bestuurder in de Energieregio Stedendriehoek.3 Misschien werkt u wel bij het waterschap, bij een netbeheerder of bij een andere organisatie die actief is in de regio Stedendriehoek. Of misschien bent u ondernemer of woont of werkt u gewoon in dit gebied, net als Annemieke in het begin van dit document. Dan is het Regionaal Programma Energievoorziening een document dat voor u is geschreven.

Om ons te ondersteunen op onze weg naar de toekomst, ontwikkelde de regio Stedendriehoek het Regionaal Programma Energievoorziening

Dit is een herijking van de RES 1.0, die in 2021 werd vastgesteld. Het RPE bouwt voort op de RES 1.0 en is een strategie die past bij de wereld van nu en vooruit kijkt naar de toekomst. En die u, als belangrijke speler in de energietransitie, de komende jaren kunt gebruiken in uw keuzes met betrekking tot de energievoorziening. Om op die manier bij te dragen aan een betaalbare, betrouwbare en klimaatneutrale energievoorziening voor alle mensen die wonen en werken in onze regio.

Bijlage 01

Handreiking bij het energieperspectief

Nuttige informatie over energietechnologieën

Inleiding en leeswijzer

Deze handreiking bestaat uit een overzicht van energiebronnen, energiedragers en mogelijkheden voor de opslag van energie. Om te gebruiken als u met het energieperspectief in de hand gaat (mee)bouwen aan de energievoorziening van de toekomst. Het energieperspectief wordt beschreven in hoofdstuk 3 van de het Regionaal Programma Energievoorziening (RPE).

De energievoorziening van de toekomst

In de energievoorziening van de toekomst hebben we verschillende energiebronnen nodig. De bekendste bronnen die we lokaal tot onze beschikking hebben, zijn de zon en de wind. Daarnaast kennen we ook omgevingsenergie, kernenergie en diepe aardwarmte, ook wel geothermie genoemd. Omgevingsenergie is warmte en koude uit lucht, water en ondiepe ondergrond. Al deze bronnen zijn in principe onuitputtelijk.

Om gebruik te kunnen maken van de bronnen, zetten we de energie uit die bronnen om in energiedragers. Elektriciteit is een voorbeeld van een energiedrager. Deze vormt de ruggengraat van de energievoorziening van de toekomst. Naast elektriciteit kennen we energiedragers als waterstof en biogas, vaste biomassa (hout), batterijen, en warmte- en koudebuffers, zoals bijvoorbeeld het water in een buffervat of in de grond. In het oude systeem vervulden fossiele brandstoffen de rol van belangrijkste energiedrager. Die zijn in dat opzicht heel praktisch. In een liter olie zit bijvoorbeeld veel energie, die gemakkelijk opgeslagen kan worden en die goed om te zetten is in warmte of beweging.

De belangrijkste kenmerken onder elkaar

In het totaal behandelt deze handreiking 15 technologieën. Van alle technologieën beschrijft de handreiking de manier waarop ze ingezet kunnen worden en wat anno 2025 de kosten en de opbrengsten zijn. Zodat u, vanuit uw eigen rol, kunt afwegen wat wel of niet bruikbaar is in de energievoorziening binnen uw gemeente of werkgebied. Daarmee is deze bijlage is niet uitputtend en ook niet bij elke bron, drager of techniek even diepgaand. Zo vindt u bijvoorbeeld bij de beschrijving van zonne-energie en windenergie ook de regels die voor het gebruik van deze technologieën gelden en bij de overige beschrijvingen niet. Een ander belangrijk aspect van de toekomstige energievoorziening dat in deze handreiking niet is uitgewerkt, is hoe vraagsturing en flexibel energiegebruik precies vorm gaan krijgen. Wat deze handreiking wél biedt, is een duidelijk overzicht met de belangrijkste kenmerken van elke technologie.

Combinaties en afwegingen

Zoals ook is te lezen in het hoofddocument, is het vormgeven van de energievoorziening van de toekomst geen eenvoudige puzzel. Dit komt omdat de verschillende energietechnologieën allemaal hun specifieke kenmerken hebben. Hieronder werken we twee voorbeelden uit van situaties waarin afwegingen en keuzes moeten worden gemaakt om tot een betaalbare, betrouwbare en duurzame energievoorziening te komen.

Betrouwbare energievoorziening door combineren van zonne-energie met opslag en andere bronnen

Stel dat duurzame elektriciteit in uw gemeente, project of werkgebied op dit moment vooral opgewekt wordt met zonnepanelen. En u realiseert zich dat er meer nodig is om te zorgen dat uzelf of uw inwoners het hele jaar door energie kunnen gebruiken. Dan laat deze handreiking u zien welke mogelijkheden er zijn voor de opslag van energie, bijvoorbeeld met behulp van batterijen of grote warmtebuffers. Vervolgens moet nog een oplossing gevonden worden voor het opwekken van elektriciteit in koude en grijze periodes. De handreiking schetst mogelijkheden voor deze situatie. Bijvoorbeeld de toevoeging van een energiebron in de vorm van windturbines of kleine regelbare elektriciteitscentrales. Tot slot laat de handreiking zien dat inzetten op isolatie en ventilatie altijd een goed idee is.

Betaalbare elektriciteit uit verschillende bronnen

Ook krijgt u een idee van de kosten van elektriciteit die wordt opgewekt met verschillende bronnen. En van de investeringen die nodig zijn om deze opwekking mogelijk te maken. De handreiking laat zien dat elektriciteit opwekken met zonne-energie of windenergie tot een stabiel kostenniveau leidt dat lager ligt dan de prijs die energieleveranciers nu vragen. Om constant te kunnen beschikken over elektriciteit uit zonne-energie en windenergie is ook opslag nodig. Doordat batterijen steeds goedkoper en beter worden, blijft elektriciteit waarschijnlijk in de toekomst nog steeds goed betaalbaar. Zelfs al wordt de opgewekte elektriciteit voor een deel eerst opgeslagen voordat hij wordt gebruikt. Gebruiken we een warmtepomp om omgevingswarmte te benutten, dan kunnen we op die manier met betaalbare elektriciteit zeer efficiënt verwarmen en koelen. Zo’n warmtepomp gaat lang mee, maar de aanschafkosten zijn veel hoger dan die van een cv-ketel. Woningbouwcorporaties spelen hierop in door de investeringskosten van een warmtepomp te verwerken in een iets hogere huurprijs, die weer ruim wordt gecompenseerd door de lagere energiekosten. Daarnaast kunnen warmtepompen in de toekomst waarschijnlijk ook worden gehuurd, net als cv-ketels nu.

Zo werken we samen aan een betaalbare, betrouwbare en duurzame energievoorziening.

Inhoudsopgave

Energiebronnen 71

Zonnepanelen 71

Windenergie 71

Kernenergie 72

Diepe Geothermie 73

Omgevingsenergie/restenergie 73

Elektriciteit 73

Waterstof 74

Biogas/groen gas 74

Overige biobrandstoffen 75

Energieopslag en energieomzetting 76

Batterijen 76

Thermische buffers 76

Ondiepe geothermie, zoals warmte-koudeopslag 77

Warmtepomp 77

Luchtdruk 78

Isolatie en ventilatie 78

Energiebronnen

Zonnepanelen

Meer dan 98% van duurzame elektriciteitsopwekking in de Regio Stedendriehoek komt in 2024 van zonnepanelen. Er zijn 3 soorten zonnepanelen:

1PV-panelen maken elektriciteit van zonlicht.

2Zon-thermische panelen maken warm water van zonlicht.

3PV-T panelen maken zowel elektriciteit als warmte.

Hieronder behandelen we eerst PV-panelen. Daarna komen zon-thermische en PV-T panelen aan de beurt.

PV-panelen

Rendement, investeringen en kosten

•PV-panelen maken elektriciteit van zonlicht met een rendement van ongeveer 20%.

•Ze zijn goedkoop, kosten 5-8 cent per kWh, en zijn makkelijk te installeren en te verwijderen.

•In Nederland wekken PV-panelen binnen een jaar de energie op die het gekost heeft om hen te maken, te plaatsen en te recyclen. Ze gaan meer dan 25 jaar mee.

•PV-panelen zijn al heel efficiënt en worden steeds beter: lichter, goedkoper en met meer opbrengst.

•In de zomer maken PV-panelen vaak teveel energie en in de winter te weinig. Dit maakt het moeilijk om met grote zonnevelden op daken en op land aan onze energievraag te voldoen. Er zijn wel kansen als het opwekken lokaal wordt gecombineerd met afname en opslag.

Overige kenmerken

•PV-panelen maken in de zomer 10 keer meer energie dan in de winter. De combinatie van batterijopslag en PV is vooral tussen maart en september nuttig.

•Het recyclen van PV-panelen is om verschillende redenen uitdagend en staat nog in de kinderschoenen.

•Halffabricaten en panelen zelf worden vooral geproduceerd in China. Bij geopolitieke beweging kan dat een risico opleveren.

•Een PV-installatie kan makkelijk worden verwijderd. Daarna ziet het landschap of dak er weer uit zoals voor de installatie.

Spelregels

•Voor de plaatsing van PV-panelen geldt de voorkeursvolgorde zon. Dit staat in Artikel 5.90 van de omgevingsverordening van provincie Gelderland.

Zon-thermische en PV-T panelen

Rendement, investeringen en kosten

•Zon-thermische panelen worden in Nederland niet veel gebruikt. Ze zijn vooral geschikt om in de zomer kraanwater mee te verwarmen.

•Het economisch rendement van zon-thermische panelen is in Nederland laag, omdat we daarvoor te weinig zonlicht hebben.

•PV-T panelen zijn een nieuwe technologie en nog vrij duur. Een volledige installatie met warmtepomp kost al snel vijftien tot dertigduizend euro.

•Vergeleken met alleen PV-panelen, kun je met PV-T panelen 4-7 keer meer energie per vierkante meter opwekken, ook in de winter.

•In de regio Stedendriehoek zou zonthermie gebruikt kunnen worden als grootschalige toepassing bij warmtenetten in combinatie met thermische buffers.

Overige kenmerken

•Met een PV-T paneel en een stille water-water warmtepomp kun je efficiënt verwarmen en een beetje koelen.

•PV-T panelen moeten dicht bij de plek waar warmte nodig is worden geïnstalleerd, bijvoorbeeld op een dak of een veldje dicht bij een wijk.

•Een PVT-installatie kan makkelijk worden verwijderd. Daarna ziet het landschap of dak er weer uit zoals voor de installatie.

Windenergie

•Windturbines maken elektriciteit van wind.

•Waar al veel zonnepanelen zijn, kan eenzelfde vermogen aan windenergie worden toegevoegd zonder extra belasting van het elektriciteitsnet.

•In 2024 komt minder dan 2% van de duurzame elektriciteit in de Regio Stedendriehoek uit windenergie.

Rendement-investeringen-kosten

•Energie die is opgewekt door grote windturbines is goedkoop en kost in 2025 rond de 5-11 cent per KWh. Dit is afhankelijk van de locatie en eigenschappen van de turbine.

•Windturbines wekken in 5-8 maanden de energie op die het kost om ze te maken, plaatsen en verwijderen; ze gaan 25 jaar mee.

•In Oost-Nederland waait het minder hard dan in het westen. Om hetzelfde rendement te halen als turbines in het westen, moeten windturbines hier hoger zijn of moeten er meer geplaatst worden.

Overige kenmerken

•Windturbines leveren ook ‘s nachts en in de winter stroom en vullen zonne-energie goed aan. De waarde van windstroom is daardoor in de toekomst waarschijnlijk hoger dan die van zonnestroom.

•Windturbines op land gebruiken drie keer efficiënter de netcapaciteit dan zonnepanelen.

•90% van de windturbines wordt al gerecycled, maar de bladen zijn lastig te recyclen.

•Als een windturbine aan het einde van zijn levensduur wordt afgebroken, is het landschap snel weer zoals het was. Wel wordt er soms voor gekozen om de funderingspalen niet helemaal te verwijderen.

•Windturbines roepen veel weerstand op, vooral in Oost-Nederland waar ze hoog moeten zijn.

•Door lange vergunningstrajecten en rechtszaken duurt het lang voordat windprojecten gerealiseerd worden.

Spelregels

•Er worden nieuwe landelijke milieunormen voor het opwekken van windenergie op land ontwikkeld, die waarschijnlijk in 2026 gaan gelden.

•De provincie Gelderland onderzoekt de milieueffecten van windenergie: het PlanMER Windbeleid en RES. De regionale aanvulling is (mede) door de Energieregio Stedendriehoek gedaan. Het is een feitelijk, onafhankelijk onderzoek; politieke en maatschappelijke opvattingen zijn er geen onderdeel van. Dit onderzoek helpt bij het maken van ruimtelijke keuzes. Het PlanMER wordt naar verwachting op 15 juli 2025 vastgesteld.

•Op de Veluwe broedt de wespendief, een roofvogel die wettelijk beschermd is. Daarom is het in een zone van 1 km rondom de Veluwe niet toegestaan windenergie op te wekken. Daarbuiten ligt een ring tot 8 kilometer, waarin op dit moment zeer strenge voorwaarden gelden. In de ‘Aanvulling Beleidslijn Windenergie op en rondom de Veluwe’ beschrijft de provincie Gelderland wat de regels zijn voor windenergie in dit gebied. Er lopen twee onderzoeken naar manieren waarop windturbines in dit gebied toch zo effectief mogelijk gebruikt kunnen worden. Het beleid van de provincie wordt aangepast op basis van de uitkomsten.

Kernenergie

•Bij kernsplijting ontstaat veel warmte die met een stoomturbine wordt omgezet in elektriciteit.

•Het elektriciteitsnet moet geschikt zijn voor kernenergie. Kernenergie heeft, net als zonne- en windenergie, een lage CO2-uitstoot.

•Nederland bereidt de bouw van 2-4 grote kerncentrales voor. Deze kunnen tussen 2040 en 2045 in 5-10% van de Nederlandse elektriciteitsbehoefte voorzien.

De provincie Gelderland onderzoekt de mogelijkheden voor kleine kerncentrales, de zogenaamde Small Modular Reactors (SMR’s).

Rendement-investeringen-kosten

•De variabele kosten van kernenergie zijn laag, maar hoger dan die van wind en zon. De investeringskosten voor een kerncentrale zijn hoog en private financiering is moeilijk. Maar ze gaan wel 60 jaar mee.

•Kerncentrales moeten concurreren met zonne- en windenergie, wat financiering lastig maakt.

•SMR’s worden in fabrieken gemaakt en zouden goedkoper moeten zijn dan grote kerncentrales. Maar omdat ze buiten Rusland en China nog niet gebouwd zijn, is dat een aanname die nog niet getoetst is.

Overige kenmerken

•Kerncentrales produceren veel restwarmte (67% van de totale productie), die nuttig gebruikt kan worden.

•SMR’s bieden zekere mate van flexibiliteit in het energiesysteem. De meeste ontwerpen zijn in enkele uren op- en af te regelen tussen 50% en 100% van hun ontwerpvermogen.

•SMR’s zijn veilig; de kans op ongelukken is klein.

•SMR’s produceren radioactief afval dat veilig kan worden opgeslagen. Tot nu toe heeft Nederland daar slechts tijdelijke voorzieningen voor.

•Als een SMR na 40 tot 60 jaar aan het einde van zijn leven is, kost ontmanteling tientallen jaren en veel geld.

•Kernenergie heeft uranium nodig, dat geïmporteerd moet worden. Dat creëert afhankelijkheid van andere landen.

•Ook een SMR heeft relatief veel ruimte nodig, net als een grotere kerncentrale. In een studie van de provincie Gelderland houdt men rekening met minimaal 10 hectare voor de veiligheidszone van een SMR.

•Bij een ongeluk wordt een groot gebied lang onbruikbaar.

•Kerncentrales hebben veel koelwater nodig, waarin in onze regio alleen de IJssel kan voorzien.

Diepe Geothermie

Diepe geothermie haalt warmte uit de ondergrond (500-5.000 meter diep). Deze warmte komt van radioactief verval van elementen diep in de aarde.

Rendement-investeringen-kosten

•Investering in warmte uit geothermie is alleen interessant als de bron continu wordt gebruikt.

•De geothermiesector denkt dat de kosten nog flink omlaag kunnen.

•Een geothermieproject kost veel geld (ongeveer €30 miljoen per bron) en vraagt veel kennis.

•Een geothermieproject kan een grote hoeveelheid woningen van warmte voorzien.

•Voor geothermiebronnen is relatief weinig oppervlakte benodigd. Ondergronds is wel veel ruimte nodig.

•Omdat er in onze regio weinig naar olie en gas is gezocht, is er weinig informatie over geschikte locaties voor geothermie.

•De informatie die er wel is, laat niet duidelijk zien of onze regio goede locaties heeft.

Overige kenmerken

•De warmte die van 2000 meter diepte gehaald kan worden, is 60-90 graden °C (geschikt voor verwarming).

•De warmte die van 5000 meter diepte gehaald kan worden, is 130-230 graden °C (geschikt voor industrie en elektriciteitsproductie).

•Nederland heeft ervaring met diepe geothermie tot 3000 meter, maar niet met ultra diepe geothermie

(3500-5000 meter).

•Data en leveringszekerheid zijn belangrijk voor de verzekering en financiering van een project.

•Geothermie is bruikbaar als constante energievoorziening waarmee aan de basisvraag naar warmte voldaan kan worden. Technisch en economisch is een voorwaarde dat een bron dan wel dag in dag uit gebruikt wordt.

•Alternatieve oplossingen voor de seizoensgebonden vraag naar warmte kunnen goedkoper en haalbaarder zijn.

Omgevingsenergie/restenergie

In lucht, oppervlaktewater, grondwater, rioolwater en industriële restwarmte zit veel bruikbare energie.

Rendement-investeringen-kosten

•Met een warmtepomp en gratis omgevingsenergie kun je met 1 kWh elektriciteit 3-8 kWh warmte in een gebouw krijgen. Omgevingsenergie kan afkomstig zijn uit de lucht, uit water of uit de bodem.

•Daarmee kan wel 80% van de energie voor verwarming van gebouwen uit gratis omgevingsenergie komen.

•Een warmtepomp is duurder in aanschaf dan een cv-ketel.

Overige kenmerken

•Je kunt omgevingsenergie en warmtepompen individueel (per huis) of collectief (warmtenet) gebruiken.

•Voor efficiëntie moet de temperatuur van het water dat een warmtepomp verwarmt zo laag mogelijk zijn. Daarom heb je goed geïsoleerde gebouwen nodig (energielabel C of hoger).

•Je hebt nog steeds elektriciteit nodig, vooral in koude periodes als zonnepanelen minder opleveren.

•Zie ook de aparte paragraaf over warmtepompen.

Elektriciteit

•1 kWh elektrische energie is ongeveer gelijk aan het duwen van een auto over een afstand van 10 kilometer.

•Als we het goed organiseren, kunnen we genoeg elektriciteit uit zon en wind produceren, zonder dat het al te veel ruimte kost.

Rendement-investeringen-kosten

•Elektriciteit is de energiedrager die gemakkelijke en efficiënt kan worden omgezet in mechanische kracht, beweging, warmte of koude. Bij die omzetting gaat minder energie verloren, dan bij de omzetting van aardgas of kolen.

•Elektriciteit geproduceerd door zonnepanelen en windturbines is goedkoper dan elektriciteit uit kolen, aardgas of kernenergie

•We kunnen in Nederland betaalbaar elektriciteit opwekken uit lokale bronnen: in geval van zonne-energie en windenergie zijn de kosten 5-10 cent per kWh.

Overige kenmerken

•Elektrificatie van ons energiesysteem zorgt voor meer efficiëntie en daardoor voor veel minder energieverbruik dan het huidige systeem. De huidige infrastructuur moet wel worden aangepast om de snelle elektrificatie aan te kunnen.

•We kunnen elektriciteit met veel minder milieu-impact produceren, dan de energieproductie in onze huidige energievoorziening.

•De hoeveelheid opgewekte elektriciteit hangt af van het weer en het seizoen. Daarom heeft een duurzaam energiesysteem veel opslagcapaciteit nodig.

•In een donkere, windstille winterperiode is de energievraag groot en wordt er met zon en wind weinig energie opgewekt. Deze periode wordt de dunkelflaute genoemd en bedraagt een paar honderd uur per jaar. Grote en kleine back-up centrales met waterstof kunnen hiervoor een oplossing zijn

•De opslag van elektriciteit is duurder dan de opslag van fossiele brandstoffen. Het kan maar tijdelijk opgeslagen worden, terwijl fossiele brandstoffen of duurzame gassen gewoon in de opslag blijven zitten tot je ze nodig hebt. Omzetten naar chemische verbindingen (accu’s/batterijen) kan wel, maar vraagt ruimte en aandacht voor veiligheid.

•Elektriciteit is minder makkelijk in grote hoeveelheden te transporteren dan olie of aardgas. Elektrische (transport) systemen hebben bij gelijke kosten minder capaciteit dan bijvoorbeeld pijpleidingen voor olie of gas. Elektriciteitsnetten zijn bovendien complex. Ze zijn verdeeld naar verschillende spanningsniveaus en hebben steeds meer aangesloten partijen die invloed hebben op het systeem..

Waterstof

•In een duurzaam energiesysteem wordt, met behulp van een electrolyser, waterstof gemaakt van hernieuwbare elektriciteit en water.

•Waterstof kan met een brandstofcel weer worden omgezet in elektriciteit, water en warmte.

•Technologieën voor het omzetten en opslaan van waterstof kunnen nog veel verder doorontwikkeld worden. De omzettingen zorgen op dit moment nog voor relatief veel energieverlies.

•In Nederlandse energiescenario’s wordt een aandeel van 14%-29% voor waterstof voorzien.

•In de regio Stedendriehoek zal het aandeel van waterstof waarschijnlijk kleiner zijn dan het landelijke aandeel. Waterstof is vooral toepasbaar in de chemische en zware industrie (waar hoge temperaturen noodzakelijk zijn) en als back-up voor elektriciteitscentrales. Deze toepassingen zijn beperkt in de Stedendriehoek.

Rendement-investeringen-kosten

•De productie en het gebruik van waterstof zijn niet erg efficiënt: bij de omzetting van elektriciteit naar waterstof gaat ongeveer 30% van de energie verloren. Bij het opnieuw omzetten van waterstof naar elektriciteit, is het verlies nog eens 30%. Alleen als de warmte die bij de omzetting vrijkomt nuttig gebruikt worden, wordt dat verlies minder.

•De productie van waterstof is nu nog erg kostbaar en niet competitief zonder veel subsidie.

•Waterstoftechnologie heeft wel veel ontwikkelmogelijkheden. De omzetting kan nog efficiënter en de kosten van productie en opslag dalen. Hoe snel dat zal gaan, is onduidelijk.

Overige kenmerken

•Waterstof kan in grote hoeveelheden worden opgeslagen in zoutcavernes. Dat zijn holle ruimtes in zoutlagen, diep onder de grond, waar in het verleden zout uit is gewonnen. Ook lege gasvelden bieden misschien mogelijkheden tot opslag.

•De bestaande aardgasinfrastructuur kan deels voor waterstof worden gebruikt.

•De ontwikkeling van grootschalige infrastructuur voor waterstof gaat trager dan verwacht, omdat onduidelijk is hoe groot de vraag naar waterstof zal zijn. Er komen steeds betere elektrische alternatieven.

Biogas/groen gas

•Biogas kan worden gemaakt van organisch afval; vaak dierlijke mest, maar ook zuiveringsslib of plantaardig materiaal.

•Als biogas wordt opgewaardeerd naar groen gas (aardgaskwaliteit), kan het via het aardgasnet worden getransporteerd en worden toegepast in bestaande gasverbrandingstoestellen. Voor het directe gebruik van biogas zijn aanpassingen aan verbrandingstoestellen noodzakelijk.

•Groen gas kan ook goed worden opgeslagen in opslagfaciliteiten voor aardgas.

•In Nederlandse energiescenario’s wordt voor alle biobrandstoffen samen een aandeel van 4%-13% voorzien.

•Omdat we in onze regio relatief veel veeteelt hebben, kunnen we boven het landelijke gemiddelde uitkomen.

Rendement-investeringen-kosten

•Groen gas is waardevol als zon en wind weinig energie leveren of als er veel piekvermogen nodig is. Dit vraagt om een goede inpassing in de energievoorziening en om langetermijncontracten.

•Het is complex om een haalbaar en financierbaar project voor groen gas te realiseren. Er is veel samenwerking voor nodig en partijen moeten bereid zijn om voor de lange termijn afspraken te maken.

Overige kenmerken

•Biogas zelf is niet erg schoon. Het bestaat voor 60-65% uit methaan, 33-38% kooldioxide en bevat ook waterstofsulfide, ammoniak en sporenelementen. Daar waar biogas wordt gewonnen uit mest wordt een directe uitstoot van deze componenten vanuit de stal naar de buitenlucht gecontroleerd afgevangen

•De productie van biogas kan decentraal (productie op een boerenbedrijf) of centraal plaatsvinden. Om biogas rendabel om te zetten naar groen gas, is een bepaalde schaalgrootte nodig. Dit betekent dat de mest van meerdere boerenbedrijven gebruikt wordt. Decentrale mestvergisting vraagt om een lokaal distributienetwerk, waarmee het biogas naar de centrale opwaardeerinstallatie wordt gebracht. Centrale mestvergisting brengt veel transportbewegingen van mest met zich mee.

•Hoe de vraag en het aanbod van biogas zich gaan ontwikkelen is onzeker. Dat maakt de financiering van biogasprojecten moeilijk. Aan de aanbodkant heeft dit te maken met de onzekere toekomst voor veeteeltbedrijven. En bij het gebruik van biogas is het hele jaar door vraag nodig (of grootschalige opslag voor pieken in het verbruik) omdat er continu aanbod is. De hoge temperaturen-industrie zou die vraag kunnen leveren.

Overige biobrandstoffen

•Overige biobrandstoffen zijn bijvoorbeeld hout, bio-propaan en biodiesel.

•In Nederlandse energiescenario’s wordt voor alle biobrandstoffen samen een aandeel van 4%-13% voorzien.

Rendement-investeringen-kosten

•In een lokaal duurzaam energiesysteem kunnen deze brandstoffen toegevoegde waarde hebben als zon en wind weinig energie leveren en er veel vraag is naar energie, vooral naar warmte.

•Deze brandstoffen zijn maar beperkt beschikbaar in verhouding tot de totale energievraag.

Overige kenmerken

•Soms zijn deze brandstoffen lokaal beschikbaar.

•Vaak zijn deze brandstoffen makkelijk te gebruiken.

•Deze brandstoffen zijn een praktische vorm van lokale, lang houdbare energieopslag.

•Het gebruik van deze brandstoffen zorgt vaak voor lokale uitstoot van schadelijke stoffen. Daarom wil je ze eigenlijk alleen in pieksituaties gebruiken.

•Er komen steeds meer hoogwaardige toepassingen voor biomassa-reststromen, dus de beschikbaarheid voor verbranding is op termijn onzeker.

Energieopslag en energieomzetting

Centrales voor het regelbaar opwekken van elektriciteit en warmte

•In periodes van meerdere koude dagen met weinig zon en wind hebben we alternatieven en aanvulling nodig. Batterijen zijn minder geschikt voor dit soort langere periodes. We zoeken dan naar het regelbaar opwekken van elektriciteit en warmte, als een soort noodvoorziening.

•Elektriciteit uit grote back-upcentrales op waterstof zijn een optie. Die zitten in de nationale plannen, maar daarbij is netcapaciteit wel een uitdaging.

•Kleine lokale centrales die elektriciteit en warmte produceren zijn ook aantrekkelijk, omdat je dan restwarmte kunt benutten. Ze kennen ook minder netproblemen omdat ze dicht bij de vraag staan. Voorlopig kan aardgas als brandstof gebruikt worden en in de toekomst wellicht een duurzaam gas.

•De uitstoot van dit soort noodvoorzieningen is laag, omdat ze maximaal een paar weken per jaar draaien.

Rendement-investeringen-kosten

•Het regelbaar opwekken van elektriciteit en warmte is duur, omdat die centrales maar weinig draaien.

•Ten opzichte van de totale kosten van onze energievoorziening is het echter maar een paar procent.

•We hebben dit type zekerheid wel nodig. Daarom moeten er (landelijke) afspraken komen, die ervoor zorgen dat de kosten door alle deelnemers aan de energievoorziening gezamenlijk gedragen worden.

Overige kenmerken

•Kleine centrales om regelbaar elektriciteit op te wekken, kunnen helpen om lokaal de netcongestie te verminderen

•Lokaal kan op deze manier elektriciteit opgewekt worden met kleine (nood)stroomvoorzieningen, die er toch al staan en die je gezamenlijk slim aanstuurt.

Batterijen

•Elektriciteitsopslag wordt soms de heilige graal van het nieuwe energiesysteem genoemd.

•Eigenlijk moeten we spreken over accu’s in plaats van batterijen.

Rendement-investeringen-kosten

•Batterijtechnologie verbetert snel: meer dan 90% kostendaling sinds 2010.

•Batterijen gaan steeds langer mee en verliezen steeds minder energie (5-20% per cyclus).

•De kosten van opslag in een batterij zijn gedaald van meer dan €1/kWh in 2010 naar €0,07-€0,15/kWh in 2024. De verwachting is dat het in 2030 uitkomt op ongeveer €0,02-€0,05/kWh.

•Batterijen zijn gemaakt voor duizenden cycli en alleen dan wegen de kosten op tegen de opbrengsten. Ze zijn daarom niet geschikt voor seizoensopslag.

Overige kenmerken

•Batterijen kunnen bij de juiste prijsprikkels en regels helpen om netcongestie te verminderen.

•Bij verkeerde prijsprikkels kunnen batterijen netcongestie vergroten.

•Batterijen worden onderdeel van de energievoorziening waar korte cycli (tot enkele dagen) nodig zijn.

•Elektrische voertuigen kunnen ook een rol spelen in de energievoorziening door ze te gebruiken als rijdende batterijen.

•De energiedichtheid van batterijen is nog steeds 20-40 keer minder dan die van veel brandstoffen.

•Batterijen nemen ruimte in, die vaak ook nog moet voldoen aan eisen op het vlak van temperatuur, ventilatie en vocht. Hoe meer de batterijen worden gebruikt, hoe hoger de eisen waar de ruimte aan moet voldoen. En dus hoe moeilijker om een geschikte plek te vinden.

•Batterijen brengen veiligheidsrisico’s met zich mee, zoals elke vorm van energieopslag.

•Batterijen vragen om grondstoffen die ongelijk zijn verdeeld over de wereld. Dat roept vragen op over duurzaamheid en afhankelijkheid.

•Wereldwijd wordt op dit moment nog maar 5-10% van de batterijen gerecycled. Dit percentage stijgt wel.

Thermische buffers

Thermische buffers zijn technologieën om warmte of koude op te slaan. Er zijn veel mogelijkheden. Denk aan de combinatie met een warmtepomp, waarbij je warmte voor één tot enkele dagen opslaat in een buffervat thuis. De opwarming van het water in het buffervat doe je dan in de uren dat elektriciteit goedkoop is.

Rendement-investeringen-kosten

•Thermische buffers zijn goedkoper dan batterijen. Bij de eerste liggen de kosten op ongeveer €20-€40 per kWh opslagcapaciteit, bij de tweede op ongeveer €100-€400 per kWh opslagcapaciteit. Ze zijn ook interessant met minder gebruikscycli.

Overige kenmerken

•De technologie is eenvoudig en meestal goed in te passen in bestaande verwarmingssystemen thuis.

•Een goed geïsoleerd gebouw is ook een goede thermische buffer.

•Thermische buffers zijn zowel individueel als collectief goed toepasbaar in gezamenlijke warmtesystemen.

•Bij thermische buffers met lagere temperaturen kun je alleen van elektriciteit naar warmte of koude gaan, niet terug.

•Bij thermische buffers met zeer hoge temperaturen (meer dan 250 °C) kun je de warmte weer omzetten in elektriciteit, maar vaak met veel verlies. Dit zijn vaak complexe systemen, waarvoor meestal betere alternatieven bestaan.

•Thermische buffers hebben veel ruimte nodig. Denk aan een buffervat van 500-1000 liter voor een huis.

•Ook goed geïsoleerde thermische buffers verliezen warmte. In de praktijk is 3-5 dagen zonder veel verlies mogelijk.

•De enige bestaande en kosteneffectieve vorm van seizoensopslag zijn ondergrondse thermische buffers. Die verliezen 10-30 aan energie%.

Ondiepe geothermie, zoals warmte-koudeopslag

•Bij ondiepe geothermie wordt de grond tot ongeveer 250 meter diep gebruikt om warmte of koude op te slaan.

•In Nederland wordt ondiepe geothermie al veel gebruikt.

•De temperatuur in de lagen tot 250 meter is in Nederland stabiel, ongeveer 10-11°C.

•Dit is een goede temperatuur voor een warmtepomp.

•Warmte-koudeopslag is een vorm van ondiepe geothermie met twee bronnen:

-In de zomer wordt koude uit een koude bron gehaald en warm water teruggepompt in een warme bron.

-In de winter wordt de warme bron gebruikt en koud water teruggepompt in de koude bron.

-Door deze cyclus haalt de warmtepomp een hoger rendement.

Rendement-investeringen-kosten

•De toepassing van ondiepe geothermie kan beter worden als er meer uren met goedkope elektriciteit zijn in een jaar. Dit gebeurt vanzelf als er meer duurzame energie wordt opgewekt

Overige kenmerken

•Ondiepe geothermie werkt met lage temperaturen, maar je kunt toch veel energie opslaan in de gratis ruimte in de grond.

•Dit maakt ondiepe geothermie ook geschikt voor lange termijnopslag, zoals voor een heel seizoen.

•Bij ondiepe geothermie kun je alleen van elektriciteit naar warmte of koude gaan, niet terug.

•Bij gebruik van open bronnen is goed geotechnisch en milieuonderzoek belangrijk.

•De technologie is vooral geschikt voor goed geïsoleerde gebouwen.

Warmtepomp

•De warmtepomp is al eerder genoemd, maar verdient een eigen plek omdat het een belangrijke technologie is om aardgas te vervangen.

•Een warmtepomp gebruikt meestal elektriciteit om efficiënt gratis energie uit de omgeving te halen en die te gebruiken voor verwarming of koeling.

Rendement-investeringen-kosten

•Bij verwarming kan de efficiëntie oplopen tot 300%-800%. Dit betekent dat de warmtepomp met 1 kWh elektriciteit 3-8 kWh warmte of koude kan produceren. Dit heet ook wel een COP (coëfficiënt of performance) van 3-8.

•Bij verwarming met aardgas of waterstof is de efficiëntie in de praktijk niet hoger dan 90%-100%.

•De aanschafkosten van een warmtepomp liggen op dit moment (anno 2025) 4 tot 10 keer hoger dan die van een cv-ketel met dezelfde verwarmingscapaciteit.

Overige kenmerken

•Warmtepompen kunnen zowel individueel als in gezamenlijke warmtenetten worden gebruikt.

•Warmtepompen worden altijd geïnstalleerd met een buffer voor de opslag van energie.

•Voor een volledig elektrische warmtepomp heb je een goed geïsoleerd huis nodig (energielabel C of hoger).

•Ondanks de groei in het aanbod van warmtepompen, is de kennis van installatie en onderhoud nog niet altijd op niveau.

•Voor een warmtepomp is altijd elektriciteit nodig. Die kan schaars of duur zijn in koude periodes, als alle warmtepompen werken en het rendement lager is door de lage omgevingstemperatuur.

•Een hybride warmtepomp kan een overgangsoplossing zijn. Dan wordt een kleine (goedkopere) warmtepomp naast de cv-ketel geplaatst. Zolang het niet al te koud is verwarmt de warmtepomp je huis. Voor kraanwater en als er meer warmte nodig is, springt de cv-ketel bij.

•In nieuwe wijken is het totale energieverbruik minder groot, op het moment dat de bewoners afstemmen dat men gespreid hun warmtepompen gebruikt.

Luchtdruk

•Energie opslaan in luchtdruk heet in het Engels Compressed Air Energy Storage (CAES).

•In Nederland zijn er geen plannen voor CAES, maar ENECO werkt wel aan een project in Duitsland.

•CAES zou in Nederland goed kunnen worden gebruikt in zout cavernes. Dat zijn holle ruimtes in zoutlagen, diep onder de grond, waar in het verleden zout uit is gewonnen.

Rendement-investeringen-kosten

•Er is niet veel bekend over de kosten en het rendement van nieuwe CAES installaties. De bekendste CAES toepassing is in Duitsland (Huntorf) en werkt sinds 1978 succesvol. Dat geeft in ieder geval aan dat CAES rendabel kan zijn.

Overige kenmerken

•CAES is een technologie voor honderden megawatt en meerdere uren opslag. Het kan snel schakelen tussen laden en ontladen.

•CAES heeft weinig ruimte nodig. De opslag zit diep in de grond.

•CAES heeft warmte nodig bij het ontladen en produceert warmte bij het laden. Daarom kan het goed worden gebruikt in combinatie met een elektriciteitscentrale op een duurzaam gas, die speciaal bedoeld is om pieken in het verbruik op te vangen.

•CAES vraagt om goed geotechnisch en milieuonderzoek.

Naast CAES, dat al lang bestaat en niet heel bekend is, worden er steeds nieuwe oplossingen voor energieopslag en energieomzetting bedacht. Denk bijvoorbeeld aan een proces waarbij ijzerpoeder als brandstof wordt gebruikt, of zonnepanelen die direct methanol maken. Als er meer duurzame elektriciteit komt, zijn er ook meer kansen voor dit soort processen. Het is belangrijk om hier aandacht aan te geven en ruimte te bieden om onze energievoorziening van de toekomst te verbeteren.

Isolatie en ventilatie

In de regio Stedendriehoek gebruikt de gebouwde omgeving ongeveer 2,5 TWh per jaar voor verwarming. Dit is ongeveer 25% van het totaal.

Rendement-investeringen-kosten

•Als je met betere isolatie en ventilatie twee energielabels omhoog gaat (bijvoorbeeld van E naar C), bespaar je 40-50% energie.

•Op grote schaal beter isoleren en ventileren levert dus veel besparing op.

•Betere isolatie en ventilatie geven meteen meer comfort en verdienen zich meestal binnen 10 jaar terug.

Overige kenmerken

•Toch blijkt keer op keer dat we op het vlak van isolatie en ventilatie minder bereiken dan we willen.

•Grote maatregelen worden vaak alleen genomen op natuurlijke momenten, zoals bij een verbouwing.

•Na de eerste eenvoudige maatregelen kunnen verdere isolatie en ventilatie best complex en duur zijn.

•Isolatie en ventilatie zijn niet zichtbaar of aantrekkelijk. Mensen kiezen vaak liever voor een nieuwe keuken of badkamer.

•Overheden maken het voor initiatiefnemers niet altijd gemakkelijk om te isoleren. Denk bijvoorbeeld aan de dure onderzoeksplicht ter bescherming van vleermuizen in spouwmuren. Ook zijn mensen niet altijd bekend met beschikbare subsidies of vinden zij de aanvraagprocedures ingewikkeld.

Bijlage 02

Van RPE 1.0 naar het Regionaal Programma Energievoorziening

Toelichting en verantwoording

Het Regionaal Programma Energievoorziening

Voor het opwekken, de opslag en het transport van duurzame energie is ruimte nodig, net zoals voor woningbouw, bedrijven en natuur. Maar de ruimte is beperkt. Daarom moeten we alle belangen goed afwegen. Het Regionaal Programma Energievoorziening werd vroeger de RES genoemd en helpt overheden, inwoners, bedrijven, netbeheerders, energiecorporaties en maatschappelijke organisaties om Nederland duurzamer te maken. In het Regionaal Programma Energievoorziening, oftewel RPE, worden strategische keuzes gemaakt voor wat betreft opwekken, opslaan en gebruiken van duurzame energie en warmte. De ontwikkeling van het RPE is tegelijkertijd een manier om samen te werken aan de energietransitie. Meer weten over het Regionaal Programma Energievoorziening (voorheen de RES)? Bekijk dan het uitlegfilmpje op regionale-energiestrategie.nl. Of breng een bezoekje aan de website van de Regio Stedendriehoek.

Inhoud van de RES 1.0

1De RES 1.0 is gestart vanuit het Klimaatakkoord. Het is een samenwerkingsverband tussen de provincie, gemeenten, waterschappen en de netbeheerder. De opdracht van het Rijk was om vóór 2030 in 30 energieregio’s 35 TWh grootschalige, op land opgewekte, duurzame energie te realiseren. De opdracht was om te zoeken naar gebieden voor grote zonnevelden op daken en op land én voor windmolenparken.

2In de RES 1.0 staat een bod: een inspanningsverplichting voor de regio Stedendriehoek om vanaf 2030 jaarlijks een bepaalde hoeveelheid duurzame energie op te wekken. De hoogte van het bod van de regio Stedendriehoek in de eerste versie van de RES is 1,07 TWh (terawattuur). In het RES 1.0 bod zijn we uitgegaan van ongeveer 10% windenergie en ongeveer 90% zonne-energie. We dachten daarbij aan vijftien windmolens van 3 MW: zes in Zutphen (3 bestaande, 3 nieuwe), vier in Lochem en vijf aan de rand van de Veluwe. Een variatie daarop blijft mogelijk. In het totaal zou ons dat per jaar 0,11 TWh aan windenergie opleveren. Verder wilden we met 500 hectare zonnepanelen op daken 0,51 TWh opwekken en met 450 hectare zonnepanelen op land zo’n 0,45 TWh. Alles samen dus 1,07 TWh grootschalig opgewekte energie.

3In onze regio is besloten om het landschap leidend te maken. Dat betekent dat gekeken wordt welke vorm van energie opwekken het best past in een bepaald landschap. En hoeveel energie er op zo’n plek opgewekt kan worden, zonder het landschap of de natuur al te veel te veranderen. Belangrijke randvoorwaarden zijn: passend in het landschap, met speciale aandacht voor natuur- en cultuurhistorische waarden, behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit en inzetten op dubbel grondgebruik. Dat geldt ook voor het leveren van een bijdrage aan doelstellingen op het vlak van biodiversiteit, waterhuishouding en bodem. Op deze manier springen we zorgvuldig om met ons landschappelijk kapitaal.

4Andere belangrijke uitgangspunten zijn:

•we gaan zorgvuldig om met ons landschappelijk kapitaal. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn: passend in het landschap, met speciale aandacht voor natuur- en cultuurhistorische waarden, behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit en inzetten op dubbel grondgebruik. Dat geldt ook voor het leveren van een bijdrage aan doelstellingen op het vlak van biodiversiteit, waterhuishouding en bodem;

•wij zien de energietransitie en energievoorziening als onderdeel van onze (ruimtelijke) ontwikkelingen en verduurzamingsopgaven;

•we voeren de regionale energiestrategie samen met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en de netbeheerders uit;

•we streven naar minimaal 50% lokaal eigendom in onze projecten;

•we brengen vraag en aanbod van energie zoveel mogelijk en zo lokaal mogelijk bij elkaar in de buurt;

•we zetten in op opslag en innovatieve energieclusters;

•we clusteren voorzieningen voor het opwekken van energie zoveel mogelijk en kiezen bij voorkeur voor no-regret locaties zoals bijvoorbeeld langs infrastructuur, op stortplaatsen, zandwinlocaties en parkeerterreinen (solar carports);

•wat we op gebied van windenergie niet kunnen realiseren op en rondom de Veluwe mag niet leiden tot een zogenaamd waterbedeffect. Dit betekent dat windenergie niet elders in de regio opgewekt hoeft te worden.

Redenen om de RES te actualiseren

1Aangescherpte voorwaarden maken dat de mogelijkheden voor het opwekken van zonne-energie op het land kleiner zijn geworden.

2Voor het opwekken van windenergie zijn nieuwe landelijke normen in ontwikkeling. Daarbij lijken de nieuwe afstandsnormen strenger te worden dan de oude normen. Ook de geluidsnormen lijken strenger te worden. Daardoor worden ook de mogelijkheden voor het opwekken van windenergie kleiner.

3Op de Veluwe broedt de wespendief, een roofvogel die een beschermde status heeft. Daarom heeft de provincie in haar beleid vastgelegd dat er geen windmolens mogen komen op de Veluwe en 1 kilometer daaromheen. Daarbuiten ligt een ring tot 8 kilometer buiten de Veluwe, waarin op dit moment zeer strenge voorwaarden gelden. Hierdoor zijn de kansen voor windenergie in de zone tot 8 km rond de Veluwe op korte termijn een stuk kleiner geworden.

4De oorlog in Oekraïne en andere geopolitieke ontwikkelingen hebben in onze maatschappij tot het besef geleid dat we minder afhankelijk willen zijn van het buitenland voor onze energie.

5En dan natuurlijk de netcongestie: het verschijnsel dat er op momenten meer elektriciteit geproduceerd wordt of gevraagd wordt dan de elektriciteitsnetten aankunnen. Daardoor is het op veel plekken niet zomaar meer mogelijk om zonnevelden, windmolenparken en afnemers aan te sluiten op het elektriciteitsnet, of bestaande aansluitingen te verzwaren. Bij veel installaties voor duurzame opgewekte energie gaan de pieken in de productie verloren omdat er onvoldoende transportcapaciteit is op momenten dat de zon hard schijnt en de vraag naar elektriciteit laag is. De installaties worden dan tijdelijk uitgezet, ook omdat er soms sprake is van negatieve energieprijzen.

Constateringen na 4 jaren werken met de RES 1.0

•Onze energievoorziening en de benodigde infrastructuur veranderen door de overgang van kolen en gas naar duurzame bronnen van energie, zoals zonne-energie en windenergie, maar bijvoorbeeld ook omgevingsenergie (energie uit lucht, water en bodem), restwarmte, biogas, waterstof en kernenergie.. Van centraal opwekken en verspreiden van energie, naar een mix waarbij we naast een centraal netwerk ook lokaal duurzame energie opwekken, opslaan en gebruiken. Dat staat vast, al moet dit besef op veel plekken nog indalen.

•De energietransitie gaat met horten en stoten. De succesvolle toename van opwekking van duurzame energie is één van de redenen van het huidige volle netwerk. Er wordt hard gewerkt aan het op maat maken van wetten-, regels en beleidsruimte voor de energievoorziening van de toekomst. In de tussentijd groeit het besef dat opslag van elektriciteit een noodzaak is en schaffen ondernemers steeds vaker eigen batterijsystemen aan.

•Ons RES 1.0 bod leunt teveel op zonne-energie om optimaal te voorzien in de jaarlijkse energievraag in 2050. Zonne-energie blijft belangrijk, maar wordt minder dominant in de energiemix. Meer toelichting daarop vindt u in hoofdstuk 4 van het Regionaal Programma Energievoorziening.

•Windmolens zijn, ondanks de huidige netcongestie, op de meeste plaatsen goed inpasbaar in het elektriciteitsnetwerk. Dat komt omdat het vaak waait op momenten en in seizoenen dat de zon minder of niet schijnt. Windenergie wordt zo aanvullend op zonne-energie.

•Het onderwerp energie heeft meer aandacht gekregen. Dat betekent dat het tegenwoordig een heel andere positie heeft in belangenafwegingen dan 4 jaar geleden.

•Er zijn grote stappen gezet in het opwekken van duurzame energie. Om voortgang te blijven maken, moeten andere onderdelen van de energievoorziening, zoals opslag, flexibel gebruik en passende wet- en regelgeving, wel meer in beweging gaan komen.

•De overheid bepaalt niet in haar eentje hoe de energietransitie verloopt. Uiteindelijk is afstemming op en samenwerking met partijen als netbeheerders, woningbouwcorporaties, ondernemers, agrariërs, projectontwikkelaars en inwoners, nodig voor het opnieuw krijgen van snelheid in de energietransitie.

•De zachte kant van de energietransitie, waarbij het gaat over samenwerken, gedrag, rollen en belangenafwegingen, staat nog in de kinderschoenen.

Bewustwording van de noodzaak om te werken met een Regionaal Programma Energievoorziening

Om de bewustwording van de impact van de energietransitie en de toekomstige energievoorziening te vergroten, vond op 6 september 2023 de masterclass ‘Wereld van B’ plaats. Benieuwd? Aan de hand van casus De Hoven Noord in Zutphen gaf de masterclass een beeld van de veranderende energievoorziening en de rol daarvan in toekomstige ruimtelijke ontwikkelingstrajecten. Meer informatie over deze bijeenkomst is te vinden via de volgende link: Energie voor nieuwe wijk De Hoven Noord zo kan het wél | Regionale Energiestrategie. Of volg het webcollege dat het Nationaal Programma RES (NP RES) gaf voor bestuurders, ambtenaren en andere sleutelspelers in de energietransitie.

Bijlage 03

De achtergronden van het energieperspectief

Het energieperspectief benoemt uitgangspunten en afspraken met betrekking tot de energievoorziening van de toekomst. Daarmee vormt het een belangrijk fundament voor het Regionaal Programma Energievoorziening. In deze bijlage leest u waar het energieperspectief op gebaseerd is.

De vier belangrijkste informatiebronnen van het energieperspectief

1De regionale klimaatmonitor

Dit is een database van de Rijksoverheid die trends in de energietransitie zichtbaar maakt. Daarvoor wordt informatie verzameld uit tientallen bronnen bij organisaties als CBS en RVO. Deze informatie wordt gecombineerd tot doelindicatoren, die een beeld geven van de voortgang van de decentrale energietransitie. Voorbeelden zijn energieverbruik, CO2-uitstoot en hernieuwbare energie. Met de regionale klimaatmonitor kunnen decentrale overheden hun beleidsdoelen volgen en hun beleid evalueren en bijsturen.

2De II3050 scenario’s van de Nederlandse netbeheerders

De Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050 (II3050) presenteert vier scenario’s voor een klimaatneutraal energiesysteem in 2050:

•Decentrale initiatieven (DEC): Lokale gemeen­schappen en bedrijven nemen het voortouw in de energietransitie, met een focus op lokale opwekking en consumptie van hernieuwbare energie.

•Nationaal leiderschap (NAT): De nationale overheid speelt een centrale rol, met grootschalige projecten en infrastructuur voor hernieuwbare energie.

•Europese integratie (EUR): Er is sterke samenwerking binnen Europa, met grensoverschrijdende energieprojecten en -infrastructuur.

•Internationale handel (INT): Nederland richt zich op import en export van energie, met een focus op internationale energiemarkten.

Deze scenario’s geven een beeld van de consequenties van bepaalde maatschappelijke keuzes voor de mix van nieuwe energiebronnen en energiedragers. Alle II3050 scenario’s leiden tot een klimaatneutraal energiesysteem in 2050.

3Het Nationaal Plan voor het Energiesysteem (NPE) in 2050

Het NPE is de strategie van de Nederlandse overheid om in 2050 een klimaatneutrale energievoorziening te bereiken. Dit plan beschrijft hoe we kunnen bouwen, besparen, verdelen en verbinden voor een duurzaam en rechtvaardig energiesysteem. Energiebesparing blijft een prioriteit, aangezien energie die niet wordt verbruikt, niet hoeft te worden opgewekt of getransporteerd. Waterstof wordt voornamelijk ingezet voor de verduurzaming van de industrie en zware mobiliteit. Daarnaast wordt ruimte gereserveerd voor toekomstige energieprojecten, met nadruk op hergebruik van bestaande fossiele infrastructuur voor duurzame toepassingen. Inter­nationale samenwerking is essentieel om Nederland als energieknooppunt in Europa te positioneren.

4Het Programma Energie Hoofdinfrastructuur (PEH)

Het PEH is een beleidsplan dat zich richt op de ruimte die op land nodig is voor de nationale onderdelen van het klimaatneutraal energiesysteem. Het PEH bevat ook regionale bijlages. Het programma brengt in beeld wat er nodig is aan infrastructuur en bepaalt waar die het best kan worden geplaatst. Denk aan hoogspanningskabels, buisleidingen, energieopslagfaciliteiten, elektrolysers en duurzame energiecentrales. Met het PEH maakt de rijksoverheid afspraken met gemeenten, provincies, havenbedrijven en netbeheerders. Zo kan de infrastructuur met respect voor natuur, cultureel erfgoed en leefbaarheid aangelegd worden.

Provinciale beleidskaders

Het Regionaal Programma Energievoorziening past ook binnen de provinciale beleidskaders. Kaders als het Gelders beleidskader Energiesysteem, het Gelders programma Energiesysteem dat momenteel in ontwikkeling is, de provinciale omgevingsverordening inclusief de aangescherpte voorkeursvolgorde zon en de Aanvulling beleidslijn Windenergie op en rondom de Veluwe.

Opbrengst

De ontwikkeling van dit energieperspectief heeft de gezamenlijke kennis van de energiepartners vergroot en de regionale samenwerking versterkt. Ook zorgt het ervoor dat de regio Stedendriehoek goed onderbouwd haar belangen kan behartigen in het gesprek met Rijk en provincie. Beiden helpen de inwoners, ondernemers, overheden, netbeheerders en maatschappelijke organisaties in de regio Stedendriehoek om de komende jaren samen te bouwen aan de energievoorziening van de toekomst.

Bijlage 04

De Omgevingswet, de Energiewet, de Wet collectieve warmte en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie

Het juridisch fundament onder de energievoorziening van de toekomst

Gemeenten hebben een spilfunctie in de energietransitie en worden steeds belangrijker. Dat is terug te zien in de Omgevingswet en in de aanpassingen die gedaan worden in de Energiewet en de warmtewetgeving.

Gemeenten hebben een spilfunctie

•Zij zijn op lokaal niveau verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving, kunnen opgaven verbinden op gebied van woningbouw, mobiliteit, economie, landelijk gebied, natuur én energie, en zo zorgen voor slimme, integrale keuzes;

•Zij krijgen in hun omgevingsvisies en omgevingsplannen meer ruimte om zelf keuzes te maken. Hierdoor kunnen ze:

-Gericht beleid maken voor de energietransitie;

-Regie nemen om gebieden aan te wijzen en fysieke ruimte te bieden aan voorzieningen voor opwekking en opslag van duurzame energie en de energie infrastructuur die nodig is voor de lokale energievoorziening van de toekomst;

-Sneller inspelen op lokale initiatieven, bijvoorbeeld vanuit energiecoöperaties.

•Zij staan het dichtst bij bewoners en zijn daarmee cruciaal in het organiseren van participatie, het versterken van lokaal eigenaarschap en het vergroten van draagvlak;

•Zij werken samen met netbeheerders aan uitvoerbare oplossingen op lokaal niveau, bijvoorbeeld door prioritering en afstemming bij netcapaciteit en infrastructuur;

•Zij hebben een sleutelrol in de warmtetransitie, zoals het aanwijzen van wijken die van het gas af gaan en het aansturen op toekomstbestendige warmte-oplossingen;

•Zij dragen via programma’s als het Nationaal Isolatieprogramma bij aan betaalbaarheid en energiearmoedebestrijding, door kwetsbare huishoudens te ondersteunen bij isolatie en verduurzaming van hun woning.

De Energiewet

De nieuwe Energiewet vervangt en moderniseert de huidige Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Bestaande regels worden verhelderd en versimpeld. De nieuwe regels sluiten beter aan bij de energievoorziening van de toekomst, met meer duurzame lokale energieproductie, opslag en flexibiliteit. Zo biedt deze wet meer ruimte aan het lokaal opwekken van energie, energiehubs, buurtbatterijen, energie delen en collectieve warmtevoorzieningen. Ook wordt de positie van energiecoöperaties versterkt. Zo ondersteunt de wet bijvoorbeeld energiegemeenschappen als formele entiteit. Belangrijk is dat de wet nieuwe kaders introduceert voor het gebruik en beheer van het energienet, met meer transparantie, betere samenwerking en ruimte voor maatschappelijke prioritering.

Meer mogelijkheden voor de aanpak van netcongestie

De Energiewet geeft meer mogelijkheden om problemen met het volle elektriciteitsnet aan te pakken. Bijvoorbeeld door bestaande ruimte op het net slimmer en flexibeler te gebruiken. En door meer mogelijkheden te bieden voor gezamenlijk gebruik van een aansluiting, ook wel cable pooling genoemd.

Gemeente bevoegd gezag bij windprojecten tot 15 MW

Het bevoegd gezag voor windenergieprojecten met een capaciteit tot 15 MW verschuift van de provincie naar de gemeente. Dit betekent naar verwachting dat gemeenten verplicht zullen zijn om aanvragen voor windenergieprojecten tot 15 MW in behandeling te nemen en hierover te beslissen.

Verbetering gegevensuitwisseling

Ook regelt de Energiewet de uitwisseling van gegevens tussen netbeheerders, energieleveranciers en klanten op een veiliger manier. Zo wordt het voor huishoudens en bedrijven eenvoudiger om hun eigen data in te zien of te delen met een dienstverlener zoals een prijsvergelijker of energieverbruiksmanager.

Betere bescherming van consumenten

De nieuwe regelgeving beschermt energieconsumenten beter: de Energiewet biedt meer rechten en bescherming aan onder meer huishoudens, zelfstandigen en kleine bedrijven. Bijvoorbeeld op het gebied van transparante voorwaarden en betere bescherming bij facturering van energiecontracten en een faillissement van de energieleverancier. Alle energieleveranciers worden verplicht om ook een vast (model)contract aan te bieden van minimaal 1 jaar. De minimale eisen voor het verkrijgen en behouden van een leveringsvergunning worden bovendien aangescherpt.

Ondersteuning van de betaalbaarheid van energie

De huidige Elektriciteitswet en Gaswet zorgt voor basisbescherming, zoals universele levering, toezicht op netbeheertarieven en bescherming bij betalingsproblemen. Daarnaast zijn er diverse subsidieregelingen beschikbaar. Via het Nationaal Isolatieprogramma kunnen gemeenten gericht slecht geïsoleerde woningen aanpakken, met speciale aandacht voor huishoudens met een lager inkomen. De nieuwe Energiewet verstevigt de positie van consumenten, stimuleert lokale energie-initiatieven en maakt tariefvorming en aansluitvoorwaarden transparanter. Dit biedt gemeenten meer ruimte om samen met netbeheerders en maatschappelijke partners te werken aan toegankelijke, betaalbare energievoorziening

Inwerkingtreding

Op het moment van dit schrijven (april 2025) is de Energiewet is al goedgekeurd door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Er ligt een Koninklijk Besluit van 17 februari 2025, dat Energiewet op 1 januari 2026 in werking treedt.

De Omgevingswet

De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden en kan op verschillende manieren bijdragen aan een versnelde energietransitie in Nederland.

Meer ruimte voor gemeenten

De Omgevingswet helpt om ruimtelijke procedures te versnellen en biedt instrumenten om richting te geven aan de energietransitie. Gemeenten krijgen meer ruimte om zelf keuzes te maken in hun omgevingsvisies en omgevingsplannen. In hun omgevingsvisie leggen zij hun langetermijn-ambities vast, die verder uitgewerkt kunnen worden in een omgevingsprogramma. In het omgevingsplan of de omgevingsverordening worden vervolgens regels opgenomen voor vergunningen over bijvoorbeeld zonne- en windenergie of warmtenetten.

Snellere en eenvoudigere procedures

Voorheen moest een ontwikkelaar meerdere vergunningen aanvragen bij verschillende overheden. Nu kan dat in één keer. De Omgevingswet vereenvoudigt en bundelt namelijk tientallen wetten en regels over ruimte, milieu, natuur en water. Daardoor worden vergunningstrajecten korter en kunnen projecten voor duurzame energie (zoals wind- en zonneparken) sneller van de grond komen. Ook is er één loket voor initiatiefnemers: het Omgevingsloket.

Integraal afwegen van belangen

De wet stimuleert een integrale benadering van ruimtelijke opgaven. Dat betekent dat de energietransitie wordt meegenomen in de bredere afweging met natuur, gezondheid, en woningbouw. En dat de energietransitie geen los dossier meer is, maar onderdeel van het totaalplaatje. In een integrale benadering wordt bij het bouwen van een nieuwe wijk bijvoorbeeld meteen nagedacht over aardgasvrije verwarming en aansluiting op een warmtenet.

Betere participatie

De wet legt nadruk op het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden. Hierdoor is er meer draagvlak voor duurzame energieprojecten en worden knelpunten en bezwaren eerder gesignaleerd en opgelost.

Ruimte voor innovatie

De wet biedt experimenteerruimte, bijvoorbeeld via het programma Innovatieve Aanpak Energietransitie. Daarmee kunnen innovatieve energieoplossingen sneller worden getest en toegepast en kunnen regels tijdelijk worden versoepeld om nieuwe technieken te proberen.

De Wet collectieve warmte en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie

Er is verschillende wet- en regelgeving in de maak om gemeenten instrumenten en bevoegdheden te geven ter ondersteuning van de warmtetransitie. Bijvoorbeeld de Wet collectieve warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Onderdelen van die nieuwe wet- en regelgeving zijn onlosmakelijk verbonden met de Omgevingswet. Beide wetten treden per 1 januari 2026 in werking.

In de gemeentelijke warmteprogramma’s wordt nader op de Wcw en Wgiw ingegaan. Hier staan wij stil bij de kern van deze nieuwe wetgeving, die net als de Omgevingswet en de nieuwe Energiewet, de energietransitie beter ondersteunt en daarin gemeenten een belangrijke rol geeft.

De Wet Collectieve Warmte vervangt de huidige Warmtewet

Het doel van de nieuwe wet is om de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten te vergemakkelijken en zo de energietransitie te bevorderen. Maar ook om betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid van collectieve warmtelevering te waarborgen. Dat gebeurt onder andere door gemeenten meer regie over de warmtetransitie te geven. En via het ‘Niet-Meer-Dan-Anders-principe’: wie aangesloten is op een warmtenet, betaalt niet meer dan in een vergelijkbare situatie met aardgas. In de herziene wet komt er bovendien meer ruimte voor publieke regie, lokale zeggenschap en eerlijke, transparante tarieven.

De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie geeft gemeenten de bevoegdheden die nodig zijn om de wijk- of gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie te regisseren

In een eerste stap naar aardgasvrij verwarmen hebben gemeenten een transitievisie warmte opgesteld. Daarin geven ze aan in welke gebieden zij de komende jaren aan de slag gaan met verduurzaming of het aardgasvrij maken van gebouwen. En wanneer zij willen dat er in specifieke gebieden ook daadwerkelijk geen aardgas meer wordt gebruikt. Deze visie moet in 2026 verplicht worden vertaald in een warmteprogramma onder de Wgiw. Vanaf dan worden warmteprogramma’s iedere 5 jaar geactualiseerd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.