Aanhef
Kenmerk Z121279 / D478121
DE RAAD VAN DE GEMEENTE BRUMMEN,
Gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 17 maart 2026 met kenmerk D478117;
Gehoord het behandeladvies van het forum van 09 april 2026;
Heeft besloten:
1De Procesafspraken handhaving integriteit Politieke Ambtsdragers (bijlage bij de gedragscode politieke ambtsdragers gemeente Brummen) D475746 vast te stellen.
Procesafspraken handhaving integriteit Politieke Ambtsdragers
Sectie I: Route voor raadsleden
1.1 Betreft: eigen handelen
a) Een raadslid twijfelt over een eigen nog uit te voeren handeling
-Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de voorgenomen handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
-Als het raadslid en de griffier er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de voorgenomen handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. De burgemeester formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
-Het raadslid volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid dit zelf aan de gemeenteraad. Laat het raadslid dit na, dan doet de burgemeester het.
Communicatie
Als een raadslid in een persoonlijk gesprek een advies krijgt van de burgemeester, kan dit desgewenst door de griffier op schrift worden gesteld en meegegeven aan het raadslid. Adviezen die worden opgevolgd blijven vertrouwelijk. In principe weten alleen het betrokken raadslid, de burgemeester en de griffier ervan.
b) Een raadslid twijfelt over een eigen al uitgevoerde handeling
-Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
-Als het raadslid en de griffier er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de uitgevoerde handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. Als de gedeelde conclusie van dit gesprek is dat er inderdaad sprake is van een schending, zal het raadslid in ieder geval de gemeenteraad informeren en indien mogelijk de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De burgemeester beoordeelt de zwaarte van de schending en maakt dit zwaarte-oordeel bekend aan de gemeenteraad. De raad velt het eindoordeel en besluit over een eventuele sanctie (zie verder fase 3: oordelen en sanctioneren).
-Als er geen sprake is van een gedeelde conclusie, is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 (duiden en onderzoeken) wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.2 Betreft: handelen van een collega-raadslid
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van een ander raadslid
-Het raadslid bespreekt dit met de ander en verwoordt zijn/haar twijfels.
-Als het gesprek tussen de raadsleden niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt het twijfelende raadslid de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
-Bij aanhoudende twijfel gaat het raadslid naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan het raadslid van wie een voorgenomen handeling vragen heeft opgeroepen.
-Dit raadslid volgt het advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid dit zelf aan de gemeenteraad. Laat het raadslid dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een ander raadslid
-Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
-Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat het raadslid in gesprek met het collega-raadslid, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de ander erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert deze zelf de burgemeester en de gemeenteraad hierover. (zie verder onder 1.1.b.)
-Bij aanhoudende twijfel doet het raadslid melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 (duiden en onderzoeken) wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.3 Betreft: handelen van een wethouder
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van een wethouder
-Het raadslid bespreekt dit met de wethouder en verwoordt zijn/haar twijfels.
-Als het gesprek tussen het raadslid en de wethouder niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt het raadslid de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
-Bij aanhoudende twijfel gaat het raadslid naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de wethouder.
-De wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder dit zelf in de collegevergadering en aan de gemeenteraad. Laat de wethouder dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een wethouder
-Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
-Bij aanhoudende twijfel doet het raadslid melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 (duiden en onderzoeken) wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.4 Betreft: handelen van de burgemeester
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van de burgemeester
-Het raadslid vraagt de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
-Indien het raadslid en de griffier concluderen dat de handeling een schending kan zijn, gaan zij samen naar de burgemeester. Bij een verschil van inzicht met de griffier, gaat het raadslid zelf naar de burgemeester.
-De burgemeester overweegt of advies van de CvdK gewenst is, voordat hij/zij een besluit neemt over de eigen voorgenomen handeling.
-Indien de burgemeester afziet van advisering door de CvdK en het raadslid houdt ernstige twijfels over de voorgenomen handeling van de burgemeester, kan het raadslid ervoor kiezen om zelf naar de CvdK te gaan.
-De CvdK formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de burgemeester.
-De burgemeester volgt dit advies in beginsel op. Als de burgemeester toch van het advies van de CvdK afwijkt, meldt de burgemeester dit zelf aan de gemeenteraad en de collegevergadering.
-Indien de burgemeester dit nalaat te doen, dan informeert de CvdK de locoburgemeester hierover. Deze zal vervolgens, eventueel na het informeren van de burgemeester, het college en de gemeenteraad informeren.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de burgemeester
-Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
-Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat het raadslid in gesprek met de burgemeester, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de burgemeester erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf bij de CvdK en informeert het college en de gemeenteraad hierover. (zie verder onder 3.1.b.)
-Als het gesprek tussen het raadslid en de burgemeester niet leidt tot een gedeelde conclusie, kan het raadslid melding doen bij de CvdK. Het is dan aan de CvdK om te besluiten of de stap naar fase 2 (duiden en onderzoeken) wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.5 Betreft: handelen van de griffier
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van de griffier
-Het raadslid bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels.
-Bij aanhoudende twijfel gaat het raadslid naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de griffier.
-De griffier volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester afwijkt, meldt de griffier dit zelf aan de werkgeverscommissie. Laat de griffier dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de griffier
-Het raadslid bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de griffier erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf bij de burgemeester en informeert ook de gemeenteraad hierover. Indien mogelijk zal de griffier de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De werkgeverscommissie beoordeelt of er daarnaast ook een sanctie nodig is (zie verder fase 3).
-Bij aanhoudende twijfel doet het raadslid melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.6 Betreft: handelen van een ambtenaar uit de organisatie
Een raadslid twijfelt over een (voorgenomen of uitgevoerde) handeling van een ambtenaar
-Het raadslid bespreekt zijn/haar twijfels met de burgemeester.
-Als de burgemeester daar reden toe ziet, informeert de burgemeester de gemeentesecretaris, die het gemandateerde bevoegd gezag is over alle ambtenaren. De gemeentesecretaris besluit, bij een uitgevoerde handeling, of er een melding doorgezet moet worden richting het Meldpunt in lijn met de geldende interne meldregeling. Communicatie met de melder verloopt steeds via de burgemeester. Een en ander valt buiten het bestek van de Procesafspraken Integriteit. De Procesafspraken integriteitschending en (vermoeden) misstanden van de ambtelijke organisatie met bijbehorende meldregeling ‘melden ongewenst gedrag, integriteitsschending en (vermoeden) misstanden’ zijn op deze situatie van toepassing. Kwesties die individuele ambtenaren betreffen komen in de regel niet in de gemeenteraad.
-In geval van twijfel over het handelen van de gemeentesecretaris zelf, informeert de burgemeester de andere leden van het college. Bij eventuele vervolgstappen worden interne of externe deskundigen betrokken.
Sectie 2: Route voor wethouders
2.1 Betreft: eigen handelen
a) Een wethouder twijfelt over een eigen nog uit te voeren handeling
-De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de voorgenomen handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
-Als de wethouder en de gemeentesecretaris er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de voorgenomen handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. De burgemeester formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
-De wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder dit zelf in de collegevergadering en aan de gemeenteraad. Laat de wethouder dit na, dan doet de burgemeester het.
Communicatie
Als een wethouder in een persoonlijk gesprek een advies krijgt van de burgemeester, kan dit desgewenst door de gemeentesecretaris op schrift worden gesteld en meegegeven aan de wethouder. Adviezen die worden opgevolgd blijven vertrouwelijk. In principe weten alleen de betrokken wethouder, de burgemeester en de gemeentesecretaris ervan.
b) Een wethouder twijfelt over een eigen al uitgevoerde handeling
-De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
-Als de wethouder en de gemeentesecretaris er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de uitgevoerde handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. Als de gedeelde conclusie van dit gesprek is dat er inderdaad sprake is van een schending, zal de wethouder in ieder geval het college en de gemeenteraad informeren en indien mogelijk de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De raad beoordeelt zelfstandig de politieke consequenties, zonder dat de burgemeester eerst een zwaarte-oordeel heeft geveld (zie verder fase 3).
-Als er geen sprake is van een gedeelde conclusie, is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.2 Betreft: handelen van een raadslid
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van een raadslid
-De wethouder bespreekt dit met het raadslid en verwoordt zijn/haar twijfels.
-Als het gesprek tussen de wethouder en het raadslid niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt de wethouder de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
-Bij aanhoudende twijfel gaat de wethouder naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan het raadslid.
-Het raadslid volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid dit zelf aan de gemeenteraad. Laat het raadslid dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een raadslid
-De wethouder vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
-Bij aanhoudende twijfel doet de wethouder melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 (duiden en onderzoeken) wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.3 betreft: handelen van een collega-wethouder
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van collega-wethouder
-De wethouder bespreekt dit met de andere wethouder en verwoordt zijn/haar twijfels.
-Als het gesprek tussen de wethouders niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt de twijfelende wethouder de gemeentesecretaris om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
-Bij aanhoudende twijfel gaat de wethouder naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de wethouder van wie een voorgenomen handeling vragen heeft opgeroepen.
-De betrokken wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder dit zelf in de collegevergadering en aan de gemeenteraad. Laat de wethouder dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een collega-wethouder
-De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
-Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat de wethouder in gesprek met de collega-wethouder, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de ander erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert deze zelf het college en de gemeenteraad hierover. (zie verder onder 2.1.b. tweede bullet).
-Bij aanhoudende twijfel doet de wethouder melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 (duiden en onderzoeken) wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.4 Betreft: handelen van de burgemeester
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van de burgemeester
-De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is de voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
-Indien de wethouder en de gemeentesecretaris concluderen dat de handeling een schending kan zijn, gaan zij samen naar de burgemeester. Bij een verschil van inzicht met de gemeentesecretaris, gaat de wethouder, eventueel vergezeld door de gemeentesecretaris, naar de burgemeester.
-De burgemeester overweegt of advies van de CvdK gewenst is, voordat hij/zij een besluit neemt over de eigen voorgenomen handeling.
-Indien de burgemeester afziet van advisering door de CvdK en de wethouder houdt ernstige twijfels over de voorgenomen handeling van de burgemeester, kan de wethouder ervoor kiezen om zelf naar de CvdK te gaan.
-De CvdK formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de burgemeester.
-De burgemeester volgt dit advies in beginsel op. Als de burgemeester toch van het advies van de CvdK afwijkt, meldt de burgemeester dit zelf aan de gemeenteraad en het college.
-Indien de burgemeester dit nalaat te doen, dan informeert de CvdK de locoburgemeester hierover. Deze zal vervolgens, eventueel na het informeren van de burgemeester, het college en de gemeenteraad informeren.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de burgemeester
-De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
-Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat de wethouder in gesprek met de burgemeester, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de burgemeester erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt de burgemeester dit zelf bij de CvdK en informeert het college en de gemeenteraad hierover. (Zie verder onder 3.1.b.).
-Als het gesprek tussen de wethouder en de burgemeester niet leidt tot een gedeelde conclusie, kan de wethouder melding doen bij de CvdK. Het is aan de CvdK om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.5 Betreft: handelen van de griffier
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van de griffier
-De wethouder bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels.
-Bij aanhoudende twijfel gaat de wethouder naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de griffier.
-De griffier volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de griffier dit zelf aan de werkgeverscommissie. Laat de griffier dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de griffier
-De wethouder bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de griffier erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf bij de burgemeester en informeert ook de gemeenteraad hierover. Indien mogelijk zal de griffier de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De werkgeverscommissie beoordeelt of er daarnaast ook een sanctie nodig is (zie verder fase 3).
-Bij aanhoudende twijfel doet de wethouder melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.6 Betreft: handelen van een ambtenaar uit de organisatie
Een wethouder twijfelt over een (voorgenomen of uitgevoerde) handeling van een ambtenaar
-De wethouder bespreekt zijn/haar twijfels met de burgemeester.
-Indien de burgemeester daar reden toe ziet, informeert de burgemeester de gemeentesecretaris, die het gemandateerde bevoegd gezag is over alle ambtenaren. De gemeentesecretaris besluit, bij een uitgevoerde handeling, of er een melding doorgezet moet worden richting het Meldpunt in lijn met de geldende interne meldregeling. Eventuele communicatie met de melder verloopt via de burgemeester. Een en ander valt buiten het bestek van de Procesafspraken Integriteit. De Procesafspraken integriteitschending en (vermoeden) misstanden van de ambtelijke organisatie met bijbehorende meldregeling ‘melden ongewenst gedrag, integriteitsschending en (vermoeden) misstanden’ zijn op deze situatie van toepassing. Kwesties die individuele ambtenaren betreffen komen in de regel niet in de gemeenteraad.
-In geval van twijfel over het handelen van de gemeentesecretaris zelf, informeert de burgemeester de andere leden van het college en betrekt hij/zij interne of externe deskundigen bij eventuele vervolgstappen.
Sectie 3: Route voor de burgemeester
3.1 Betreft: eigen handelen
a) De burgemeester twijfelt over een eigen nog uit te voeren handeling
-De burgemeester vraagt om advies in het driehoeksoverleg met de griffier en de gemeentesecretaris: is deze voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de voorgenomen handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
-Bij aanhoudende twijfel gaat de burgemeester naar de CvdK. De CvdK formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
-De burgemeester volgt dit advies in beginsel op. Als de burgemeester toch van het advies van de CvdK afwijkt, meldt deze dit zelf aan de CvdK, in de collegevergadering en aan de gemeenteraad.
-Indien de burgemeester dit nalaat te doen, dan informeert de CvdK de locoburgemeester hierover. Deze zal vervolgens, eventueel na het informeren van de burgemeester, het college en de gemeenteraad informeren.
b) De burgemeester twijfelt over een eigen al uitgevoerde handeling
-De burgemeester vraagt om advies in het driehoeksoverleg met de griffier en de gemeentesecretaris: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
-Bij aanhoudende twijfel gaat de burgemeester naar de CvdK. Als de gedeelde conclusie van dit gesprek is dat er inderdaad sprake is van een schending, zal de burgemeester in ieder geval de wethouders en de gemeenteraad informeren en indien mogelijk de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De raad beoordeelt zelfstandig de politieke consequenties (zie fase 3 oordelen en sanctioneren).
-Als er geen sprake is van een gedeelde conclusie, is het aan de CvdK om te besluiten of de stap naar fase 2 (duiden en onderzoeken) wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.2 Betreft: handelen van een raadslid
a) De burgemeester twijfelt over een voorgenomen handeling van een raadslid
-De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de griffier) zijn/haar twijfels met het raadslid.
-Als dit gesprek met het raadslid niet leidt tot een gedeelde conclusie, formuleert de burgemeester (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan het betrokken raadslid.
-Het raadslid volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid dit zelf aan de gemeenteraad. Laat het raadslid dit na, dan doet de burgemeester het.
b) De burgemeester twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een raadslid
-De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de griffier) zijn/haar twijfels met het raadslid, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als het raadslid erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert hij/ zij de gemeenteraad hierover. (zie verder onder 1.1.b.)
-Bij aanhoudende twijfel is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.3 Betreft: handelen van een wethouder
a) De burgemeester twijfelt over een voorgenomen handeling van een wethouder
-De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de gemeentesecretaris) zijn/haar twijfels met de wethouder.
-Als dit gesprek met de wethouder niet leidt tot een gedeelde conclusie, formuleert de burgemeester (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de betrokkenen wethouder.
-De wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder dit zelf in de collegevergadering en aan de gemeenteraad. Laat de wethouder dit na, dan doet de burgemeester het.
b) De burgemeester twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een wethouder
-De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de gemeentesecretaris) zijn/haar twijfels met de wethouder, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de wethouder erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert deze zijn collega-wethouders en de gemeenteraad hierover. (Zie verder onder 2.1.b.)
-Bij aanhoudende twijfel, is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.4 Betreft: handelen van de griffier
a) De burgemeester twijfelt over een voorgenomen handeling van de griffier
-De burgemeester bespreekt dit met de griffier, verwoordt zijn/haar twijfels en formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
-De griffier volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de griffier dit zelf aan de werkgeverscommissie. Laat de griffier dit na, dan doet de burgemeester het.
b) De burgemeester twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de griffier
-De burgemeester bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’).
-Als de griffier erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf aan de gemeenteraad. Indien mogelijk zal de griffier de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De werkgeverscommissie beoordeelt of er daar naast ook een sanctie nodig is (zie verder fase 3).
-Bij aanhoudende twijfel is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.5 Betreft: handelen van een ambtenaar uit de organisatie
De burgemeester twijfelt over een (voorgenomen of uitgevoerde) handeling van een ambtenaar
-De burgemeester informeert de gemeentesecretaris, die het gemandateerde bevoegd gezag is over alle ambtenaren. De gemeentesecretaris besluit, bij een uitgevoerde handeling, of er een melding doorgezet moet worden richting het Meldpunt in lijn met de geldende interne meldregeling. De gemeentesecretaris verzorgt de communicatie met de melder (de burgemeester). Een en ander valt logischerwijs buiten het bestek van de Procesafspraken Integriteit. Kwesties die individuele ambtenaren betreffen komen in de regel niet in de gemeenteraad.
-In geval van twijfel over het handelen van de gemeentesecretaris zelf, informeert de burgemeester de andere collegeleden en betrekt hij/zij interne of externe deskundigen bij eventuele vervolgstappen.
Het melden van (het vermoeden van) een misstand
Wanneer er sprake is van het vermoeden van een medewerker of politiek ambtsdrager dat er sprake is van een misstand binnen de gemeente Brummen of bij een andere organisatie (indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen) kan er direct extern gemeld worden. Dit betekent dat de melder de melding over een misstand niet eerst binnen de eigen organisatie hoeft te doen. Hierbij is belang dat:
1het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortkomen uit de kennis die de medewerker of politiek ambtsdrager door zijn werkzaamheden heeft opgedaan, en
2het maatschappelijk belang in gevaar is door:
a.een (dreigende) overtreding van een wettelijk voorschrift;
b.een (dreigend) gevaar voor de volksgezondheid;
c.een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van personen;
d.een (dreigend) gevaar voor de aantasting van het milieu;
e.een (dreigend) gevaar voor het goed functioneren van de organisatie als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten;
f.een situatie die niet passend is in het normale maatschappelijke verkeer.
De Wet bescherming Klokkenluiders (Wbk) geeft de mogelijkheid aan melders om direct extern te melden als gezien de omstandigheden een interne melding in redelijkheid niet van de melder kan worden gevraagd. Dat is in ieder geval aan de orde wanneer dit uit een wettelijk voorschrift voortvloeit of er sprake is van:
a.acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding noodzakelijk maakt;
b.een vermoeden dat de werkgever bij de vermoede misstand betrokken is;
c.een situatie waarin jij als melder in redelijkheid kan vrezen voor nadelige maatregelen voor jou persoonlijk in verband met het doen van een interne melding;
d.een duidelijk aanwijsbare dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal;
e.een eerdere melding overeenkomstig de procedure van dezelfde misstand of onregelmatigheid, die de misstand niet heeft weggenomen; en/of
f.een plicht tot directe externe melding.
Een melding van een vermoeden van een misstand kan gedaan worden bij één van de bevoegde externe autoriteiten:
-de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
-de Autoriteit Financiële Markten (AFM)
-de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)
-De Nederlandsche Bank N.V. (DNB)
-het Huis voor Klokkenluiders (HvK)
-de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
-de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)
-de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS)
Het Huis voor Klokkenluiders (Hvk) is altijd te benaderen voor advies over melden of het meldtraject.
Een vermoeden van een misstand kan extern gemeld worden bij de afdeling onderzoek HvK of een andere daartoe bevoegde instantie, als:
a.a. de melder het niet eens is met het standpunt van het bevoegd gezag of van oordeel is dat het vermoeden ten onrechte terzijde is gelegd; of
b.b. er niet tijdig een standpunt is ontvangen over een interne melding (dit wordt een bejegeningsonderzoek genoemd); of
c.c. de melder nadeel ondervind van de melding (dit wordt een benadelingsonderzoek genoemd). (zie fase 3 bescherming van de melder tegen benadeling)
Het HvK biedt niet de mogelijkheid om anoniem misstanden te melden. Voor een onderzoek moet de identiteit van de klokkenluider altijd bekend zijn. Het Huis kan personen die anoniem willen blijven wel adviseren.
Een integriteitsschending kan niet rechtstreeks extern gemeld worden bij het huis van Klokkenluiders. Het huis van Klokkenluiders kan deze ook niet onderzoeken.
Fase 2 Duiden en onderzoeken
Hieronder wordt beschreven welke stappen worden gezet indien in fase 1 gebleken is dat er sprake is van een vermoeden van een integriteitsschending dat mogelijk onderzocht moet worden. De beoordeling van de melding vormt in elk traject een cruciaal moment. Een zorgvuldige afweging is geboden, aangezien tot het instellen van een formeel, persoonsgericht onderzoek niet overhaast mag worden overgegaan. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat de melding onderzoek waardig is, volgt er een objectief integriteitsonderzoek.
Stap 1: Duiding en vooronderzoek
1.1 Betreft: handelen van een raadslid of een wethouder
Bij een melding van een mogelijke integriteitsschending door een raadslid of een wethouder beoordeelt de burgemeester of er sprake is een onderzoek waardige melding. Dit is het geval indien:
•de melding een vermoedelijke schending van de gedragscode en/of wetgeving betreft, van een zekere ernst;
•de melding voldoende betrouwbaar en concreet is;
•de melding in redelijkheid onderzoekbaar is (dat wil zeggen: er zijn voldoende onderzoeksmogelijkheden).
Ook burgers, bedrijven of instanties kunnen twijfelen over het handelen van een politieke ambtsdrager. Als zij daarvan melding doen via de gemeentelijke klachtenprocedure of rechtstreeks bij de burgemeester, treedt fase 2 van de Procesafspraken Integriteit in werking. De melder speelt in het traject verder geen rol; wel wordt hij geïnformeerd over wat er met de melding is gedaan. Ambtenaren die een melding over een politieke ambtsdrager overwegen, informeren de gemeentesecretaris voordat zij zich tot de burgemeester wenden.
Om de onderzoek waardigheid te kunnen bepalen vindt altijd een gesprek met de melder plaats. Daarnaast kan het vooronderzoek onder meer bestaan uit:
-het in kaart brengen van de feitelijke situatie;
-het checken van de beschikbaarheid van (administratieve) informatie;
-het nalopen van relevante wet- en regelgeving.
Ook een gesprek met degene op wie de melding betrekking heeft, kan deel uitmaken van het vooronderzoek. Een dergelijk gesprek vindt niet plaats indien de vermoedelijke schending ernstig is en een eventueel vervolgonderzoek in gevaar kan komen als de betrokkene in dit stadium op de hoogte wordt gesteld.
De burgemeester is eindverantwoordelijk voor het vooronderzoek. In de regel zal hij/zij ervoor kiezen zich te laten ondersteunen door een adviesgroep met specialisten die concrete taken uitvoeren. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld behoren:
-integriteitscoördinator, (senior) jurist, bestuursadviseur;
-externe deskundigen.
Adviezen van ondersteuners aan de burgemeester worden bij voorkeur op schrift gesteld. Op basis hiervan brengt de burgemeester advies uit. Er zijn vier mogelijke scenario’s te onderscheiden:
1De burgemeester concludeert dat er geen grond is voor de verdenking dan wel dat de melding een kleinigheid betreft, onvoldoende betrouwbaar en concreet is en/of niet in redelijkheid te onderzoeken is. De burgemeester informeert de melder hierover en, indien dat gepast is, ook degene op wie de melding betrekking had.
2Degene die onder verdenking is komen te staan erkent een schending te hebben begaan, de feiten zijn voldoende bekend en er is geen verder onderzoek nodig (zie fase 3 oordelen en sanctioneren).
3De burgemeester concludeert dat er grond is voor de verdenking en dat de melding ook anderszins onderzoek waardig is, maar er is geen sprake van erkenning door de betrokkene. In dit geval gelast de burgemeester een integriteitsonderzoek (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, par 2.1).
4De burgemeester concludeert dat er grond is voor de verdenking, het vermoeden betreft een ernstige schending en het risico bestaat dat het informeren van de betrokkene het onderzoeksbelang zou schaden. In dit geval gelast de burgemeester een integriteitsonderzoek zonder de betrokkene daar bij aanvang van op de hoogte te stellen (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, par 2.1).
Blijkt uit het vooronderzoek dat er sprake kan zijn van een strafbaar feit, dan kan de burgemeester hiervan aangifte doen bij de politie. Gaat het om een redelijk vermoeden van een ambtsmisdrijf, dan is de burgemeester hiertoe verplicht.
1.2 Betreft: handelen van de burgemeester
Bij een vermoeden van een integriteitsschending door de burgemeester is de CvdK eindverantwoordelijk voor een deugdelijk vooronderzoek. De CvdK formeert een adviesgroep van ondersteuners die in het kader van het vooronderzoek concrete taken uitvoeren. Hierin hebben minimaal de volgende ambtenaren zitting: een senior jurist en de integriteitscoördinator. Desgewenst kan de CvdK ook externe deskundigen inschakelen.
De CvdK beoordeelt de resultaten van het vooronderzoek. Er zijn dan vier mogelijkheden:
1De CvdK concludeert dat er geen grond is voor de verdenking dan wel dat de melding een kleinigheid betreft, onvoldoende betrouwbaar en concreet is en/of niet in redelijkheid onderzoekbaar is. Hiermee is de zaak afgedaan. De CvdK informeert de melder en de burgemeester hierover.
2De burgemeester erkent een schending te hebben begaan, de feiten zijn voldoende bekend en er is geen verder onderzoek nodig (zie Fase 3).
3De CvdK concludeert dat er grond is voor de verdenking en dat de melding ook anderszins onderzoek waardig is, maar er is geen sprake van erkenning door de burgemeester. In dit geval gelast de CvdK een integriteitsonderzoek (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, par 2.2).
4De CvdK concludeert dat er grond is voor de verdenking, het vermoeden betreft een ernstige schending en het risico bestaat dat het informeren van de betrokkene het onderzoeksbelang zou schaden. In dit geval gelast de CvdK een integriteitsonderzoek zonder de betrokkene daar bij aanvang van op de hoogte te stellen (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, par 2.2).
Indien de verdenking van het plegen van een strafbaar feit de burgemeester betreft, is het de CvdK die aangifte doet.
Communicatie
Als de conclusie van een vooronderzoek luidt dat de verdenking ongegrond is, blijft het vooronderzoek vertrouwelijk. In dit geval weten alleen de melder, degene over wie is gemeld, de burgemeester (of, indien de melding de burgemeester betreft, de CvdK) en eventuele ondersteuners ervan.
Een besluit tot het instellen van een integriteitsonderzoek wordt genomen door de burgemeester (dan wel de CvdK, in het geval van een vermoeden van een schending door de burgemeester). Het is belangrijk om de kring van betrokkenen niet groter te maken dan strikt nodig is.
De vermeende schender wordt altijd geïnformeerd over het instellen van een integriteitsonderzoek. Hiervan wordt alleen afgezien indien dit het vervolgonderzoek in gevaar kan brengen.
In dit stadium kan de burgemeester (dan wel de CvdK) er wel voor kiezen om de fractievoorzitters vertrouwelijk te informeren. Als de kwestie onverhoopt al in de openbaarheid is gekomen is dit sowieso raadzaam.
Stap 2: Integriteitsonderzoek
2.1 Betreft: handelen van een raadslid of een wethouder
Als het vooronderzoek heeft geleid tot de conclusie dat een melding over een wethouder of een raadslid onderzoek waardig is, geeft de burgemeester – na al dan niet intern of extern deskundig advies te hebben ingewonnen – opdracht tot het uitvoeren van een integriteitsonderzoek. Tot het moment van openbaarmaking wordt geheimhouding opgelegd op alles wat met het onderzoek te maken heeft.
De onderzoeksopdracht wordt zo helder mogelijk geformuleerd en omvat ten minste de volgende zaken:
-de onderzoeksvraag (of -vragen);
-de wet- en regelgeving waaraan het handelen wordt getoetst;
-de termijn waarbinnen het onderzoek dient te zijn afgerond.
De burgemeester is eindverantwoordelijk voor het integriteitsonderzoek (in termen van kwaliteit, tijd en kosten). Concrete taken laat hij uitvoeren door:
-professionele onderzoekers uit de ambtelijke organisatie;
-onderzoekers van een extern bureau. In dit geval verstrekt het onderzoeksbureau een opdrachtbevestiging met daarin ten minste: een weergave van in te zetten onderzoeksmethoden, een planning en een begroting.
In het kader van het onderzoek wordt in ieder geval degene geïnterviewd op wie de melding betrekking heeft. Daarnaast kan het onderzoek onder meer bestaan uit:
-het interviewen van andere betrokkenen;
-het verzamelen en beoordelen van schriftelijke informatie;
-het toetsen van relevante informatie aan wet- en regelgeving.
Het onderzoek mondt uit in een schriftelijk rapport. Nadat de burgemeester de conceptversie heeft gelezen, wordt deze ter inzage voorgelegd aan degene wiens handelen is onderzocht in het kader van hoor en wederhoor. Diens eventuele open aanmerkingen worden schriftelijk vastgelegd en als bijlage toegevoegd aan het definitieve rapport. Dat blijft (vooralsnog) geheim.
2.2 Betreft: handelen van de burgemeester
Indien een onderzoek waardige melding de burgemeester betreft, is het de CvdK die opdracht geeft tot het instellen van een integriteitsonderzoek. Het onderzoekstraject voltrekt zich verder analoog aan het proces zoals hierboven geschetst, met twee verschillen:
-eventuele interne professionele onderzoekers komen uit de provinciale ambtelijke organisatie;
-het concept-rapport gaat naar de CvdK voordat dit ter inzage voorgelegd aan de burgemeester.
Bescherming van de melder tegen benadeling
3.1 Betreft: handelen van een raadslid
Nadat een integriteitsonderzoek naar het handelen van een raadslid is afgerond, beoordeelt de burgemeester het definitieve onderzoeksrapport.
Als de conclusie luidt dat er geen schending is gepleegd, deelt de burgemeester de onderzoeksresultaten in principe alleen met het raadslid dat onder verdenking stond, de melder, de griffier en de fractievoorzitters. Eventueel kan de burgemeester er in overleg met het betrokken raadslid voor kiezen om de onderzoeksresultaten breder bekend te maken.
Als de conclusie luidt dat er wel een schending is begaan, spreekt de burgemeester (na al dan niet intern of extern advies te hebben ingewonnen) zijn oordeel uit over de zwaarte ervan, daarmee voorsorterend op het sanctie-oordeel van de gemeenteraad. In een vertrouwelijk overleg van de burgemeester en de fractievoorzitters wordt gesproken over:
-het onderzoek en de resultaten daarvan,
-het zwaarte-oordeel van de burgemeester,
-de wijze waarop de onderzoeksresultaten en het zwaarte-oordeel van de burgemeester aan de raad zullen worden voorgelegd, 2 Zie Kieswet artikel XI en X8,
-de wijze waarop de onderzoeksresultaten, het zwaarte-oordeel van de burgemeester en het raadsbesluit over een eventuele sanctie aan de burger zullen worden gecommuniceerd.
Vervolgens legt de burgemeester de onderzoeksresultaten voor aan de gemeenteraad, met daarbij een gemotiveerd zwaarte-oordeel. De raad vormt zich over dit alles een oordeel en neemt een besluit over een eventuele sanctie. Hierbij vermijdt de raad iedere partijpolitieke bevangenheid.
3.2 Betreft: handelen van een wethouder
Nadat een integriteitsonderzoek naar het handelen van een wethouder is afgerond, neemt de burgemeester als eerste kennis van het definitieve onderzoeksrapport. Vervolgens stelt hij/zij het onderzoeksrapport ter beschikking aan de gemeenteraad, met daarbij een gemotiveerd zwaarte-oordeel over een eventueel vastgestelde schending. De raad beoordeelt zelfstandig de politieke consequenties.
3.3 Betreft: handelen van de burgemeester
Nadat een integriteitsonderzoek naar het handelen van de burgemeester is afgerond, neemt de CvdK als eerste kennis van het definitieve onderzoeksrapport. Vervolgens stelt de CvdK het onderzoeksrapport ter beschikking aan de gemeenteraad, zonder een zwaarte-oordeel te vellen over een eventueel vastgestelde schending. De raad beoordeelt zelfstandig de politieke consequenties.
3.4 Betreft: handelen van de griffier
Nadat een integriteitsonderzoek naar het handelen van de griffier is afgerond, neemt de burgemeester als eerste kennis van het definitieve onderzoeksrapport. Vervolgens stelt de burgemeester het onderzoeksrapport ter beschikking aan de werkgeverscommissie, die besluit over een eventuele sanctie.
Nadat een integriteitsonderzoek naar het handelen van een raadsadviseur of griffiemedewerker is afgerond, neemt de burgemeester als eerste kennis van het definitieve onderzoeksrapport. Vervolgens stelt de burgemeester het onderzoeksrapport ter beschikking aan de griffier, die besluit over een eventuele sanctie.
Communicatie
-Bij sanctionering van een raadslid: Nadat de burgemeester het eigen zwaarte-oordeel aan de gemeenteraad heeft gepresenteerd – en nog vóór de raadsvergadering – stelt hij/zij de pers op de hoogte van de kwestie. Tot die tijd spreekt geen van de betrokkenen (zoals de melder, het raadslid wiens handelen is onderzocht, fractievoorzitters, raadsleden, politieke partijen) met de pers. Allen wachten daarmee tot na de raadsvergadering, aangezien dit de kans op onpartijdigheid sterk vergroot.
-Bij sanctionering van een wethouder: Kort voor de raadsvergadering stelt de burgemeester de pers op de hoogte van de kwestie. Tot die tijd spreekt geen van de betrokkenen met de pers.
-Bij sanctionering van de burgemeester: Kort voor de raadsvergadering stelt de CvdK de pers op de hoogte van de kwestie. Tot die tijd spreekt geen van de betrokkenen met de pers.
-Bij sanctionering van de griffier: Over een eventuele schending van de griffier wordt niet gecommuniceerd naar de pers, behalve als het een zwaardere schending met dientengevolge een zwaardere sanctie. De burgemeester brengt dan, kort nadat de werkgeverscommissie een besluit over sanctionering heeft genomen, de pers op de hoogte kwestie. Tot die tijd spreekt geen van de betrokkenen met de pers.
WOO verzoeken
Interne onderzoeksrapporten zijn niet bestemd voor openbaarmaking. Voor overheidsorganisaties geldt dat onderzoeksrapporten vallen onder het bereik van de Wet open overheid (WOO). Op grond van artikel 5.1 en 5.2 van de WOO kan worden besloten deze dossiers niet of slechts gedeeltelijk openbaar te maken. Is openbaarmaking noodzakelijk dan worden persoonsgegevens geanonimiseerd en is de identiteit van de betrokkenen niet te herleiden uit de context. Dit is belangrijk voor zowel melders als eventuele betrokkenen.
Fase 4 Evalueren en leren
4.1 Leren van elk vraagstuk
Raadsleden of wethouders maken gedurende hun politieke loopbaan hoogstens een beperkt aantal handhavingstrajecten mee, meestal zijdelings. De burgemeester zal meer ervaring opdoen, maar ook voor hem of haar geldt: handhaven wordt nooit routine. Daarom is in de regel na afronding van een integriteitsvraagstuk een korte reflectie geboden – of de zaak nu al wordt afgerond na de beoordeling van een melding, nadat er vooronderzoek is verricht of pas na een integriteitsonderzoek dat al dan niet tot sanctionering heeft geleid.
Bij complexere en/of ernstige zaken krijgt deze terugblik het karakter van een meer formele (schriftelijke) evaluatie. Dan is doorgaans ook een vorm van nazorg geboden. Na een raadsvergadering waarin de uitkomsten van een integriteitsonderzoek naar het handelen van een raadslid of wethouder zijn besproken, kan de burgemeester een evaluatiegesprek met betrokkene inplannen.
4.2 Leren van de grote lijn
Eens per vier jaar maken de griffier en de gemeentesecretaris, eventueel met hulp van interne of externe deskundigen, ter bespreking in de gemeenteraad en het college B&W een geanonimiseerd overzicht van de lessen die getrokken kunnen worden uit adviezen die zijn gegeven en uit de resultaten van vooronderzoek en integriteitsonderzoek. Dat gebeurt op een manier die geen link naar specifieke personen mogelijk maakt.
De afspraken in de Procesafspraken Integriteit alsmede de geldende gedragscodes worden eens per vier jaar door de fractievoorzitters, de griffier, de gemeentesecretaris, de burgemeester en de wethouders geëvalueerd, eventueel met hulp van deskundigen. Desgewenst worden de afspraken bijgesteld.
4.3 Jaarverslagen vertrouwenspersonen
De vertrouwenspersonen (intern en extern) maken jaarlijks (gezamenlijk) een verslag van het soort meldingen (ongewenst gedrag en integriteit), de aantallen en de thema’s die er bij gemeente Brummen spelen. Dit verslag wordt aan de OR, het MT, het college en de raad gestuurd en openbaar gemaakt. Uit het jaarverslag van de vertrouwenspersonen zijn signalen, trends en adviezen te halen. Deze kunnen ook meegenomen worden om van te leren.
Samenvatting van rollen en taken
Griffier
-Is vraagbaak en vertrouwenspersoon voor alle politieke ambtsdragers in de gemeente en geeft advies over de vraag of een (voorgenomen) handeling een schending is.
-Ondersteunt de burgemeester, de gemeenteraad en individuele raadsleden bij de invulling van hun rol.
-Kan op verzoek van de burgemeester concrete taken – zoals het verschaffen feitelijke informatie – uitvoeren in het kader van een vooronderzoek naar het handelen van een raadslid of wethouder.
-Kan op verzoek van de CvdK concrete taken uitvoeren – zoals het verschaffen feitelijke informatie – in het kader van een vooronderzoek naar het handelen van de burgemeester.
-Treedt op als gemandateerd bevoegd gezag bij vermoedens en meldingen die een raadsadviseur of griffiemedewerker betreffen; beoordeelt de uitkomsten van een eventueel integriteitsonderzoek en legt zo nodig een sanctie op.
Burgemeester
-Geeft, bij twijfel over een voorgenomen handeling van een raadslid, wethouder of de griffier, gevraagd en ongevraagd advies over de vraag of die handeling een schending zou opleveren.
-Doet (c.q. laat doen), in geval van een vermoeden van een schending, vooronderzoek om vast te stellen of die verdenking grond heeft.
-Geeft indien nodig opdracht voor een integriteitsonderzoek.
-Bij een integriteitsonderzoek dat het handelen van een raadslid betreft:
* Neemt als eerste kennis van de resultaten van het onderzoek.
* Vormt een zwaarte-oordeel over een schending die is vastgesteld.
* Informeert de fractievoorzitters over de onderzoeksresultaten en zijn zwaarte-oordeel.
* Legt de onderzoeksresultaten en zijn zwaarte-oordeel voor aan de gemeenteraad.
-Bij een integriteitsonderzoek dat het handelen van een wethouder betreft:
* Neemt als eerste kennis van de resultaten van het onderzoek.
* Legt de onderzoeksresultaten voor aan de gemeenteraad.
Gemeenteraad
-Velt het eindoordeel over de uitkomsten van onderzoek naar een vermoedelijke schending door een raadslid, een wethouder of de burgemeester.
-Legt een passende sanctie op.
Commissaris van de Koning (CvdK)
-Laat, in geval van een vermoeden van een schending door de burgemeester, vooronderzoek doen om vast te stellen of die verdenking grond heeft.
-Geeft indien nodig opdracht voor een integriteitsonderzoek.
Bij een integriteitsonderzoek dat het handelen van de burgemeester betreft:
* Neemt als eerste kennis van de resultaten van het onderzoek.
* Legt de onderzoeksresultaten voor aan de gemeenteraad.
-Doet zo nodig aangifte bij de politie.
Bij alle bovenstaande stappen kan de CvdK, desgewenst, een beroep doen op interne of externe deskundigen.
Geloofsbrievencommissie
-Waarschuwt raads- en commissieleden bij mogelijke integriteitsrisico’s.
Fractievoorzitters
-Informeren fractiegenoten over de regels uit de gedragscode en waarschuwt hen voor integriteitsrisico’s.
-Vormen een klankbord voor de burgemeester, vanaf het moment dat een integriteitskwestie betreffende een raadslid in de openbaarheid is gekomen dan wel vanaf het moment dat het integriteitsonderzoek is afgerond en de resultaten bekend zijn. Als het raadzaam lijkt, kan de burgemeester er ook voor kiezen om de fractievoorzitters reeds bij aanvang van het integriteitsonderzoek te informeren.
Gemeentesecretaris
-Is vraagbaak en vertrouwenspersoon voor alle politieke ambtsdragers in de gemeente en geeft advies over de vraag of een (voorgenomen) handeling een schending is.
-Ondersteunt de burgemeester, het college en de individuele wethouders bij de invulling van hun rol.
-Kan op verzoek van de burgemeester concrete taken – zoals het verschaffen feitelijke informatie – uitvoeren in het kader van een vooronderzoek naar het handelen van een raadslid of wethouder.
-Kan op verzoek van de CvdK concrete taken uitvoeren – zoals het verschaffen feitelijke informatie – in het kader van een vooronderzoek naar het handelen van de burgemeester.
-Treedt op als gemandateerd bevoegd gezag bij vermoedens en meldingen die ambtenaren (voor zover zij niet werkzaam zijn bij de griffie) betreffen. Handelt daarbij in lijn met het ambtelijke integriteitsbeleid van de gemeente.
Locoburgemeester
-Aanspreekpunt van de CvdK indien burgmeester nalaat het niet opvolgen van advies te melden in geval een nog uit te voeren handeling (scenario a).