Gemeentelijke regelgeving

Treasurystatuut Bronckhorst 2011

Gemeente Bronckhorst · geldt sinds 15 februari 2012

Aanhef

1Inleiding

Per 1 januari 2001 is de Wet financiering lagere overheden (Wet filo) vervangen door de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido). In deze wet zijn de kaders gesteld voor een verantwoorde, prudente en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden, door een op te stellen treasurystatuut.

Inmiddels is de “dualisering” van kracht waarbij een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen werkzaamheden van de raad en van het college van burgemeester en wethouders. Ook zijn er aanvullende eisen gesteld aan de financiële functie. De paragrafen die moeten worden opgenomen in het jaarverslag en in de begroting zijn uitgebreid. Ook moet het treasurystatuut aan de nieuwe eisen voldoen. Voor wat betreft het financiële beleid is met name de verordening met betrekking tot artikel 212 Gemeentewet van belang. Conform de verordening stelt het college van burgemeester en wethouders het treasurystatuut vast. Het college zendt het treasurystatuut ter kennisgeving aan de raad.

Tijdens de kredietcrisis bleek dat de eisen die voorheen in de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (hierna Ruddo) beschreven stonden, niet voldoende waren voor de uitzonderlijke ontwikkelingen in deze periode . Door het ministerie van Financiën is de regeling aangepast per april 2009. Recentelijk heeft het ministerie van Binnenlandse zaken de Handreiking Treasury 2011 gepubliceerd. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd in het treasurystatuut.

2Treasurystatuut

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst;

gelezen het advies van de afdeling Ontwikkeling van 3 december 2011;

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet,

de Financiële verordening gemeente Bronckhorst,

de Wet financiering decentrale overheden,

de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden;

besluit:

vast te stellen het navolgende Treasurystatuut Bronckhorst.

2.1 Begrippenkader

Artikel

Artikel 13

Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen:

1De gemeente streeft naar concentratie van de liquiditeiten binnen één rentecompensatiecircuit bij de bank met de gunstigste condities.

2Indien een liquiditeitsbehoefte ontstaat, kan de gemeente kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt – conform artikel 4 lid 1 - de kasgeldlimiet niet overschreden.

3Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en kredietlimiet op rekening courant.

4Toegestane instrumenten bij het extern uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar zijn producten met hoofdsomgarantie aan het einde van de looptijd en/of uitzettingen in vastrentende waarden.

5Bij het extern uitzetten van gelden korter dan één jaar zijn slechts de in artikel 6 genoemde tegenpartijen toegestaan.

6De gemeente vraagt bij minimaal 2 instellingen rentepercentages met bijbehorende condities op voordat middelen worden aangetrokken of uitgezet met een looptijd korter dan één jaar.

Debiteuren- en crediteurenbeheer

2.14 Debiteuren- en crediteurenbeheer

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.