Gemeentelijke regelgeving

Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant 2024

Gemeente Breda · geldt sinds 23 juli 2024

Aanhef

Wijzigingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert houdende regels omtrent de GGD West-Brabant (Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant)

De colleges van burgemeesters en wethouders van de gemeenten Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht, en Zundert;

Overwegende dat:

•ingevolge artikel 14 van de Wet publieke gezondheid de gemeenten zorgen voor de instellingen instandhouding van gemeentelijke gezondheidsdiensten;

•de gemeenten een hechte samenwerking bij de publieke gezondheid wenselijk vinden;

•de gemeenten daartoe een openbaar lichaam hebben ingesteld waaraan zij bevoegdheden willen overdragen en middelen ter beschikking willen stellen;

•door het bestuur en het beheer van het openbaar lichaam de gemeentebesturen zoveel mogelijk betrokken moeten blijven bij die belangenbehartiging;

•de financiële risico’s voor de gemeenten door een adequate bedrijfsvoering zo laag mogelijk moeten blijven;

•gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

BESLUITEN:

onder gelijktijdige intrekking van de huidige Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant vast te stellen, per 1 juli 2024, de

Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant 2024.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begrippen

1Deze regeling verstaat onder:

-publieke gezondheidszorg: de gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten;

-wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

-regeling: Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant;

-gemeenten: aan de regeling deelnemende gemeenten;

-college: college van burgemeester en wethouders van een gemeente;

-raad: raad van een gemeente;

-gedeputeerde staten: college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

-GGD: Gemeentelijke Gezondheidsdienst West-Brabant;

-geneeskundige hulpverlening: geneeskundige hulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s;

-basistaken: de taken die de gemeenten wettelijk verplicht zijn af te nemen van de GGD en de taken die de gemeenten collectief willen afnemen zoals het algemeen bestuur die heeft aangewezen;

-aanvullende taken: taken die een gemeente boven de basistaken kan afnemen op basis van afspraken met de GGD.

2Waar de regeling artikelen van de Gemeentewet of een andere wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing verklaart, wordt in die artikelen in plaats van 'de gemeente', 'de raad', 'burgemeester en wethouders' en 'de burgemeester' respectievelijk gelezen: 'de GGD', 'het algemeen bestuur', 'het dagelijks bestuur' en 'de voorzitter'.

Artikel 2 Het openbaar lichaam

Er is een openbaar lichaam: de GGD West-Brabant, gevestigd te Breda.

Hoofdstuk 2 Doel en taken

Artikel 3 Doel

1Het doel van deze regeling is: het behartigen van de belangen van de gemeenten op het gebied van de publieke gezondheid.

2De gemeenten houden de GGD in stand en zo nodig andere vormen van organisatie op het gebied van de publieke gezondheid.

Artikel 4 Taken

1De gemeenten dragen aan de GGD de uitvoering op van:

a.Gemeentelijke taken in de Wet publieke gezondheid;

b.Toezichtstaken in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

c.Toezichtstaken in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ;

d.Gemeentelijke lijkschouwtaken in de Wet op de lijkbezorging;

e.Taken voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ).

2Gemeenten of derden kunnen aan de GGD de uitvoering opdragen van taken voor de geneeskundige hulpverlening en van andere taken.

3Het algemeen bestuur kan naar redelijkheid en billijkheid de basistaken opnieuw vaststellen

4Indien een gemeente wil afwijken van de afname van de overeengekomen basistaken, kan het algemeen bestuur hieraan voorwaarden verbinden, bijvoorbeeld een afbouwregeling zoals beschreven in artikel 20, lid 2

5De aanvullende taken zijn zo beschreven dat een gemeente op basis hiervan kan besluiten tot afname op contractbasis.

Hoofdstuk 3 De bestuursorganen

Artikel 5 Het algemeen bestuur

1Het algemeen bestuur bestaat uit minimaal evenveel leden als het aantal gemeenten. Iedere gemeente wordt door minimaal één lid vertegenwoordigd;

2Elk college wijst dit lid uit zijn midden aan, zo spoedig mogelijk na de benoeming van de collegeleden na de verkiezing van de leden van de raad;

3Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de collegeleden van de gemeente aftreden, als bedoeld in artikel 42 van de Gemeentewet.

4Als een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid van het college te zijn, eindigt ook zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur. Het college voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature en deelt de voorzitter dit binnen één week mee.

5Het college kan een door hem aangewezen lid ontslaan als dit zijn vertrouwen niet meer heeft, nadat dit lid zich heeft kunnen verantwoorden. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van toepassing.

6Het college waarvan het algemeen bestuur een lid aanwijst als lid van het dagelijks bestuur heeft het recht een tweede lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel is van toepassing op deze leden.

7Wanneer het in lid 6 genoemde eerst aangewezen lid geen deel meer uitmaakt van het dagelijks bestuur, vervalt het recht van het college om een tweede lid in het algemeen bestuur aan te wijzen.

8Het algemeen bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.

Artikel 6 Het dagelijks bestuur

1De voorzitter van het dagelijks bestuur is een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten.

2Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden tenminste drie andere leden van het dagelijks bestuur aan. De voordracht van deze leden gebeurt:

a.voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners;

b.voor een lid: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van de gemeenten met 40.000 tot 100.000 inwoners;

c.voor twee leden: door de gezamenlijke leden in het algemeen bestuur van gemeenten met minder dan 40.000 inwoners.

3Het dagelijks bestuur bestaat naast de leden genoemd in lid 1 van dit artikel uit twee leden die het algemeen bestuur aanwijst op grond van hun deskundigheid op het terrein van de publieke gezondheidszorg en/of financiën en bedrijfsvoering. Deze twee leden behoeven geen lid te zijn van het algemeen bestuur of het bestuur van een gemeente en kunnen, als het algemeen bestuur daartoe besluit, een vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen.

4Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen als dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

5Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt ook op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

6Als tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.

7Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel en van lid 4 van artikel 5 blijft hij die geen lid meer is van het dagelijks bestuur zijn zetel waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard.

8Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door een of meer adviseurs.

Artikel 7 De voorzitter

1Als voorzitter wijst het algemeen bestuur een burgemeester van één van de deelnemende gemeenten aan;

2Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan;

3De voorzitter vertegenwoordigt de GGD in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon;

4De voorzitter en de secretaris ondertekenen de stukken die van het openbaar lichaam uitgaan. Het algemeen bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan de secretaris.

Hoofdstuk 4 Werkwijze

Artikel 8 Het algemeen bestuur

1Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en verder zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig vindt of tenminste drie leden dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen;

2Het algemeen bestuur besluit met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij elk lid één stem heeft. Geen stemrecht hebben de leden van het dagelijks bestuur waarvan de gemeenten een tweede lid als bedoeld in artikel 5, lid 6 aanwijzen;

3Voor het vaststellen van de begroting is daarnaast een meerderheid nodig van de leden die in totaal tenminste de helft vertegenwoordigen van het aantal inwoners van de gemeenten waarvan de leden een stem uitbrengen.

Artikel 9 Het dagelijks bestuur

1Aan het dagelijks bestuur behoren alle bevoegdheden behalve de volgende bevoegdheden:

-het besluiten over (voorwaarden van) toetreding, uittreding, wijziging en opheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 7;

-het vaststellen van de jaarrekening en het vaststellen en/of wijzigen van de begroting ende basistaken;

-het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen;

2Het dagelijks bestuur vergadert tenminste zesmaal per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig vindt of tenminste drie leden van het dagelijks bestuur dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, waarna de vergadering binnen veertien dagen plaatsvindt;

3De artikelen 56 en 58 van de Gemeentewet over de werkwijze bij en het stemmen tijdens de vergaderingen zijn van overeenkomstige toepassing. Elk lid heeft in de vergadering van het dagelijks bestuur één stem.

4De stemming in het dagelijks bestuur geschiedt mondeling, tenzij de voorzitter of één van de leden verzoekt om schriftelijke stemming.

5Het dagelijks bestuur kan zijn bevoegdheden binnen nadere voorwaarden mandateren aan de directie en houdt daarop toezicht. Een organisatieverordening beschrijft de relatie tussen het dagelijks bestuur en de directie.

Artikel 10 Verantwoording en inlichtingen

1Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur;

2Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft;

3Ieder lid van het algemeen bestuur heeft een actieve en passieve informatieplicht. Het algemeen bestuur is verplicht de colleges en/of de raden desgevraagd en in ieder geval binnen zes weken te informeren en inlichtingen te geven over alle zaken over deze regeling. Zij informeert de raad na de vergadering van het algemeen bestuur over de besluiten. De GGD zal hierin de leden van het algemeen bestuur faciliteren;

4Het algemeen bestuur is bevoegd om, gevraagd of ongevraagd, aan een of meer colleges en/of raden advies te geven of voorstellen te doen, die hij in verband met deze regeling nodig vindt;

5Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter zijn verplicht de door een of meer leden van de raad van een gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Zij verstrekken deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat daarom is gevraagd;

6Elk lid van het algemeen bestuur is daarnaast verplicht de door een of meer leden van het college of de raad van zijn gemeente gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij verstrekt deze inlichtingen zo spoedig mogelijk nadat hem daarom is gevraagd;

7Elk lid van het algemeen bestuur is aan het college en de raad van de gemeente waarvan het college hem als lid heeft aangewezen verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. Hij legt deze verantwoording zo spoedig mogelijk af nadat het college of de raad hem daarom heeft gevraagd.

Artikel 11 Commissies

1Het algemeen bestuur kan commissies van advies, commissies ter behartiging van bepaalde belangen en klantenpanels instellen;

2Het dagelijks bestuur regelt de werkwijze van deze commissies en klantenpanels.

Artikel 12 Inwonerparticipatie

1Inspraakmogelijkheden voor inwoners wordt via de raden van de gemeenten ingevuld;

2Inwoners kunnen daarnaast participeren in klantenpanels;

3De GGD West-Brabant werkt zoveel mogelijk outreachend en samen mét de inwoners;

4De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar toegankelijk.

Hoofdstuk 5 Organisatie

Artikel 13 De directie

1De GGD heeft een directie die belast is met de dagelijkse leiding en het beheer van de dienst. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directie;

2Het dagelijks bestuur stelt in een organisatieverordening regels vast over de inrichting van de organisatie, de medische verantwoordelijkheden, de taken en bevoegdheden van de directie ende wijze waarop het dagelijks bestuur toeziet op de uitvoering daarvan;

3Het algemeen bestuur kan besluiten om een tweehoofdige directie aan te stellen;

4De directie is secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur;

5Bij een tweehoofdige directie functioneert de door het dagelijks bestuur aangewezen directeur als secretaris;

6De secretaris woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en heeft daarin een adviserende stem.

Artikel 14 Archief

1Het dagelijks bestuur zorgt voor het archief, op basis van het bepaalde in de Archiefwet.

2De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden;

3Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Breda;

4De gemeentearchivaris van de gemeente Breda is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de Archiefwet;

5De archivaris van de gemeente Breda brengt [twee]jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Hoofdstuk 6 Financiën

Artikel 15 Financiën

1De deelnemende gemeenten zullen er steeds voor zorgen dat de GGD altijd over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, mits de GGD binnen de door het Algemeen Bestuur vastgestelde kaders blijft;

2Als aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet hij onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek om over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet;

3Het dagelijks bestuur stelt bij of krachtens de Financiële verordening en een Nota reserves en voorzieningen, beiden vastgesteld door het Algemeen Bestuur, nadere regels voor de financiële administratie van het geldverkeer.

Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting

1Het algemeen bestuur stelt vierjaarlijks, bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode, een meerjarenbeleidsplan vast waarin de financiële en inhoudelijke vooruitzichten worden uiteengezet. Het stelt voorafgaand aan die vaststelling de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hun zienswijze op het beleidsplan in te dienen. De jaarlijkse begroting dient te passen binnen deze kaders;

2Het in het vorige lid genoemde meerjarenbeleidsplan is samen met de jaarrekening de basis om de resultaten van de gemeenschappelijke regeling over een periode van vier jaar te evalueren;

3Jaarlijks vóór 1 februari zendt het dagelijks bestuur aan de raden van de deelnemende gemeenten een brief met daarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders. In deze brief zijn de door de deelnemende gemeenten gegeven richtlijnen verwerkt. Afwijken van deze richtlijnen kan alleen als het algemeen bestuur hiertoe besluit. Daarnaast bevat de kaderbrief de belangrijkste opgaven voor het komende jaar. Voorstellen voor nieuw beleid, die niet door de deelnemende gemeenten zijn opgenomen in de richtlijnen, worden in deze kaderbrief gedaan en expliciet vermeld als nieuw beleid;

4Jaarlijks uiterlijk 1 april zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting voor het volgende begrotingsjaar, vergezeld van een toelichting, aan de leden van het algemeen bestuur en de raden van de deelnemende gemeenten met het verzoek aan de raden om hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren te brengen;

5Als de raming van de door elke gemeente verschuldigde bijdrage(n) is gebaseerd op het aantal inwoners, is dit het aantal inwoners per 1 januari van het jaar vóór het kalenderjaar conform de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek;

6De zienswijzen van de raden dienen uiterlijk 1 juli door de gemeenschappelijke regeling te zijn ontvangen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het algemeen bestuur. Daarna stelt het algemeen bestuur de begroting vast. Na de vaststelling door het algemeen bestuur dient de ontwerpbegroting uiterlijk 15 juli aangeboden te worden bij de provincie;

7Het algemeen bestuur kan een wijziging van de begroting die niet leidt tot een verhoging van de gemeentelijke bijdrage vaststellen zonder dat de raden daarover hun zienswijze geven;

8Indien een wijziging van de begroting vanuit Rijksmiddelen aan de gemeenten wordt gecompenseerd, wordt deze niet voor zienswijze aan de raden voorgelegd, tenzij het dagelijks bestuur van de GGD WB anders besluit.

Artikel 17 De jaarrekening

Het dagelijks bestuur stelt de jaarrekening op over het voorgaande jaar. Hij stuurt deze naar de gemeenten en naar de accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het accountantsrapport uit te brengen.

Hoofdstuk 7 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 18 Toetreding

1Voor de toetreding van een gemeente volstaat het besluit van het college van die gemeente. Die toetreding heeft de instemming nodig van het algemeen bestuur;

2Aan de toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden.

Artikel 19 Evaluatie

Het algemeen bestuur kan het functioneren van de regeling desgewenst op ieder moment, bij voorkeur in het derde jaar van de AB-bestuursperiode, evalueren en betrekt de raden bij die evaluatie.

Artikel 20 Uittreding

1Een gemeente kan uittreden doordat het college een daartoe strekkend besluit stuurt aan het algemeen bestuur. Voor deze uittreding geldt een opzegtermijn van een kalenderjaar en zij treedt in werking op de datum die het besluit aangeeft;

2De uittredende gemeente is gedurende de drie jaren na afloop van het begrotingsjaar waarin de uittreding plaatsvindt een bijdrage verschuldigd van respectievelijk 100%, 66% en 33%. Hierop zijn ook de indexatie en begrotingswijzigingen van toepassing;

3Aan de uittreding kan het algemeen bestuur nadere voorwaarden verbinden.

Artikel 21 Wijziging

1Zowel het dagelijks bestuur als een college kan aan het algemeen bestuur voorstellen doen over het wijzigen van deze regeling. Het algemeen bestuur kan ook zelfstandig besluiten tot een voorstel tot wijziging;

2Wanneer het algemeen bestuur instemt met een voorstel tot wijziging, stuurt het dagelijks bestuur dit als voorstel naar de colleges;

3Deze regeling wordt gewijzigd als tenminste drie vierde van de colleges van de deelnemende gemeenten daarmee heeft ingestemd;

4Indien in een wijziging niet is bepaald wanneer deze in werking treedt, gaat de wijziging in op de eerste dag na die van bekendmaking in de Staatscourant door het gemeentebestuur van de gemeente Breda.

Artikel 22 Opheffing

1De regeling wordt opgeheven, wanneer de colleges van tenminste drie vierde van de gemeenten daartoe besluiten;

2Bij opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie, gehoord de colleges.

3Bij opheffing blijven de organen van het openbaar lichaam zo nodig in functie totdat de liquidatie is beëindigd.

Hoofdstuk 8 Slot

Artikel 23

1Deze regeling heet: Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant en geldt voor onbepaalde tijd;

2Het gemeentebestuur van de gemeente Breda draagt zorg voor bekendmaking van het besluit tot vaststelling van de regeling, van de besluiten tot wijziging en opheffing van de regeling en van de besluiten tot toetreding en uittreding in de Staatscourant en stuurt deze besluiten naar gedeputeerde staten;

3In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur.

Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant - toelichting

Deze regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de bepalingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen en/of de Gemeentewet. Waar die bepalingen verplicht zijn, staan ze meestal niet in deze regeling. Hieronder volgt een toelichting op enkele artikelen en nadere informatie over enkele punten nadere. Overal waar in de regeling 'hij' of 'zijn' staat, zou ook 'zij' of 'haar' kunnen staan.

Aanhef

De wet zegt dat gemeenten een gezondheidsdienst instellen en in stand houden voor de uitvoering van een aantal taken en dat ze dit doen samen met andere gemeenten. Daarom stellen de gemeenten deze gemeenschappelijke regeling vast. De regeling sluit aan bij de Wet publieke gezondheid (hierna: de wet), die in de plaats kwam van o.a. de Wet collectieve preventie volksgezondheid. De gemeente formuleert zijn gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dat kader aan.

De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn:

-gemeenten voeren de regie en moeten de GGD zo nodig direct kunnen inzetten.

-er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD individueel en gezamenlijk aan te sturen;

-de GGD functioneert binnen die kaders als een zelfstandige, professionele organisatie;

-gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert.

De GGD moet dus genoeg keuzevrijheid bieden en flexibel aansluiten op de lokale wensen. Hij moet ook werken met een slagvaardige bedrijfsvoering, die leidt tot het behalen van de doelen. Daarbij kunnen de gemeenten, via het algemeen bestuur, inhoudelijke kaders stellen en toezichthouden op het beheer van de GGD. Het algemeen bestuur zal zich daarbij vooral richten op de beleidskaders, de begroting en de rekening. Het dagelijks bestuur richt zich vooral op het toezicht op de directie.

Artikel 4 Taken

Artikel 4 van de regeling sluit aan bij de wettelijke taken en de bepalingen in artikel 14 van de wet:

Artikel 14, Wet Publieke Gezondheid

1Ter uitvoering van bij of krachtens deze wet opgedragen taken dragen de colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, via het treffen van een gemeenschappelijke regeling zorg voor de instelling en instandhouding van een regionale gezondheidsdienst in die regio.

(...)

4Met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, staat het college van burgemeester en wethouders vrij om de uitvoering van de taken of onderdelen van taken, bedoeld in de artikelen 2, tweede lid, onder h, en 5, tweede lid, onder a tot en met d, over te laten of mede over te laten aan een ander dan de gemeentelijke gezondheidsdienst.

Uit lid 4 van artikel 14 van de wet blijkt een gemeente de jeugdgezondheidszorg ook (mede) kan overlaten aan andere organisaties dan de gemeentelijke gezondheidsdienst. In West-Brabant gebeurt dit in een aantal gemeenten ook, voor de zorg voor de 0- tot 4-jarigen. Voor de andere wettelijke taken staat de koppeling met de GGD in lid 1 van artikel 14. Het algemeen bestuur bepaalt de omvang en de inhoud van het pakket bij de vaststelling van de basistaken en in de (jaarlijkse) begroting.

Daarnaast zijn onderstaande artikelen uit de wet van toepassing op de gemeenschappelijke regeling:

Artikel 2, Wet Publieke Gezondheid

1Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg en de afstemming ervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

2Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:

a.het verwerven van, op epidemiologische analyse gebaseerd, inzicht in de gezondheidssituatie van de bevolking;

b.het elke vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijke gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 13, tweede lid, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze gezondheidssituatie;

c.het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen;

d.het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering;

e.het bevorderen van medisch milieukundige zorg;

f.het bevorderen van technische hygiënezorg;

g.het bevorderen van psychosociale hulp bij rampen;

h.het geven van prenatale voorlichting aan aanstaande ouders.

(...)

Artikel 5, Wet Publieke Gezondheid

1Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.

2Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:

a.het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren,

b.het ramen van de behoeften aan zorg,

c.de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen, met uitzondering van het perinatale onderzoek op phenylketonurie (PKU), congenitale hypothyroïdie (CHT) en adrenogenitaal syndroom (AGS) en het aanbieden van vaccinaties voorkomend uit het Rijksvaccinatieprogramma,

d.het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding,

e.het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.

(...)

Artikel 6, Wet Publieke Gezondheid

1Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de algemene infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort:

a.het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied,

b.het bestrijden van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en contactopsporing,

c.bron- en contactopsporing bij meldingen als bedoeld in de artikelen 21, 22, 25 en 26. (...)

Artikel 8 Het algemeen bestuur

Dit artikel beschrijft onder andere de besluitvorming in het algemeen bestuur. Het streven is: besluiten in consensus, maar toch is, als dat niet lukt, een nauwkeuriger beschrijving nodig. De algemene regel (in lid 2) is gelijk aan de besluitvorming in de gemeenteraad: het algemeen bestuur besluit met (absolute) meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Voor het vaststellen van de begroting moeten die stemmen daarnaast ook de meerderheid vertegenwoordigen van de inwoners van de gemeenten (waarvan de leden hun stem uitbrachten). Daardoor weegt in die besluiten ook het financieel belang van elke gemeente mee.

Artikel 12 Inwonerparticipatie

De inwonerparticipatie wordt voor het grootste deel weggelegd bij de deelnemende gemeenteraden. Deze optie voldoet het meest aan de wens om de inspraak te laten verlopen via het orgaan met de meeste democratische legitimiteit.

Artikel 15 Financiën

Artikel 194 en 195 van de Gemeentewet luiden:

Artikel 194, Gemeentewet

1Indien de raad weigert verplichte uitgaven op de begroting te brengen, doen gedeputeerde staten dit;

2Indien de raad bovendien weigert in voldoende dekking van in het eerste lid bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen gedeputeerde staten daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.

Artikel 195, Gemeentewet

Gedeputeerde staten dragen zo nodig aan de bevoegde gemeenteambtenaar de betaling op ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf op de begroting is gebracht.

Artikel 16 Meerjarenbeleidsplan, kaderbrief en begroting

Vóór de begroting stelt het algemeen bestuur een kadernota vast. Hierin staan de hoofdlijnen van het beleid voor de komende jaren en de globale financiële gevolgen daarvan. Het algemeen bestuur bespreekt deze nota in april. Gemeenten kunnen hierdoor tijdig invloed uitoefenen. Daarnaast stelt het dagelijks bestuur in december een beheersbegroting vast, die de middeleninzet beschrijft van personeel, huisvesting en kapitaallasten.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.