3 Dit gaan we doen
3.1 Beschermen van bestaande basis voor Stad in een park
3.1.1 Doelen
Hoeveelheid groen in de stad blijft op niveau door het compensatieprincipe
Uitgangspunt is dat het bestaande groen behouden blijft, waardoor het groene raamwerk van Breda ten alle tijden op niveau blijft. Indien het behoud van het bestaand groen niet mogelijk is, geldt het uitgangspunt dat de kwaliteit van het groen op niveau moet blijven. Het verwijderen van groen, of het nu gaat om Structuurgroen of Omgevingsgroen (zie kader), moet ten alle tijden gecompenseerd worden. Binnen het compensatieprincipe (zie kader) wordt er meer flexibiliteit geboden voor het omgevingsgroen in vergelijking met het structuurgroen.
Groenstructuurkaart
De wijze waarop groen gecompenseerd dient te worden, is afhankelijk van het type groen. In het kader van dit compensatieprincipe is al het groen in Breda in kaart gebracht, waarbij twee typen worden onderscheiden.
•Structuurgroen: dit betreft al het groen dat op stads-, wijk- of dorpsniveau van belang is. De hoofdgroenstructuur op stadsniveau bestaat uit een groene ring rondom de stad gevormd door het buitengebied en de singels als groene binnenring met diverse verbindingen daartussen in de vorm van beken en parkways. Ook de parken en natuurgebieden in de bebouwde kom maken deel uit van de hoofdgroenstructuur op stadsniveau. De hoofd- groenstructuur op stadsniveau is integraal opgenomen in de Omgevingsvisie Breda 2040. Op wijk- of dorps- niveau wordt de hoofdgroenstructuur aangevuld met de volgende onderdelen:
•Parken en groene (woon)hofjes
•Groene verbindingen tussen parken en/of (woon)hofjes
•Groen langs hoofdwegen, recreatieve verbindingen en/of historische routes
•Groene entrees van wijken en buurten
•Ecologisch beheerd groen, o.a. plasdras-zones, overgangen tussen water en groen
•Groene buffers tussen natuurgebieden en stedelijke functies
•Groene buffers tussen hoog- en laagbouw
•Groene buffers tussen voor- en achterkanten van woningen en/of bedrijven
•Groene identiteitsdragers van bepaalde woonmilieus (bijvoorbeeld de groene bermen in villawijken)
•Omgevingsgroen: dit betreft het groen dat met name een lokale waarde heeft (buurtgericht) en van belang is voor de directe omgeving.
Figuur| Hoofdgroenstructuur op stadsniveau
Figuur| Hoofdgroenstructuur stedelijk gebied
Compensatieprincipe
Breda introduceert een compensatieprincipe voor de verwijdering van groen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen structuurgroen en omgevingsgroen.
Compensatie structuurgroen
Compensatie van structuurgroen moet ten alle tijden plaatsvinden binnen of nabij het plangebied om op die manier de structuur, functie en kwaliteit te behouden. De te compenseren waarde zit hem niet in exacte aantallen en zorgt hierdoor voor enige flexibiliteit. Voor bijvoorbeeld de bomen uit de hoofdgroenstructuur moet rekening worden gehouden met de beschikbare groeiruimte. Dit kan betekenen dat er bijvoorbeeld minder bomen worden terug geplant, maar dat de bomen zich beter kunnen ontwikkelen, verder uitgroeien en langer blijven leven. In het kader van de ecologische functie van de structuur kan het echter wel van belang zijn om de aaneengeslotenheid van de bomen, als vliegroute voor vleermuizen, te behouden. Er dient op een integrale manier gekeken te worden naar de waarde, functie en kwaliteit van de huidige structuur om de compensatie te kunnen bepalen.
Compensatie omgevingsgroen
Compensatie van omgevingsgroen moet in principe plaatsvinden binnen of nabij het plangebied, om op die manier de waarde in het gebied te behouden. In geval van beperkte ruimte of probleemsituaties, die ontstaan zijn met de huidige inrichting (bijvoorbeeld wortelopdruk), geldt voor omgevingsgroen dat er gekeken wordt naar alternatieve groene elementen op dezelfde locatie. Het behoud van de waarde van het groen (op het gebied van ecologie, landschap, cultuurhistorie, verkoeling, beeldbepalendheid etc.) is daarbij leidend.
Omgevingsgroen biedt meer flexibiliteit in de openbare ruimte. Ondanks dat de hoeveelheid groen vergelijkbaar moet blijven, kan omgevingsgroen sneller worden vervangen/verplaatst indien dit gewenst is vanuit overige stedelijke opgaven en beheeropgaven (o.a. verleggen van kabels en leidingen, herinrichting straatprofiel, vernieuwen van bestrating of riolering etc.). Voor het omgevingsgroen geldt een lagere levensverwachting en daardoor is een snellere vervangingsronde acceptabel.
Om de groene elementen (omgevingsgroen) in het straatbeeld te behouden, is het mogelijk om voor omgevings- groen technische oplossingen toe te passen en bepaalde risico’s te accepteren. Dit geldt enkel in situaties wanneer het niet mogelijk is om groene elementen in de volle grond te plaatsen in verband met gebrek aan ruimte en alleen in centrumgebieden.
Indien bovenstaande opties niet mogelijk zijn, moet compensatie plaatsvinden op een alternatieve locatie. Er moet daarbij eerst gezocht worden naar een geschikte locatie binnen dezelfde buurt/wijk, voordat alternatieve locaties buiten de directe omgeving kunnen worden ingezet. Ook hierbij geldt dat de waarde die het groen vertegenwoordigt (o.a. het gebied van ecologie, landschap, cultuurhistorie, verkoeling, beeldbepalendheid etc.) op hetzelfde niveau moet blijven.
Groen wordt op een passende wijze gebruikt
Om de waarden van de bestaande en nieuw te realiseren groengebieden op niveau te houden, is het van belang dat deze gebieden op een gepaste wijze worden gebruikt. Via de gebruikersregeling (zie kader) wordt voor het aangewezen gebied bepaald welke vormen van recreatieve activiteiten zijn toegestaan: van wandelen en fietsen tot aan mogelijkheden voor een evenement. Daarnaast worden er ook algemene gebruiksregels opgesteld.
Gebruikersregeling
Breda introduceert een gebruikersregeling om het evenwicht tussen recreatieve activiteiten en groen en natuurwaarden te behouden. Op basis van de hier beschreven uitgangspunten wordt deze gebruikersregeling nader uitgewerkt. In de gebruikersregeling wordt gewerkt met drie sfeercodes:
•Rust (groen): de groene rustgebieden in en rondom de stad vormen de locaties waar Bredanaars en bezoekers kunnen ontspannen en/of waar de natuur de ruimte krijgt. In de rustgebieden is slechts extensieve recreatie mogelijk, zoals wandelen, ontspannen en fietsen. In een aantal natuurgebieden is geen recreatie mogelijk of is het natuurgebied gedurende een periode van het jaar (broedseizoen) niet toegankelijk.
•Reuring (blauw): de blauwe gebieden worden gekenmerkt door hogere bezoekersaantallen en bieden ruimte aan intensievere vormen van recreatie, waaronder de organisatie van sportevenementen (hardlopen, toertochten e.d.), evenementen gericht op de buurt of wijk en de aanwezigheid van een horecagelegenheid.
•Ruis (rood): de rode gebieden worden gekenmerkt door een hoge bezoekersintensiteit in een bepaalde periode (pieken). Bijvoorbeeld bij mooi weer worden gebieden zoals de Galderse Meren druk bezocht door recreanten. Enkele van deze gebieden vormen ook de locaties die zich onder bepaalde voorwaarden lenen voor de organisatie van muziekevenementen. De spelregels voor evenementen zijn verankerd in het evenementenbeleid. Uiteindelijk wordt per evenement maatwerk geleverd.
Figuur| Gebruikersregeling
Aanvullende gebruiksregels
•Wandelen en fietsen is over het algemeen overal toegestaan. In natuurgebieden dienen bezoekers gebruik te maken van de hiervoor aangelegde paden (o.a. laarzenpaden). In bepaalde gevallen zijn gebieden geheel niet toegankelijk of slechts in een bepaalde periode.
•Loslopende honden zijn enkel toegestaan in de hiervoor aangewezen locaties.
•Jacht is enkel toegestaan in de hiervoor aangewezen jachtgebieden. In gemeentelijke natuurgebieden is jacht niet toegestaan, mits op basis van een opdracht vanuit natuurbeheer (dit wordt nader uitgewerkt in een Gemeentelijk Plan Ecologie).
•Het is niet toegestaan om afval achter te laten in natuur- en groengebieden; dit geldt ook voor de overige delen van Breda.
•Het houden van honingbijen is niet toegestaan in en nabij de aangewezen natuurgebieden en ecologische netwerken (binnen een zone van 100 meter rondom het natuurgebied) in verband met de voedselconcurrentie en de mogelijkheid tot het overdragen van ziekten (dit wordt nader uitgewerkt in een Gemeentelijk Plan Ecologie).
•Vissen is enkel toegestaan op de grotere wateren (singels, Mark en Aa of Weerijs) in verband met de aanwezige doorstroming. Op andere locaties is vissen niet toegestaan om vervuiling van het water en verstoring van vogels te voorkomen. De vislocaties en nadere regels worden nader uitgewerkt in een Gemeentelijk Plan Ecologie.
Sturen op nieuwe voorzieningen in de openbare ruimte
De energietransitie, mobiliteitstransitie en digitalisering hebben de nodige effecten op het groen. In de toekomst moet er een groot aantal nieuwe voorzieningen een plek krijgen in de openbare ruimte, zoals trafostations, buurtbatterijen, warmte-koude-opslag-systemen, etc. Om het bestaande groen in de openbare ruimte te beschermen en te sturen op de situering van deze voorzieningen, hanteert Breda een Ladder voor de openbare ruimte. Deze Ladder vormt het afwegingskader voor de ontwikkeling van nieuwe voorzieningen. Uitgangspunt van dit kader is het onderzoeken van de ontwikkelmogelijkheden voor dergelijke voorzieningen op het eigen terrein of inpandig. Indien dit niet mogelijk is dan kan naar het openbaar gebied gekeken worden. Bij het openbaar gebied geldt dat de realisatie op een verhard oppervlak de voorkeur heeft boven realisatie in het groen. Op deze manier wordt het groen beschermd.
Bescherming van Rode Lijst soorten
Breda heeft een taak als het gaat om het beschermen van zeldzame soorten (zie bijlage 1). Bovenop deze wettelijke verplichting heeft Breda de ambitie om de Rode Lijst soorten te beschermen door bij ruimtelijke ontwikkelingen dezelfde eisen op te leggen als de eisen die gelden voor de wettelijk verplichte soorten. Dit betekent onder andere de verplichting aan te tonen dat de geplande ontwikkeling niet tot schade leidt en/of overlast veroorzaakt voor de Rode Lijst soorten en hun leefgebied.
Groen wordt op een duurzame wijze beheerd
Naast bescherming is het essentieel dat het groen op een duurzame wijze wordt beheerd. Via een passend beheer wordt de kwaliteit van het bestaande ecologisch en cultuurgroen verhoogd en wordt voorkomen dat er op een later moment grootschalig onderhoud of vervanging nodig is. Ook in relatie tot het voorkomen van exoten, zowel planten als dieren, is een adequate beheerstrategie (plaagbestrijding) essentieel.
Voor het beheer van het gemeentelijk groen is enerzijds het Gemeentelijk Plan Bomen opgesteld, dat in de loop van 2021 wordt geëvalueerd en geactualiseerd, en wordt anderzijds een Gemeentelijk Plan Ecologie opgesteld. In het Gemeentelijk plan Ecologie wordt onder andere aandacht besteed aan het ontwikkelen van een monitorings- programma voor soorten, het voorkomen van exoten en plagen, de bescherming van de rode lijstsoorten en het bij-vriendelijk berm- en slootbeheer.
3.2 Ontwikkelen van een robuust ecologisch netwerk
3.2.1 Doelen
Invullen van de schakelfunctie tussen de Natura 2000-gebieden ten noorden en ten zuiden van Breda
In het noorden van Breda zijn de Natura 2000-gebieden het Krammer-Volkerak en de Biesbosch aanwezig. In het zuiden zijn dit het Ulvenhoutse Bos en het Merkske. Breda vormt de schakel tussen deze gebieden en heeft hierdoor de verantwoordelijkheid om deze gebieden via een ecologisch netwerk door en om de stad te verbinden. Het benodigde ecologische netwerk bestaat uit de beken en overige waterlopen in de stad, inclusief de hieraan gekoppelde grote groengebieden. De singels, Mark en Aa of Weerijs vormen de belangrijkste dragers van het ecologische netwerk. Bij nieuwe ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling van het voormalige suikerunie terrein (’t Zoet), de realisatie van de Nieuwe Mark fase 2 en het Seeligpark, wordt onder andere invulling gegeven aan de ecologische schakelfunctie van Breda.
Op basis van het provinciale beleid geldt dat binnen het stedelijk gebied de Ecologische Verbindingszone gemid- deld 50 meter breed dient te zijn. In het landelijk gebied geldt een richtlijn van 25 meter breed. Het is in de bebouwde kom op veel plekken niet mogelijk om een zone van 50 meter breed natuurlijk in te richten. Hiervoor moeten innovatieve oplossingen worden bedacht, zoals het optimaliseren van stapstenen en natuurinclusief ontwikkelen. Om de opgave vanuit de provincie te vertalen naar de stad, wordt er een integrale ecologische visie voor de beken en singels in de stad opgesteld, waar de aanliggende parken onderdeel van uit maken (Boeimeerpark, Chassépark, Wilhelminapark, Valkenberg, Emerput en de nieuwe parken ‘t Zoet en Seeligpark).
Ecologische schakel Breda
De volgende deelgebieden maken onderdeel uit van het robuuste ecologische netwerk door Breda: van noord naar zuid:
•Weimeren, Strijpen/de Berkt: sluit aan op natuurgebieden in de gemeente Etten-Leur en wordt ontwikkeld door Staatsbosbeheer en waterschap Brabantse Delta.
•Vierde Bergboezem: in dit gebied liggen nog twee particuliere percelen, indien mogelijk worden deze verworven.
•Bedrijventerrein de Krogten: nader uit te werken in de visie.
•’t Zoet: op het oude suikerunie terrein wordt een nieuw stadspark ontwikkeld, gericht op extra waterberging en verbetering van het regionale ecologische- en watersysteem, als onderlegger voor stedelijke ontwikkeling, recreatie en ontmoeten.
•Singels: in de singels worden ecologische vooroevers aangelegd en de openbare ruimte van de Binnensingel wordt heringericht op basis van het Uitvoeringskader Binnensingel, waarbij dubbele bomenrijen worden aangeplant en er meer ruimte is voor groen.
•Nieuwe Mark fase 2: bij de realisatie van de Nieuwe Mark fase 2 worden groene kademuren en rustplekken toegepast, zodat de natuur door de Bredase binnenstad wordt geleid.
•Seeligpark: het park wordt ontwikkeld als een extra stadspark voor Breda en gaat tevens functioneren als een belangrijke ecologische stapsteen langs de singels.
•Wilhelminapark: omwonenden van het Wilhelminapark hebben gezamenlijk een visie op het park opgesteld waarbij ze zich richten op het verhogen van de gebruikswaarde, uitstraling en biodiversiteit met respect voor de cultuurhistorische waarde van het park. De visie wordt komend jaar in overleg met de bewoners nader uitgewerkt.
•Boeimeerpark: nader uit te werken in de visie.
•Ginneken: nader uit te werken in de visie.
•Markdal: in het Markdal aan de zuidkant van Breda houdt de Vereniging Markdal zich bezig met de realisatie van ruim 100 ha natuur, deels gelegen in de gemeente Alphen-Chaam.
Versterken van het kleinschalige ecologische netwerk door Breda
Naast de invulling van de ecologische verbindingszone van noord naar zuid, wordt geïnvesteerd in natuurgebieden en andere ecologische verbindingen. Deze elementen dragen bij aan het ontstaan van een robuust netwerk: van groot naar klein en vice versa. Van de ecologische verbindingszone van de singels tot aan het groen in de buurt. Voor de overige ecologische verbindingen worden hierbij dezelfde afmetingen gehanteerd als voor de provinciale ecologische verbindingen.
Zo wordt er geïnvesteerd in de versterking van de verbindingen tussen groen en water langs enkele kleinschalige waterlopen, namelijk de Molenleij, Chaamse Beek, Bijloop, Bethlehemloop en Bavelsche Leij. Er wordt nieuwe natuur ontwikkeld en ontbrekende ecologische schakels worden aan de hand van faunapassages gerealiseerd.
Versterken van verbinding tussen groen en water
•Het versterken van de groenblauwe verbinding vanaf het stadshart naar het buitengebied via de Molenleij door het behouden en versterken van de natuurlijke oevers en herinrichting van het Hooghoutpark
•Inrichting van natuurlijke oevers rondom de Chaamse Beek
•Realisatie resterende delen van de ecologische verbinding ter hoogte van de Bijloop
•Afronden resterende delen van de ecologische verbindingszone rondom de Bethlehemloop
•Aanleggen ontbrekende schakel in de ecologische verbinding langs de Bavelsche Leij
•Aanleggen van EVZ Boomkikker
•Aanleggen van GEVZ langs het spoor (o.a. Westrik, Beeksbuiten)
Figuur| Robuust ecologisch netwerk
Ontwikkelen van natuur
Enkele projecten:
•Realisatie van natuur in Landgoederenzone Zuid (Burgst)
•Realisatie van natuur in Landgoederenzone Noord (IJzeren Hek)
•Versterken van ecologische kwaliteiten in het natuurgebied de Lage Vuchtpolder
•Stimuleren van de realisatie van landschapselementen in het buitengebied om ook een ‘droge’ natuurverbinding te realiseren. Dit is nader uitgewerkt in de Bomen- en Bossenstrategie die aan de orde komt bij het derde uitgangspunt Fijnmazig groen netwerk.
Faunapassages: kleinschalige ecologische schakels
•Om de beweging van bepaalde soorten dieren door het stedelijk gebied te stimuleren, wordt er geïnvesteerd in de realisatie van faunapassages. Hierbij zijn de uitgangspunten uit de Ontsnipperingsvisie Breda leidend. Deze visie sluit aan op de uitgangspunten van de visie van de provincie Noord-Brabant
3.3 Ontwikkelen van groen in ieders directe nabijheid
3.3.1 Doelen
Ontwikkelen van nieuwe parken en bossen
Om iedere inwoner in 2030 binnen 200 meter toegang te verlenen tot een park, een bos of het buitengebied wordt allereerst ingezet op het uitbreiden van het aantal parken en bossen. Op basis van de analyse (hoofdstuk 2) blijkt dat de bereikbaarheid van groen in de directe nabijheid in bepaalde delen van Breda niet op niveau is en dat er in bepaalde relatief weinig groen aanwezig is. Door de aanleg van nieuwe parken en bossen wordt de mogelijk- heid gecreëerd om dagelijks te recreëren in het groen in de directe nabijheid van de woning. Door het wegnemen van een belangrijke drempel, namelijk de afstand tot groen, wordt beweging, ontmoeting en ontspanning in het groen gestimuleerd.
Daarnaast worden nieuwe parken en bossen aangelegd om invulling te geven aan de recreatieve behoefte en om de recreatieve druk op bestaande natuurgebieden te verminderen.
Nieuwe parken en bossen
In het centrum van Breda worden de komende jaren vier nieuwe parken geïntroduceerd, namelijk het Seeligpark, Luciapark, een park in ’t Zoet en het park rondom de singels (herinrichting binnensingel) (zie kaart). Ook de uitbreiding van het Spoorlandschap, een doorlopende groene verbinding die het Liesbos en de Boswachterij Dorst met elkaar verbindt, is een belangrijke groene impuls dat de hoeveelheid groen in de directe woonomgeving vergroot. In Breda-west wordt een nieuw wijkpark ontwikkeld in het kader van de ontwikkeling Blossem aan de Ettensebaan. In de omgeving van Prinsenbeek (Beeks Buiten) en Bavel (Bavel-west) streven we naar de toevoeging van nieuwe buurtparken. Gezien de woningbouwontwikkelingen in deze omgeving en de beperkte hoeveelheid groen in deze gebieden, is de versterking van groen hier van belang.
Daarnaast wordt geïnvesteerd in de uitbreiding van het areaal bos. Dit wordt gedaan door onder andere bestaande bossen verder uit te breiden, zoals het Mastbos, het Liesbos en het Ulvenhoutse bos (zie kaart). Ook worden nieuwe vormen van bossen aangelegd, zoals tiny forests, voedselbossen en een herinneringenbos. Dit is verder uitgewerkt in de Bomen & Bossenstrategie (bijlage 3).
Figuur| Uitbreiding groenstructuur
Ontsluiten van bestaand groen
Ten behoeve van de beschikbaarheid van groen in de directe nabijheid wordt geïnvesteerd in het beter ontsluiten van bestaand groen. Door bijvoorbeeld de verbinding met het groene buitengebied te versterken, barrières op te heffen en nieuwe ommetjes te introduceren, wordt de toegankelijkheid van het bestaande groen vergroot. De gebruiksvriendelijkheid van de verbindingen voor mindervaliden is hierbij een belangrijk uitgangspunt.
Nieuwe ommetjes (wandel- en fietsroutes)
In de verschillende delen van Breda worden nieuwe wandel- en fietsroutes door het groen geïntroduceerd (zie kaart: groen- en recreatiestructuur). Voor enkele locaties, de noordkant van Prinsenbeek en Princenhage zijn zoekgebieden aangeduid om nieuwe routes te bepalen.
Ontsluiten bestaand groen
De toegankelijkheid van de Landgoederenzone in de Haagse Beemden en de Landschappelijke Driehoek voor Heusdenhout wordt vergroot met nieuwe fiets- en/of wandelroutes en waar nodig fietstunnels of -bruggen (om de spoorlijn of zuidelijke rondweg te overbruggen) (zie kaart: uitbreiding groenstructuur). Natuurpoort Wolfslaar en Parkhoeve Noord spelen tevens een belangrijke rol om de toegankelijkheid naar natuurgebieden te verbeteren.
10% extra groen bij herinrichting van de straat
Bij de herinrichting van de openbare ruimte streven we naar een toename van groen van minimaal 10%. Deze vergroening draagt bij aan het ontwikkelen van een netwerk door de stad en de klimaatbestendigheid van Breda. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid voor het realiseren van klimaatadaptieve parkeerplaatsen en de afwatering richting bermen. Deze ambitie wordt tevens verankerd in het paraplubestemmingsplan voor groen en water.
Ontwikkelen van groene ontmoetingsplekken voor jong en oud
In diverse wijken worden aangename groene knooppunten en routes gerealiseerd, die tevens fungeren als ontmoetingsplek in de wijk. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande activiteiten in de stad en dorpen. Het vergroenen van de omgeving rondom zorginstellingen, wijk- en buurtcentra of overige winkellocaties en groene, koele verbindingen door de wijk, maakt dat inwoners van de wijk er graag verblijven en elkaar ontmoeten. Door het verbinden van activiteiten aan een groene omgeving, bijvoorbeeld door de realisatie van natuurspeelplekken of groene schoolpleinen, wordt de belevingswaarde van groen vergroot en worden Bredanaars verleid om vaker gebruik te maken van de groene kwaliteiten van de stad.
Figuur| Focusgebieden
Groen voor jong
•Realisatie van natuurspeelplekken, waar kinderen met natuurlijke materialen spelen, zoals water, zand en takken. Door het plukken van fruit mogelijk te maken, komen kinderen tevens in aanraking met gezonde voeding.
•Realisatie van groene schoolpleinen. Een groen schoolplein biedt ook mogelijkheden op het gebied van natuur- en duurzaamheidseducatie. De subsidie voor het vergroenen van schoolpleinen is opgenomen in de Omgevingsvisie.
•Vergroten van beleving van groen in de wijken door de introductie van plukroutes, educatieve voedselbossen en tiny forests. Op die manier wordt groen nadrukkelijk verbonden aan educatie.
Groen voor jong en oud
•Het versterken van Wolfslaar, Parkhoeve etc. als groene ontmoetingsplekken (moestuinieren, biodiversiteit, klimaatadaptatie etc.)
•Ontwikkeling van groene, koele routes door de wijk. De uitwerking is opgenomen in de Bomen- & Bossenstrategie (zie bijlage 3).
3.4 Samenwerken aan de stad in een park
3.4.1 Doelen
Bredase Groen- & Parknorm en Natuurinclusief ontwikkelen
De herontwikkeling van terreinen en de bestaande stad zien we als kans om te vergroenen. Met de nieuwe Bredase Groen- & Parknorm verplichten we ontwikkelaars om minimaal 20% tot 35% van een nieuwe woonbuurt of nieuw werkterrein in te richten als openbaar groen. Op die manier kan de hoeveelheid groen meegroeien met de totale toename van het aantal inwoners. Daarnaast verplichten we ontwikkelaars en woningbouwcorporaties om natuurinclusief te ontwikkelen en in te richten. Dit betekent dat de gebouwde omgeving zodanig wordt ingericht dat het bouwwerk en omgeving bijdragen aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar het treffen van maatregelen in de openbare ruimte, maar ook het creëren van voorzieningen in de gebouwen, zoals inbouwnestkasten. De Bredase Groen- & Parknorm en het natuurinclusief ontwikkelen zijn nader toegelicht in de bijlage (bijlage 2). De Bredase Groen- & Parknorm en het natuurinclusief ontwikkelen worden geborgd in het paraplubestemmingsplan voor groen en water. Er wordt op basis van opgestelde kaders een passende communicatiestrategie uitgewerkt om deze richtlijnen ook onder de aandacht te brengen van de ontwikkelende partijen.
Breda neemt daarbij zelf het voorbeeld door de overheidsgebouwen te vergroenen. Door ons vastgoed te vergroenen bieden we inspiratie aan bedrijven, projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties en organisaties om ook met de vergroening van hun gebouwen aan de slag te gaan. Voorbeelden zijn de groene gevel van parkeergarage de Barones, het groene dak van Boerderij Wolfslaar en de voorgenomen vergroening van het Stadskantoor.
Bredase Groen- en Parknorm
Nieuwe ontwikkelingen in stedelijk gebied dienen, met de nieuwe Bredase Groen- & Parknorm, minimaal 20% tot 35% van het oppervlak te worden ingericht als openbaar groen. De hoeveelheid openbaar groen is afhankelijk van het type ontwikkeling en de locatie. Zo dient een hoger percentage groene openbare ruimte te worden ontwikkeld bij niet-grondgebonden woningen dan bij grondgebonden woningen. Voor dichtbebouwde delen van de stad geldt een uitzondering en kan met een lagere oppervlakte groen volstaan worden, mits voldoende vergroening door inzet van groene gevels en groene daken plaatsvindt.
Natuurinclusief ontwikkelen
Om een natuurinclusieve, gebouwde omgeving te creëren dienen er groene maatregelen te worden getroffen.
De te treffen maatregelen en het aantal maatregelen zijn afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling, de locatie van de ontwikkeling, het type ontwikkeling en de doelsoorten, waaronder de mens. Zo kan de ontwikkelaar worden verplicht om 1 nestkast per 5 meter gebouwlengte te plaatsen om de gierzwaluw te huisvesten.
De toevoeging van groen moet zoveel mogelijk worden geclusterd om een zo robuust mogelijke groenstructuur te creëren. Het groen moet aansluiten op de reeds aanwezige groenstructuren in de omgeving. Minimaal de helft van de groene openbare ruimte bestaat uit natuurlijke en inheemse vegetaties. De aanleg moet gericht zijn op beplanting in de volle grond, eventueel ondersteund met maatregelen om de groeiplaats te vergroten of te verbeteren (bijvoorbeeld toepassing van substraat). Technische maatregelen worden alleen toegepast indien het niet anders kan.
Groene tuinen verankeren
Om het aandeel groen op privaat terrein in de toekomst te kunnen garanderen, wordt er bij nieuwe ruimtelijke initiatieven een oppervlaktepercentage ‘levend’ groen in de tuin opgenomen in het bestemmingsplan/omgevingsplan.
Samenwerking met woningcorporaties
De gemeente, de woningcorporaties en de huurders hebben hetzelfde doel: aantrekkelijk wonen voor nu en straks. Daarom werken zij samen in het IKAB-programma (gekoppeld aan de prestatieafspraken) aan de vergroening en klimaatbestendigheid van de stad. Er zijn afspraken gemaakt om bij (sloop)nieuwbouw, renovaties en in het dagelijks beheer in te zetten op meer (natuurlijk) groen en optimaal opvangen en infiltreren van regenwater in de bodem.
Richtlijn groene tuin
Bij de ontwikkeling van nieuwe woonlocaties wordt een oppervlaktepercentage ‘levend’ groen verankerd in het bestemmingsplan/omgevingsplan. De hoogte van het percentage is hierbij afhankelijk van de perceel grootte.
Oppervlakte perceel
Min.percentage groen
125- 150 m2
5%
150– 250 m2
10%
250– 500 m2
15%
500– 1.500 m2
30%
1.500 – 2.000 m2
40%
2.000 – 5.000 m2
50%
> 5.000 m2
60%
Groene bedrijventerreinen
We stimuleren de vergroening van bestaande bedrijfslocaties- en panden door het verder uitdragen en verfijnen van de communicatiestrategie richting bedrijven over de (economische) voordelen van vergroening. Inmiddels zijn er twee pilot projecten gestart, Emer-Zuid en Park 16 (Westerhage). Aan de hand van de getoonde interesse door bedrijven wordt de inzet vanuit de gemeente bepaald.
Natuurinclusief boeren
In Breda zetten we daarnaast in op natuurinclusieve en/of biologische landbouw en agrarisch natuurbeheer in het landelijk gebied van Breda. Door de diversiteit van akkerranden te vergroten, nest- en schuilplaatsen voor vogels, zoogdieren, amfibieën en insecten te creëren en natuurinclusief te boeren, kan het landelijk gebied een grotere bijdrage leveren aan de biodiversiteit en het ecologisch netwerk door Breda. Door onder andere met agrariers in gesprek te gaan, worden de kansen voor natuurinclusief boeren gestimuleerd. De Gemeente Breda zet in op het duurzaam verpachten van eigen gronden en het informeren van agrarische bedrijven over de subsidiemogelijkheden vanuit landelijke regelingen die natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer stimuleren. Bij het verduur- zaam pachten worden de volgende maatregelen toegepast:
1Verbod van het gebruik van Glyfosaat.
2Het aansluiten bij de duurzame pachtvoorwaarden van de provincie Noord-Brabant/GOB.
3Bloem- en kruidenrijke randen verplichten.
4Aanleggen van keverbanken in grote clusters van te verpachten gronden
5Het verbieden van bepaalde teeltondersteunende voorzieningen, zoals plastic tunnelkassen.
Informeren en opleiden
Om bewoners, bedrijven en overige partijen te stimuleren een bijdrage te leveren aan het vergroenen van Breda is het allereerst van belang om de partijen te informeren over de mogelijkheden en bewustwording te creëren.
Samen met verschillende natuurbeherende instanties, natuurverenigingen en andere overheden organiseert de Gemeente Breda diverse acties om de bewustwording met betrekking tot het thema groen te vergroten. Tijdens de Boomfeestweek, de Week van ons Water en activiteiten bij Boerderij Wolfslaar, wordt het belang van groen voor de leefbaarheid in stad en landelijk gebied onder de aandacht gebracht bij bewoners, bedrijven en bezoekers.
Daarnaast wordt ingezet op het vergroten van de kennis over groen en vergroeningsmogelijkheden door het samenstellen en ontwikkelen van lesprogramma’s voor kinderen en jongeren en het ontwikkelen van een volwaardig onderwijsprogramma’s. Ook daarbij wordt gebruik gemaakt van de aanwezige kennis van natuurverenigingen, natuurbeherende partijen en overige partners in de stad. Door kinderen en jongeren kennis te laten maken met het groen in de wijk, leert deze doelgroep over het belang van groen en zullen zij met een grotere zorg omgaan met de groene omgeving. De lesmaterialen en -programma’s richten zich zowel op het basisonderwijs, maar ook het beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs.
Het bestaande lesaanbod wordt (indien nodig) geactualiseerd en uitgebreid op de thema’s groen en duurzaamheid in de schoolomgeving en geïmplementeerd in het onderwijs. Het lesaanbod wordt ontsloten via de Educatiewijzer Breda. Om de komende jaren het onderwerp groen sterker te verankeren in het onderwijs is extra ondersteuning nodig om de faciliterende rol van de gemeente als partner van het onderwijs te kunnen uitbouwen.
De gemeentelijke ontmoetingsplek Boerderij Wolfslaar vormt een groene ontmoetingsplek in Breda, waar jaarlijks vele bezoekers worden ontvangen en thema’s zoals klimaatadaptatie, voedsel, biodiversiteit, water, natuurlijk spelen en de groene tuin centraal staan. De kansen worden verkend om Parkhoeve Noord tevens te ontwikkelen tot volwaardige ontmoetingslocatie en educatieomgeving, waarbij de thema’s groen en natuur centraal staan.
Daarnaast wordt ingezet op de ontwikkeling van een volwaardig onderwijsprogramma gericht op het inrichten en beheren van groen, waarbij tevens aandacht is voor de klimaatverandering. In samenwerking met de diverse partners in de stad wordt een educatieplan geschreven voor een nieuwe leerlijn voor hoveniers gericht op groen en klimaatbestendigheid. Bovendien worden hoveniers binnen de Gemeente Breda opgeleid over de mogelijkheden en het belang van een klimaatbestendige en groene tuin en de manier waarop zij particulieren hierin kunnen adviseren.
Community
In Breda wordt gebouwd aan een community rondom de ambitie ‘Stad in een park’. De community wordt gevormd door mensen en organisaties die zich inzetten om Breda groener te maken. Zij zetten zich in voor de realisatie van groene projecten en het stimuleren van anderen om ook een bijdrage te leveren aan deze ambitie.
Samen beheren
Met een wijkdeal onderhouden buurtbewoners samen een stukje openbaar groen, planten bollen of ruimen afval op. Een wijkdeal is een afspraak tussen bewoner(s) en gemeente om de buurt groener, schoner en gezelliger te maken. Dit levert een bijdrage aan een prettige leefomgeving en stimuleert de samenwerking tussen bewoners in de buurt. De gemeente ondersteunt deze initiatieven door bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van gereedschap, het ophalen van tuinafval of het leveren van advies bij snoeien. Bij iedere wijkdeal wordt er aan de hand van maatwerk gekeken naar de mogelijkheden. In bepaalde wijken komen initiatieven vanzelf van de grond en in andere wijken kan het nodig zijn om met wat meer hulp van een wijkbeheerder en/of een wijkprofessional een initiatief op te pakken. In delen van Breda - zogenaamde kwetsbare wijken - dragen extra investeringen in groen(projecten) bij aan een positief effect op gezondheid, het ontmoeten en de veerkracht van deze buurten.
Het overnemen van het beheer van de groene openbare ruimte is een laagdrempelige eerste stap om meer betrokkenheid te creëren onder bewoners om een bijdrage te leveren aan de gemeenschap. Dit kan een onderdeel vormen van het BuurtrechtBreda, waarbij het uitgangspunt is dat er vertrouwen en geld is waarmee buurtbewoners zelf de aandachtspunten in de buurt kunnen oppakken.
Ook werken we samen met bewoners en andere partijen uit de stad (o.a. woningbouwcorporaties, zorgaanbieders, scholen, IVN en Breda Actief) bij het realiseren van plukroutes, stadslandbouw, buurttuinen en tiny forests in de buurt.
3.5 Versterken van de Bredase groene identiteit
3.5.1 Doelen
Herstellen van historische landschappen en groen cultuurhistorisch erfgoed
Breda heeft een rijk aanbod aan groen cultureel erfgoed. Dit bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, rijksbeschermd stadsgezicht en gebieden met een hoge of beschermenswaardige cultuurhistorische waarde. Dit erfgoed bepaalt de identiteit van Breda. In het buitengebied richten we ons op landschapsherstel en -ontwikkeling. Ook het Nassau-verleden en het militair erfgoed komen hierbij aan bod, bijvoorbeeld door de eigentijdse recon- structie van de redoutes langs de Zwarte Dijk. In het stedelijk gebied wordt onder andere ingezet op het herstellen van kenmerkende groenstructuren, zoals het in ere herstellen van kenmerkende groenstructuren in de jaren ’60 en ’70 wijken. In bijlage 4 wordt het Groene Erfgoed uitgebreid beschreven.
Herstellen van cultuurhistorische waarden van het groen
•In de oude zandlandschappen zoals in de Rith, aan de rand van de Haagse Beemden, rondom het Hoeveneind in Teteringen en in de Landschappelijke Driehoek wordt ingezet op het versterken van het kleinschalige landschap en het herstellen van historische landschapselementen met de situatie rond 1900 als inspiratie.
•In het gebied van de Lage Vuchtpolder wordt ingezet op het behoud en de versterking van de historische waarden (sinds 1300 vrijwel onveranderd gebleven), waarbij hier de nadruk ligt op het behouden van de openheid van dit gebied en het patroon van sloten en kavels. Via diverse ontwikkelingen, zoals de eigentijdse reconstructie van de redoutes, de Linie van de Munnikenhof en de herontwikkeling van de Spinolaschans, wordt de rijke historie van dit gebied zichtbaar gemaakt.
•Versterken van de identiteit van het landelijk gebied van Bavel door het accentueren van het beeklandschap en het uitbreiden van bosschages.
•Het verbeteren van de groene kwaliteiten van het landschap in het landelijke gebied nabij Prinsenbeek door te investeren in het stelsel van dreven.
•Cultuurhistorisch herstel van Landgoed Wolfslaar door het in balans brengen van de natuurwaarden, cultuur- historische kwaliteiten en de leefomgeving. Het landgoed vormt een plaats waar ruimte is voor groen- en natuureducatie en voor ontmoeten, beleven en bewegen.
•In het Liesbos liggen de resten van het in 1845-1846 aangelegde Engelse Park waarvan alleen de slingervijver nog duidelijk herkenbaar is. Samen met Staatsbosbeheer is er de ambitie om het Engelse park opnieuw beleefbaar te maken door herstel van de slingerpaadjes, herplant van struikgewas en realisatie van bruggetjes over de vijver.
•Versterken van de identiteit en belevingswaarde van enkele bestaande parken die sleets zijn geraakt. Het gaat hierbij om parken in de Haagse Beemden aan de rand van de NBB, de Hoge Vucht, Linie-Doornbos en IJpelaar en het Van Koolwijkpark.
Figuur| Cultuurhistorische waarden
Ontwikkelen van groene entrees richting de stad
Het versterken van de groene identiteit van Breda vindt plaats door groen sterker te verbinden aan het profiel van Breda. Door de entrees (toegangswegen) naar Breda te vergroenen, maakt iedere bezoeker kennis met de groene kwaliteiten, of hij/zij nu met de fiets, auto, trein, boot, of te voet komt. Er wordt onder andere ingezet op de vergroening van de snelwegen rondom Breda, waardoor de opgaande beplanting langs de snelwegen CO2 opneemt en stikstof en fijnstof opvangt en zorgt voor landschappelijke inpassing van verstedelijking, windturbines etc. Ook het creëren van lommerrijke entrees van de stad, het ontwikkelen van een groen spoorlandschap en de invulling van de Ecologische Verbindingszones langs het water dragen bij aan het versterken van het profiel van Breda, als Stad in een park.
Investeren in de bloeiende Stad
Het realiseren van een stad in een park betekent ook het investeren in de biodiversiteit en bloemrijkheid van de stad. Door het zaaien en de aanplant van diverse soorten planten en bomen en met aandacht voor de gelaagdheid en de bloeiperiodes, worden tevens de aantrekkelijkheid van het groen en de uitstraling van de openbare ruimte versterkt. Diverse kleuren, geuren en vormen maken van een groene omgeving een unieke beleving. Biodiverse vegetaties zijn ook klimaatbestendiger en zullen minder snel verdrogen door de grote variatie in worteldiepte.
Ook hebben biodiverse inheemse vegetaties een positief effect op de gezondheid. Om de biodiversiteit in Breda te stimuleren, wordt bij het inzaaien en de aanplant van groen gekeken naar mogelijkheden om de diversiteit van planten en bomen te vergroten. Voor de keuze van bomen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij inheemse soorten. Bovendien wordt 10% van het oppervlak van de bestaande parken in Breda ingericht met meer biodiversiteit.
Bijlage 1 Kaders bescherming
De bescherming van groen en specifiek natuur is geregeld via Europese, landelijke en provinciale wet- en regelgeving. En in gemeentelijk beleid. In deze bijlage wordt de regelgeving in de kern beschreven. Bij elke ontwikkeling dient te worden onderzocht of er natuurwaarden aanwezig zijn in een gebied. Dit betreft een analyse van de aanwezigheid van beschermde soorten dieren en planten en of het gebied beschermd is via beleid. In deze bijlage wordt de bescherming van groen nader toegelicht.
Beschermingsregelingen waardevol groen
De regelingen die gelden om waardevol groen in Breda te beschermen, kunnen grofweg worden verdeeld in kwalitatieve (bescherming van soorten en de daaraan verbonden habitats) en kwantitatieve regelingen (bescherming van hoeveelheid groen). Om te kunnen bepalen of een bepaald groen element beschermd is, dient rekening te worden gehouden met beide regelingen. Zo kan bijvoorbeeld een boom kwantitatief niet beschermd zijn, maar door de aanwezigheid van een broedende vogel, is de boom alsnog kwalitatief beschermd.
Kwalitatief
Wet- en regelgeving gericht op de kwalitatieve bescherming van groen is meestal niet gebonden aan een locatie. De kwalitatieve bescherming kan worden verdeeld in maatregelen op het gebied van bescherming (1) en maat- regelen op het gebied van bestrijding (2).
1| Bescherming
Voor de bescherming van soorten dieren en planten is allereerst de landelijke Wet natuurbescherming van kracht. De wet geeft uitvoering aan de verplichtingen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De wet bevat onder meer een soortenlijst met dieren en planten, inclusief het leefgebied (o.a. nestlocatie, foerageergebied, vliegroute, winter- en zomerverblijf), die beschermd worden tegen beschadiging en/of letsel door activiteiten. Het betreft hierbij de directe negatieve effecten, maar ook de indirecte negatieven effecten van activiteiten. In de habitatrichtlijn zijn gebieden opgenomen met beschermde habitattypes.
Daarnaast heeft het Rijk en de provincie Noord-Brabant natuurgebieden aangewezen die behoren tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor deze gebieden geldt dat de wezenlijke kenmerken, die beschreven staan in het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant (en verder zijn uitgewerkt in de Index Natuur en Landschap), van het gebied niet verstoord mogen worden.
Aanvullend op deze Europese en landelijke richtlijnen heeft de Gemeente Breda ook de ambitie om de Rode Lijst soorten te beschermen. Dit zijn landelijk opgestelde lijsten van soorten die in hun voortbestaan bedreigd worden. Deze lijsten zijn vastgesteld in het Besluit Rode lijsten flora en fauna.
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en aanvullende soortenlijsten
In de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en aanvullende nationale soortenlijst, die zijn opgenomen in de landelijke Wet Natuurbescherming, staan de soorten dieren en planten die beschermd worden. De wet Natuurbescherming beschermt soorten dieren en planten voor beschadiging/letsel door activiteiten.
De provincie Noord-Brabant heeft aanvullend op de richtlijnen vanuit het Rijk nog aanvullende soorten opgenomen die extra beschermd worden, waaronder de bunzing, hermelijn en wezel.
Rode Lijst soorten
De landelijke rode lijstsoorten wordt gevormd door dier- en plantensoorten die in hun voortbestaan bedreigd worden en komt voort uit het verdrag van Bern. Doelstelling van de lijst is om overheden en terrein-beherende organisaties te overtuigen om te investeren in maatregelen om de soorten die op de lijst staan weer in aantal te laten toenemen, zodat ze van de lijst kunnen worden gehaald. De Rode lijst is niet wettelijke beschermd, mits de soorten onderdeel uitmaken van de Wet natuurbescherming.
2| Bestrijding
Om te voorkomen dat er schade aan groen- en natuurgebieden ontstaat door plagen en exoten worden er bestrijdingsmaatregelen toegepast. Voor de bestrijding van plagen hanteert Breda de uitgangspunten uit de op 4 december 2018 vastgestelde gemeentelijke nota Aanpak dierplaagbeheersing, waarbij wordt ingezet op beheer- sing en voorkomen van plagen. Voor het exotenbeleid is de Gemeente Breda gebonden aan de richtlijnen uit het exotenbeleid van de provincie Noord-Brabant, gebaseerd op de Europese richtlijnen. De vertaling naar de Bredase situatie wordt opgesteld waarbij het uitgangspunt is het voorkomen van verdrukking van bestaande natuur door plant- en diersoorten die niet van origine in de regio Breda voorkomen.
Kwantitatief
Wet- en regelgeving gericht op de kwantitatieve bescherming van waardevol groen is gericht op de bescherming van de hoeveelheid bestaand groen. Daarbij gaat het om zowel het privaat groen als het publiek groen. Privaat groen bevindt zich bijvoorbeeld op bedrijfskavels, in tuinen bij woningen en op agrarische gronden met landschappelijke en/of natuurwaarden.
Kwaliteit (soortbescherming)
Exotenbeleid
Het exotenbeleid van de provincie Noord-Brabant vormt de vertaling van de richtlijnen uit de Europese exotenverordening waarop planten en dieren staan die schade toebrengen aan de natuur.
Plaagdierbestrijding
Voor de bestrijding van plaagdieren hanteert de Gemeente Breda de uitgangspunten uit de gemeentelijke nota Aanpak dierplaagbeheersing, waarbij naast de beheersing en voorkomen van plagen wordt ingezet op het verstrekken van voorlichting en het monitoren.
Kwantitatieve bescherming, publiek en privaat
Europa: Natura 2000
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het Ulvenhoutse bos is in Breda aangewezen als Natura 2000-gebied. In de directe omgeving van de Gemeente Breda zijn onder de Natura 2000-gebieden, de Biesbosch en de Loonse en Drunense Duinen aanwezig. In deze Natura 2000-gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Activiteiten die een negatieve impact hebben op het gebied, onder andere zorgen voor een verhoging van de stikstofuitstoot of zorgen voor een verslechtering van de hydrologie, zijn niet toegestaan, om de natuurwaarden te beschermen. Dit kunnen hierdoor ontwikkelingen zijn in het gebied zelf, maar ook activiteiten buiten het beschermde gebied die van invloed zijn op het gebied. Dit kan dus betekenen dat Breda ook rekening moet houden met de effecten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving van de Gemeente Breda.
In mei 2020 is de nieuwe biodiversiteitsstrategie van de Europese Unie gepresenteerd. Hierin wordt onder andere ingezet op het extra beschermen van natuurgebieden, waaronder de resterende oude en oerbossen door ze aan te wijzen als Natura 2000-gebied. Voor Breda kan dit betekenen dat het Mastbos en Liesbos aan de lijst met Natura 2000-gebieden wordt toegevoegd.
Landelijk en provinciaal: Natuurnetwerk Nederland – Natuurnetwerk Brabant
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur- gebieden. Het netwerk verbindt, via zogenaamde Ecologische Verbindingszones, de verschillende natuurgebieden met elkaar en het omliggende gebied. De provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor het beheren en ontwikkelen van het NNN in Noord-Brabant. De provincie Noord-Brabant heeft de NNN aangevuld met een provinciale ambitie (NNB). In de Gemeente Breda maken onder andere het Mastbos, Liesbos, Landgoederenzone, Markdal, Spinola, deel van Lage Vuchtpolder, Cadettenkamp en Hagebeemd onderdeel uit van het NNB.
De totale NNB (inclusief NNN) is planologisch verankerd in de Interim Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant en de gemeentelijke bestemmingsplannen/omgevingsplan. In de gebieden die behoren tot de NNB zijn nieuwe (planologische) bestemmingen, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het netwerk, niet toegestaan.
De Brabantse B-5 gemeenten hebben in 2016 het gezamenlijk bod ondertekend, waarbij de Brabantse B5-steden afspraken maken over het versneld realiseren van het NNB.
Landelijk: Houtopstanden buiten de bebouwde kom
In de Wet Natuurbescherming is tevens geregeld dat voor alle houtopstanden buiten de bebouwde kom die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 of bestaan uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat (gerekend over het totaal aantal rijen) een meldingsplicht bij voorgenomen velling en in principe een herplantplicht gelden.
Gemeente: Gemeentelijk ecologisch netwerk
De Gemeente Breda heeft het NNN en NNB overgenomen in de structuurvisie 2030. Het ging hierbij om zowel al gerealiseerde natuur als zoekgebied voor te realiseren natuur. Daarbij heeft Breda in haar structuurvisie de Europese, landelijke en provinciale ambities aangevuld met een gemeentelijke ambitie, namelijk een fijnmazig ecologisch gemeentelijk natuurnetwerk (GNN) aansluitend op NNN/NNB.
Naar aanleiding van de Omgevingsvisie Breda 2040 is de GNN-kaart (wellicht) enigszins aangepast. Deze is opgenomen in hoofdstuk 3 van het Groenkompas.
Aanvullend op de realisatie van de ecologische netwerken richt Breda zich ook op het tegengaan van de versnippering via de Ontsnipperingsvisie Breda. Dit beleid is gebaseerd op de uitgangspunten uit het ontsnipperingsbeleid vanuit het Rijk en de provincie. Met versnippering wordt het probleem aangeduid dat voorheen grote, aaneengesloten leefgebieden van soorten versnipperd raken tot kleine, onderling niet meer verbonden en intern vaak door infrastructuur doorsneden leefgebieden. Hiermee komt het doel van de ecologische verbindingen in gevaar. Via de aanleg van faunapassages wordt het functioneren van de ecologische verbindingszones beschermd.
Europa: Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt daarnaast eisen aan de waterkwaliteit in al het oppervlaktewater, waaronder het water in een Natura 2000-gebied. Nieuwe activiteiten moeten ook voldoen aan deze richtlijnen en de impact op de waterkwaliteit.
3| Structuurgroen
Structuurgroen is openbaar groen dat van belang is op stads-, wijk- of dorpsniveau. Bij Structuurgroen wordt een lange levensduur nagestreefd. Structuurgroen kan dan ook niet zomaar worden verwijderd ten behoeve van andere functies (bebouwing, aanleg van infrastructuur, nutsvoorzieningen etc.). Om dit te bewerkstelligen is de flexibiliteit vanuit diverse partijen in de openbare ruimte (riolering, kabels en leidingen, verhardingen etc.) gewenst en wordt vroegtijdig in overleg getreden met onder andere de nutsbedrijven. Hiervoor is een projectafstemtafel ingericht. Binnen de hoofdgroenstructuur is de verkorting van de restlevensduur van de overige assets daardoor denkbaar ten behoeve van het behoud van de hoofdgroenstructuur. Momenteel lopen hier gesprekken over met de nutspartijen.
4| Omgevingsgroen
Het omgevingsgroen wordt gevormd door openbaar groen met lokale waarde (buurtgericht), omgevingsgroen is van belang voor de directe omgeving. Uitgangspunt van de bescherming van het omgevingsgroen is het op flexibele wijze op niveau houden van de waarden die het omgevingsgroen representeren (op het gebied van ecologie, landschap, cultuurhistorie, verkoeling, beeldbepalendheid etc.). Bij omgevingsgroen is een kortere levensduur (ten opzichte van Structuurgroen) acceptabel.
5| Kaart Vergunningplichtige houtopstanden - APV
Op de kaart Vergunningplichtige houtopstanden (Bomenkaart) staan alle bomen en landschapselementen waarvoor een vergunning nodig is voor het kappen van de houtopstand. Via de APV zijn deze bomen beschermd en is de herplantplicht gewaarborgd. Iedere kapaanvraag wordt beoordeeld door een integraal team.
Indien een ontheffing van het kapverbod benodigd is, moet hiervoor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘vellen’ worden aangevraagd, de vroegere kapvergunning. Bij het verlenen van een vergunning wordt een herplantplicht of financiële compensatie opgelegd. De volgorde is hier als volgt:
1Streven naar behoud
2Onderzoeken van alternatieven, bijvoorbeeld het verplanten van de elementen
3Het herplanten van groen met een overeenkomstige waarde of met de potentie om op termijn dezelfde waarde te ontwikkelen op een alternatieve locatie.
4Indien bovenstaande opties niet mogelijk zijn, wordt er pas overgegaan naar financiële compensatie.
Ook kunnen gedurende het jaar nieuwe Waardevolle houtopstanden worden aangewezen. Dit kan op verzoek of op basis van ambtshalve constateringen. De Bomenkaart: vergunningplichtige houtopstanden wordt continu geactualiseerd.
6| Snippergroen
Snippergroen betreft kleine stukken openbaar groen (maximaal 150 m2) in de bebouwde kom. Onder bepaalde voorwaarden kan snippergroen worden verkocht en/of ingezet worden voor andere doeleinden.
•De verkoop van snippergroen is alleen mogelijk indien het groen geen onderdeel uit maakt van de hoofdgroen- structuur van de Gemeente Breda (structuurgroen of omgevingsgroen).
•De verkoop van groen is alleen mogelijk aan grondeigenaren die direct grenzen aan het snippergroen.
•Indien er nutsvoorzieningen (stadsverwarming, gas, water, elektra, riolering) aanwezig zijn onder de groenstrook is het niet mogelijk om het snippergroen te verkopen.
•Bij de aanwezigheid van gemeentelijke bomen wordt het snippergroen niet verkocht. Indien er bomen in de nabijheid van het snippergroen aanwezig zijn, is het essentieel om rekening te houden met de groeiruimte van de bomen. Het verharden of bebouwen van het snippergroen is, in verband met het behoud van de groeiruimte voor de bomen, niet gewenst.
•De afweging of snippergroen daadwerkelijk wordt verkocht betreft maatwerk.
Beheerplan Bomen
In het gemeentelijk beheerplan Bomen is het uitgangspunt dat nieuw aan te planten bomen voldoende groeiplaats meekrijgen. In de Hoofdbomenstructuur moeten de bomen minimaal 60-80 jaar oud kunnen worden en de groeiplaats vrij zijn van kabels en leidingen. Buiten de Hoofdbomenstructuur is de ambitie om straten te vergroenen en wordt het toepassen van kleinere bomen (derde grootte) met een minimale groeiplaats van 40 jaar geaccepteerd, ook in de nabijheid van kabels en leidingen.
Bijlage 2 natuurinclusief ontwikkelen Breda
De Bredase groen- en parknorm zoals nader uitgewerkt in deze bijlage 2 is niet van toepassing op ontwikkelingen waarvoor ten tijde van het vaststellen van het Groenkompas, te weten 23 december 2021, reeds een voldoende concreet en toetsbaar concept-bestemmingsplan of een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend bij het gemeentebestuur.
De gemeente Breda wil graag de eerste stad in een groen park zijn in 2030. Daarnaast hechten we er aan dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatief effect hebben op de stedelijke biodiversiteit maar deze juist versterken. Om dit te realiseren kiezen we voor het streven naar stadslandschappen als ecologische dragers voor Stad in een park.
Hierbinnen staan we de methodiek van Animal Aided Design https://animal-aided-design.de voor bij de integratie van biodiversiteit in ruimtelijke projecten. De methode biedt de volgende voordelen:
•veel ontwerpvrijheid en ruimte voor creativiteit en daardoor gebiedspecifieke oplossingen;
•Daagt ontwerpers uit zich te verplaatsen in doelsoorten en bevordert daardoor natuurinclusieve mindset met nieuwe oplossingen voor faciliteren van biodiversiteit;
•Sluit aan bij lokale ecologische potenties;
•Neemt ecologische eisen van soorten als uitgangspunt bij het ontwerp;
•(toekomstige) bewoners kunnen betrokken worden bij doelsoortkeuze;
•Genereert per ontwikkeling een duidelijke meerwaarde voor biodiversiteit;
Om initiatiefnemers kennis te laten maken met een afgeleide van deze methodiek is de voorliggende handleiding ontwikkeld met bijbehorend soortenboek (in ontwikkeling). Hierin worden initiatiefnemers stap voor stap meegenomen in de voor Breda geldende methodiek. Door in beginsel vooral te sturen richting een keuze voor bepaalde doelsoorten waarvoor de gemeente de eisen heeft uitgewerkt (op te stellen soortenpaspoorten) kan men zich de methodiek eigen maken waarbij naar verwachting op termijn steeds minder gestuurd hoeft te worden.
1Woongebieden
Regels voor ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied van Breda.
Onder een ontwikkeling wordt hier een bouwproject van tenminste vijf woningen binnen bestaand stedelijk gebied verstaan. Gebieden of gebouwen die een cultuurhistorische bescherming kennen zoals beschermd stadsgezicht of gemeentelijk dan wel Rijksmonument vergen een andere afweging. Waar de biodiversiteitsbelangen hier strijdig zijn met het erfgoedbeleid wordt naar maatwerk gezocht.
Algemeen
•Minimaal 10% van de gevel is groen door begroeiing met klimplanten of andersoortige gevelbeplanting.
•Bewoners krijgen de voorlichtingsfolder De natuur als goede buur (digitaal dan wel analoog).
•Voortuinen worden voorzien van groene erfscheidingen, dit kunnen bijvoorbeeld strak gesnoeide meidoorn- of ligusterheggen zijn maar ook met klimop, klimrozen of andere klimplanten volledig (80%) bedekte hekwerken.
•Gezonde volwassen inheemse bomen in het plangebied worden in beginsel gehandhaafd
Oppervlakte groen binnen ontwikkelingen
1Grondgebonden woningen: Minimaal 20% van het plangebied wordt als (semi-)openbaar, voor aanpalende bewoners toegankelijk en zoveel mogelijk aaneengesloten groen ingericht. Hiervan wordt de helft ingericht als biodiverse openbare ruimte. De invulling daarvan kan verschillen per gebiedstype (zie kaart 1 en tabel 1).
2Niet grondgebonden woningen: Minimaal 35% van het plangebied wordt als (semi)openbaar, voor aanpalende bewoners toegankelijk en zoveel mogelijk aaneengesloten groen ingericht. Hiervan wordt de helft ingericht als biodiverse openbare ruimte. De invulling daarvan kan verschillen per gebiedstype (zie kaart 1 en tabel 1).
3Niet-toegankelijke groene daken (bijvoorbeeld met zonnepanelen) mogen voor 20% worden meegeteld bij het vereiste groenoppervlak. (Semi-)openbare groene daken mogen voor 100% worden meegeteld.
4In het Centrum, zoals dat is aangeduid in de Omgevingsvisie Breda 2040, tellen groene gevels voor 100% mee.
Kaart 1: Ligging van de gebiedstypen
Tabel 1: onderscheiden gebiedstypen keuzemogelijkheden voor inrichting biodiverse openbare ruimte.
Toelichting bij 1 en 2
Om moverende redenen kan worden afgeweken van de norm wanneer de ontwikkeling in de directe nabijheid (max 200 meter lopen; de zogenoemde ‘pantoffelafstand’) van een omvangrijke bestaande of nog te realiseren groenvoorziening ligt (bijvoorbeeld een stadspark, bos, rivier of recreatiegebied).
Door de verhouding tussen het aantal grondgebonden en niet grondgebonden woningen te bepalen kan het percentage vereiste groene openbare ruimte uit de Bredase Groen- & Parknorm verrekend worden.
Als er sprake is van een zwaarwegend belang vanuit sociale veiligheid, hoeft de (semi-) openbaarheid van het groen niet gewaarborgd te worden
Natuurinclusiviteit
Per projectcategorie en gebiedstype (kaart 1) wordt een aantal (tabel 1) doelsoorten gekozen uit de doelsoortencatalogus (tabel 2). Het is mogelijk om eigen, niet genoemde, doelsoorten te kiezen. Een reden hiervoor kan bijvoorbeeld de aanwezigheid van bijzondere of beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied zijn. In overleg met een van de stadsecologen kan dan bepaald worden welke ontwerpeisen voor deze soort(en) gehanteerd dienen te worden en in welke categorie de soort wordt ingedeeld. In de, op te stellen, doelsoortenbeschrijvingen wordt dieper ingegaan op de eisen die de soort stelt.
Hierbij geldt voor het Centrumlandschap voer maatregelen uit voor het volgende aantal doelsoorten:
○ Nieuwbouw op bestaand bouwvlak of renovatie: 3 soorten rood
○ Nieuwbouw plangebied < 0,5 ha: 4 keuzesoorten rood plus 1 keuzesoort geel en 1 keuzesoort groen
○ Nieuwbouw plangebied >0,5 ha < 2 ha: 4 keuzesoorten rood, 2 keuzesoorten geel plus 1 keuzesoort groen
○ Nieuwbouw plangebied > 2 ha: 4 keuzesoorten rood, 2 keuze soorten geel, 1 keuzesoort groen.
Voor alle overige gebiedstypen (uitgezonderd bedrijventerreinen) geldt voer maatregelen uit voor het volgende aantal doelsoorten*
○ Nieuwbouw op bestaand bouwvlak of renovatie: 3 soorten rood
○ Nieuwbouw plangebied < 0,5 ha: 4 keuzesoorten rood plus 1 keuzesoort geel en 1 keuzesoort groen
○ Nieuwbouw plangebied >0,5 ha < 2 ha: 4 keuzesoorten rood, 2 keuzesoorten geel plus 2 keuzesoorten groen
○ Nieuwbouw plangebied > 2 ha: 4 keuzesoorten rood, 3 keuze soorten geel, 3 keuzesoorten groen (mens verplicht).
Tabel 2: Doelsoortencatalogus met voorbeeld maatregelen per categorie en leefgebied
2Bedrijventerreinen
Ook op bedrijventerreinen zijn kans voor natuur. Door het efficiënt, vaak monofunctioneel ruimtegebruik en de grotere dynamiek onderscheiden ze zich van woongebieden. Hier is bij de soortkeuze rekening mee gehouden door te kiezen voor doelsoorten die zich goed kunnen handhaven in een dynamische ruderale omgeving.
•Bepaal op de kaart in welk type gebied de ontwikkeling plaatsvindt.
•Bepaal in welke projectcategorie de ontwikkeling valt:
○ Nieuwbouw op bestaand bouwblok
○ Nieuwbouw plangebied
•Kies de doelsoorten in de doelsoortencatalogustabel. Het is mogelijk om andere doelsoorten te kiezen of toe te voegen. Een reden hiervoor kan bijvoorbeeld de aanwezigheid van bijzondere of beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied zijn. In overleg met een van de stadsecologen kan dan bepaald worden welke maatregelen hiervoor vereist zijn en in welke kleurcategorie de doelsoort valt. Bij grote projecten < 1 ha verdient het de aanbeveling om vooraf met de stadsecoloog te overleggen over de doelsoorten.
•Kijk bij de doelsoortbeschrijvingen voor meer exacte informatie over de maatregelen.
Nieuwbouw op bedrijventerreinen
•Voer maatregelen uit voor de hieronder genoemde doelsoorten*
○ Nieuwbouw op bestaand bouwvlak: 1 soort rood
○ Nieuwbouw : 1 soort rood, 2 soorten geel, 2 soorten groen
Verplichtingen voor nieuwbouw op bedrijventerreinen
•Minimaal 20% van de gevel van de bedrijfsgebouwen is groen door begroeiing met klimplanten of andersoortige gevelbeplanting.
•Hekwerken en andere erfafscheidingen aan de voorzijde zijn begroeid met klimplanten of voorzien van strak gesnoeide heggen bestaande uit meidoorn, vuurdoorn, liguster of veldesdoorn. Ook een haagbegroeiing bestaande uit inheemse struiken voldoet.
•Parkeerterreinen voor personeel en gasten zijn half verhard (tenzij krachtens milieuwetgeving verharding vereist is).
•Volwassen inheemse bomen in het plangebied worden waar mogelijk gehandhaafd.
•Minimaal 10% van een te ontwikkelen bedrijfskavel vanaf 1,0 ha is groen.
•Groene daken (eventueel met zonnepanelen) mogen voor 20% worden meegeteld bij het vereiste groenoppervlak.
•Voer maatregelen uit voor de hieronder genoemde doelsoorten*
○ Nieuwbouw op bestaand bouwvlak: 1 soort rood
○ Nieuwbouw : 1 soort rood, 2 soorten geel, 2 soorten groen
Bij nieuw aan te leggen bedrijventerreinen is minimaal 15% (binnenstedelijk) of 25% (buitengebied) van het bedrijventerrein (privaat, semi-openbaar of openbaar) groen. Waar bedrijventerreinen gelegen zijn tussen woongebieden en het buitengebied voorzien ze in een aantrekkelijke robuuste groene openbaar toegankelijke recreatieve route tussen bebouwde kom en buitengebied. Voer hier ook maatregelen uit voor de hieronder (tabel 3) genoemde doelsoorten: 1 soort rood, 2 soorten geel, 2 soorten groen
Tabel 3: Doelsoortencatalogus met maatregelen per categorie en leefgebied
type
doelsoort
te realiseren eisen
Zwarte roodstaart (alleenplatte daken)
1broedplaats per 400 m2 plat dakoppervlakte.
Scholekster (in omgeving buitengebied of gazons/ grasvelden)
Platte daken zijn voorzien van grind- of schelpendaken.
Visdiefje (in omgeving Mark of zandwinplassen)
Platte daken zijn voorzien van grind- of schelpendaken.
Gewone dwergvleermuis
Aanbieden geschikt vleermuisbedrijf 1 per 100 m2 geveloppervlakte, of paalkast plaatsen. Op de helft vande kopgevels toegankelijke luchtspouwen met invliegopening 1,6 cm.
Vleermuisvriendelijke verlichting aanbrengen.
Libellen (indien watergangen aanwezig)
Watergangen zijn voorzien van minimaal 1 natuurvriendelijke oever (1:10) zo mogelijk op de naar de zon gerichte zijde waarin water- en oeverplanten zich kunnen vestigen en die gefaseerd wordt onderhouden. Het(droge) landdeel is hierbij minimaal 2 meter breed.
Graslandvlinders
Minimaal 5% van het plangebied bestaat uit gefaseerd beheerde graslandvegetaties.
Putter
Minimaal 5% van het plangebied bestaat uit geschikt foerageergebied. Daarnaast is geschikt broedhabitat aanwezig.
Bever
(bedrijven langs Mark)
De oevers van het plangebied bestaan voor de helft uit houtachtige inheemse gewassen met een breedte van minimaal 10 meter. Plangebieden groter dan 1 ha die gelegen zijn in het zoekgebied EVZ Mark, Bovenmark, Aa of Weerijs of Singels voorzien in een stapsteen/natuurfabirek voor deze soort.
Kleine marterachtigen
Minimaal 5% van het plangebied bestaat uit struweel. Aanleg 2 marterschuilplekken per ha.
Mens
Per 0,5 ha plangebied wordt een picknickplaats aangelegd in een groene omgeving. Bij de aanleg van bedrijventerreinen wordt voorzien in een groene routing die het lopen van een lunchrondje mogelijk maakt.
Otter(bedrijven langs Mark)
Watergangen die wegen kruisen worden voorzien van onverlichte doorlopende oevers. Plangebieden groter dan 1 ha die gelegen zijn in het zoekgebied EVZ Mark, Bovenmark, Aa of Weerijs of singels voorzien in een stapsteen/natuurfabriek voor deze soort.
Bijlage 3 Bomen- & bossenstrategie
De gemeentelijke bomen- en bossenstrategie is er op gericht om tot 2030 circa 130 hectare nieuw bos te realiseren. De strategie is een concretisering van de Europese, landelijke en provinciale bossenstrategie, rekening houdend met het bestaande landschap en habitat..
Binnen Europa is de bossenstrategie onderdeel van de strategie Biodiversiteit. Voornaamste punten hieruit zijn:
•In Europa worden drie miljard extra bomen aangeplant.
•Alle resterende oude bossen in de EU worden strikt beschermd en maken deel uit van de verdrievoudiging (in oppervlakte) van strikt beschermde natuur in Europa.
Binnen het Rijk is in de Rijksbossenstrategie het volgende vastgelegd:
•10% meer bos (=37.000 ha) in 2030.
•Inzetten op meer bos in Natuurnetwerk.
•Buiten Natuurnetwerk, agroforestry (voedselbossen) en houtige landschapselementen.
De rijksbossenstrategie is door de Provincie vertaald naar:
•13.000 ha extra bos in 2030.
•In de lopende bestuursperiode wordt 2.500 ha bos gerealiseerd.
•60.000 ha bos wordt gerevitaliseerd.
•Woudreuzen worden beschermd.
Het grondgebied van Breda kent reeds relatief veel bossen. De laatste cijfers uit de coronamonitoring laten zien dat onze inwoners in toenemende mate recreëren in de bossen. De hoge (betredings)druk gaat ten koste van de flora en fauna en van de belevingswaarde (rust en ruimte). Om natuurgebieden te ontlasten, is het van belang om alternatieven te bieden. Ook aan hondenbezitters; door een aantal plekken speciaal in te richten voor honden en hun baasjes, is de aanlijnplicht in andere gebieden makkelijker na te leven.
Daarnaast is vanuit de Kaderrichtlijn water beschaduwing van de beken door bebossing vereist om opwarming van het water te voorkomen. De gewenste percentages verschillen hierbij per beektraject. Om bestaande natuur-, cultuurhistorische en landschappelijke waarden zoveel mogelijk te waarborgen is een uitwerking in samenwerking met het waterschap nodig.
Op basis van de provinciale opgave en de relatieve oppervlakte van Breda binnen de provincie zou de omgerekende Bredase opgave 332 ha meer bos in 2030 bedragen. Op basis van oppervlaktes van landschapstypen en de wenselijke groene dooradering is bekeken welk deel hiervan haalbaar is in 2040 (tabel 1). Vervolgens is bekeken welk deel van deze ambitie haalbaar wordt geacht in 2030. Beide ambities zijn sterk afhankelijk van externe processen zoals de Europese landbouwpolitiek en overige ontwikkelingen binnen de agrarische sector. Dit maakt de uiteindelijk te realiseren oppervlakte onzeker.
Tabel 1| Inschatting oppervlakte potentieel te realiseren bos en houtopstanden per gebiedscategorie
Omschrijving gebiedscategorie
2040
2030
1Bestaande bossen
Uitbreiding van de bestaande bossen.
115ha
35ha
2Kleinschalig zandlandschap
Versterken van het kleinschalig landschap met voedselbossen, struikenhagen, kleine bosschages en bomenrijen.
80ha
40ha
3Polderlandschap (buiten weidevogelgebieden)
Accentueren met populierenbosjes en knotbomenrijen.
5ha
3ha
4Landgoederenlandschap
Herstel van bomenlanen, houtwallen en bosjes
5ha
5ha
5Stadsuitbreidingen
Groen casco bij stadsuitbreidingen.
20ha
20ha
6Beekdalen
Uitbreiding van beekbegeleidende bossen als Kaderrichtlijn Watermaatregel.
40ha
20ha
7Heideontginningen
Sterk landschappelijk casco met straatbomen.
2ha
1ha
8Spoorlandschap
De aanleg van kleine bosjes langs het spoor
10ha
5ha
9Ambitie hoofdbomenstructuurkaart
Gemeentelijk plan Bomen(Koele routes en verblijfsplekken)
1ha
0,5 ha
Totaal
278ha
129,5 ha
De kansen voor bosuitbreiding zijn aangegeven op kaart als zoekgebied.
Bijlage 4: Groen erfgoed
Erfgoed wordt in de regel onderverdeeld in natuurlijk erfgoed en cultureel erfgoed. Natuurlijk erfgoed is gedefinieerd als erfgoed waar de mens geen hand in heeft gehad. De ingrepen van de mens in haar natuurlijke omgeving, die door de eeuwen heen steeds manifester werden, noemen we cultureel erfgoed.
Deze tekst is opgesteld in het kader van het Groenkompas en geeft in hoofdlijnen een overzicht van het groene culturele erfgoed in Breda. Allereerst komt het beschermde groene erfgoed aan bod. Dit bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, rijksbeschermd stadsgezicht en gebieden met een hoge of beschermenswaardige cultuurhistorische waarde. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in stedelijk gebied en landelijk gebied, waarbij de landgoederen, het militaire groene erfgoed en de begraafplaatsen nader worden belicht.
Vervolgens worden de maatschappelijke en/of culturele ontwikkelingen beschreven die de vormgeving van de groene openbare ruimte (parken, groenstructuren en parkways) hebben beïnvloed. Zo kan men de (bijzonderheid van de) huidige inrichting van het openbaar groen begrijpen en gebruiken als inspiratiebron bij eventuele herinrichting en het vergroten van de belevingswaarde.
Deze tekst is niet volledig. De Gemeente Breda hanteert een aantal erfgoedkaarten, waarbij in dit kader de kaart van het bovengronds erfgoed het meest relevant is. Naast een waardenkaart bevat deze ook verschillende thematische inventarisatiekaarten. Deze kaart is te raadplegen op: https://breda.maps.arcgis.com/apps/webapp-viewer/index.html?id=3021348b21c048f39ede9997de4f274f
De tekst is mede gebaseerd op de cultuurhistorische landschapsinventarisatie van de Gemeente Breda door Karel Leenders. Thematisch zijn op veel onderdelen van het groene erfgoed verdiepende artikelen beschikbaar via https://erfgoed.breda.nl
Beschermd Groen Erfgoed in het stedelijk gebied
Breda is ontstaan bij de samenvloeiing van de Mark en Aa of Weerijs. Het stroombed was veel groter dan in de huidige tijd. Op een hoog gelegen plek aan de oostelijke oever van de Mark werd een burcht gebouwd, die in de loop der tijd uitgroeide tot kleine nederzetting, markplaats, residentiestad en vestingstad.
Met het opheffen van de vestingstatus in 1870 ontstaat ruimte voor Breda om te groeien.
Hiervoor is het Plan van Uitleg ontwikkeld. Het plan voorziet in het afgraven van de vesting en het realiseren van de singels. De singels zijn beschermd als rijksmonument.
Onderdeel van het Plan van Uitleg is het bestemmen van de vrijkomende gronden van de vesting. Grote gebieden worden ingericht als kazerneterreinen, gebieden met een uitgesproken groen karakter die zeer bepalend zijn voor Breda. Op andere delen worden woonwijken ontworpen die zich kenmerken door straten in Boulevardprofiel.
Hoewel de sterk veranderde verkeersdruk heeft geleid tot forse aanpassingen van de Boulevards in het Plan van Uitleg kunnen deze nog steeds gezien worden als groen erfgoed. De Mauritsstraat is het nog meest gave voorbeeld.
Het Wilhelminapark is eveneens op de voormalige vesting ontworpen. Het Wilhelminapark is vrijwel de enige plek in Breda waar de oorspronkelijk opzet van de vesting nog afleesbaar is in de parkvijvers. Naast het Wilhelminapark is het Valkenberg een belangrijk stadspark op de oude vesting. Het Valkenberg is eeuwenlang een kasteeltuin en daarmee niet voor de inwoners van Breda toegankelijk. Pas rond 1900 wordt het Valkenberg voor iedereen toegankelijk en getransformeerd tot een stadspark in Engelse landschapsstijl. Het gehele Plan van Uitleg, inclusief de groene militaire terreinen, de singels en de parken is onderdeel van het rijksbeschermde stadsgezicht.
De periode dat Breda zich losmaakt uit het knellende korset van de vesting is eveneens een periode van grote verandering; de industrialisatie aan de ene kant en voorzieningen voor vrijetijdsbesteding aan de andere kant. Ginneken ontwikkelt zich als ‘badplaats’ met vele hotels bij het Mastbos. Om ook een graantje te kunnen meepikken bouwt de Gemeente Breda op het grondgebied van de omliggende gemeenten een boulevard naar het Mastbos, de huidige Baronielaan. Deze boulevard heeft op dat moment een dubbele bomenrij in het midden en voorgeschreven maten voor groene voortuinen. Een bijzonder element in de Baronielaan is het roundpoint met hierop vier kastanjes. De Baronielaan is recent heringericht met het vergroenen van deze belangrijke boulevard als belangrijk uitgangspunt. Ook de Baronielaan, de Ginnekenweg en een deel van het Ginneken maken onderdeel uit van het rijksbeschermde stadsgezicht.
Met name in de periode van de wederopbouw groeit Breda enorm. De wijk Heuvel is een belangwekkend voorbeeld uit deze periode. Heuvel is door het rijk opgenomen in de W30; de 30 belangrijkste wederopbouw- gebieden van Nederland. Het kenmerkt zich door twee wijkdelen die ontworpen zijn in een totaal verschillende opvatting over wonen.
Het westelijk deel van Granpré Moliere heeft een dorps karakter. Hij ontwerpt een dorpsplein met winkels en een kerk (Mgr. Nolensplein), verschillende wigvormige groene ruimtes die hiermee in verbinding staan (Heuvelbrink en Thorbeckeplein) en een gevarieerd stratenpatroon. Het oostelijk deel is ontworpen door Peutz, hij kiest voor het principe van de strokenbouw. De Heuvelbrink is aangewezen als gemeentelijk monument.
Ook de wijk Haagse Beemden is op nationaal niveau van belang. De opzet rondom een historisch landgoed, het gebruik van de bijna geheel met bomen omzoomde oude veldwegen als langzaam verkeersroutes en het gebruik van de oude waterlopen maken de Haagse Beemden bijzonder. Het structuurplan voor deze wijk vormde destijds een trendbreuk in de ruimtelijke ordening. De Haagse Beemden staat in Nederland symbool voor het veranderend denken in de stedenbouw: ‘groen’ structureert ‘rood’ in plaats van andersom. Om deze reden is de Haagse Beemden in 2013 opgenomen in de Canon van de Ruimtelijke Ordening, die de 35 belangrijkste iconen uit de geschiedenis van de ruimtelijke ordening in Nederland bevat. Het centraal gelegen landgoed Burgst is als geheel een rijksmonument.
Beschermd Groen Erfgoed in het landelijk gebied
Het gebied dat we tegenwoordig als Breda duiden, is al in het neolithicum ontgonnen. De impact van de mens was in die tijd nog beperkt. Pas in de 11e eeuw nemen de ontginningen als economische drager van de verschillende Heerlijkheden toe. Niet toevallig is dat ook de tijd dat Breda tot ontwikkeling komt.
Ontginning van het lage
In het begin van de overstromingsperiode, in de loop van de tweede helft van de veertiende eeuw en de eerste helft van de vijftiende eeuw, is de loop van de rivier De Mark belangrijk verbreed door erosie ten gevolge van de getijdenwerking. Omdat de omliggende gebieden twee maal daags onder water lopen wordt de Haagse Beemden bedijkt. Deze dijk heeft daarmee dus de functie als zeedijk. De wielen en bochten getuigen van vele dijkdoorbraken. Dankzij deze doorbraken is ook achter de dijken zand en vooral klei afgezet. Bij aanvang van deze overstromingsperiode is het lage al vrijwel helemaal ontgonnen als graslanden.
Nadien, in de verlandingsperiode, is die brede stroombaan weer gaan verlanden. Deze verzameling van sterk opgeslibde gronden of zelfs geheel nieuwe gronden heet hier in de volksmond ‘de Hillen’. Omdat de hillen ruim boven het niveau van de achterliggende beemden liggen, nemen de hillen deels de functie van de dijkjes over.
De beemden is een plaatselijke aanduiding voor grasland dat eerst gehooid werd en daarna gebruikt voor het weiden van jong vee. De beemden zijn vanouds onbewoond en zijn toegankelijk via wegen die doodlopen omdat de Mark de achtergrens vormt.
In het beemdengebied ten westen van de A16 is plaatselijk turf tot de Tweede wereldoorlog voor eigen gebruik van de boeren gestoken. Dit is vooral gebeurd in Weimeren en De Strijpen. De oude turfputten zijn verland, de jongste zijn met bosjes begroeid. Tot in de Tweede Wereldoorlog werd hier turf gestoken.
Er zijn ook sporen van de meer commerciële turfwinning bij Breda. In 1314 krijgt een consortium uit Steenbergen het recht om turf te winnen in de Hoge Vucht. Hiervoor worden verschillende turfvaarten aangelegd. De Vaart van de Vucht verbindt de verschillende turfvaarten met de Mark zodat de turf kon worden afgevoerd.
Enkele decennia na de Hoge Vucht verwerft de abdij Tongelo een groot gebied in de Lage Vucht. Ook hier wordt turf gestoken. De afvoer vindt eveneens via De Vaart van de Vucht plaats.
Na het afturven zijn de Hoge Vucht en Lage Vucht hooiland geworden. De Hoge Vucht is na de Tweede Wereldoorlog getransformeerd tot een woonwijk. Plannen voor het bebouwen van de Lage Vucht zijn gelukkig nooit doorgegaan.
De Lage Vuchtpolder is een bijzonder voorbeeld van een ontginning waar karakter en percelering nog sterk aanwezig zijn. De beemden hebben ondanks de ruilverkaveling en de realisatie van waterretentie hum oorspronkelijk karakter goed weten te behouden.
Het landschap van de beemden en de Lage Vuchtpolder is nog heel oorspronkelijk en heeft een hoge belevings- waarde en onderlinge samenhang. De cultuurhistorische waarde is hoog. De polder Rooskensdonk is sinds de ontginning niet meer veranderd en daardoor beschermenswaardig.
Ontginning van het hoge
Het Hoge bestaat in hoofdzaak uit dekzandgronden. Het dekzand ligt deels als een dunne deken over de oudere ondergrond, maar op veel plaatsen is het in lange, niet al te hoge en niet al te brede, ruggen samengewaaid. Op enkele plaatsen is het hoger opgewaaid tot landduinen waarvan de resten nu in de regel bebost zijn. De oudste duinen dateren nog uit de laatste periode van de jongste ijstijd, ruim 10.000 jaar geleden. De jongste duinen bij Breda dateren uit de Late Middeleeuwen of zelfs nog van daarna.
Belangrijke structurerende elementen in dit landschap zijn de grotere en kleinere beekdalen. Deels zijn ze niet alleen door erosie gevormd, maar ook door de ligging tussen twee dekzandruggen. De voornaamste dalen zijn die van de Aa of Weerijs en van de Mark.
Pas vanaf de dertiende eeuw werd het nederzettingspatroon rondom Breda gevormd, dat nog steeds herkenbaar is. Deze nederzettingen ontstaan in eerste instantie in een bosrijk landschap. Tegen 1350 is er als gevolg van houtkap en beweiding vrijwel geen bos meer over. De omgeving kent uitgestrekte heidevelden.
In de omgeving van Breda zijn nog enkele bosrestanten die zelfs nu nog bestaan. Het gaat om het Vogelbos, de oudste kern van het Liesbos (rond 1620 uitgebreid tot de huidige omvang), het Peerdsbos en het een deel van het Ulvenhoutsebos. Deze hebben een hoge cultuurhistorische waarde.
Veelal zijn de eerste akkergebieden bij de nederzettingen gevormd op de hoge delen van de dekzandruggen. We kennen daarbij historisch gezien twee soorten akkercomplexen. Het oudste type is het open akkercomplex, dat enkel aan de buitenzijde begrenst is met een levende haag en soms ook een wal. Binnen deze hagen zijn de verschillende eigendommen gemarkeerd middels greppels of merktekens.
Het jongere type akkercomplex is de omsloten akker, waarbij ieder eigendom omgeven was met een levende heg, al dan niet op een walletje, en eventueel boomrijen. Ook de grotere dorps- en gehuchtakkers zijn veelal van het type omsloten akker. Beide types akkercomplexen dragen sterk bij aan het heiningenlandschap op de hoge delen rondom Breda.
Kenmerkend in het huidige landschap zijn de zogenaamde bolle akkers. Dankzij intensieve bewerking van het akkerland in of na de middeleeuwen komt het midden van de akker zo’n halve tot een hele meter hoger te liggen dan de randen. Langs de beekdalen is de ‘kop’ soms in het beekdal in afschoven, om zo de oppervlakte akkergrond te vergroten. Hierdoor zijn de beekdalen versmald. We noemen dit ‘tuineerdgronden’.
Andere delen van de dekzandruggen zijn met heide begroeid geraakt en niet of pas later ontgonnen. De ontginningen van na 1500 richten zich op het herbebossen van de heide en het ontginnen van heide tot boerenland. Na de Tachtigjarige Oorlog is opnieuw sprake van grootschalige ontginningen. Stukken heide en cultuurgronden in gemeenschappelijk gebruik in de nabijheid van Breda zijn verkaveld door landmeter Christoffel Verhoff. Deze herkenbare verkavelingsstructuren kenmerken nog steeds Groot Overveld en De Aard (Voorste Rith) en de voormalige heidegronden ten noorden van Teteringen (hier zijn de landgoederen Laanzicht en Bergvliet uit voort gekomen). In 1838 start een tweede grote herbebossingscampagne die vooral door de houtbehoefte van de mijn gestimuleerd werd.
Niet alleen op de heide, maar ook in het cultuurland komen nog na de middeleeuwen stuifzandgebieden voor die herkenbaar zijn aan “bergen” die al dan niet bij een uitblazingslaagte liggen, zoals in het nog aanwezige Cadettenkamp. De Zeven Heuveltjes in het Mastbos is een bij velen bekend duinencomplex, maar verderop in het bos zijn nog meer voormalige duingebiedjes te herkennen. De vrijwel geheel verdwenen bergen zijn vooral nog herkenbaar aan veldnamen of bijvoorbeeld de naam van de wijk Zandberg.
Op een aantal plaatsen komen op het Hoge ingesloten laagten voor. Hierin kan veen gelegen hebben. Dergelijke veenlagen kunnen reeds lang geleden weggegraven zijn of door ontwatering en oxidatie verdwenen zijn, zoals de noordelijke punt van het Zundertse veengebied. Voor de afvoer van turf uit dit gebied is in de 17e eeuw de Bredase
Turfvaart gegraven. Veel van die laagten staan regelmatig onder water. Het middeleeuwse woord venne wijst op veen, moer en is dus geen waternaam.
De hoge gronden rondom Breda zijn ook het gebied waar een uitgebreid landgoederenlandschap is ontstaan. De invloed van deze landgoederen wordt in het onderstaande beschreven.
Door de groei van Breda en de verschillende dorpen, de uitvinding van bijvoorbeeld het prikkeldraad en de ruilverkaveling is het karakter van veel ontginningen sterk aangetast. De Rith is een bijzonder voorbeeld van een ontginning waar karakter en perceellering nog sterk aanwezig zijn.
De kleinschalige zandlandschappen en de bossen hebben een hoge cultuurhistorische waarde. Het Mastbos en de dreven in het Liesbos zijn beschermenswaardig.
Het landgoederenlandschap in en rond de stad
Rond Breda zijn nog heel wat gave en uitgestrekte landgoederen aanwezig die het karakter van het landschap in hoge mate bepalen. Deze landgoederen liggen niet alleen in de Gemeente Breda, maar ook in de gemeenten hier omheen. Ook zijn er nog sporen van (groot)deels verdwenen landgoederen zichtbaar.
Een landgoed is een juridische en economische eenheid van landerijen en gebouwen. Er is sprake van een hoofdhuis dat zich door zijn rijke karakter onderscheidt van gewone bebouwing. Daarnaast is er sprake van een lustgedeelte (bijvoorbeeld en siertuin) en een nutsgedeelte (bijvoorbeeld boerderijen met hun landerijen). Landgoederen kunnen zeer grote oppervlakten beslaan waarbij dreven (met zichtlijnen), parken en waterpartijen veel voorkomen elementen zijn die het landgoed structureren.
Deze landgoederen samen vormen een samenhangend geheel, dat het karakter van de groene omgeving van Breda sterk bepaald. Deze verwevenheid heeft te maken met de oriëntatie op de stad Breda, waarbij in de wintermaanden in de stad gewoond werd en de overige tijd in een buitenhuis. Huis Brecht op de huidige KMA is de winterresidentie voor de familie die eveneens eigenaar was van kasteel Bouvigne. Er is ook sprake van een letterlijke verwevenheid door bijvoorbeeld zichtlijnen op het kasteel van Breda of op de Grote Kerk. Op die laatste zijn tien zichtlijnen vanaf landgoederen bekend.
Ook andere steden in Brabant, zoals Den Bosch, Bergen op Zoom en Antwerpen, kennen een landgoederenlandschap. Binnen Nederland zijn vooral de vele landgoederen rondom Den Haag, Utrecht en Amsterdam bekend. Toch is het landgoederenlandschap van Breda bijzonder te noemen. Het kent relatief veel landgoederen die al voor de Tachtigjarige Oorlog ontstaan zijn, maar vooral de rol van de Heren van Breda, later de prinsen van Oranje, is zeer bepalend geweest voor de ontwikkeling van het totale landgoederenlandschap. Van zowel de gebouwen als van de parken en landschappen is uit alle stijlperioden vanaf 1600 wel wat bewaard bleef.
Oudste landgoederen
De oudste landgoederen komen voort uit de heerlijkheden, zoals Breda, Burgst en Bouvigne. Heerlijkheden is een typisch middeleeuws fenomeen, waarbij de bezitter van de heerlijkheid een zekere rechtsmacht had gekregen van de leenheer. Zo kennen we uit schriftelijke bronnen de galgenakker van Burgst, wat betekent dat de heer van Burgst recht mocht spreken en zelfs de doorstraf kon uitspreken.
De kernen van de vroege landgoederen hebben wat de ligging in het landschap gemeen dat ze op de flanken van beekdalen liggen of zelfs in de beekdalbodem. Hier is een betrekkelijk eenvoudige verklaring voor te geven, omdat in de middeleeuwen een kasteel beschermd moest worden door grachten en door de ligging voldoende zekerheid was om water in de grachten te houden. In totaal zijn er zeker tien van dergelijke kastelen rondom Breda aanwezig. Aan deze kastelen zijn pachthoeven verbonden met uitgestrekte landerijen.
Aan het eind van de middeleeuwen raken de heerlijkheden steeds meer pachthoeven kwijt. De terreinen die de heren van de oude heerlijkheden voor zich behouden hadden, zijn in de zestiende eeuw en later uitgegroeid tot de kernen van landgoederen.
Van de ruimtelijke structuur van de oudste landgoederen is relatief weinig bekend. Van het huis en de hoeven zijn de locaties bekend, maar hoe deze verbonden waren is onbekend.
Op basis van geschreven bronnen kan een tuin binnen de ‘muren’ worden verwacht; binnen de grachten van hoofd- of neerhof, minstens een kruidentuin voor de keuken en wellicht ook een besloten siertuintje. Er zijn echter geen schriftelijke bronnen over Bredase middeleeuwse landgoederen.
De verschillende belegeringen van Breda in de Tachtigjarige Oorlog betekenen verwaarlozing of zelfs aantasting van de oude landgoederen. Ook zijn de aanleg in latere fasen naar de toenmalige mode aangepast. Er zijn geen landgoederen met een middeleeuwse aanleg meer over. Ook is er in geschreven bronnen niets bekend van tuinen en parken van de Bredase landgoederen.
De eigenaren van de oude landgoederen behoren aanvankelijk tot de landadel. Het is bekend dat een aantal van hen al voor 1500 ook binnen de stad een woning had. De voornaamste reden hiervoor is de betekenis van het hof van de heren van Breda, wat een aantrekkende werking heeft voor andere edellieden. Deze aantrekkende werking betekent dat edellieden rond Breda overgaan tot vele nieuwe stichtingen van landgoederen. Daarmee neemt de heerlijkheid van Breda en het kasteel van Breda in de categorie oudste landgoederen een bijzondere positie in.
De prinselijke domeinen
Het kasteel van Breda is een groot en zwaar kasteel van regionale betekenis, met pal er naast vanaf 1531 het Valkenberg als grote tuin. Het Liesbos, het Mastbos deels, het Sterre- of Ruitenbos, het Ulvenhoutse Bos, het Sint Annabos, het Speelhuis, en de Kleine en Grote Warande moeten als afgelegen en soms grote onderdelen van dit geheel beschouwd worden. De eigendommen van de heer van Breda, de latere prinsen van Oranje, vormen uiteindelijk het raamwerk van het landgoederenlandschap waar de andere landgoedeigenaren op aanhaken. Ze zijn veel uitgebreider dan de particuliere en deels ook luxueuzer uitgewerkt. De nadruk ligt bij de particuliere landgoederen op landhuis, tuin en park, in tegenstelling tot de op bosbouw gerichte prinselijke domeinen. Ook werd er door de Nassaus gejaagd in hun bossen.
De ingrepen van de heren van Breda om zijn macht over het landschap ten toon te spreiden zijn evident. Zo is bijvoorbeeld gedurende het Twaalfjarig Bestand in het Mastbos een vierkant aangelegd met zijden van circa 1300 meter. Kasteel Bouvigne is eveneens verbouwd in deze periode. Het kasteel dat we nu kennen en de neerhof stammen uit deze periode. Er werd een dreef aangelegd door het Mastbos, het grote vierkant waarin de lusttuin en nutstuin zijn opgenomen kennen we tegenwoordig als het Carré van Keermans. Keermans is direct bij het hof van de heren van Breda betrokken en verkoopt Bouvigne in 1614 aan zijn heer. Daarmee is Bouvigne het enige particuliere landgoed in bezit van de Nassaus.
Na de Tachtigjarige Oorlog worden naar het Liesbos en het Mastbos dreven aangelegd. Het Liesbos zelf kreeg een onderverdeling in perken, welke nog steeds in het bos aanwezig is.
Nassaulandschap
Nieuwe stichtingen
Naast de oude landgoederen die uit de heerlijkheden voortkomen is er met name na de Tachtigjarige Oorlog ook sprake van nieuwe stichtingen van landgoederen. Bestaande boerderijen worden tot landgoed verheven, zoals IJzer Hek, Heilaar, Zoudtlandt, Hazard, Wolfslaar, Blauwe Kei en Weilust. De uitgebouwde boerderijen liggen alle op hoge delen van het vroeg in cultuur gebrachte landschap.
Vaak is die ontwikkeling als volgt. Een bestaande hoeve komt in handen van een rijke Bredanaar, die er een herenkamer laan in- of aanbouwde. In sommige zestiende-eeuwse pachtcontracten vinden we dat de verpachter voor zich in de hoeve ruimte reserveert. Tijdens en vooral na de Tachtigjarige Oorlog verdwijnt die groep, maar ze wordt vervangen door hoge militairen van het garnizoen. Na 1800 treedt een verdere verburgerlijking op en nemen ook Zuidnederlandse adel, kolonialen en industriëlen een aandeel.
De omgeving van de hoeve wordt veraangenaamd door enige tuinaanleg en zo mogelijk parkaanleg. Waar mogelijk mogen de dreven weer niet ontbreken. In de loop van de tijd wordt de herenkamer vaak vergroot of wordt er zelfs een apart huis gebouwd. Omdat de heer vervolgens aanmerkelijk meer aanwezig is op zijn landgoed wordt de boerderij vaak van het eigen erf verbannen. Deze opsplitsing tussen de woning van de heer een het boerenbedrijf kan goed de basis zijn voor het gebruik van de namen ‘Groot’ en ‘Klein’ bij landgoederen.
Anderzijds worden er compleet nieuwe ontginningslandgoederen aangelegd buiten het oude cultuurland, zoals Bosdal bij Prinsenbeek of Laanzicht bij Teteringen. Deze ontginningslandgoederen worden aangelegd op plaatsen waar tot in de zestiende of zeventiende eeuw nog wildernis is. Ze worden aangelegd zowel op hoge ruggen, als in moerassige laagten daartussen. In het Bavels Broek (min of meer de huidige wijk IJpelaar) worden rond 1650 woeste gronden ontgonnen en op een landgoedachtige wijze ingericht. Omdat hier geen huis was en ook geen landgoedorganisatie aanwezig was moet dit als een randgeval worden beschouwd. Een deel van deze drevenstructuur is in de landschappelijke driehoek nog aanwezig.
De toepassing van loodrechte dreven, met bij voorkeur een dreef gericht op een toren, zoals dat al bij Bouvigne en in de prinselijke bossen getoond werd, komt ook in gebruik bij particuliere landgoedbezitters. Een goed herkenbaar voorbeeld hiervan is Hazard. Dit landgoed heeft een fraaie structuur van een rechthoek van 500 x 500 meter, met het huis en oprijlaan er midden in. Links en rechts ervan liggen de hoeven. Ook de plaatskeuze voor nieuwbouw wordt beïnvloed door het voorbeeld van de heren van Breda: het nieuwe huis van Burgst wordt in 1790 zó geplaatst, dat vanaf het bordes, precies boven de kapel van Gageldonk de toren van Breda te zien is.
Bij andere landgoederen wordt vooral doorgewerkt op de door de heren van Breda aangelegde structuren door bijvoorbeeld een oprijlaan naar één van aangeplante dreven van de heer van Breda. Een voorbeeld hiervan is Valkrust.
De samenhang tussen de prinselijke domeinen en de particuliere landgoederen wordt nog verder versterkt door de boombeplanting van openbare wegen. De dreven en oprijlanen van de landgoederen haken op deze lanen aan, zodat het net van lanen en dreven zich helemaal kan sluiten. Deze structuur is nog steeds aanwezig.
De landgoederen Zoudtlandt, Bouvigne, Klokkenberg, Wolfslaar, Weilust, Burgst en De Hartel zijn allen rijksmonument. De overige landgoederen zijn gemeentelijk monument, beschermenswaardig of hebben een hoge cultuur- historische waarde.
Kaart| Landgoederen
Het militaire landschap in en rond de stad
In 1568 komt Willem van Oranje in conflict met de koning van Spanje. Filips II wil één godsdienst opleggen aan de bevolking, het katholicisme, terwijl Willem van Oranje pleit voor godsdienstvrijheid en het protestantisme eveneens wil toestaan. Dit conflict leidt tot de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).
Breda wisselt vijf maal van bezetter, waarvan tweemaal na een zeer langdurig beleg (1624-1625 en in 1637).
Bij die belegeringen worden rondom Breda wallen, grachten met schansen en enkele grote legerkampen aangelegd. Eén van de hoofdkampen, de Grote Schans, is bewaard gebleven en wordt tegenwoordig de Spinolaschans genoemd, naar de generaal die Breda in 1625 veroverde. Nadat in de jaren zestig van de vorige eeuw de schans niet langer een militaire functie heeft is de schans in bezit genomen van de natuur. De bescherming van de Spinolaschans als natuurgebied is ouder dan de bescherming als rijksmonument.
Waar gedurende de Tachtigjarige Oorlog Breda nog als een solitaire vesting opereert, zorgt Menno van Coehoorn begin 18e eeuw voor een aaneengesloten stelsel door de zuidelijke provincie van Nederland. Het omvat inundatie- gebieden, vestigen en andere versterkingen. Uit deze periode stamt de linie van de Munikenhof. Deze linie wordt aangelegd om te voorkomen dat legers over de hoge zandrug tussen de verschillende inundatiegebieden kunnen trekken. Tegenwoordig is in Noord Brabant een actieve samenwerking van onder andere provincie, gemeenten, waterschappen om de zogenaamde Zuiderwaterlinie als toeristisch recreatief product in de markt te zetten.
Ten zuiden van Breda liggen op de flank van de Aa of Weerijs nog resten van een dam. Deze dam is gebruikt om tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog het gebied ten zuiden van de stad te inunderen.
Rond de stad liggen van oudsher veel militaire oefenterreinen, zoals het Cadettenkamp. In het Mastbos wordt in de negentiende eeuw een schietbaan aangelegd. De oorsprong hangt waarschijnlijk samen met de vestiging van de KMA op het kasteel van Breda of met de Belgische opstand enkele jaren later. De schietbaan wordt beëindigd met wal, die moet voorkomen dat kogels buiten het oefenterrein schade aan kunnen richten. De naam kogelvanger is daarmee verklaard. De kogelvanger is niet meer in gebruik als schietbaan. Het terrein is omgevormd tot een niet toegankelijk natuurgebied.
De Spinolaschans en de Linie van de Munnikenhof zijn rijksmonumenten en zijn hierdoor wettelijk beschermd.
Kaart| Militair erfgoed
Begraafplaatsen
De Gemeente Breda kent 18 begraafplaatsen/kerkhoven. Op enkele begraafplaatsen worden geen graven meer uitgegeven. De meeste begraafplaatsen hebben een kruisvormige hoofdopzet of hebben een centraal gelegen hoofdpad dat uitkomt op een kapel, Calvarieberg of kruisbeeld. Het overgrote deel heeft een groen karakter. Begraafplaats de Bieberg is beschermenswaardig.
Maatschappelijke en/of culturele ontwikkelingen
Stadsparken
Parken zijn groen ingerichte terreinen die voor het publiek zijn opengesteld. Parken bestaan voor een groot deel uit gazons/speel- en ligweiden, paden, bloem¬perken, opgaande beplanting, waterpartijen en in een aantal gevallen toegangspoorten (met omheining). Parken komen in verschillende stijlen voor:
1Landschapsstijl
Vrederust, Wolfslaar, Valkenberg, Wilhelminapark, Valkrust, het Van Sonsbeeckpark (volkspark) en het restant van het Brabantpark ter hoogte van de Claudius Prinsenlaan/singel zijn ingericht volgens de Landschapsstijl. Bij de Landschapsstijl wordt het romantische beeld van de natuur nagebootst met gebogen paden en slingerende waterpartijen, die worden geflankeerd door boomgroepen en struiken. De gebogen paden bieden steeds weer verrassende doorkijkjes tussen de bosschages (clumps) door over de waterpartijen en op bouwkundige elementen zoals bruggen, theekoepels of follies.
2.Architectonische tuinaanleg
Het Van Koolwijkpark betreft een formeel park met een architectonische tuinaanleg zoals een bakstenen water- bassin, een balustrade, pergola’s en gemetselde terrastrappen. Ook de (lei)bomen doen mee in de formele, architectonische opzet.
3.Modernisme
Na de Tweede Wereldoorlog werd op basis van de wijkgedachte de stad hiërarchisch ingedeeld in overzichtelijke buurten, wijken en stadsdelen, die van elkaar gescheiden werden door een groen raamwerk. De wijk Hoge Vucht is hier het duidelijkste voorbeeld van: woningbouwclusters (‘stempels’) zijn door kruisvormige groenzones van elkaar gescheiden.
De groene raamwerken en moderne parken zijn vrij sober ingericht volgens het gedachtegoed van de Modernen. Het Modernisme in de landschapsarchitectuur was met name een reactie op de Landschapsstijl die tot de Tweede Wereldoorlog maatgevend was bij de vormgeving van parken. Het Modernisme ging er van uit dat de gebruiker van een park zich vrij door de ruimte moest kunnen begeven en dat de functie van een park tevens een esthetische betekenis aan een plek gaf (form follows function). De Modernen richtten zich op minimale vormgeving zonder opsmuk (less is more). De bomen zijn vaak geordend in rechte lijnen en geometrische vormen, aangevuld met wat ‘los gestrooide’ bomen die daar ook zonder bemiddeling van een ontwerper hadden kunnen staan. Meestal is gekozen voor inheemse beplanting in het kader van natuureducatie, maar ook om het specifieke karakter van de plek te benadrukken. Variatie in de boomkeuze moest ervoor zorgen dat elke plek een eigen gezicht kreeg.
4Structuralisme
Doordat de Modernistische groenvoorzieningen geen gevoel van natuurbeleving opriepen bij omwonenden deed vanaf 1970 het Structuralisme zijn intrede. Bij het Structuralisme dienden de groenvoorzieningen er uit te zien alsof deze organisch waren ontstaan. Ontwerpers tekenden liever structuren dan dat men vormwil toonde. De vormgeving bleef hangen tussen functie en natuur en kende geen hiërarchie of duidelijk begin en einde.
In de Haagse Beemden werden de ‘Groene Balkons’ rondom Landgoed Burgst (Hooghuispark Gageldonk, Kievitslooppark, Kesterenpark en Paradijspark), de geluidswal en het park onder de hoogspanning Structuralistisch ingericht. Ook het Bijlooppark (Wal Princenhage), Wijkpark de Groene Long (Bavel), Haenenveld (Teteringen) en de geluidswal in Heusdenhout zijn Structuralistisch ingericht.
5.Postmodernisme
Als reactie op het sobere Moderne gedachtegoed en het vormeloze Structuralisme stuurden de Postmoderne ontwerpers sterk op de eigen identiteit en herkenbaarheid van een park. Vormwil mocht weer en er ontstonden gevarieerde parken met heldere lijnen en vormen waarin natuurontwikkeling een belangrijke rol ging spelen. Bij het Zaartpark, Turfvaartpark, Bavelse Leijpark, Boeimeerpark, Westertuin en de Waterakkers waren water en bepaalde natuurdoeltypen leidend bij de vormgeving.
Bij het Zaartpark, Turfvaartpark, Bavelse Leijpark en de Westertuin is tevens veel aandacht gegeven aan de vormgeving van specifieke bruggen en vlonderpaden.
Kaart| Parken
Groenstructuren/Groene raamwerken
Na de Tweede Wereldoorlog gaat het groen een belangrijke rol spelen in de stedenbouwkundige opbouw van de stad. Tijdens de Tweede Wereldoorlog - een noodgedwongen periode van bezinning voor stedenbouwkundigen en architecten - werd de Wijkgedachte ontwikkeld. De Wijkgedachte is een sociaal-maatschappelijke benadering van de stedenbouw, ontwikkeld in Rotterdam, die wil voorkomen dat mensen zich verloren gaan voelen in de alsmaar uitdijende stad. De stad wordt hiërarchisch ingedeeld in overzichtelijke buurten, wijken en stadsdelen. De stad vormt niet langer een schijnbaar eindeloze aaneenschakeling van straten en pleinen (zoals Schaap deze nog tekende), het zijn groene raamwerken die de hiërarchie in buurt, wijk en stadsniveau gaan markeren.
Stadsniveau
De stedenbouwkundige die het plan voor de uitbreiding van Breda maakt, het ‘Geraamteplan’, is Ir. P. Verhagen. Verhagen laat in het Geraamteplan het groen van de bos- en heidegebieden rondom de stad via een stelsel van parken, sport- en recreatieterreinen, volkstuinen, rivieroevers, singels en begraafplaatsen diep doordringen tot in de stad. De groenzones hebben tot doel om de stadsuitbreidingen te structureren en bufferstroken te vormen tussen de verschillende woonwijken.
De essentie van het Geraamteplan, een groen raamwerk dat de stad in verschillende delen geleed, vormt nu nog steeds een leidraad voor de stadsontwikkeling van Breda. Het groene raamwerk bestaat uit de beekdalen van Aa of Weerijs, de Mark en de Bavelse Leij, de groenstructuur langs de Molenleij, de Waterakkers en de groene zone tussen Liesbos en Landgoederenzone Haagse Beemden (Vaareind/Westrik, Neus van Prinsenbeek en Steenakker Noord/Moskes). De bomen in het groene raamwerk behoren tot de hoofdbomenstructuur vanwege hun stedenbouwkundige/landschappelijke en ecologische waarde (een deel hiervan zit bij ecologisch beheer).
Wijkniveau
Vanwege de toenemende omvang van de nieuwe wijken wordt de groenstructuur op stadsniveau aangevuld met doorgaande groenstructuren op wijkniveau. Iedere wijk krijgt een eigen, ruim opgezet groen raamwerk dat de verschillende buurten aan elkaar koppelt. Hoe groter de wijk, hoe ruimer het groene raamwerk is opgezet. Het betreft de wijken Heuvel, Brabantpark, Doornbos, IJpelaar, Hoge Vucht, Heusdenhout en Princenhage West in de aan het Mastbos grenzende villawijk Ruitersbos en in het aan het Cadettenkamp grenzende landhuizengebied in Teteringen (Valkenstraat) is de bossfeer zoveel mogelijk door gezet. Deze twee buurten zijn erg boomrijk, met name op particulier terrein.
De meer draagkrachtigen vestigden zich na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate in de omliggende dorpen. Met name Prinsenbeek en Ulvenhout en in geringere mate Teteringen, zijn tijdens de wederopbouw flink uitgebreid. De desbetreffende wijken bestaan uit eenvoudige stratenpatronen waar grotendeels twee-onder-één- kapwoningen aan staan. Alleen in Prinsenbeek zuid-oost is een duidelijke groenstructuur met een brede waterpartij opgenomen (Haverdijk/Middenweg/Vliet).
Buurtniveau
De verschillende buurten binnen de wijk worden opgezet rondom een groen hof, zodat het groen ‘doorstroomt’ tot in de haarvaten van de buurt. De hiërarchie van woning naar buurt naar wijk komt nu terug in de groenvoorziening: van hof via plantsoen en/of speelveld naar park. Deze hoven komen het meest pregnant naar voren in de wat meer kleinschalig opgezette wijken Boeimeer, Linie, Overakker, Blauwe Kei en Tuinzigt en in de vier dorpen.
Parkways
Na de Tweede Wereldoorlog neemt het autobezit aanzienlijk toe en krijgt Breda een ringweg die in alle richtingen met de regionale hoofdroutes wordt verbonden. Een systeem van aantrekkelijke groene autowegen (parkways) moet voor alle stedelingen de recreatie- en natuurgebieden rondom de stad bereikbaar maken (Liesbos, Mastbos, Vrachelse Heide).
Het verschijnsel parkway komt overgewaaid uit de Verenigde Staten. De ontwerpers van Central Park in New York (Olmsted & Vaux) ontwierpen reeds in 1866 de eerste parkway (Eastern Parkway). Deze parkway was zodanig ingericht dat voetgangers en rijtuigen ieder hun eigen wegdeel kregen. Op de plekken waar rijtuigen en wandelaars elkaar kruisten werden ongelijkvloerse kruisingen aangelegd.
In de loop der tijd transformeerde de parkway en waren het niet langer rijtuigen en voetgangers die hiervan gebruik maakten maar automobilisten en fietsers. De parkways in Breda zijn dan ook speciaal ontworpen voor autoverkeer en hebben een ruim groen profiel en vrijliggende fietspaden.
De parkways die zijn gerealiseerd betreffen de Noordelijke en Zuidelijke rondweg, Tuinzigtlaan (als alternatief voor de Zuilenstraat), Graaf Hendrik III laan (als alternatief voor de Baronielaan), Claudius Prinsenlaan, De la Reijweg/ Beverweg, Doornboslaan, Kapittelweg, Groenedijk, Cornelis Joosstraat, Heerbaan, Loevesteinstraat, Fatimastraat, Willem van Oranjelaan, Ettensebaan, Lunetstraat, Emerparklaan en Westerparklaan.
De parkways zijn vanwege hun functie en groene uitstraling beeldbepalend voor de stad.
Kaart| Parkways