Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Groen en Water 2023

Gemeente Breda · geldt sinds 28 december 2023

Hoofdstuk 2 Waterberging

2.1 Hemelwaterbeleid

Het hemelwaterbeleid van Breda heeft een nauwe relatie met het hemelwaterbeleid van waterschap Brabantse Delta. In praktijk zijn deze twee zaken vaak verweven. Om deze reden wordt in deze beleidsregel ook het hemelwaterbeleid van waterschap Brabantse Delta aangehaald. De zwaarste eis telt. Het hemelwaterbeleid van gemeente Breda is gericht op een toekomstbestendig en waterrobuust stedelijk watersysteem. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in het Stedelijk Waterplan 2019-2023. Het waterbeleid van waterschap Brabantse Delta is gericht op een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap. Dit waterbeleid is vastgelegd in de waterverordening Brabantse Delta 2022.

Bij nieuw afwaterend verhard oppervlak is het hemelwaterbeleid van gemeente Breda altijd van toepassing. Volgens dit beleid dient hemelwater geborgen en geïnfiltreerd te worden. Onder nieuw afwaterend verhard oppervlak verstaan we nieuwe aanleg of oppervlak wat opnieuw wordt verhard. Het gaat hierbij om oppervlakte, waarvan de neerslag tot gecontroleerde afstroming komt met afvoer op riolering of oppervlaktewater. Naast hoofdgebouwen worden ook bijgebouwen, inritten en overige terreinverhardingen beschouwd als afwaterend verhard oppervlak als ze zijn voorzien van een afvoer. Dakoppervlakken worden horizontaal gemeten.

Bij een toename van verhard oppervlak en lozing op oppervlaktewater is ook het hemelwaterbeleid van waterschap Brabantse Delta van toepassing. Ook volgens dit beleid dient waterberging te worden aangebracht. Onder toename van verhard oppervlak wordt een wijziging van onverhard naar verhard oppervlak verstaan (zie hemelwaterbeleid voor ruimtelijke ontwikkelingen).

In het kader van duurzaam waterbeheer dient hemelwater zoveel als mogelijk lokaal te worden vastgehouden en waar mogelijk geïnfiltreerd in de bodem. Daarna volgt berging in oppervlaktewater en dan pas afvoer naar de riolering of regionaal oppervlaktewater. Hemelwaterinfiltratie in de bodem heeft twee voordelen: het vertraagt het afvoerproces en het hemelwater vult het grondwater aan. Als (volledige) infiltratie niet mogelijk is dient hemelwater te worden geborgen in een onder- of bovengrondse voorziening. Voor al het water dat niet kan worden vastgehouden/geborgen resteert als laatste optie afvoeren.

Geringe aanpassingen leiden, vanuit praktische overwegingen, niet direct tot een waterbergingseis. Voor kleine en grote(re) ontwikkelingen wordt een waterbergingseis gehanteerd.

Voor relatief kleine ontwikkelingen is er beperkte flexibiliteit om hemelwater te bergen. Een waterbergingseis van 10-20 mm (10-20 liter per m2 verhard oppervlak) wordt praktisch goed haalbaar geacht. Uitgangspunt is een bergingsvoorziening met een infiltrerende werking, zodat het hemelwater de grondwatervoorraad aanvult. In het overgrote deel van het grondgebied van Breda is infiltratie van hemelwater goed haalbaar.

Voor de wat grotere ontwikkelingen is er voldoende flexibiliteit om hemelwater te bergen. Een waterbergingseis van 60 mm (60 liter per m2 verhard oppervlak) wordt praktisch goed haalbaar geacht. Uitgangspunt is een bergingsvoorziening met een infiltrerende werking, zodat het hemelwater de grondwatervoorraad aanvult. In het overgrote deel van het grondgebied van Breda is infiltratie van hemelwater goed haalbaar.

In de kwetsbare gebieden wateroverlast zit er echter geen rek meer in het bestaande rioleringssysteem. Om deze reden wordt een dusdanig hoge waterbergingsnorm gehanteerd (78 en 94 mm), dat slechts in uitzonderlijke situaties nog afvoer van hemelwater plaatsvindt. Het bestaande systeem, wat al onder druk staat, wordt hiermee niet nog verder belast.

Bij grote ontwikkelingen met een toename van verhard oppervlak is er een groot potentieel om water en groen te combineren en hiermee naast het beperken van de kans op wateroverlast ook een bijdrage te leveren aan het tegengaan van hittestress en droogtebestrijding. Dit vereist dat de waterberging zichtbaar, en dus bovengronds wordt aangebracht. Neerslag dient zodanig te worden verwerkt dat het risico op schade aan huizen en vitale infrastructuur beperkt is. Het hemelwaterbeleid van waterschap Brabantse Delta is gericht op het beperken van versnelde afvoer naar het oppervlaktewater, om zo de norm voor regionale wateroverlast te halen.

2.2 Algemene zorgplicht hemelwater

De ontwikkelende partij neemt de zorgplicht hemelwater in acht. Dit houdt tenminste in:

▪ Verwerken van hemelwater volgens de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren;

▪ Verwerken van hemelwater volgens de voorkeursvolgorde schoonhouden-scheiden-schoonmaken;

▪ Voorkomen van afwenteling van overtollig hemelwater naar overige particuliere eigendommen;

Tabel 2.2.0: Voorkeursvolgorde verwerking hemelwater

Waterkwantiteit

Waterkwaliteit

1Vasthouden

Bijvoorbeeld toepassen van doorlatende verharding, hergebruik of groene daken

1Schoonhouden

Bijvoorbeeld geen uitlogende bouwmaterialen toepassen

2Bergen

Bijvoorbeeld infiltratievoorziening met berging

2Scheiden

Bijvoorbeeld aparte hemelwaterriolering aanleggen

3Afvoeren

Bijvoorbeeld apart hemelwaterriool dat afvoert naar oppervlaktewater

3Schoonmaken

Bijvoorbeeld toepassen bodempassage

2.3 Wateropgave

De benodigde inspanning aanvullend op de algemene zorgplicht hemelwater verschilt per situatie. Deze is afhankelijk van de omvang van het nieuw afwaterend verhard oppervlak en het type werkzaamheden (drie categorieën). Voor bestaand te handhaven afwaterend verhard oppervlak wordt geen wateropgave opgelegd. Wel kunnen Burgemeester en wethouders een bestaand gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is afvloeiend hemelwater en grondwater te lozen in het openbaar riool (artikel 14 Stedelijk Waterverordening Breda 2019). Voor de bepaling van de categorie dient tabel 2.3.1 te worden gehanteerd:

Tabel 2.3.1: Hulptabel ter bepaling van de categorie

Plansituatie

Type werkzaamheden

Categorie

Geen toename

verhard oppervlak

Bestaand te handhaven:

Dakpannen vervangen, herstraten en asfaltoverlaging

Kleine verbouwingen zoals plaatsen dakkapel en

beheermaatregelen

I

Beheer

Bestaand te vernieuwen: Herontwikkeling, revitalisering, herinrichting

totale fundering slopen en opnieuw bouwen*

II

Vernieuwing

Toename

verhard oppervlak

Nieuwe gebouwen en infrastructuur waar nu geen afvoerend verhard oppervlak is

III

Toename

* Bij sloop en nieuwbouw wordt een termijn van twee jaar aangehouden. Indien het terrein langer dan twee jaar braak ligt, wordt het aanbrengen van verhard oppervlak beschouwd als categorie III Toename verhard oppervlak

Onderstaande tabel bevat het beslismodel ter bepaling van de benodigde inspanning.

Tabel 2.3.2: Beslismodel wateropgave

vo = nieuw afwaterend verhard oppervlak in m2

A

vo < 50

B

50≤ vo < 500

C

500≤ vo < 10.000

D

vo ≥ 10.000

Geen toename verhard oppervlak

Categorie I

Beheer

Alleen zorgplicht water

geen water-bergingsnorm

Alleen zorgplicht water

geen waterbergingsnorm

Categorie II

Vernieuwing

10mm

waterberging

20mm

waterberging

40mm

waterberging

met kortingsregeling

Toename verhard oppervlak

Categorie III

Toename

20mm

waterberging

60mm

waterberging

met extra opgave in wateroverlastgevoelige gebieden

Het totaal aan nieuw (vernieuwd, cat II en toename, cat III) afwaterend verhard oppervlak bepaalt in welke oppervlakteklasse A, B, C of D de opgave valt.

2.4 Toelichting op de wateropgave

Klasse A, nieuw afwaterend verhard oppervlak kleiner dan 50 m2

De ontwikkelende partij voldoet aan de algemene zorgplicht hemelwater.

Klasse B, nieuw afwaterend verhard oppervlak groter of gelijk aan 50 m2 en kleiner dan 500 m2

De ontwikkelende partij:

▪ Voldoet aan de algemene zorgplicht hemelwater;

▪ Brengt overeenkomstig de categorie werkzaamheden de benodigde hoeveelheid waterberging volgens tabel 2.3.2 aan in het te ontwikkelen plangebied;

▪ Infiltreert zoveel mogelijk hemelwater in de bodem waar dit kan;

▪ Geeft aan hoe bij extreme neerslag de kans op wateroverlast wordt beperkt, zoals een slimme keuze van het vloerpeil;

▪ Maakt bij voorkeur gebruik van bovengrondse watervoorzieningen;

▪ Legt op basis van beschikbare (geo)hydrologische gegevens vast dat wordt voldaan aan de gestelde eisen voor waterberging en hemelwaterinfiltratie;

▪ Toets of een aanlegvergunning conform hoofdstuk 3 nodig is.

▪ Maakt een melding van de voorgenomen activiteit bij gemeente Breda.

Klasse C, nieuw afwaterend verhard oppervlak groter of gelijk aan 500 m2 en kleiner dan 10.000 m2

De ontwikkelende partij:

▪ Voldoet aan de algemene zorgplicht hemelwater;

▪ Brengt overeenkomstig de categorie werkzaamheden de benodigde hoeveelheid waterberging volgens tabel 2.3.2 aan in het te ontwikkelen plangebied;

▪ Maakt bij voorkeur gebruik van bovengrondse watervoorzieningen;

▪ Verdeelt het afwaterend verhard oppervlak evenredig over de watervoorzieningen op basis van inhoud van de voorzieningen;

▪ Infiltreert zoveel mogelijk hemelwater in de bodem waar dit kan;

▪ Onderzoekt de kwetsbaarheid bij extreme buien;

▪ Stelt een waterhuishoudkundig plan op en voert het daartoe benodigde bodemkundig hydrologisch onderzoek (overeenkomstig de randvoorwaarden van de gemeente inclusief doorlatendheidsproeven ter plaatse van de toekomstige voorzieningen);

▪ Toets of een aanlegvergunning conform hoofdstuk 3 nodig is.

▪ Vraagt een vergunning van de voorgenomen activiteit aan bij gemeente Breda.

Bespreekt in een maatwerkoverleg met de adviseur stedelijk water van de afdeling Wijkzaken van de gemeente Breda en de gebiedsadviseur van waterschap Brabantse Delta:

▪ het waterhuishoudkundig plan;

▪ het vloerpeil in relatie tot extreme neerslag;

▪ afwijking van de beleidsregel indien hier aantoonbaar niet aan kan worden voldaan;

▪ aanvullende eisen in kwetsbare gebieden wateroverlast

▪ afstemming over de toe te passen technieken.

Als kwetsbare gebieden wateroverlast zijn de ongebouwde gebieden rondom Bavel en Prinsenbeek aangeduid. In deze kwetsbare gebieden wateroverlast geldt een hogere waterbergingsnorm.

▪ In het ongebouwde gebied rondom Bavel geldt een norm van 94 mm;

▪ In het ongebouwde gebied rondom Prinsenbeek geldt een norm van 78 mm;

Een waterhuishoudkundig plan is een plan dat ingaat op de huidige waterhuishouding en op de lokale geohydrologische (on)mogelijkheden. Het plan geeft invulling aan de zorgplichten voor grond-, regen-, oppervlakte- en afvalwater en geeft de toekomstige waterhuishoudkundige inrichting. Het plan komt tot stand in goed overleg met de initiatiefnemer, de gemeente, de waterbeheerder en eventuele andere betrokken partijen.

Klasse D, nieuw afwaterend verhard oppervlak groter dan 10.000 m2

Bij plannen met een nieuw afwaterend verhard oppervlak groter dan 1 ha dient aanvullend op de beleidsregel voor klasse C de waterberging die vereist is over de toename van het verhard oppervlak (categorie III D) bovengronds te worden gerealiseerd. Voor dit deel van de waterberging dient een robuust, bovengronds en zichtbaar systeem [waterbergende groene daken, wadi’s, laagtes in groen, vijvers en sloten] te worden aangelegd waar een verhard oppervlak gelijk aan of meer dan de toename van het verhard oppervlak op afvoert.

Alleen voor deze klasse is een kortingsregeling van kracht voor vernieuwd verhard oppervlak (categorie II D). Deze wordt in het maatwerkoverleg besproken en bestaat er uit dat de opgave van 40 mm verlaagd kan worden tot 20 mm in geval van een duurzame invulling van het plan, buiten de kwetsbare gebieden wateroverlast. Een duurzame invulling bestaat bijvoorbeeld uit noemenswaardige vermindering van verhard oppervlak, afkoppelen van de verharding van het riool en/of bovengrondse bergingsvoorzieningen zoals vijvers en sloten, wadi’s en waterbergende groene daken.

De ontwikkelende partij toont de werking van het systeem aan met een modellering bij normale en extreme neerslag en legt dit vast in een waterhuishoudingsplan.

Voorbeeldberekening

Stel een plangebied heeft in de huidige situatie 7.000 m2 en in de nieuwe 15.000 m2. De opgave voor het vernieuwd oppervlak is dan 7.000 m2 * 40 mm = 280 m3 en voor de toename 8.000 m2 * 60 mm = 480 m3.

Er kan maximaal 7.000 m2 * 20 mm = 140 m3 korting verkregen worden bij een duurzame invulling. Er moet minimaal 480 m3 in bovengrondse voorzieningen gerealiseerd worden voor de toename.

2.5 Afwijken van de beleidsregel water

Om moverende redenen kan worden afgeweken van de norm wanneer:

▪ de benodigde hoeveelheid waterberging aantoonbaar niet binnen het plangebied gerealiseerd kan worden; en

▪ de ontwikkeling in de nabijheid van een omvangrijke bestaande of nog te realiseren waterhuishoudkundige voorziening ligt (bijvoorbeeld een retentievijver, beek, etc.); en

▪ deze waterhuishoudkundige voorziening hetzelfde kwantitatieve effect heeft op de waterhuishouding binnen het plangebied; en

▪ er een robuuste afvoerconstructie tussen plangebied en eerdergenoemde waterhuishoudkundige voorziening ligt of gerealiseerd kan worden; én

▪ het watersysteem binnen het plangebied robuust blijft.

In het geval al een anterieure overeenkomst is afgesloten gelden de voorwaarden uit die overeenkomst.

Hoofdstuk 4 Vergroening

4.1 Groenbeleid

Bij nieuwe ontwikkelingen dient er afhankelijk van het type ontwikkeling een minimaal percentage van het oppervlak te worden ingericht als openbaar groen. In de Omgevingsvisie is hiervoor de Bredase Groen- & Parknorm opgenomen en nader uitgewerkt in het Groenkompas. De Bredase Groen- & Parknorm is van toepassing op nieuwe woongebieden en (planologisch) nieuwe bedrijventerreinen en bevat randvoorwaarden ten aanzien van:

1het minimale oppervlak aan groene openbare ruimte

2een deels biodiverse inrichting (op basis van doelsoorten) en behoud/compensatie van bestaande bomen

3natuurinclusief bouwen

Biodiverse vegetaties bestaan uit soortenrijke (minimaal 15 soorten per m2) vegetaties van inheemse wilde planten.

4.2 Groenopgave

De vergroening draagt bij aan klimaatbestendige en gezonde wijken en dorpen. Vanwege de haalbaarheid en praktische uitvoerbaarheid is het percentage gedifferentieerd per type bebouwing.

De ontwikkelende partij:

Voldoet bij een (her)ontwikkeling aan de Bredase Groen & Parknorm zoals opgenomen in het Groenkompas Breda. Volgens deze norm gelden voor elke (her)ontwikkeling in de bebouwde kom de volgende minimale percentages van het als openbaar groen in te richten oppervlak:

a.grondgebonden woningen; 20%

b.gestapelde woningen; 35%

c.nieuwbouw op bedrijventerrein; 10%

4.2.1 Toelichting op de groenopgave in woongebieden

Regels voor ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied van Breda

Onder een ontwikkeling wordt een bouwproject van tenminste vijf woningen binnen bestaand stedelijk gebied verstaan. Gebieden of gebouwen die een cultuurhistorische bescherming kennen zoals beschermd stadsgezicht of gemeentelijk dan wel Rijksmonument vergen een andere afweging. Waar de biodiversiteitsbelangen hier strijdig zijn met het erfgoedbeleid wordt naar maatwerk gezocht.

Algemeen

▪ Minimaal 10% van de gevel is groen door begroeiing met klimplanten of andersoortige gevelbeplanting.

▪ Bewoners krijgen de voorlichtingsfolder De natuur als goede buur (digitaal dan wel analoog).

▪ Voortuinen worden voorzien van groene erfscheidingen, dit kunnen bijvoorbeeld strak gesnoeide meidoorn- of ligusterheggen zijn maar ook met klimop, klimrozen of andere klimplanten volledig (80%) bedekte hekwerken.

▪ Gezonde volwassen inheemse bomen in het plangebied worden in beginsel gehandhaafd.

Oppervlakte groen binnen ontwikkelingen

1Grondgebonden woningen: Minimaal 20% van het plangebied wordt als (semi-)openbaar, voor aanpalende bewoners toegankelijk en zoveel mogelijk aaneengesloten groen ingericht. Hiervan wordt de helft ingericht als biodiverse openbare ruimte.

2Niet grondgebonden woningen: Minimaal 35% van het plangebied wordt als (semi)openbaar, voor aanpalende bewoners toegankelijk en zoveel mogelijk aaneengesloten groen ingericht. Hiervan wordt de helft ingericht als biodiverse openbare ruimte.

3Niet-toegankelijke groene daken (bijvoorbeeld met zonnepanelen) mogen voor 20% worden meegeteld bij het vereiste groenoppervlak. (Semi-)openbare groene daken mogen voor 100% worden meegeteld.

4In het Centrum, zoals aangeduid op figuur 1 , tellen groene gevels voor 100% mee.

Door de verhouding tussen het aantal grondgebonden en niet-grondgebonden woningen te bepalen kan het percentage vereiste groene openbare ruimte worden berekend:

Y grondgebonden woningen en Z gestapelde woningen: (Yx20% + Zx35%) / (Y+Z)

Een groen dak is een dak met dakbedekking waarop een laag is aangebracht die hoofdzakelijk bestaat uit substraat met levende planten waardoor de dakbedekking water bergt en vertraagd afvoert.

Onder kruidenrijke daken worden groene daken of parkeerdekken verstaan met daarop een substraat van minimaal 15 cm dik waar lokale/inheemse vegetatie op groeit (die bestaat uit kruiden, grassen en/of bloemen) en die tevens een hemelwater bergen en vertraagd afvoeren.

4.2.2 Toelichting op de groenopgave in bedrijventerreinen

Verplichtingen voor nieuwbouw op bedrijventerreinen

▪ Minimaal 20% van de gevel van de bedrijfsgebouwen is groen door begroeiing met klimplanten of andersoortige gevelbeplanting.

▪ Hekwerken en andere erfafscheidingen aan de voorzijde zijn begroeid met klimplanten of voorzien van strak gesnoeide heggen bestaande uit meidoorn, vuurdoorn, liguster of veldesdoorn. Ook een haagbegroeiing bestaande uit inheemse struiken voldoet.

▪ Parkeerterreinen voor personeel en gasten zijn half verhard (tenzij krachtens milieuwetgeving verharding vereist is).

▪ Volwassen inheemse bomen in het plangebied worden waar mogelijk gehandhaafd.

▪ Minimaal 10% van een te ontwikkelen bedrijfskavel vanaf 1,0 ha is groen.

▪ Groene daken (eventueel met zonnepanelen) mogen voor 20% worden meegeteld bij het vereiste groenoppervlak.

4.3 Afwijken van de beleidsregel vergroening

Om moverende redenen kan worden afgeweken van de norm wanneer:

▪ de vereiste groenopgave aantoonbaar niet binnen het plangebied gerealiseerd kan worden; en

▪ de ontwikkeling in de directe nabijheid ligt (max 200 meter lopen; de zogenoemde ‘pantoffelafstand’) van een openbaar toegankelijke, bestaande of nog te realiseren groenvoorziening met een omvang van minimaal 1 hectare (bijvoorbeeld een stadspark, bos, rivier of recreatiegebied); of

▪ als sprake is van woningbouw die is vergund met een tijdelijke omgevingsvergunning voor maximaal 10 of 15 jaar op grond van artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht en/of artikel 6 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet;

Als er sprake is van een zwaarwegend belang vanuit sociale veiligheid, hoeft de (semi-) openbaarheid van het groen niet gewaarborgd te worden.

Hoofdstuk 6 Groene tuinen

6.1 Groenbeleid

Om het aandeel groen op privaat terrein in de toekomst te kunnen garanderen dient bij nieuwe woonbuurten met grondgebonden woningen een oppervlaktepercentage ‘levend’ groen in de tuin te worden opgenomen in het bestemmingsplan.

Onder ‘levend’ groen worden met levende beplanting bedekte oppervlakten bedoeld, niet zijnde verharding (kunststof met inbegrip van worteldoek, hout, kiezels, tegels, stenen, beton, asfalt). Open grond (zand, klei etc.) kan onderdeel zijn van ‘levend groen’. Hierbij dient de daadwerkelijke bedekking met beplanting in mei-september echter minimaal 70% te zijn. De oppervlakte levend groen wordt daarbij op grondniveau bepaald, waarbij voor het bedekkingspercentage de onverharde ruimte onder boomkronen of heesters mag worden meegeteld.

Afbeelding 5.1.1 illustreert de wijze waarop het aandeel ‘levend groen’ wordt bepaald. De kleur rood staat voor bestrating en de kleur bruin voor open grond.\

Afbeelding 5.1.1: Bepalingswijze aandeel ‘levend groen’

6.2 Richtlijn Groene Tuin

De ontwikkelende partij voldoet bij de ontwikkeling van nieuwe woonbuurten aan de richtlijn groene tuin zoals opgenomen in het Groenkompas Breda (verwijzing). De hoogte van het percentage is hierbij afhankelijk van de perceel grootte en varieert in een bandbreedte van 5-60%. Hoe groter het perceel des te hoger het percentage levend groen.

Oppervlakte perceel

Minimum percentage

levend groen

125-150 m2

5%

150-250 m2

10%

250– 500 m2

15%

500– 1.500 m2

30%

1.500 – 2.000 m2

40%

2.000 – 5.000 m2

50%

> 5.000 m2

60%

6.3 Afwijken van de richtlijn groene tuin

▪ Van de richtlijn groene tuin kan worden afgeweken als de aanleg van de minimumoppervlakte aan levend groen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit

▪ als sprake is van woningbouw die is vergund met een tijdelijke omgevingsvergunning voor maximaal 10 of 15 jaar op grond van artikel 4 lid 11 van bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht en/of artikel 6 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet;

Deel BLandschapsinvesteringsregeling Breda 2023

Bijlage 1

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Waar toepassen?

Beuk

Fagus sylvatica

leem- en zandig leem

Bosaalbes

Ribes rubrum

leem- en zandig leem

Boswilg

Salix carprea

algemeen (pionierssoort), zon

Brem

Cytisus scoparius

zandbodems of voedselarme bodems, zon

Eenstijlige meidoorn

Crataegus monogyna

zon, geen specifieke bodemeisen

Es (gewone)

Fraxinus excelsior

overal, op rijkere, natte bodem

Gelderse roos

Viburnum opulus

vochtige bodems

Gele kornoelje

Cornus mas

Gewone esdoorn

Acer pseudoplatanus

leem- of zandig leem,ook in schaduw

Gewone vlier

Sambucus nigra

voedselrijke bodems, overal

Gewone vogelkers

Prunus padus

voedselrijke zand- en leembodems, halfschaduw

Grootvruchtige meidoorn

Crateagus x macrocarpa

leem- en zandig leem

Haagbeuk

Carpinus betulus

Vochtige, voedselrijke kalkrijke bodem

Hazelaar

Corylus avellana

rijkere, vochtige gronden, niet in polders

Hulst

Ilex aquifolium

Iep

Ulmus sp. (U.minor of U.glabra)

(leem en zandleem)

Jeneverbes

Juperinus communis

Kraakwilg

Salix fragilis

vochtige bodems

Kruipwilg

Salix repens

zandbodems

Kruisbes

Ribes uva-crispa

leembodems en duinen

Ratelpopulier

Populus tremula

algemeen, liefst zandige gronden, zon

Rode kornoelje

Cornus sanguinea

op rijkere bodems

Ruwe berk

Betula pendula

droge voedselarme bodems, zandgronden

Schietwilg

Salix alba

vochtige bodems, cultuurlandschappen

Sleedoorn

Prunus spinosa

licht en halfschaduw, geen arme zandgrond

Spaanse aak (Veldesdoorn)

Acer campestre

leem- of zandig leem Verdraagt schaduw

Taxus

Taxus baccata

lemige bodems

Tweestijlige meidoorn

Crataegus laevigata

ietwat vochtige leem- en kleibodems

Vuilboom (Sporkehout)

Rhamnus frangula

overal toepasbaar (zeker zandgrond)

Wegedoorn

Rhamnus cathartica

leem-, klei-, en kalkhoudende bodems

Wilde appel

Malus sylvestris

vooral leemstreek, lichtminnend

Wilde gagel

Myrica gale

natte zandige bodems

Wilde kardinaalsmuts

Euonymus europaeus

leem- en zandig leem, beekdalen, niet in polders

Wilde liguster

Ligustrum vulgare

basische bodems

Wilde lijsterbes

Sorbus aucuparia

eerder arme gronden

Wilde peer

Pyrus pyraster

lichtminnend, voedselarme zand, ook leem

Wilg

Salix sp.

vochtige bodems

Wintereik

Quercus petraea

leemstreek

Winterlinde

Tilia cordata

geringe eisen

Witte Els

Alnus incana

leem- of zandig leem natte bodem

Zachte berk

Betula pubescens

natte, voedselarme bodems, zandgronden

Zoete kers (Boskers)

Prunus avium

leem- en zandig leem

Zomereik

Quercus robur

algemeen behalve kust, lichtboomsoort

Zomerlinde

Tilia platyphyllos

meestal rijkere bodems,

Zwarte bes

Ribes nigrum

natte, voedselrijke gronden

Bijlage 2

Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist.

Specifiek:

-Vergroten bestemmingsvlak Wonen tot 1500 m². Boven 1500 m² worden bestaande situaties gerespecteerd;

-Vergroten inhoud woning tot 750 m³, of zoveel het geldende bestemmingsplan toestaat;

-Herbouw woning binnen bestemmingsvlak;

-Vergroten aantal m² bijgebouwen bij woning tot maximaal 100 m², of zoveel het geldende bestemmingsplan toestaat;

-Vestiging van of splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/karakteristieke/ cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

-Tijdelijke mantelzorgwoning in/bij woning binnen het geldende bestemmingsplan;

-Aan huis gebonden beroep/bedrijf in/bij woning binnen het geldende bestemmingsplan;

-Bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij woning binnen het geldende bestemmingsplan;

-Nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf binnen geldend bouwvlak en binnen het geldende bestemmingsplan;

-Verkoop van op het eigen (agrarisch) bedrijf vervaardigde producten (inclusief de verkoop van streekeigen producten) tot een maximum van 200m², of zoveel het bestemmingsplan toestaat, binnen het geldende bestemmingsplan;

-Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;

-Wijziging bestemming Agrarisch Bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of Bedrijf, met een omvang van minimaal 1 ha., in bestemming Wonen of andere bestemming zoals Horeca, maatschappelijke doeleinden of recreatie, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 1500 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing (> 500 m2) wordt gesloopt;

-Tijdelijke huisvesting seizoenarbeiders: binnen (omgebouwde) bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak;

-Paardenbakken binnen bestemmings-, of regulier bebouwingsvlak welke het bestemmingsplan rechtstreeks toestaat;

-Een vrijkomende agrarische bedrijfswoning welke wordt aangemerkt als ‘plattelandswoning’;

-Vormverandering van een (agrarisch) bouwvlak of van een bestemmingsvlak (zonder afwijking van de geldende bouwregels), indien de vormverandering niet leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van het landschap;

-Een inpandige vergroting van een woning bij een langgevelboerderij binnen bestaande bouwmassa

Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met relatief weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in enkel een goede landschappelijke inpassing.

-Voor zover de locatie gelegen is in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ½ ha;

-Voor zover de locatie gelegen is in de groenblauwe mantel, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ½ ha. Onder landschappelijke inpassing dient hier te worden verstaan de aanplant van een landschapselement met een minimale lengte van 2 maal de lange zijde en 1 maal de korte zijde van de uitbreiding van het bouwblok en een minimale breedte van 4 meter. Indien een landschappelijke inpassing op de locatie niet mogelijk is, dan wel onvoldoende kwaliteitsverbetering kan bieden wordt de uitbreiding opgenomen in categorie 3;

-Uitbreiding van een intensieve veehouderij tot 1,5 ha. waarbij 10% van het bouwblok wordt aangewend voor landschappelijke inpassing;

-Vergroten van bouwvlak voor agrarisch verwant, of agrarisch-technisch hulpbedrijf tot 1 ha., gelegen in zowel agrarisch gebied, als de groenblauwe mantel;

-Alle glastuinbouwontwikkelingen in Vestigingsgebieden en doorgroeigebieden voor glastuinbouw1, tenzij het valt onder categorie 1 (binnen rechtstreekse mogelijkheden geldend bestemmingsplan);

-Vormverandering van een (agrarisch) bouwvlak of van een bestemmingsvlak (zonder afwijking van de geldende bouwregels), indien de vormverandering leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van het landschap;

-Omschakeling agrarisch bedrijf van de ene agrarische bedrijfsvorm naar een andere agrarische bedrijfsvorm, welke het geldende bestemmingsplan niet rechtstreeks toestaat (omvang bouwvlak onveranderd);

-Wijziging bestemming Wonen, VAB of Bedrijf naar bestemming agrarisch-agrarisch Bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf), voor zover het bestemmingsvlak niet wordt vergroot;

-Minicampings(o.a. kamperen bij de boer) met een omvang en seizoensduur voor zover is toegestaan binnen het geldende bestemmingsplan, direct aansluitend aan het bestemmingsvlak en met gebouwde voorzieningen binnen bestaande bebouwing of geldende bouwmogelijkheden;

-Tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders: binnen het bouwvlak in caravans en/of woonunits vanwege voorkomen visuele hinder;

-Wijziging bestemming agrarisch-agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch- technisch hulpbedrijf) of bedrijf in bestemming Wonen of wonen met VAB aanduiding, of andere bestemming, zoals Horeca, Maatschappelijke Doeleinden of Recreatie, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000 m², overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt behalve als het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft en maximaal 500 m² voormalige agrarische bedrijfsbebouwing resteert.

-Vergroten bestemmingsvlak Wonen van 1500 m² tot max. 3000 m2.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.