Aanhef
De gemeenteraad van Borsele;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, zaaknummer Z20.006973 document D21.579344;
besluit:
1) de Regionale Structuur Warmte (RSW) vast te stellen;
2) de Transitievisie warmte (TVW) vast te stellen;
3) schriftelijk bij het Rijk en de VNG kenbaar te maken dat de gezamenlijke ambities niet verwezenlijkt kunnen worden zonder Rijksbijdragen;
Beste inwoner van de gemeente Borsele, wat betekent deze Transitievisie Warmte voor u en wat kunt u doen?
In Zeeland maken we de overstap naar aardgasvrij. Vóór 2050 gaan we over op duurzame warmtebronnen om onze gebouwen te verwarmen en om te koken. De Transitievisie Warmte is een visie op de stapsgewijze overgang naar aardgasvrij en omschrijft de meest logische routes per wijk of dorp in onze gemeente om deze stappen te zetten. We laten zien wat die stappen inhouden en waar we mogelijk kunnen beginnen. De visie omschrijft ook hoe we dat de komende tijd willen gaan doen.
Vandaag een visie betekent niet dat we morgen aardgasvrij zijn. De visie geeft niet nu al een eindoplossing die in beton is gegoten. Dat komt omdat we nog aan het begin van de transitie staan en er nog veel onzekerheden zijn. Gelukkig hebben we nog tijd tot 2050, om ervaring op te doen en in te spelen op financiële en technische ontwikkelingen. We houden rekening met deze ontwikkelingen en richten ons vooral op maatregelen waarmee we de komende jaren uw woning voorbereiden op de transitie, met spijtvrije maatregelen.
In gebieden waar we al wel kansen naar aardgasvrij zien, gaat ook niet morgen de schop in de grond. We beginnen met verdere verkenning en planvorming. Dat betekent: een onderzoek naar de technische en financiële haalbaarheid, een verkenning van de bereidheid in een buurt om mee te doen, maar ook welke ondersteuning vanuit de gemeente nodig is. Daarbij kijken we ook naar wat nodig is om gebouwen stapsgewijs geschikt te maken voor andere warmtebronnen zodat ze ook straks comfortabel verwarmd kunnen worden.
Als u in één van deze gebieden woont, wordt u ruim van tevoren geïnformeerd en uitgenodigd om mee te denken. Om echt in wijken of dorpen te kunnen starten is het belangrijk dat er voldoende geld vanuit het Rijk is om de overgang naar aardgas betaalbaar te maken. Meeliften op een initiatief in wijk of dorp kan (financiële) voordelen hebben. Maar u bent vrij in uw keuze om daaraan deel te nemen of op termijn voor een eigen alternatief te kiezen.
Een overgrote meerderheid van de wijken en dorpen in Borsele zullen voorlopig niet van het aardgas af gaan. Wel willen we iedereen die dat wil de kans bieden om al stappen te zetten. We hebben namelijk de nadrukkelijke wens en uitdaging om snel werk te maken van de mogelijkheden om onze CO2-uitstoot terug te dringen. Te beginnen met gemiddeld 49% CO2-reductie in 2030. Dit realiseren we in eerste instantie door de vraag naar energie terug te dringen. We ontwikkelen daarom een aanpak om u te informeren en te helpen bij keuzes voor verduurzaming, waarbij isoleren een belangrijke eerste stap is. Door dat slim te doen, zet u een stap om de woning helemaal of grotendeels klaar te maken voor een aardgasvrije oplossing. Er zijn ook andere maatregelen die u nu al in uw woning kunt nemen om stappen te zetten naar aardgasvrij en eigen duurzame energie op te wekken. In bijlage E vindt u een uitgebreider handelingsperspectief.
Energiek Zeeland www.energiekzeeland.nl en Duurzaam Bouwloket kunnen u hierbij helpen www.duurzaambouwloket.nl. Meer informatie en suggesties om zelf aan de slag te gaan vindt u op www.iedereendoetwat.nl en www.milieucentraal.nl. Informatie over aardgasvrij wonen en voorbeelden vindt u ook op www.hierverwarmt.nl.
Voorwoord
Het is me een genoegen om deze Transitievisie Warmte (TVW) aan u te mogen presenteren.
Met deze Transitievisie Warmte maken we een start om Borsele aardgasvrij te maken. Dat betekent niet dat we morgen al aardgasvrij zijn. We hebben uw input, maar ook die van ondernemers en maatschappelijke organisaties, hard nodig om te zorgen dat gebouwen in Borsele in 2050 niet meer met aardgas verwarmd worden. We hebben dus nog de tijd, maar we kunnen niet op onze lauweren rusten. ‘Stilstand is achteruitgang’, dus waar het kan moeten we nu aan de slag met de energietransitie.
Belangrijk daarbij is dat het een haalbare, betaalbare en sociale warmtetransitie wordt waar iedereen aan mee kan doen. Kleine aanpassingen, zoals isolatie, ledverlichting en elektrisch koken zijn al een eerste aanzet naar een duurzamere Borsele.
Ik hoop dat deze visie voor iedereen een inspiratiebron mag zijn naar een duurzamere samenleving en een aardgasvrij 2050.
Met vriendelijke groet,
Wethouder
Arno Witkam
1 Inleiding
1.2 De warmtetransitie in Zeeland
1.2.1 Zeeuwse aanpak van de TVW
Twaalf van de dertien gemeenten in Zeeland, te weten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen hebben in een gezamenlijk traject gewerkt aan de TVW 2021. Gedurende dit traject heeft op provinciaal niveau afstemming plaatsgevonden over het proces, over de gezamenlijke uitgangspunten en over inzichten in aardgasvrije oplossingen.
Figuur 3: Proces TVW met een provinciale basis en lokale verdieping
Met de provinciale basis is elke gemeente aan de slag gegaan met een lokaal traject, waarin samengewerkt is om te komen tot een visie per gemeente. Ook het gesprek met de samenleving is lokaal gevoerd. Provinciale afstemming bleef parallel aan het lokale traject plaatsvinden.
1.4 Wie hebben meegedacht?
1.4.1 Regionale en lokale stakeholders
Figuur 3 laat het proces zien hoe de TVW van Borsele tot stand is gekomen. In zowel het provinciaal als lokale traject hebben verschillende stakeholders meegewerkt. Deze regionale en lokale stakeholders worden hieronder kort geïntroduceerd.
TVW op provinciaal niveau
Onderdeel van het Zeeuws Energieakkoord is de provinciale projectgroep TVW Zeeland. Deze bevat een afvaardiging namens alle Zeeuwse gemeenten, de gezamenlijke woningcorporaties, netbeheerder Enduris, provincie Zeeland en Zeeuwind (namens alle energiecoöperaties en de Participatiecoalitie). De werkzaamheden van de provinciale projectgroep vinden plaats in afstemming met het Zeeuws Energieakkoord, RES Zeeland en Waterschap Scheldestromen. Deze partijen hebben deelgenomen aan gezamenlijke werksessies, waar onder andere de gezamenlijke uitgangspunten provinciaal zijn opgesteld en inzichten zijn opgehaald over aardgasvrije oplossingen. Als onderdeel van de provinciale projectgroep heeft de subtafel TVW met alle ambtelijk projectleiders van de 12 gemeenten tussentijds meegedacht met de visievorming.
TVW op lokaal niveau
Een lokale projectgroep van betrokken partijen heeft gewerkt aan de verschillende onderdelen van deze TVW, zoals de validatie van de transitiekaart en prioritering, het bepalen van een uitvoeringsstrategie en het bestuurlijke besluitvormingsproces. In deze projectgroep nam de gemeente deel waarbij verschillende beleidsvelden waren vertegenwoordigd, samen met woningcorporatie Beveland Wonen, netbeheerder Enduris en de provincie.
1.4.2 Inwoners en bedrijven
Om deze TVW tot stand te brengen, hebben we inwoners, bedrijven, gemeenteraden en andere stakeholders op verschillende manieren en momenten in het proces betrokken. 977 inwoners en bedrijven in Zeeland hebben via een enquête laten weten wat ze belangrijk vinden in de overstap naar aardgasvrij (zie bijlage A). 75 raadsleden hebben de enquête ingevuld. Uit Borsele hebben 70 inwoners deelgenomen aan de enquête. Deze inbreng is verwerkt in de uitgangspunten en in het hoofdstuk Uitvoeringsstrategie. Aanvullend volgt er nog een raadpleging van het inwonerpanel in Borsele.
Voor Borsele heeft daarnaast een lokale inwonersavond plaatsgevonden, namelijk op 1 juni 2021. Inwoners zijn toen geïnformeerd over de tussentijdse resultaten van de TVW, hebben ruimte gekregen om vragen te stellen en we zijn tijdens deze avond met inwoners in gesprek gegaan over vervolgstappen die nodig zijn richting uitvoering. Gezien het grote belang van isoleren als tussenstap naar uiteindelijke aardgasvrije oplossingen, hebben we inwoners vooral bevraagd op de belemmeringen waar zij nu tegenaan lopen bij het aan de slag gaan met isoleren en wat er nodig is om inwoners hierbij verder te helpen. Deze input is gebruikt om het hoofdstuk Uitvoeringsstrategie te verrijken.
Houd dit in gedachten bij het lezen van deTVW
De route naar aardgasvrij is niet in beton gegoten
Dit is een eerste TVW van de Borsele. Het beeld van de transitie naar een aardgasvrij Borsele geeft een duidelijke richting weer, maar moet de komende jaren steeds herijkt worden. Wel is zeker dat dat steeds meer individuele eigenaren de stap naar aardgasvrij zullen gaan zetten en dat het verder beperken van de warmtevraag in heel Borsele essentieel is.
We blijven continu leren en passen ons aan
Flexibel blijven in de uitvoering, continu leren, en ruimte bieden aan innovatie is belangrijk voor een haalbare en betaalbare transitie. Ook vinden we het belangrijk om initiatieven van onderop die passen binnen de uitgangspunten van deze TVW te stimuleren. Ook nieuwe wetgeving kan van invloed zijn op de uitvoering. In de nieuwe kabinetsperiode verwachten we bijvoorbeeld de Omgevingswet en de Wet collectieve warmtevoorziening.
3 Duurzame alternatieven voor aardgas
3.2 Duurzame warmte, elektriciteit en gas
3.2.1 Duurzame warmte
In het kort
Duurzame warmte is afkomstig van duurzame warmtebronnen en wordt met warmtenetten naar gebouwen gebracht. In Borsele zijn meerdere potentiële warmtebronnen, zoals zonthermie en restwarmte. Het gebruiken van lokale, duurzame warmtebronnen is efficiënt en zorgt dat we minder afhankelijk zijn van elektriciteit en gas. Daar tegenover staat dat warmtenetten nog niet overal liggen en een minimale schaal en dichtheid nodig hebben om succesvol te kunnen worden ontwikkeld.
Duurzame warmte is warm water dat wordt opgewarmd door een duurzame warmtebron. Het warme water wordt met geïsoleerde leidingen naar woningen en gebouwen gebracht, een zogenaamd warmtenet. In de woning is alleen een afleverset aanwezig. Dat zorgt voor de warmteoverdracht van het warmtenet naar de woning. Een warmtenet is een collectieve oplossing: een techniek voor de hele buurt waarbij meerdere gebouwen en woningen moeten meedoen.
Warmtenetten hebben een bron nodig. In Borsele kunnen we beschikken over verschillende potentiële warmtebronnen, zoals zonthermie en restwarmte. Het potentieel van deze bronnen wordt nader onderzocht, de richting van het onderzoek hangt samen met de kansen voor een warmtenet voor gemeente Borsele. Deze wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.
Sommige warmtebronnen hebben een lage temperatuur waardoor zij een grote warmtepomp bij de bron nodig hebben om een voldoende hoge temperatuur te maken. Alleen op de koudste dagen van het jaar maakt een warmtenet vaak nog gebruik van zogenaamde piekvoorzieningen die op gas werken. Nu is dat aardgas, maar dat kunnen we in de toekomst verduurzamen met duurzaam gas en warmte-opslag.
Er zijn nog maar enkele warmtenetten in Zeeland. In Borsele kennen we enkel een warmtenet tussen een aantal bedrijven (Sloewarmte) dat vooralsnog niet bruikbaar is voor de gebouwde omgeving. Warmtenetten zijn kostbaar om aan te leggen. Daarom moeten bij de aanleg van een warmtenet meerdere gebouwen in een buurt ongeveer tegelijkertijd aansluiten. Hierdoor is het voor warmtenetten gunstig als er veel gebouwen in een buurt staan, de kosten per gebouw nemen dan af. In buurten waar weinig gebouwen staan is een warmtenet vaak niet haalbaar.
Een ander kenmerk van warmtenetten is de ruimte die zij innemen in de ondergrond. Bij het aanleggen van warmtenetten is het daarom belangrijk goed te kijken naar de beschikbare ruimte in de ondergrond. Tot slot is het uiteraard zaak om oog te hebben voor de duurzaamheid en leveringszekerheid van de nieuwe warmtebron.
3.2.2 Duurzame elektriciteit
In het kort
Verwarmen met elektriciteit kan als we gebruikmaken van warmtepompen. Als we te veel gebouwen gaan verwarmen met elektrische warmteopties is er op de koudste dagen onvoldoende duurzame elektriciteit. Ook is er momenteel onvoldoende ruimte in het elektriciteitsnet om de stroom aan te voeren. Het uitbreiden van het elektriciteitsnet is kostbaar en tijdrovend. Dat betekent dat we elektriciteit voor onze verwarming efficiënt moeten inzetten zodat uitbreiding van het elektriciteitsnet selectief kan plaatsvinden
We kunnen verwarmen met elektriciteit door gebruik te maken van individuele warmtepompen per woning. Warmtepompen halen warmte uit bijvoorbeeld lucht, de bodem of uit zon. Woningen kunnen daarbij gebruik maken van een eigen bron. Bijvoorbeeld een buitenunit voor buitenlucht, een bodemlus voor bodemenergie of zonthermische panelen voor zon energie. Als meerdere woningen gelijktijdig willen verduurzamen in een collectief kan ook overwogen worden een collectieve bron te realiseren met een bronnet. Bijvoorbeeld een bodemenergie uit een WKO bron. Hiervoor is wel voldoende schaal en dichtheid nodig.
Naast warmte uit een bron gebruiken warmtepompen ook elektriciteit. Warmtepompen produceren het meest efficiënt warmte bij een lage temperatuur. Om een woning met lage temperatuur te kunnen verwarmen moet deze voldoende zijn geïsoleerd en geventileerd en moeten de radiatoren voldoende capaciteit hebben voor lage temperatuurverwarming. Er komen ook individuele warmtepompen op de markt, die met wat hogere temperaturen kunnen verwarmen. Hierdoor kunnen bestaande radiatoren mogelijk behouden blijven. Voor de productie van warmte voor warm tapwater kunnen warmtepompen ook temperatuur van 65°C produceren. Hiervoor moet aanvullend een boilervat van 150 liter of groter in de woning geplaatst worden, omdat warmtepompen niet voldoende capaciteit hebben om in de piekvraag van warm tapwater te voorzien voor douchen.
Duurzame elektriciteit wekken we in 2030 volgens de RES 1.0 vooral uit zonne- en windenergie aangevuld met gasturbines. Hoeveel zonne- en windenergie er is hangt af van het weer. Warmtepompen hebben veel elektriciteit voor ruimteverwarming nodig als het buiten koud is. Dit noemen we de ‘piekvraag’. Het is ingewikkeld om de piekvraag in te vullen met duurzame elektriciteit, omdat er dan gelijktijdig nauwelijks aanbod is van zonne-energie en het ook niet altijd waait. In de toekomst kunnen compacte warmtebatterijen in de woning daarin een rol spelen.
De ruimte op het elektriciteitsnet is beperkt en als gevolg van elektrisch koken, elektrische auto’s en lokaal opgewekte stroom van zonnepanelen zal het elektriciteitsnet op de meeste plekken moeten worden verzwaard. Als we warmtepompen gaan gebruiken voor onze verwarming zal het elektriciteitsnet extra moeten worden verzwaard. Dat komt omdat warmtepompen op koude dagen allemaal tegelijk veel stroom nodig hebben. Die extra verzwaring van het elektriciteitsnet zal niet alleen moeten plaatsvinden in de buurt, maar ook op gemeentelijk, regionaal en zelfs (inter)nationaal niveau. Het uitbreiden van het elektriciteitsnet is erg kostbaar en kost ook veel tijd. Daarom moeten we goed inspelen op de toename van warmtepompen in de gemeente, in continue afstemming met de netbeheerder, zodat uitbreiding van het elektriciteitsnet selectief kan plaatsvinden. Bij hybride warmtepompen speelt dit probleem minder, omdat daar de piekvraag wordt opgevangen door het gasnet, zodat het elektriciteitsnet niet op de piek hoeft te worden gedimensioneerd.
3.2.3 Duurzaam gas
In het kort
De toekomstige beschikbaarheid van duurzaam gas is erg onzeker: we weten niet precies hoeveel er komt en wanneer het komt. Duurzaam gas zal met name nodig zijn voor verduurzaming van de industrie en zwaar transport. Als het beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving, moeten we het vooral inzetten om de zogenoemde piekvraag te verduurzamen: de extra energie die nodig is op de koudste dagen van het jaar. Ondertussen moeten we overal zoveel mogelijk gas besparen om een blijvende afhankelijkheid van aardgas te voorkomen.
Er zijn twee vormen van duurzaam gas: groen gas en duurzame waterstof. Groen gas komt vooral uit de landbouw. Duurzame waterstof is waterstof gemaakt van duurzame elektriciteit. Gassen hebben als voordeel dat zij hoge temperaturen maken, veel hoger dan de gebouwde omgeving nodig heeft. De beschikbaarheid van duurzaam gas is momenteel erg beperkt en blijft dat naar verwachting ook. Daarom verwachten we dat duurzaam gas nu en in de toekomst vooral ingezet zal worden om sectoren te verduurzamen die bijna niet zonder gas kunnen, zoals de industrie.
Als er duurzaam gas beschikbaar komt voor woningen en gebouwen zal dat naar verwachting beperkt zijn. Het is belangrijk dat we dit dan zo goed mogelijk gebruiken. Het meest logische gebruik van duurzaam gas is voor de piekvraag: de extra energie die nodig is op de koudste dagen van het jaar. Alle duurzame technieken hebben dit nodig: warmtenetten hebben centrale gasketels voor koude dagen, hybride warmtepompen hebben naast de warmtepomp een gasketel in de woning, en voor onze elektriciteit hebben we een voorziening nodig op de momenten dat de zon niet schijnt en de wind niet waait.
Hittestress en koudevraag
Hitte in en rond gebouwen wordt een steeds belangrijker onderwerp. De laatste jaren zijn er steeds vaker hittegolven in Nederland. Vooral de dagen waarbij temperaturen oplopen tot boven de 30 graden kunnen zorgen voor overlast van warmte in de gebouwde omgeving. Het effect van hitte wordt versterkt in buurten, wijken of dorpen met veel hoogbouw en verstening. De eerste effecten van klimaatverandering worden hiermee zichtbaar.
Hitte is niet alleen een probleem van gebouwen en gebruikers van gebouwen, maar ook van de leefomgeving rond gebouwen. Ook wordt hittestress niet alleen veroorzaakt door gebouweigenschappen (o.a. mate van isolatie, glaspercentage, zonwering en oriëntatie) maar ook door locatiespecifieke eigenschappen (verstening en bebouwingsdichtheid).
Isolatie zorgt er in de winter voor dat de warmte onze woningen en gebouwen minder snel verlaat. Een prettig bijeffect is dat isolatie er ook voor zorgt dat deze woningen en gebouwen in de zomer koeler blijven. Dat komt doordat de isolatielaag de warmte buiten houdt. Als de warmte eenmaal binnen is, raken (zeer) goed geïsoleerde woningen wel moeilijker hun warmte kwijt.
Warmteoverlast kan voorkomen worden door:
-Gebouwen aan te passen en te voorkomen dat deze verregaand opwarmen;
-Actief koelen van gebouwen en/of ruimtes om warmte kwijt te raken.
Het voorkomen van veel warmte is vaak beter dan het actief massaal gaan koelen van gebouwen. Dit kan door beschaduwing, reflectie, verdamping en ventilatie. Dit soort maatregelen worden ook wel ‘klimaatadaptieve maatregelen’ genoemd.
Afhankelijk van de gekozen warmteoplossing in een buurt, wijk of dorp zijn er andere mogelijkheden om hittestress te voorkomen of actief te koelen:
•Isolatie: door te zorgen dat woningen en gebouwen voorzien worden van basisisolatie wordt warmte beter buitengehouden;
•Warmtenet: aanleg van een warmtenet is een logisch moment om in de wijk ook klimaatadaptieve maatregelen te nemen. Daarnaast is adsorptiekoeling een mogelijkheid voor specifieke ouderencomplexen of kantoren;
•Bronnet: bij aanleg van een bronnet ontstaat er ook de mogelijkheid tot koeling via de warmte-infrastructuur;
•All-electric: als er laagtemperatuur radiatoren zijn geplaatst is koeling mogelijk.
Tabel 1: Samenvatting van verschillende warmteopties
Warmte
Elektriciteit
Duurzaam gas
Gebouw-maatregelen
Stapsgewijs naar maximale isolatie binnen de bestaande schil, ventilatie, kieren dichten en elektrisch koken.
Stapsgewijs naar maximale isolatie binnen de bestaande schil, ventilatie, kieren dichten en elektrisch koken.
Stapsgewijs naar maximale isolatie binnen de bestaande schil, ventilatie, kieren dichten en elektrisch koken.
Techniek in de woning
Afleverset (koffertje met leidingwerk).
Elektrische warmtepomp en een afgiftesysteem dat geschikt is voor lage temperaturen.
Hybride warmtepomp.
Ondergrondse infrastructuur
Warmtenet.
Extra verzwaard elektriciteitsnet.
Bestaand gasnet.
Bronnen
Duurzame, lokaal beschikbare warmtebronnen.
Op termijn duurzame elektriciteit.
Op termijn duurzaam gas en duurzame elektriciteit.
4 Borselse transitiepaden naar aardgasvrij
4.5 De transitiekaart voor Borsele
4.5.1 Hoe is de transitiekaart tot stand gekomen?
De transitiekaart is tot stand gekomen op basis van een vergelijkende analyse en zorgvuldige afwegingen per buurt, waarbij onze uitgangspunten leidend zijn geweest:
•Een vergelijkende analyse van drie verschillende modelstudies waarmee we inzicht hebben gekregen in de laagste maatschappelijke kosten voor warmteopties per buurt.
•Als buurtgrenzen zijn de buurtgrenzen aangenomen zoals het CBS die hanteert. Omdat die grenzen niet altijd logisch of herkenbaar zijn, hebben we daarbovenop gebieden gemarkeerd waar de gebouwde omgeving afwijkt van de rest van de buurt, en waar dus ook een ander transitiepad gevolgd zal worden.
•Omstandigheden per buurt in overleg met de betrokken partijen. Het gaat dan bijvoorbeeld over plannen rondom de restwarmtestudie, van inwonerscollectieven, gebiedsontwikkelingen en het goed meenemen van buurten die al (deels) aardgasvrij zijn.
De technische achtergrond die hoort bij de Zeeuwse transitiepaden en een toelichting op de vergelijkende analyse is te vinden in bijlage F.
4.5.2 Wat betekent de transitiekaart?
De transitiekaart laat zien welk transitiepad we in welke buurt doorlopen. Zoals eerder aangegeven beschrijft de TVW de hoofdlijnen van het transitiepad en is het nog geen definitief besluit voor een bepaalde warmteoptie per buurt. Wel biedt de transitiekaart een richtlijn waarmee we als gemeente stappen kunnen zetten:
•Op basis van de transitiekaart kunnen we per buurt duidelijkheid geven aan gebouweigenaren over welke maatregelen zij moeten nemen voor hun gebouw. Die maatregelen zijn in deze TVW al op hoofdlijnen beschreven.
•Met de transitiekaart kunnen we uitvoeringsplannen voor buurten gaan opstellen. Daarin worden zaken zoals techniek, betaalbaarheid en uitvoering voor een buurt duidelijk.
•De transitiekaart opent het gesprek voor ons als gemeente en onze partners, zoals de woningcorporaties, inwonerscollectieven en netbeheerders. De gemeente kan de transitiekaart gebruiken als onderbouwing om bepaalde initiatieven van partners te steunen.
•De transitiekaart biedt een onderbouwing voor het gebruik van nieuwe wet- en regelgeving (bijvoorbeeld de Warmtewet) en middelen die de gemeente ontvangt van de Rijksoverheid. Zo verwachten we bijvoorbeeld dat gemeenten tijdens de nieuwe kabinetsperiode instrumenten tot haar beschikking zal krijgen voor warmtenetten in de bestaande bouw.
4.5.3 Tot welk eindbeeld leidt de transitiekaart?
Nu maken we in bijna de hele gemeente nog gebruik van aardgasverwarming. In 2050 hebben we te maken met verschillende warmteopties die gebruik maken van duurzame elektriciteit, duurzaam gas en lokale, duurzame warmtebronnen. Wij hebben uitgerekend hoeveel energie onze mix van warmteopties in 2050 zal gebruiken op jaarbasis. Dit is te vinden in paragraaf 2.3 van bijlage F. Daarbij hebben we gekeken naar het hele energiegebruik in de gebouwde omgeving, dus verwarming, koeling, apparaten, licht en elektrisch koken bij elkaar.
Om te beginnen zien we dat we in de toekomst veel minder energie gaan gebruiken in de gebouwde omgeving. Dat komt vooral omdat we gaan isoleren. Daarnaast zien we dat we veel minder gas gaan gebruiken. Dat komt omdat we verwachten dat duurzaam gas schaars zal blijven en we dus onze gasvraag zo klein mogelijk moeten maken. In de toekomst gebruiken we alleen nog duurzaam gas voor de piekvoorziening van warmtenetten en voor hybride warmtepompen. We zien dat ons elektriciteitsverbruik zal toenemen. Dat komt vooral omdat we op verschillende plekken in de gemeente gebruik zullen maken van warmtepompen.
Voor de levering van schone elektriciteit en gas zullen we afhankelijk zijn van de verduurzaming van de landelijke elektriciteits- en gasvoorziening, omdat we daarvoor een nationale infrastructuur hebben. Tegelijkertijd onderzoek wij de mogelijkheden om deze wel lokaal op te wekken.
4.5.4 Alles gekleurd, overal starten?
De doelstelling is om in 2050 woningen en gebouwen in Borsele aardgasvrij te verwarmen. Alle buurten zullen hier dus op den duur mee aan de slag moeten, daarom hebben alle buurten een transitiepad. Belangrijk om te realiseren bij het lezen van de kaart, is dat de (tussen)stappen en de snelheid en intensiteit daarvan, sterk kunnen wisselen. Een dat een transitiepad een proces beschrijft en niet een moment waarop de schop in de grond gaat. Concrete stappen zoals een buurtaanpak of een haalbaarheidsonderzoek vinden plaats in uitvoeringsplannen als vervolg op de TVW. Deze worden vanaf 2022 ontwikkeld.
Dat wil niet zeggen dat er nog niks moet en kan gebeuren. Gemeentebreed zijn energie besparen en het transitiegereed maken van gebouwen de eerste stappen richting aardgasvrij. Dat zal bij voorkeur gebeuren op natuurlijke momenten, bijvoorbeeld bij renovaties of bij afschrijving van de Cv-ketel als dat haalbaar en betaalbaar is voor de gebouweigenaar. Het doel van de TVW en de transitiekaart is om inzicht te bieden in de richting voor de komende jaren.
5 Stappen richting uitvoering
5.1 De transitiepaden omzetten naar praktijk
5.1.1 Doelgroepenaanpak voor individuele maatregelen
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat er in veel transitiepaden maatregelen nodig zijn die vragen om een doelgroepgerichte aanpak. Een dergelijke aanpak is bedoeld om individuele gebouweigenaren te faciliteren en motiveren bij de keuzes die zij moeten maken voor het nemen van individuele stappen zoals isolatie of een warmtepomp. Elke woningeigenaar is anders en heeft een eigen type woning en beslismoment. Het is mogelijk om hierin een aantal verschillende doelgroepen te formuleren als we kijken naar de meest logische stappen die een gebouweigenaar kan zetten, bijvoorbeeld op basis van bouwjaar van de woning. Met deze doelgroepenaanpak maken we onderscheid in een aanpak voor het isoleren van gebouwen en een aanpak voor de overstap naar (hybride) warmtepompen. Bij het categoriseren van doelgroepen onderscheiden we de volgende groepen:
Isolatieaanpak
•<1950 focus op isolatie, maatwerk, i.v.m. grote diversiteit
•1950-1975 isolatie met gestandaardiseerde aanpak naar transitiegereed (max 70 graden)
•1976-1990 isolatie met gestandaardiseerde aanpak naar transitiegereed.
Aanpak (hybride) warmtepompen
•> 1990 Hybride warmtepomp
•> 2005 all-electric
Uiteraard hangt het van de gebouweigenaar af of er al maatregelen aan het gebouw zijn getroffen. Het verkrijgen van meer informatie over reeds genomen renovatiemaatregelen en over een mogelijk CV-ketel vervangingsmoment, kan helpen om gerichter inzichtelijk maken waar de komende tijd stappen gezet kunnen worden. Een analyse is noodzakelijk om op basis van de actuele situatie van een gebouw te kunnen beoordelen welke vervolgstappen nodig zijn.
Sturingsmogelijkheden
Vanuit de gemeente zijn er momenteel weinig sturingsmogelijkheden om het daadwerkelijk nemen van maatregelen te stimuleren. Het nemen van deze individuele maatregelen vindt dus plaats op basis van vrijwilligheid zolang er geen wetgeving is om deze sturing mogelijk te maken. Met de juiste boodschap en middelen willen we de verschillende benoemde doelgroepen stimuleren om toch de stappen richting transitiegereed te zetten. Hoe we inwoners daarin willen ondersteunen, beschrijven we in paragraaf 5.2. Uit de verschillende Zeeuwse informatieavonden met inwoners blijkt dat inwoners sterk gemotiveerd zijn om hun woningen te isoleren. Zowel voor het comfort dat het oplevert, als voor de financiële besparingen en de klimaatwinst. Om de juiste stappen te kunnen zetten willen inwoners beter inzicht krijgen in welke maatregelen ze kunnen nemen en wat daarvoor natuurlijke momenten zijn.
5.1.2 Gebiedsgerichte aanpak: drie aanknopingspunten
Naast de kansen om op basis van doelgroepen stappen te maken in de transitie, liggen er ook nadrukkelijk mogelijkheden om gebiedsgericht aan de slag te gaan. Daarnaast is een gebiedsgerichte aanpak een welkome aanvulling op een doelgroepenaanpak, omdat je op een gebied meer grip hebt als gemeente en partners, waarmee de besparingsdoelstellingen voor 2030 haalbaarder worden. Vanuit het Klimaatakkoord zijn zogenaamde (wijk)uitvoeringsplannen (WUP) bestempeld als middel om gebiedsgericht te werken
(Wijk)uitvoeringsplannen
Een wijkuitvoeringsplan (WUP) beschrijft hoe de gemeente de gebiedsgerichte aanpak in een wijk of dorp wil (laten) uitvoeren of regisseren. Het plan beschrijft voor één of meerdere gebieden op welke aardgasvrije warmteoplossing deze gebieden overgaan en (indien al mogelijk) per wanneer. Het beschrijft ook welke maatregelen in het gebied nodig zijn om de stap naar aardgasvrij te maken en welke partijen daarbij een rol spelen. Het wijkuitvoeringsplan biedt daarmee een totaaloverzicht van de stappen die door diverse partijen gezet gaan worden om de isolatie-aanpak en/of de aardgasvrije warmteoplossing voor het gebied te realiseren. Het uitvoeringsplan wordt opgesteld in samenwerking met bewoners, gebouweigenaren en stakeholders, zoals netbeheerders en woningcorporaties.
Vanuit onze kijk op de warmtetransitie, zien we drie aanknopingspunten voor een gebiedsgerichte aanpak om binnen buurten, wijken of dorpen verder te gaan verkennen:
1Clustering
Gebouwen met vergelijkbare eigenschappen zoals het bouwjaar, kennen vaak een vergelijkbare oplossing. Als deze gebouwen geclusterd zijn binnen een gebied, kan een gebiedsgerichte aanpak uitkomst bieden. De aandachtsgebieden in de transitiekaart laten deze clustering zien. In bijvoorbeeld een all-electric aandachtsgebied staan woningen geclusterd waar een collectieve inkoopactie voor warmtepompen opgezet kan worden. Gezien de homogeniteit in bouwjaren van na 1990 is hier namelijk waarschijnlijk al voldoende isolatie aanwezig om deze stap te zetten.
Daarnaast zou een clustering van woningen waar een isolatieslag wenselijk is een kans kunnen zijn om met een collectieve isolatieaanpak te starten. Deze isolatiekansen hebben we inzichtelijk op blokniveau, en zijn gezien de kleinere schaal niet zichtbaar op de transitiekaart. We lichten dit in het kader op de volgende pagina verder toe.
2Aansluiten bij de sociale energie in een buurt, wijk of dorp (sociale warmte)
In de Zeeuws-brede samenwerking is verkend waar sociale energie in een buurt, wijk of dorp aanwezig is om met aardgasvrij aan de slag te gaan. De zogenoemde sociale warmtebronnen. Deze zijn samengebracht in de Sociale Warmte Atlas Zeeland. De Sociale Warmte Atlas is een digitale tool die specifiek voor de Zeeuwse TVW’s is ontwikkeld. De atlas bestaat uit meerdere kaarten, die verschillende aspecten laten zien van de sociale warmte in Zeeland.
Sociale energie is essentieel in een buurt om initiatieven vanuit de wijk van de grond te krijgen. Niet alleen omdat het mogelijk een initiatiefnemer de kar kan trekken, maar ook omdat wijk of dorp als sociaal netwerk kan dienen en op die manier draagvlak of gezamenlijk initiatief gecreëerd kan worden. Voorbeelden van sociale warmtebronnen om bij aan te sluiten zijn:
•Initiatiefnemers, verenigingen, inwonerscollectieven, energie coöperaties, VVE’s, dorpsraden en -werkgroepen die in de buurt, wijk of dorp aan de slag willen met verduurzaming.
•Partijen die als katalysator kunnen werken, zoals een kerkgemeenschap, vereniging of school. De gemeente kan, samen met een dergelijke partij een isolatie aanpak opzetten en uitvoeren.
•Andere organisaties die met duurzame maatregelen aan de slag willen zoals lokale ondernemers
3Aansluiten bij andere lokale opgaven en kansen
De warmtetransitie in een wijk staat nooit op zichzelf. Vaak zijn er andere opgaven op het gebied van renovatie, vergroening, veiligheid en andere thema’s die ook spelen in een wijk. Het is belangrijk dat ambities en plannen worden afgestemd daar waar dat logisch is, en dat werkzaamheden worden gecombineerd om overlast voor inwoners en kosten te besparen. Aan de andere kant wordt het te complex als we in alle wijken alles met alles verknopen. Een balans tussen integraliteit en focus is essentieel. Er zal afstemming plaatsvinden met en over:
•Het natuurinclusief aanpassen van gebouwen, zoals bij de pilot “Proactieve Soortenbescherming” in Nieuwdorp, waar bij het isoleren van de woningen rekening wordt gehouden met de instandhouding van soorten als de huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis;
•Aangrenzende duurzaamheidsthema’s zoals klimaatadaptatie, circulariteit, opwek duurzame energie, en mobiliteit;
•Opgaven in de openbare ruimte, zoals rioleringsopgaven;
•Sociale thema’s zoals energiearmoede, leefbaarheid en sociale problemen in een buurt, wijk of dorp;
•De drukte in de ondergrond;
•Plannen van stakeholders zoals de woningcorporatie, waarmee de gemeente samen verkenningen kan doen. Bijvoorbeeld waar renovatieplannen gaan plaatsvinden en kansen liggen voor de collectieve inkoop van isolatie. Daarbij kan verkend worden of er isolatie kan worden aangeboden aan de particulieren in die buurt, wijk of dorp.
Van aanknopingspunten naar startkansen
Op basis van de aanknopingspunten kunnen we in Borsele de komende tijd verder verkennen waar we gebiedsgericht aan de slag willen. We gebruiken de Energie Transitie Atlas om inzichtelijk te maken of en hoe deze aanknopingspunten elkaar kunnen versterken.
De atlas maakt het mogelijk om op kleinere schaal naar kansen te kijken dan het CBS-buurtniveau zoals aangehouden in de transitiekaart. Op dit kleinere schaalniveau kunnen we clustering van vergelijkbare woningen, sociale warmtebronnen en koppelkansen beter inzichtelijk maken en over elkaar heen leggen. Op dat niveau wordt ook de kaartlaag interessant met isolatiekansen per deelgebied en zelfs op blokniveau.
Om isolatiekansen inzichtelijk te maken is gefilterd op: bovengemiddelde warmtevraag, bovengemiddeld gasverbruik, en de aanwezigheid van startkansen voor isolatiemaatregelen (spouw, zoldervloer en grondvloer)
In de kaart op de vorige pagina zien we hoe deze aanknopingspunten samenkomen in Kwadendamme.
Hier zien we op verschillende plekken isolatiekansen, het gasnet is ouder dan 30 jaar en zijn drie inwonersinitiatieven die mogelijk willen bijdragen dorpsgerichte acties. om hier met de warmtetransitie aan de slag te gaan. Ook voor het gebied Oude Vreeland zien we potentie. Dit blok is namelijk aangemerkt als kansrijk blok voor elektrische warmtepompen (zie transitiekaart). Tot slot zien we dat er verschillende inwonersinitiatieven/-collectieven op het dorp zijn waarmee we het gesprek kunnen starten.
Deze inzichten op wijkniveau kunnen helpen om gebieden op kansrijkheid te beoordelen en deze kansen in de tijd uiteen te zetten. . De komende periode vullen we de Atlas verder aan met bruikbare data om de drie aanknopingspunten (isolatiepotentie, sociale energie in de buurt en andere lokale opgaven en kansen in de buurt) verder aan te vullen en uit te diepen.
Tegelijkertijd blijven het data en modellen die zijn gevisualiseerd in kaarten, en ziet de wereld er in het echt complexer en genuanceerder uit. We zien de kaarten daarom als basis voor de belangrijkste vervolgstap, namelijk het gesprek blijven voeren met de projectgroep, en lokale betrokkenen om de kaarten met lokale kennis te valideren en verrijken en op die manier weloverwogen keuzes te maken over welke startkansen we wanneer verder willen verkennen. Het vormt daarmee
5.3 Zeeuws-brede samenwerking: hoe gaan we het organiseren?
5.3.1 Zeeuws-brede doelgroepen aanpak: samen aan de slag met besparen en woningen transitiegereed maken
Aan de slag gaan met besparen en transitiegereed maken van woningen met een doelgroepgerichte aanpak is in alle Zeeuwse gemeenten de eerste stap. Het ligt dan ook voor de hand om hier samen in op te trekken, door ervoor te zorgen dat middels het standaardiseren van een isolatie- en/of installatieaanpak: elke Zeeuwse inwoner kan gebruik maken van hetzelfde verduurzamingspakket dat voor het bouwjaar of woningtype van zijn of haar woning relevant is. Dit verduurzamingspakket zou door de hele provincie heen op dezelfde manier aangeboden kunnen worden via uniforme communicatie. Het Duurzaam Bouwloket en Energiek Zeeland kunnen hierbij een belangrijke rol spelen in de uniformiteit. Bijvoorbeeld in het aanbieden van woning- of straatscans in heel Zeeland.
Ook kan er via de Zeeuws-brede samenwerking worden afgesproken om per gemeente te focussen op een bepaalde doelgroep (op basis van woningtype en bouwjaar, zie paragraaf 5.1.1) door middel van gerichte campagnes. Zo kan elke gemeente zich toespitsen op één doelgroep en leren hoe deze het beste benaderd kan worden. Deze ervaringen kunnen vervolgens Zeeuws-breed worden uitgewisseld.
5.3.2 Zeeuws-brede gebiedsgerichte aanpak
Ondanks dat een gebiedsgerichte aanpak in de basis plaatsvindt in een afgebakend gebied dat binnen de gemeente ligt, zijn er kansen voor een Zeeuws-brede samenwerking – met name als het gaat om kennisuitwisseling. Een gebiedsgerichte aanpak richt zich met name op een verdere verkenning van de haalbaarheid voor een warmteoptie in een wijk of dorp. Hierin wordt intensief samengewerkt met lokale stakeholders en gebruik gemaakt van de gemeentelijke en lokale kennis in dat gebied. Voordeel van een dergelijke lokale aanpak is dat er beweging en betrokkenheid kan ontstaan van onderop door de betrokkenheid van lokale initiatiefnemers (woningcorporatie, inwonersinitiatief of gemeente). Dergelijke initiatiefnemers zorgen voor betrokkenheid van inwoners door te fungeren als ambassadeur en dragen bij aan het draagvlak van een bredere groep inwoners in de omgeving.
In de verschillende gemeentes in Zeeland zien we duidelijke gebiedsgerichte kansen. De Zeeuws-brede samenwerking leent zich bij uitstek als platform voor kennisuitwisseling over deze gebiedsgerichte ervaringen. Tevens zouden er binnen deze samenwerking afspraken kunnen worden gemaakt tussen gemeentes om te focussen op een uitvoeringsplan warmtenet in de ene gemeente, een uitvoeringsplan all-electric wijk in de andere gemeente, en een aanpak recreatiepark in een volgende gemeente. Denk hierbij ook aan het ontwikkelen van Zeeuwse-brede onderzoeken en demonstratieprojecten, bijvoorbeeld voor zonthermie, aquathermie en andere onderwerpen. Op deze manier kunnen er in de verschillende gebiedsgerichte plannen lessen worden opgehaald die kunnen terugvloeien naar de Zeeuws-brede samenwerking. Dit komt de versnelling van de warmtetransitie in Zeeland ten goede.
5.3.3 Zeeuws-breed uniform communiceren over dezelfde inkoopacties en financieringsmogelijkheden
Er liggen Zeeuw-breed kansen om richting inwoners en andere betrokken partijen inzicht te geven in de beschikbare financieringsmogelijkheden op zowel, regionaal, provinciaal als landelijk niveau. Of informatie op het gebied van voorbeeldwoningen die in naburige gemeenten te bezoeken zijn, en voorlichtingsavonden en evenementen die georganiseerd worden in Zeeland over besparen en transitiegereed maken.
Ook de aanpak voor bedrijventerreinen kan Zeeuws-breed opgepakt worden. Bijvoorbeeld door goede voorbeelden (provinciaal/regionaal) te verzamelen en de lessen te delen in een makelaarsrol. Of door kansen voor een financieel haalbare oplossing te delen.
5.3.4 Stappen richting Zeeuws-brede samenwerking
De voordelen van een Zeeuws-brede samenwerking op de verschillende aanpakken is in de voorgaande paragrafen toegelicht. Deze paragraaf zal verder ingaan op hoe de stappen die nodig zijn om de Zeeuws-brede organisatie op te zetten. Figuur 4 geeft een voorstel voor een mogelijke samenwerkingsvorm voor een Zeeuws-brede samenwerking.
Voor de verdere organisatie van de Zeeuws-brede samenwerking zien we de volgende stappen die na de TVW moeten worden uitgewerkt:
1Zoveel mogelijk aansluiten bij de bestaande structuren. Binnen het al bestaande samenwerkingsverband, de RES-organisatie en de provinciale TVW- tafel (bestaande uit alle gemeenten en andere samenwerkingspartners), onderzoeken we de wijze waarop we ons het beste kunnen organiseren. Hier kan gekeken worden of de huidige TVW-tafel moet worden aangevuld met andere partijen. Gemeenten houden net als nu regie over deze tafel.
2Afspraken maken voor een intensievere thematische Zeeuwse samenwerking. Bijvoorbeeld op basis van onderstaande schema. Onder andere door de kennis en capaciteit van gemeenten te bundelen over deze thema’s. Zo zetten we de bestaande/toekomstige capaciteit zo efficiënt mogelijk in. Hoewel de samenwerking intensiever is blijft er nog steeds ruimte voor lokale afweging.
Figuur 4: Themagerichte samenwerkingskansen binnen de Zeeuwse warmtetransitie
5.3.5 Doorlopend: afstemming met stakeholders
Bovengenoemde manier van organiseren zorgt ervoor dat partijen op verschillende niveaus en op verschillende onderwerpen doorlopend met elkaar in gesprek blijven. Dat is belangrijk omdat we nadrukkelijk al onze partners en hun kennis en kunde nodig hebben om de warmtetransitie tot een succes te maken en we de beschikbare middelen zo slim mogelijk in willen zetten.
Wanneer wij bijvoorbeeld stimuleringsmaatregelen voor (hybride) warmtepompen ontwikkelen is het van belang dat zowel de netbeheerder als de gemeente dit monitoren. Wanneer we weten hoe de transitie verloopt in buurt, wijk of dorp houdt de netbeheerder op die manier grip op de impact op het energienetwerk. Tijdige afstemming realiseren we door de plannen van de gemeente te vergelijken met de prognoses van het netwerkbedrijf.
Ook met Beveland Wonen wordt doorlopend afstemming gezocht om renovatieplanningen op elkaar af te stemmen en mogelijk nieuwe aanknopingspunten te identificeren. Met hen wordt bijvoorbeeld ook gekeken of collectiviteit georganiseerd kan worden, bijvoorbeeld wanneer isolatiepakketten worden ingekocht door corporaties. Mogelijk kunnen particulieren in die wijken dan aanhaken bij de inkoop die de corporaties voor hun woningen doen.
5.4 Gemeentelijke invulling: gemeentelijke rol en capaciteit
5.4.1 Gemeentelijke rol
Vanuit het Klimaatakkoord wordt de gemeente als regisseur bestempeld in de warmtetransitie. We geven hier invulling aan door het verdere proces van de warmtetransitie in onze gemeente te blijven leiden en de daartoe zo belangrijke samenwerking met onze belangrijkste partners voort te zetten en uit te breiden. We zien ons daarin vooral als ‘trekker van het gesprek en hebben een belangrijke uitvoerende rol met ons grote gebouwbezit in de gemeente. We zien daarbij partijen als Beveland wonen en het netwerkbedrijf als centrale partners om gezamenlijk en met gedeelde verantwoordelijkheid de warmtetransitie verder te brengen. Als concrete vervolgstap op de TVW, zien wij dan ook het voortzetten van de projectgroep als lokale ‘TVW-tafel’. Een belangrijke taak van deze tafel is het verder verkennen en opstarten van uitvoeringsplannen voor de meest kansrijke startgebieden. Inwoners(collectieven) zijn een van de belangrijkste partners bij deze stap en met hen zullen we de actieve samenwerking zoeken. Belangrijke derde taak is het monitoren van de voortgang en de relatie tussen de voortgang en het gestelde doel voor 2030.
Hoewel de ontwikkeling van de doelgroepenaanpak vooral bij de provinciale subtafel TVW ligt, zien wij een rol in het vertalen van deze aanpak en bijbehorende middelen naar een lokale inzet die passend is voor en herkend wordt door de inwoners van Borsele. We zijn aanspreekpunt voor onze inwoners en organisaties en houden hen andersom blijvend betrokken om gezamenlijk in de warmtetransitie op te trekken. Naast een regierol, zie we hier een motiverende en faciliterende rol met bijbehorende taken zoals eerder beschreven in paragraaf 5.2. Als gemeente ‘lenen’ we dus aanpakken en middelen uitgewerkt op de provinciale subtafel TVW, maar zorgen we ook dat inzichten daar weer naar terugvloeien. Dat kunnen lessen zijn uit gebiedsgerichte projecten waar andere gemeenten gebruik van kunnen maken. Maar ook monitoringsresultaten om gezamenlijk met andere gemeenten de provinciale voortgang van de warmtetransitie accuraat te blijven volgen en waar nodig de strategie bij te sturen.
5.4.2 Gemeentelijke capaciteit
Tot slot vraagt de warmtetransitie veel van de gemeente én betrokken partijen.. Het rapport Van Parijs naar praktijk
13https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/publicaties/2021/01/25/advies-van-parijs-naar-praktijk
laat zien dat een aanzienlijke groei in het aantal fte nodig is om de taken die in het klimaatakkoord aan gemeenten is toebedeeld te kunnen invullen. De indicaties uit het rapport zijn één onderdeel van de totale kosten die de uitvoering van het Klimaatakkoord met zich meebrengt.
Het rapport laat zien dat er veel uitvoeringskracht nodig is – van planvorming tot uitvoering. Hoeveel capaciteit er extra nodig is, hangt onder andere sterk af van het aantal (wijk)uitvoeringsplannen waaraan wordt gewerkt. Om de transitie echt in een stroomversnelling te brengen zijn dan ook financiële middelen vanuit de Rijksoverheid een noodzaak.
Tenslotte is naast de inzet van de gemeente ook inzet van andere partijen nodig. Ook daar zal nog gewerkt moeten worden aan de uitbreiding van de capaciteit. Het gaat dan bijvoorbeeld om de netbeheerders, de corporaties maar ook de installatie- en bouwbranche.