Gemeentelijke regelgeving

Beheersverordening Heinkenszand Bedrijventerrein Noordlandseweg 2013

Gemeente Borsele · geldt sinds 27 juni 2013

Aanhef

Heinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013

VASTGESTELD DOOR DE GEMEENTERAAD VAN DE GEMEENTE BORSELE BIJ BESLUIT VAN 6 juni 2013

DE VOORZITTER,

DE GRIFFIER,

beheersverordening "Heinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013"

Borsele

beheersverordening

Heinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013

identificatie planstatus

identificatiecode: datum: status:

NL.IMRO.0654.BVNW2013-0002

projectnummer: 05-03-2013 ontwerp 0654.009248.00 06-06-2013 vastgesteld

opdrachtleider:

ing. J.A. van Broekhoven

© RBOI-Middelburg bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van RBOI-Middelburg bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

beheersverordening "Heinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013”

Inhoudsopgave

Toelichting 7

Hoofdstuk 1 Inleiding 8

1.1 Aanleiding 8

1.2 Verordeningsgebied 8

1.3 Geldende bestemmingen 10

1.4 Doel 11

1.5 Leeswijzer 11

Hoofdstuk 2 De beheersverordening als instrument 13

2.1 Inleiding 13

2.2 De beheersverordening 13

2.3 Aanvullende ruimtelijke instrumenten 15

Hoofdstuk 3 De beheersverordening voor bedrijventerrein Noordlandseweg 20

3.1 Inleiding 20

3.2 Waarom een beheersverordening voor Noordlandseweg 20

3.3 Opzet beheersverordening Noordlandseweg 20

Hoofdstuk 4 Onderzoek 24

4.1 Inleiding 24

4.2 Beleidsaspecten 24

4.3 Omgevingsaspecten 26

Hoofdstuk 5 Maatschappelijke toetsing 36

5.1 Resultaten inspraak- overlegprocedure 36

Bijlagen 38

Bijlage 1 Lijst met functies 40 Bijlage 2 Luchtfoto bedrijventerrein Noordlandseweg 42 Bijlage 3 Verantwoording groepsrisico Bedrijventerrein Noordlandseweg 44 Bijlage 4 Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' 46

Regels 48

Hoofdstuk 1 Inleidende regels 50

Artikel 1 Begrippen 50 Artikel 2 Wijze van meten 56

Hoofdstuk 2 Gebiedsregels 58

Artikel 3 Bedrijf 58 Artikel 4 Groen 61 Artikel 5 Verkeer 63 Artikel 6 Waarde - Archeologie - 2 64 Artikel 7 Waarde - Landschap 68

Hoofdstuk 3 Algemene regels 70

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel 70 Artikel 9 Algemene bouwregels 71 Artikel 10 Algemene aanduidingsregels 72 Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 74

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 76

Artikel 12 Overgangsrecht 76 Artikel 13 Slotregel 78

beheersverordening "Heinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013"

Bijlagen Bijlage 1

Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein

8082

Bijlage 2

Bestaande bedrijfswoningen

84

Bijlage 3

Afwijkende functies

86

Bijlage 1 Lijst met functies

2

Het Voorportaal

Noordland 2 Heinkenszand

het oprichten van een restauratiebedrijf voor oldtimers, plaatwerk en kleinonderhoud

2

Marjo Autoservice

Noordland 2A Heinkenszand

garagebedrijf inclusief kantoor

1

Fitnesscentrum Fit-live

Noordland 2B Heinkenszand

aerobic-/fitnesscentrum

2

Drukkerij Driedijk

Noordland 3 Heinkenszand

drukkerij

2

J.C.M. Rentmeester

Noordland 5 Heinkenszand

opnamestudio/bewerking van muziek

3.2

Aannemersbedrijf Traas en Ovaa Infra B.V

Noordland 7 Heinkenszand

aannemersbedrijf, opslagterrein, loods, stalling machines tbv wegenbouwmaterialen en kantoor

2

G&G Autoservice V.O.F.

Noordland 10 Heinkenszand

reparatie- en onderhoudsbedrijf van automobielen

1

Canuck BV

Noordlandseweg 11 Heinkenszand

inrichting voor installeren van en handel in tapmaterialen voor dranken

3.2

Transportbedrijf van de Swaluw B.V.

Noordland 13 Heinkenszand

transportbedrijf

3.2

Timmerfabriek de Mol B V

Noordland 17 Heinkenszand

houtopslagloods en machinale houtbewerking

3.1

M.C. Cappon

Noordland 21 Heinkenszand

metaalwerkzaamheden

3.1

VSS Construct B.V.

Noordland 23 Heinkenszand

metaalbewerkingsbedrijf waar landbouwmachines worden geconstrueerd en ontworpen inclusief lassen

3.2

J.A. van 't Westende / Wending

Noordland 27 Heinkenszand

kringloopwinkel en Sloopbedrijf

3.2

Van 't Veer Internationaal Transport B.V.

Noordland 28 Heinkenszand

internationaal transportbedrijf

2

Drukkerij Capello B.V.

Noordland 29 Heinkenszand

offset- en zeefdrukkerij

3.1

Tamoil Tankstation Heinkenszand

Noordlandseweg 3 Heinkenszand

onbemand tankstation type B

2

Machineservice Luteijn

Noordlandseweg 3A Heinkenszand

service-, onderhoud- en reparatiebedrijf met wasstraat

1

HC Dakbehandeling

Noordlandseweg 5 Heinkenszand

het opslaan van materialen voor allerlei soorten dakbehandeling en voor het stallen van bedrijfsauto's

2

P.P. Voois

Noordlandseweg 7 Heinkenszand

garagebedrijf waar op kleine schaal onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd aan motorvoertuigen. Ook worden tweedehands auto's verhandeld.

3.2

G. Delivorias

Noordlandseweg 9 Heinkenszand

constructiebedrijf voor het vervaardigen van speciale constructies voor divers bedrijven

Bijlage 3 Verantwoording groepsrisico Bedrijventerrein Noordlandseweg

3.1 Inleiding

In verband met het opstellen van de beheersverordening “Noordlandseweg” is de externe veiligheidssituatie onderzocht. Voor het verordeningsgebied is een aantal risicobronnen relevant. Deze notitie gaat in op de verantwoording van het groepsrisico (GR) ten gevolge van deze risicobron.

3.2 Groepsrisico

Het groepsrisico is de cumulatieve kans per jaar dat een groep personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting/transportmodaliteit en een ongewoon voorval binnen die inrichting of met een transportmodaliteit waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt weergegeven in een fN-curve, waarin het aantal doden is uitgezet tegen de cumulatieve kans op scenario's met dat aantal doden. In de fN-curve wordt een oriëntatiewaarde aangegeven, die het ijkpunt aangeeft waarin gezocht moet worden naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.

3.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico

Bij de verantwoordingsplicht van het groepsrisico staat de vraag centraal in hoeverre het groepsrisico als gevolg van de beheersverordening kan worden geaccepteerd, waarbij ook wordt ingegaan op welke veiligheidsverhogende maatregelen er getroffen kunnen worden.

Beheersverordening

De huidige activiteiten worden in de beheersverordening vastgelegd. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Ten gevolge hiervan kan/zal het groepsrisico niet toenemen. Om die reden wordt dan ook volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Relevante risicobronnen

Voor het verordeningsgebied is met betrekking tot de groepsrisicoverantwoording één risicobron relevant, te weten:

• Bevi-inrichting Kloosterboer V.O.F.

Voor een overzicht van alle relevante risicobronnen binnen en in de nabije omgeving van het verordeningsgebied wordt verwezen naar de milieuparagraaf (4.3.4) in de toelichting van de beheersverordening.

Vaststellen van het groepsrisico

In het kader van de beheersverordening is het groepsrisico (GR) beschouwd voor deze risicobron. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie van de risicokaart (www.risicokaart.nl).

De hoogte van het GR is als volgt.

• Kloosterboer V.O.F. betreft een stuwadoor-inrichting waar diverse gevaarlijke stoffen verladen worden. Het invloedsgebied met betrekking tot het groepsrisico is echter 6.500 meter. Deze reikt tot over het verordeningsgebied Heinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013. Conform de gegevens van de risicokaart blijkt dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. De beheersverordening legt de huidige planologische situatie vast en maakt ten opzichte daarvan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het groepsrisico zal derhalve niet toenemen ten gevolge van de beheersverordening.

3.4 Maatregelen

Bronmaatregelen ter beperking van de risico's zijn niet mogelijk. De inrichting voldoet conform milieuwetgeving aan het BBT-principe (Best Beschikbare Techniek).

Het verordeningsgebied ter hoogte van het invloedsgebied kan in westelijke en oostelijke richting goed worden ontsloten door de Noordlandseweg en de Plattendijk.

De bereikbaarheid van het plangebied voor de hulpverleningsdiensten is goed en er is voldoende primaire bluswatervoorziening aanwezig. De brandweer kan binnen de zorgnorm in het verordeningsgebied aanwezig zijn.

3.5 Mogelijkheden van zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Maatregelen ter verbetering van de zelfredzaamheid worden door de gemeente overwogen bij nieuwe ontwikkelingen in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen.

De beheersverordening legt de huidige planologische situatie vast. Bestaande functies worden gehandhaafd. Er worden dan ook geen nieuwe ontwikkelingen voorzien, waardoor maatregelen gericht op de verbetering van de zelfredzaamheid voor deze beheersverordening niet aan de orde zijn.

Binnen het verordeningsgebied is, gelet op de aard van het gebied (bedrijventerrein), de kans op aanwezige niet zelfredzame personen klein.

Bijlage 4 Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein'

Toelichting op de aanpak van milieuzonering met behulp van de 'standaard Staat van Bedrijfsacti­viteiten'

1Algemeen

Regeling toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten met behulp van milieuzonering

Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is ge­bruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en be­drijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Voor de indeling in de categorieën zijn de volgende ruimtelijk rele­vante milieuaspecten van belang:

In specifieke situaties kan daarnaast de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf rele­vant zijn.

2

geluid;

geur;

stof;

gevaar (met name brand- en explosiegevaar).

Toepassing 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'

Algemeen

De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte 'standaard Staat van Bedrijfsacti­

viteiten' ('standaard SvB') zijn gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering

(2009), op de Voorbeeld Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen1). De 'stan­daard SvB' kan in verschillende situaties gehanteerd worden, bijvoorbeeld:

-om de milieuzonering van bedrijfsactiviteiten op een samenhangend bedrijventerrein te regelen;

-in buitengebieden;

-op losliggende relatief grootschalige bedrijfspercelen op enige afstand van burgerwonin­gen;

-om indien gewenst de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten te regelen in stedelijk gebied of (delen van) woongebieden met enige vorm van bedrijvigheid.

1) Aangezien de wijze van milieuzonering met richtafstanden reeds vele jaren de standaardmethodiek voor milieuzo­nering is in Nederland, wordt voor het gebruik van de daarop gebaseerde Staat van Bedrijfsactiviteiten de 'stan­daard Staat van Bedrijfsactiviteiten' genoemd.

In dit soort situaties zorgt de milieuzonering ervoor dat hinderlijke bedrijfsactiviteiten op voldoende afstand van woningen of andere gevoelige functies worden gesitueerd. Dit gebeurt door het aanhouden van richtafstanden tussen deze milieugevoelige en milieubelastende

activiteiten.

Richtafstanden bepalend voor de categorie-indeling

In de 'standaard SvB' is voor elke bedrijfsactiviteit voor ieder van de ruimtelijke relevante milieuaspecten (zie hiervoor) een richtafstand ten opzichte van een 'rustige woonwijk' vermeld.

De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarnaast vermeldt de 'standaard SvB' indicaties voor verkeersaantrekkende werking.

Omgevingstype bepalend voor de daadwerkelijk te hanteren afstanden

De gewenste afstand tussen een bedrijfsactiviteit en woningen (of andere gevoelige functies zoals scholen) wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt.

Conform de VNG-publicatie worden daarbij twee omgevingstypen onderscheiden: rustige woonwijk en gemengd gebied. De richtafstanden die zijn vermeld in de 'standaard SvB' gelden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). Voor een gemengd gebied (en daarmee te vergelijken gebieden) gelden kleinere afstanden. Daarnaast

dient in de milieuzonering rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van eventuele bedrijfswoningen op een bedrijventerrein.

Omgevingstype rustige woonwijk

In een rustige woonwijk komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en vrijwel geen andere functies zoals kantoren of bedrijven. Langs de randen (in de overgang naar eventuele bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Als daarmee vergelijkbare omgevingstypen noemt de VNG-publicatie onder meer een rustig buitengebied (eventueel met verblijfsrecreatie) en een stilte- of natuurgebied.

Omgevingstype gemengd gebied

In een gemengd gebied komen naast wonen ook andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Daarmee vergelijkbare gebieden zijn lintbebouwingen in het buitengebied waarin functiemenging voorkomt en gebieden gelegen direct langs een hoofdinfrastructuur.

Kenmerkend voor het omgevingstype gemengd gebied is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied.

Bedrijfswoningen

Een bedrijfswoning op een bedrijventerrein is een specifiek woningtype waar minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat kunnen worden gesteld. Bedrijfswoningen zijn in het algemeen minder milieugevoelig dan de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied.

Te hanteren richtafstanden

De 'standaard SvB' onderscheidt een tiental milieucategorieën. De volgende tabel geeft voor beide omgevingstypen (rustige woonwijk en gemengd gebied) per milieucategorie inzicht in de gewenste richtafstanden. De richtafstand geldt tussen de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan (of via vergunningvrij bouwen) mogelijk is. Daarbij gaat het nadrukkelijk om een richtafstand. Kleinere afwijkingen ten opzichte van deze afstand zijn mogelijk zonder dat hierdoor knelpunten behoeven te ontstaan.

Toelaatbaarheid van bedrijven die onder een specifieke regelgeving vallen

In de 'standaard SvB' zijn ook aanduidingen opgenomen die aangeven dat bepaalde bedrij­ven onder een specifieke wettelijke regeling kunnen vallen. Het betreft:

milieucategorie

richtafstand (in meters)

rustige woonwijk

gemengd gebied

1

101

0

2

30

102

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

5.1

500

300

5.2

700

500

5.3

1000

700

6

1500

1000

Toelaatbaarheid van bedrijven die onder een specifieke regelgeving vallen

In de 'standaard SvB' zijn ook aanduidingen opgenomen die aangeven dat bepaalde bedrijven onder een specifieke wettelijke regeling kunnen vallen.

Het betreft:

-bedrijven die 'in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (zogenoemde grote lawaaimakers); deze bedrijven zijn alleen toegestaan op industrieterreinen die in het kader van deze wet gezoneerd zijn;

-bedrijven die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) kunnen vallen (nu of in de toekomst); het betreft risicovolle bedrijven waar gebruik, opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; voor dergelijke bedrijven gelden (wettelijke) normen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico;

-bedrijven die onder het Vuurwerkbesluit vallen; voor dergelijke bedrijven gelden (wettelijke) afstandsnormen.

In de regels van dit bestemmingsplan is aangegeven of en zo ja, onder welke voorwaarden dergelijke bedrijven in het plangebied zijn toegestaan.

De toegepaste 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'

De in dit bestemmingsplan opgenomen 'standaard SvB' komt in verregaande mate overeen met de VoorbeeldStaat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen uit de VNG-publicatie.

Conform de aanbevelingen van de publicatie is de Staat aangepast aan de specifieke kenmerken van dit bestemmingsplan.

In de toegepaste 'standaard SvB' zijn alle activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan. Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen (toevoegingen en weglatingen) ten opzichte van de

activiteiten die in de VoorbeeldStaat zijn opgesomd. Onder de volgende SBI-codes 0112, 014, 05011, 05012, 0502, 2612, 63.1 en 63.21 zijn activiteiten toegevoegd die vallen onder de definitie 'bedrijf'. In de VNG-publicatie is een aparte lijst van opslagen en installaties opgenomen.

Deze lijst is verwerkt in de 'standaard SvB' voor zover sprake is van activiteiten die vallen onder het begrip 'bedrijf'. Hierdoor hebben toevoegingen plaatsgevonden bij de SBI-code 51.512. Groothandels voor professioneel vuurwerk en vuurwerkfabrieken zijn vanwege

strenge eisen uit het Vuurwerkbesluit nooit toegestaan op een bedrijventerrein en dus niet in de 'standaard SvB' opgenomen. Dit geldt ook voor bedrijven die kernenergie produceren.

1) Het betreffen bedrijfsactiviteiten die gelet op hun aard en invloed op de omgeving toelaatbaar zijn in woonwijken.

2) Het betreffen bedrijfsactiviteiten die gelet op hun aard en invloed op de omgeving zelfs toelaatbaar zijn tussen of

onmiddellijk naast woonbebouwing in gemengde gebieden.

Bij enkele activiteiten heeft een nadere specificatie van de activiteiten plaatsgevonden met bijbehorende categorie-indeling die is afgestemd op de verwachte milieueffecten1 van deze activiteiten. Voor de volgende SBI-codes heeft een specificatie van de categorie-indeling plaatsgevonden naar gelang het oppervlak van het bedrijf: 15.2 en 51.8. Voor de volgende SBI-codes heeft een specificatie naar categorie-indeling plaatsgevonden naar gelang sprake is van reparatie of incidenteel bouwen dan wel reguliere productie: 29 en 35.1. Voor aannemers, SBI-code 45, is een nadere indeling van diverse aannemersactiviteiten gemaakt met bijbehorende categorie-indeling.

1) van deze activiteiten. Voor de volgende SBI-codes heeft een specificatie van de categorie-indeling plaatsgevonden naar gelang het oppervlak van het bedrijf: 15.2 en 51.8. Voor de volgende SBI-codes heeft een specificatie naar categorie-indeling plaatsgevonden naar gelang sprake is van reparatie of incidenteel bouwen dan wel reguliere productie: 29 en 35.1. Voor aannemers, SBI-code 45, is een nadere indeling van diverse aannemersactiviteiten gemaakt met bijbehorende categorie-indeling.

3Flexibiliteit

De 'standaard SvB' blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door bedrijfsactiviteiten in te schatten. De richtafstanden en inschalingen gaan uit van een gemiddeld bedrijf met een moderne bedrijfsvoering. Het komt in de praktijk voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de 'standaard SvB' is verondersteld. In de regels is daarom bepaald dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van de 'standaard SvB' en een dergelijk bedrijf toch kan toestaan, indien dit bedrijf niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Bij de 'standaard SvB' is deze mogelijkheid beperkt tot maximaal twee categorieën (dus bijvoorbeeld categorie 3.2 in plaats van 2 of categorie 4.2 in plaats van 3.2). Om deze omgevingsvergunning te kunnen verlenen moet worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving

(gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de desbetreffende lagere categorie.

Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich aandienen, waarvan de activiteiten in de 'standaard SvB' niet zijn genoemd, maar die qua aard en invloed overeenkomen met bedrijven die wel zijn toegestaan. Met het oog hierop is in de regels bepaald dat het bevoegd gezag vestiging van een dergelijk bedrijf via een omgevingsvergunning kan toestaan. Om

deze omgevingsvergunning te kunnen verlenen, moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met direct toegelaten bedrijven.

In de 'standaard SvB' is bij de indeling van sommige bedrijfsactiviteiten uitgegaan van een continue bedrijfsvoering, waarbij de hinderlijke activiteiten ook 's nachts plaatsvinden. Dit is in de 'standaard SvB' aangegeven met een 'C' in de laatste kolom. Het kan echter voorkomen

dat een specifiek bedrijf niet continu werkt. Dit gegeven kan eveneens aanleiding zijn om het bedrijf via de bovengenoemde afwijkingsbevoegdheid een categorie lager in te delen.

Voor de concrete toetsing van een verzoek om afwijking middels een omgevingsvergunning wordt verwezen naar bijlage 5 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. SBI 93/standaard SvB oktober 2010

1) Inschatting van milieueffecten heeft plaatsgevonden op basis van dezelfde expertise die bij het opstellen van de

nieuwe VNG-uitgave is gebruikt.

1) Inschatting van milieueffecten heeft plaatsgevonden op basis van dezelfde expertise die bij het opstellen van de nieuwe VNG-uitgave is gebruikt.

REGELS

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 verordening

de beheersverordeningHeinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013

overeenkomstig de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand

NL.IMRO.0654.BVNW2013-0002 met bijbehorende bestanden.

1.2 beheersverordening

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende

bijlagen.

1.3 aan- of uitbouw:

een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een

hoofdgebouw dat door haar indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt

ten behoeve van het hoofdgebouw;

1.4 archeologisch deskundige:

de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en

wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van

archeologie;

1.5 archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend

door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm

voor de Nederlandse Archeologie (KNA);

1.6 archeologische verwachting:

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied

voorkomende archeologische sporen en relicten;

1.7 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige

archeologische sporen en relicten;

1.8 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.9 bebouwingspercentage:

een op de kaart of in de regels aangeduid percentage, dat de grootte van het deel van een

maatvoeringsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.10 bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

1.11 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

1.12 bedrijfsvloeroppervlak:

de gezamenlijke vloeroppervlakte van verkoopruimten, magazijnen, bergingen, kantoren en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte;

1.13 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke slechts bestemd is voor huisvesting van (het huishouden van) een persoon, wiens aanwezigheid daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein;

1.14 beperkt kwetsbare objecten

a.Verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen en woonwagens per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden.

b.Kantoorgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt.

c.Hotels en restaurants, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt.

d.Winkels, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt.

e.Sporthallen, zwembaden en speeltuinen.

f.Kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt.

g.Bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt.

h.Objecten die met de onder a. tot en met e. en g. genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn.

i.Objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.

1.15 bestaand

a.bestaand gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals aanwezig op moment van de vaststelling van de verordening; daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;

b.bestaande bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de vaststelling van de verordening:

1aanwezig zijn én bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn gebouwd;

2nog kunnen worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;

3c. bestaande afmetingen: afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

d.bestaande goot- of bouwhoogte: goot- of bouwhoogtematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

e.onder bestemmingsplan en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt tevens verstaan voorgaande wet- en regelgeving die hiermee gelijk wordt gesteld.

1.16 besluit(sub)vlak

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge deze verordening regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.17 Bevi-inrichtingen

bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.18 bijgebouw:

een aan het hoofdgebouw gebouwd of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, functie, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.19 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.20 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.21 bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.22 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.23 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.24 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij de baliefunctie een essentieel onderdeel vormt;

1.25 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.26 gemeentelijke kwaliteitscoördinator:

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige op het gebied van stedenbouw dan wel architectuur;

1.27 groothandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit;

1.28 hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

1.29 landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige:

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake landschap en natuur;

1.30 landschapswaarde:

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur;

1.31 Maatregelkaart-in-lagen:

deze kaart geeft inzicht in de ligging van alle gewaardeerde terreinen en de aan- of afwezigheid van alle in de ondergrond aanwezige relevante archeologische niveaus. De Maatregelenkaart-in-lagen geeft vlakdekkend weer wanneer welke maatregelcategorie in het kader van de ruimtelijke ordening in principe van toepassing is;

1.32 milieudeskundige:

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieu;

1.33 natuurwaarde:

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;

1.34 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;

1.35 peil:

a.de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 meter bedraagt;

b.bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;

c.in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein;

1.36 risicovolle inrichtingen: bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.37 samenhangend straat- en bebouwingsbeeld:

a.een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;

b.een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;

c.een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;

d.de cultuurhistorische samenhang van de omgeving.

1.38 tuin-/erfafscheiding: bouwwerk geen gebouw zijnde, ter afbakening van eigendommen.

1.39 voorerf: gedeelte van het erf dat gelegen is voor de voorgevellijn;

1.40 voorgevel: de meest naar de wegzijde gekeerde gevel van een gebouw;

1.41 voorgevellijn:

denkbeeldige of op de kaart aangegeven lijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen;

1.42 vrijstaand: een gebouw zonder gemeenschappelijke wand met een ander gebouw;

1.43 Wabo:

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

1.44 Wed:

de Wet op de economische delicten, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

1.45 weg:

weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde inwerkingtreding van dit plan;

1.46 windturbine:

een windturbine is een machine met rotorbladen, waarmee door middel van windkracht elektriciteit wordt opgewekt;

1.47 woning: een gebouw, dat dient voor de huisvesting van personen;

1.48 Wro: de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstanden:

van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.2 de afstand van een gebouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens:

vanaf het dichtst bij de bouwperceelsgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelsgrens;

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 de breedte en diepte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat;

2.5 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.6 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.7 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.8 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.9 het bebouwde oppervlak:

van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald;

2.10 het bewoonbaar vloeroppervlak:

binnen de afgewerkte omtrekwanden (in voorkomende gevallen binnen de balustrade) onder aftrek van de in de ruimte inspringende onderdelen van het gebouw als schoorsteenstoelen, kanalen en kasten, maar zonder aftrek van plinten en vast meubilair als aanrechten en verwarmingslichamen; vloeroppervlak waarboven minder dan 1,5 meter hoogte aanwezig is, wordt hierbij buiten beschouwing gelaten;

Hoofdstuk 2 Gebiedsregels

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken

a.de in de besluitvlak Bedrijf gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;

b.bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

3.2 Aanvulling op lid 3.1 ten aanzien van het GEBRUIK

3.2.1 Besluitvlak bedrijf

In aanvulling op het bepaalde in lid 3.1 is het toegestaan gronden en gebouwen te gebruiken voor:

a.de uitoefening van bedrijfsactiviteiten voor zover die voorkomen in categorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b.bedrijfswoningen zijn niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bedrijfswoningen zoals opgenomen in bijlage 2;

c.verhardingen, wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van het besluitvlak;

d.detailhandel is niet toegestaan.

3.3 Aanvulling op lid 3.1 ten aanzien van het BOUWEN

3.3.1 Toelaatbare bebouwing

In aanvulling op het bepaalde in lid 3.1 is het toegestaan om bedrijfsgebouwen, en bestaande bedrijfswoningen met aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde te bouwen.

3.3.2 Bedrijfsgebouwen

Bedrijfsgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a.de afstand van een gebouw tot de voorste perceelsgrens van het bouwperceel bedraagt niet minder dan 5 m;

b.de afstand van een gebouw tot de achterste grens van het bouwperceel bedraagt niet minder dan 3 m;

c.de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel tussen de onder lid a en b in dit lid genoemde grenzen, bedraagt niet meer dan 60%;

d.ter plaatse van het besluitsubvlak 'bebouwingspercentage 81%' bedraagt de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel tussen de onder lid a en b in dit lid genoemde grenzen niet meer dan 81%;

e.de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 7 meter;

f.de afstand tussen vrijstaande gebouwen bedraagt minimaal 5 meter.

3.3.3 Bedrijfswoningen met aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Bedrijfswoningen met aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a.de afstand van een bedrijfswoning tot de voorste grens van het bouwperceel bedraagt niet minder dan 5 m;

b.het bewoonbaar vloeroppervlak van een bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt niet meer dan 200 m², de inhoud bedraagt niet meer dan 750 m³;

c.de afstand tussen vrijstaande gebouwen bedraagt niet minder dan 3 m;

d.bij iedere bedrijfswoning mogen bijgebouwen worden gebouwd met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 40 m²;

e.de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 6 meter en de totale hoogte maximaal 10 meter;

f.de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt maximaal 3,25 meter en de totale hoogte maximaal 7 meter;

g.bij toepassing van hellende dakvlakken bedraagt de dakhelling minimaal 30o.

3.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a.de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.

3.4 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

3.4.1 Bebouwingspercentage

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van lid

3.1 en lid 3.3.2 sub c voor een hoger bebouwingspercentage ter plaatse van de gronden met het besluitsubvlak 'hoger maximum bebouwingspercentage', met in achtneming van de volgende bepalingen:

a.het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 75%;

b.de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast;

c.de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken wordt niet onevenredig aangetast.

d.bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.4.1 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de gemeentelijke kwaliteitscoördinator.

3.4.2 Hoogte

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van lid

3.1 en lid 3.3.2 voor een hogere bouwhoogte van een bedrijfsgebouw , lid 3.3.4 voor een hogere hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde met in achtneming van de volgende bepalingen:

a.de afwijking van de bouwhoogte van bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 1 m;

b.de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 10 m;

c.de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast;

d.de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken wordt niet onevenredig aangetast.

e.bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.4.2 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de gemeentelijke kwaliteitscoördinator.

3.5 Afwijken ten aanzien van het GEBRUIK

3.5.1 Detailhandel

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van lid

3.1 en lid 3.2.1 sub e voor het toestaan van detailhandelsbedrijven in auto's, boten, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen met in achtneming van de volgende bepalingen:

a.de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast;

b.de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken wordt niet onevenredig aangetast.

3.5.2 Staat van bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 3.1 en 3.2.1 sub a voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten is genoemd, mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met een krachtens lid 3.2.1, sub a ter plaatse toegelaten categorie bedrijfsactiviteiten, met in achtneming van de volgende bepaling:

a.Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning in lid 3.5.2 dient een milieudeskundige te worden gehoord, met betrekking tot de vraag of aan de in het desbetreffende lid genoemde criterium voor het verlenen van afwijken bij omgevingsvergunning is voldaan.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken

a.de in het besluitvlak Groen gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;

b.bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

4.2 Aanvulling op lid 4.1 ten aanzien van het GEBRUIK

4.2.1 Besluitvlak Groen

In aanvulling op het bepaalde in lid 4.1 is het toegestaan gronden en gebouwen te gebruiken voor:

a.plantsoen, bermstroken, bermsloten, waterpartijen, paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, geluidwerende voorzieningen en andere tot de bestemming behorende groen- en recreatieve voorzieningen.

4.3 Aanvulling op lid 4.1 ten aanzien van het BOUWEN

4.3.1 Toelaatbare bebouwing

In aanvulling op het bepaalde in lid 4.1 is het toegestaan om gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen ten behoeve van het besluitvlak, met in achtneming van de volgende bepalingen:

4.3.2 Gebouwen

Gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a.de oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal 15 m²;

b.de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,5 meter;

c.de afstand tot de grens van het besluitvlak bedraagt minimaal 5 meter.

4.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal:

a.antennes: 5 meter;

b.speeltoestellen: 3 meter;

c.ballenvangers: 6 meter;

d.openbare nutsvoorzieningen: 3,5 meter;

e.lichtmasten en overige masten: 8 meter;

f.overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 meter.

4.4 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

4.4.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 4.3.3 tot een hoogte van maximaal 10 meter, met in achtneming van de volgende bepalingen:

a.de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast;

b.de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken wordt niet onevenredig aangetast.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken

a.de in het besluitvlak Verkeer gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;

b.bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

5.2 Aanvulling op lid 5.1 ten aanzien van het GEBRUIK

5.2.1 Besluitvlak Verkeer

In aanvulling op het bepaalde in lid 5.1 is het toegestaan gronden en gebouwen te gebruiken voor:

a.verhardingen, wegen, voet-en fietspaden, rabatten, parkeervoorzieningen, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut;

5.3 Aanvulling op lid 5.1 ten aanzien van het BOUWEN

5.3.1 Toelaatbare bebouwing

In aanvulling op het bepaalde in lid 5.1 is het toegestaan om gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen, met inachtneming van de volgende bepalingen.

5.3.2 Gebouwen

Gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a.de oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal 15 m²;

b.de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3,5 meter;

c.de afstand tot de grens van het besluitvlak bedraagt minimaal 5 meter.

5.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal:

a.antennes: 5 meter;

b.speeltoestellen: 3 meter;

c.ballenvangers: 6 meter;

d.openbare nutsvoorzieningen: 3,5 meter;

e.lichtmasten en overige masten: 8 meter;

f.overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 meter.

5.4 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

5.4.1 Hoogte

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 5.3.3 tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter met in achtneming van de volgende bepalingen:

a.de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast;

b.de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken wordt niet onevenredig aangetast.

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 2

6.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken

a.de in het besluitvlak Waarde - Archeologie - 2 gelegen gronden en bestaande

bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;

b.bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde

afmetingen en op dezelfde locatie.

6.2 Aanvulling op lid 6.1 ten aanzien van het GEBRUIK

6.2.1 Besluitvlak Waarde - Archeologie - 2

De voor "Waarde - Archeologie - 2" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar

geldende besluitvlakken, mede aangewezen voor bescherming en veiligstelling van de ter

plaatse in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden, waarbij geldt dat het

besluitvlak "Waarde - Archeologie - 2" prevaleert boven de andere aldaar geldende

besluitvlakken.

6.2.2 Verboden gebruik

Tot het verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c Wabo wordt in ieder geval

gerekend:

a.het gebruik van gronden als opslagplaats voor bagger en grondspecie.

6.3 Aanvulling op lid 6.1 ten aanzien van het BOUWEN

6.3.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen worden gebouwd:

a.bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend ten dienste van het in lid 6.1 en 6.2

genoemde besluitvlak;

b.bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende besluitvlakken, uitsluitend onder

voorwaarde van het bepaalde in lid 6.3.2 en 6.3.3.

6.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende

regel:

a.de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 2 meter.

6.3.3 Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en)

Met betrekking tot het bouwen van bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende

bestemmingen gelden, met inachtneming van de voor de betreffende bestemming(en)

geldende (bouw)regels, de volgende regels:

a.reeds bestaande bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande

oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het maaiveld, niet wordt uitgebreid en waarbij

gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;

b.er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd of uitgebreid als wordt voldaan aan

tenminste één van de volgende voorwaarden:

1de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 250 m²;

2de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.

6.4 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

6.4.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

a.lid 6.3.2, sub a tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter;

b.lid 6.3.3, sub b tot voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken, waarbij de oppervlakte van de bodemverstoring groter is of de bodem dieper geroerd wordt dan de aangegeven

maximale maat, indien:

1burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige, waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken gronden niet nodig is;

of

2op basis van archeologisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport, is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

6.4.2 Procedureregel

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport, zoals bedoeld in lid 6.4.1, sub b, onder 2 schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

6.4.3 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Voor zover het oprichten van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in lid 6.4.1, sub b, kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, zowel in directe als in indirecte zin, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende

voorschriften verbinden:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b.de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988;

c.de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.5.1 Vergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a.het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;

b.het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm;

c.het omzetten van grasland in bouwland;

d.het planten of verwijderen van houtgewas;

e.het aanleggen, verbreden, of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

f.het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

g.het aanleggen van drainage;

h.het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.

6.5.2 Uitzonderingsregels

Het in lid 6.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

a.werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van de beheersverordening;

b.werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;

c.werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 250 m2 of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

2of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

6.5.3 Werken of werkzaamheden slechts onder voorwaarden toelaatbaar

De in een omgevingsvergunning opgenomen werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien:

a.door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en

b.vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:

1er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

2de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of

3de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

6.5.4 Procedureregel

Burgemeester en wethouders winnen met betrekking tot het bepaalde in lid 6.5.3 schriftelijk advies in bij een door hen aan te wijzen archeologisch deskundige.

6.5.5 Verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning

Voor zover de in artikel 6.5.1 genoemde werken en werkzaamheden kunnen leiden tot onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning één, of een combinatie, van de volgende voorschriften verbinden:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b.de verplichting tot het doen van opgravingen zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988;

c.de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 7 Waarde - Landschap

7.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken

a.de in de besluitvlak Waarde - Landschap gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;

b.bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

7.2 Aanvulling op lid 7.1 ten aanzien van het GEBRUIK

De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende besluitvlakken, mede te gebruiken voor het behoud en het herstel van natuur-, cultuur- en landschapswaarden.

7.3 Aanvulling op lid 7.1 ten aanzien van het BOUWEN

7.3.1 Toelaatbare bebouwing

Op of in deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in lid 7.2 genoemde bestemming worden gebouwd:

a.gebouwen;

b.bouwwerken, geen gebouw zijnde.

7.3.2 Verboden bebouwing

Bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende besluitvlakken zijn op deze gronden niet toelaatbaar, met uitzondering van reeds bestaande bouwwerken.

7.3.3 Gebouwen

Gebouwen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a.de oppervlakte van een gebouw bedraagt maximaal 15 m2;

b.de bouwhoogte van het gebouw bedraagt maximaal 3,5 meter;

c.de afstand tot de grens van het besluitvlak bedraagt minimaal 5 meter.

7.3.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regel:

a.de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 2 meter.

7.4 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. lid 7.3.2 voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken van de voor deze gronden andere aldaar geldende besluitvlakken, mits de natuur - en landschapswaarden van de gronden

hierdoor niet onevenredig worden geschaad;

b.lid 7.3.4, sub a tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Plaatsbepaling en vormgeving bouwwerken

9.1.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de regels vervat in Hoofdstuk 2 Gebiedsregels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

a.de plaatsing van hoofdgebouwen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;

b.de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen;

c.de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.1.2 Procedureregel

De in lid 9.1.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten.

9.2 Bestaande afstanden en andere maten

9.2.1 Bestaande afstanden

Indien afstanden op de datum van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 Gebiedsregels is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangenomen.

9.2.2 Bestaande maten en hoeveelheden

In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantal en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de inwerkingtreding van dit plan meer of minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 Gebiedsregels is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden

als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

10.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop

10.1.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken

a.de in het besluitvlak Vrijwaringszone - molenbiotoop gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;

b.bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

10.1.2 Aanvulling op lid 10.1 ten aanzien van het GEBRUIK

a Besluitvlak vrijwaringszonec - molenbiotoop

In aanvulling op het bepaalde in lid 10.1.1 is het toegestaan gronden en gebouwen te gebruiken voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als landschapsbepalend element.

10.1.3 Aanvulling op lid 10.1 ten aanzien van het BOUWEN

a Toelaatbare bebouwing

In aanvulling op het bepaalde in lid 10.1.1 mogen bouwwerken worden gebouwd die zijn toegestaan op grond van de andere voor deze gronden van toepassing zijnde gebiedsregels.

b Uitzonderingsbepaling

Bij de bouw van enig bouwwerk binnen de op de verbeelding opgenomen aangeduide molenbiotoop ter plaatse van de molen "De Vijf Gebroeders" te Heinkenszand gelden de volgende hoogtebepalingen:

a.binnen 300 meter vanaf de molen mag geen bebouwing, hoger dan de stelling van de molen worden opgericht;

b.vanaf een omtrek van 300 meter tot 500 meter rond de molen geldt ten aanzien van de maximale bouwhoogte de volgende bepaling:

maximale bouwhoogte = 8 + (afstand molen - 300) 100

10.1.4 Vergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a.het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting;

b.ophogen van gronden.

a Uitzonderingsregel

Het in lid 10.1.4 onder a vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

a.werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die de normale werkzaamheden betreffen;

b.werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die op het tijdstip van de vaststelling van dit plan in uitvoering zijn.

b Toelaatbaarheid

De in een omgevingsvergunning opgenomen werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in lid 10.1.4 onder a zijn slechts toelaatbaar indien geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element.

Advies

Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent de mogelijke gevolgen voor de windvang van de molen en de waarde van de molen als landschapsbepalend element.

10.1.5 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

a Afwijken middels omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

a.lid 10.1.3 onder b tot een bouwhoogte van 7 m;

b.bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld onder lid a winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een molendeskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning de windvang voor de molen en/of de waarde van de molen als landschapsbepalend element niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht;

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Afwijkingsbevoegdheid

11.1.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van de regels in dit plan voor:

a.het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,5 meter;

b.het overschrijden van de naar de weg gekeerde bebouwingsgrens door:

1erkers, balkons en bordessen tot maximaal 1 meter;

2ingangspartijen tot maximaal 2 meter, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m² en de bouwhoogte maximaal 3,25 meter zal bedragen;

c.geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bebouwingsgrens met maximaal 3 meter toelaatbaar;

d.het oprichten van antennes en masten tot een bouwhoogte van 15 meter.

11.1.2 Vergunningvereiste

De in lid 11.1.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend indien:

a.de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast;

b.de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

c.dit niet leidt tot wijziging van de op de kaart aangegeven bestemming.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

a.een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van de beheersverordening, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

1gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;

b.burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;

c.dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van

dat bestemmingsplan.

12.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

a.het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b.het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c.indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van de beheersverordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d.dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van de beheersverordening "Heinkenszand, gedeelte Bedrijventerrein Noordlandseweg, 2013"

Bijlage

Bijlagen bij de regels

Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein

Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein'

Lijst van afkortingen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein'

-niet van toepassing of niet relevant

< kleiner dan

> groter

= gelijk aan

cat. categorie

e.d. en dergelijke

kl.klasse

n.e.g. niet elders genoemd

o.c. opslagcapaciteit

p.c. productiecapaciteit

p.o. productieoppervlak

b.o. bedrijfsoppervlak

v.c. verwerkingscapaciteit

u uur

d dag

w week

j jaar

B bodemverontreiniging

C continu

D divers

L luchtverontreiniging

Z zonering op basis van Wet geluidhinder

R risico (Besluit externe veiligheid inrichtingen mogelijk van

toepassing)

V Vuurwerkbesluit van toepassing

G/P verkeersaantrekkende werking goederenvervoer/personenvervoer:

1potentieel geringe verkeersaantrekkende werking

2potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking

Bijlage 2 Bestaande bedrijfswoningen

adres

Noordland 5, Heinkenszand

Noordland 11, Heinkenszand

Noordland 2

Bijlage 3 Afwijkende functies

milieucategorie

bedrijf

adres

SBI-code

3.2

Aannemersbedrijf Traas

en Ovaa Infra B.V

Noordland 7

Heinkenszand

45- A

3.2

Transportbedrijf van de

Swaluw B.V.

Noordland 13

Heinkenszand

501, 502, 504, 6024

3.2

Timmerfabriek de Mol

BV

Noordland 17

Heinkenszand

203, 204

3.1

M.C. Cappon

Noordland 21

Heinkenszand

281-1

3.1

VSS Construct B.V.

Noordland 23

Heinkenszand

281-1

3.2

J.A. van 't Westende /

Wending

Noordland 27

Heinkenszand

45- A

3.2

Van 't Veer Internationaal

Transport B.V.

Noordland 28

Heinkenszand

6024

3.1

Tamoil Tankstation

Heinkenszand

Noordlandseweg 3

Heinkenszand

505- 2

3.2

G. Delivorias

Noordlandseweg 9

Heinkenszand

2852

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.