Aanhef
Het college van de gemeente Borger-Odoorn,
gelet op de Jeugdwet en de Verordening jeugdhulp gemeente Borger-Odoorn 2025,
besluit vast te stellen de volgende:
Beleidsregels jeugdhulp gemeente Borger-Odoorn 2025.
3. Afwegingskader voor jeugdhulp
3.1 Eigen kracht
3.1.1 Gebruikelijke hulp
Er is in elk geval voldoende probleemoplossend vermogen van ouders als er sprake is van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s). De zorgplicht van ouder(s) strekt zich uit over verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een ouder. Dat betekent dat het college, bij ouders die gescheiden zijn, ook rekening kan houden met de ouder waar de jeugdige niet woonachtig is. Is er sprake van co-ouderschap dan spreekt het voor zich dat voor beide ouders wordt beoordeeld of sprake is van gebruikelijke hulp.
In bijlage 1 staat de Richtlijn gebruikelijke hulp. Hierin staat uitgewerkt hoe het college beoordeelt of sprake is van gebruikelijke hulp.
3.1.2 Bovengebruikelijke hulp
Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp wordt onderzocht of er een individuele jeugdhulpvoorziening kan worden ingezet of dat van ouders verwacht kan worden dat ze deze hulp zelf bieden. De bovengebruikelijke hulp valt dan onder 'eigen kracht'.
Om te beoordelen of ouders de hulp zelf kunnen bieden – ondanks dat sprake is van bovengebruikelijke hulp – onderzoekt het college de volgende vragen:
1Is de ouder (met het sociaal netwerk) in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
2Is de ouder (met het sociaal netwerk) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
3Levert het bieden van de hulp door de ouder (met het sociaal netwerk) geen overbelasting op? Met overbelasting wordt bedoeld dat een disbalans ontstaat in verhouding tussen de draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) van de ouder.
4Blijft de ouder de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder daardoor niet in de problemen?
Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht. Deze vragen komen voort uit de uitspraken van de CRvB van 17 juli 2019 en 26 mei 2021.
Wat betreft de 4e vraag geldt het volgende. Wanneer de beslissing door het gezin is genomen om met eigen kracht jeugdhulp te verlenen waarbij een van de ouders minder betaalde arbeid is gaan verrichten, en de draaglast van de zorgvraag en de draagkracht van het gezin zijn met elkaar in overeenstemming, dan bestaat niet vanzelfsprekend een aanspraak op een jeugdhulpvoorziening. Dit is anders als het gezin door de inkomensdaling in financiële problemen komt die niet met door het gezin te nemen maatregelen zijn op te lossen binnen de bestaande woon- en leefsituatie.
3.1.3 Sociaal netwerk
Het college beoordeelt bij elke hulpvraag in hoeverre er hulp geboden wordt vanuit het sociale netwerk. Als een deel van de hulpvraag wordt opgelost door ondersteuning vanuit het sociale netwerk dan hoeft het college daarvoor geen voorziening te treffen.
Van belang is dat vraagverlegenheid van de jeugdige en/of ouder(s) en handelingsverlegenheid bij personen uit het sociale netwerk worden verminderd. Daarom is het goed om hier nadrukkelijk bij stil te staan tijdens het onderzoek. Er dient bij de afweging ook altijd gekeken te worden naar eventuele zorg die vrijwilligers, maatjes, buurthuis, etc verrichten.
BIJLAGE 1. Richtlijnen gebruikelijke hulp
Algemeen kader gebruikelijke hulp
De beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp is gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:
1De aard, frequentie en de omvang van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen van de jeugdige.
2De leeftijd en de ontwikkelingsfase van de jeugdige.
Vervolgens wordt beoordeeld:
•Welk deel van de benodigde hulp voortkomt uit de aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige;
•Welk deel van deze hulp onder de gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdige valt.
Het college kan pas na een onderzoek vaststellen of van de ouder(s) in het individuele geval verwacht mag worden dat gebruikelijke hulp wordt geboden.
Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de hulp dan wel zorg (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker dan het andere kind. Het college beoordeelt in dat kader of de tijd die nodig is voor de hulp veel meer kost vanwege de aandoening van het kind. Denk aan het wassen en kleden van een kind met bijvoorbeeld spasticiteit. Uit punt 1. en 2. hierboven volgt dat het college de genoemde onderwerpen in samenhang moet beoordelen.
Er is sprake van boven gebruikelijke hulp, als de voor de jeugdige noodzakelijke hulp in chronische situaties uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft, voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen. Van een chronische situatie is sprake wanneer er geen uitzicht is op een herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige binnen een periode van drie maanden. Voor situaties korter dan drie maanden geldt dat alle hulp door de ouder aan de jeugdige gebruikelijke hulp is. Welke hulp binnen welke leeftijdscategorie aangemerkt moet worden als gebruikelijke hulp is nader uitgewerkt in § 1.1 van deze bijlage.
§ 1.1 Richtlijnen gebruikelijke hulp
Algemene richtlijnen per leeftijdscategorie
Hieronder staan de uitgangspunten voor hulp/zorg die ouders sowieso horen te bieden aan hun kinderen in een bepaalde leeftijd. Deze zijn gebaseerd op de richtlijnen die vóór 1 januari 2015 in de AWBZ en bij jeugd-ggz werden gehanteerd: de CIZ-indicatiewijzer en het Handboek Indicatiestelling jeugd-ggz.
Jeugdigen van 0 tot 3 jaar
•hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;
•ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
•zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Jeugdigen van 3 tot 5 jaar
•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
•hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;
•hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
•hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
•zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Jeugdigen van 5 tot 12 jaar
•hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;
•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
•hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;
•hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
•zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;
•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Jeugdigen van 12 tot 18 jaar
•hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
•kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
•kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;
•kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
•hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
•hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;
•hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 18 jaar gebruikelijke hulp, zowel in kortdurende als langdurige situaties.
Permanent toezicht gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen, valt niet onder gebruikelijke hulp. Verder wordt als de jeugdige van 12 jaar of ouder geen intieme persoonlijke verzorging wil ontvangen van de ouder(s), geen bijdrage van de ouder(s) verwacht. Daarbij heeft het college oog voor een mogelijke aanspraak op intensieve kindzorg op grond van de Zorgverzekeringswet of toegang tot de Wet langdurige zorg.
Aanvullingen
Gebruikelijke hulp omvat eveneens:
•Handelingen die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen, maar die een gebruikelijke hulphandeling vervangen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het geven van sondevoeding in plaats van eten; het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een jeugdige met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.
•Handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen. Ook zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp aan een jeugdige, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Bijvoorbeeld het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.
•Handelingen die een jeugdige zelf kan uitvoeren dan wel kan aanleren;
•Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de jeugdige.
Uitzonderingen
Bij de individuele beoordeling wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Veel jeugdigen van 4 jaar zijn bijvoorbeeld overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een jeugdige van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.
Verder wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare hulp en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige.
Ook de omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is. Voorbeeld: alle jeugdigen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien.
Beoordeling in samenhang
Het uitgangspunt van de richtlijn is de hulp die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten bieden aan jeugdigen zonder beperkingen, rekening houdend met verschillen die bij jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. De hierboven genoemde richtlijnen en aanvullingen/uitzonderingen daarop moeten daarom telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van de jeugdige worden beoordeeld:
•Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een jeugdige van een bepaalde leeftijdsgroep gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie) waardoor deze hulp niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt.
•Zo kan bij een jeugdige van een bepaalde leeftijd dat is aangewezen op handelingen die niet bij alle gezonde jeugdigen voorkomen en die kunnen meelopen in het gebruikelijke patroon van dagelijkse verzorging, niet langer sprake zijn van gebruikelijke hulp vanwege de (extra) tijd die met deze zorghandelingen gemoeid gaat.
Een concrete uitwerking: het geven van medicatie (aard) bij een jeugdige van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke hulp. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon en moet beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke hulp te beschouwen.
Uitzondering gebruikelijke hulp
Capaciteiten ouder(s)
Voor zover een ouder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van jeugdige uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hem of haar met inachtneming van deze omstandigheden geen of een verminderde bijdrage verwacht. Deze uitzondering geldt alleen voor zover het handelingen betreft die bij een jeugdige zonder beperkingen niet voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van sondevoeding of medicijnen.
Het kan ook dat ouder(s) zelf - al dan niet tijdelijk - onvoldoende opvoedcapaciteiten hebben om om te gaan met (kortgezegd) opgroeiproblemen van hun kinderen die daarmee verband houden. In die gevallen kan het college ondersteuning, hulp dan wel zorg bieden die er op gericht is om ouders instrumenten in handen te geven waardoor zij dit (weer) wel kunnen doen.
(Dreigende) overbelasting
Voor zover een ouder overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht, totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende:
•Wanneer er voor de ouder eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend.
•Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.
•Voor zover gebruikelijke hulp bij jeugdigen van niet uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van de jeugdige, kan hiervoor een individuele voorziening worden toegekend.
Indiceren gebruikelijke hulp bij (dreigende) overbelasting
Wanneer door de gemeente reeds een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet is verstrekt, kan de zorg voor een zieke jeugdige niettemin zo zwaar worden dat van (dreigende) overbelasting sprake is. In de meeste gevallen zal de individuele voorziening die is toegekend op zich voldoende zijn om deze overbelasting te voorkomen, maar soms blijkt deze toch niet voldoende. In zulke gevallen kan de situatie opnieuw beoordeeld worden en zo nodig leiden tot een gewijzigd toekenningsbesluit, waarbij toekenning/uitbreiding van een individuele voorziening mogelijk is voor hulp die gewoonlijk als gebruikelijke hulp dient te worden aangemerkt. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.
Bij een beroep op (dreigende) overbelasting van de ouder(s) moet dat aannemelijk worden gemaakt en zo nodig nader worden onderbouwd. In dat geval rust er op het college de plicht daar een onderzoek naar in te stellen. De ouder(s) is dan verplicht, desgevraagd, zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert de ouder(s) dit, dan kan het recht op een individuele voorziening niet worden vastgesteld, tenzij het college het recht op een andere manier kan vaststellen.
Als hulpmiddel bij het vaststellen van eventuele overbelasting kan gebruikgemaakt worden van de Opvoedbelasting VragenLijst (OBVL).
Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de ouder zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de problematiek van de jeugdige (draaglast verhoging).
Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Soms is het duidelijk dat de ouder overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare zorgtaken, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te leveren is van invloed op de belastbaarheid van de ouder. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de ouder noodzakelijk is.
Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals:
•angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;
•depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;
•gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag;
•gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord gedrag: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;
•lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.
Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand aan de jeugdige biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk.
Steeds zal daarom in het besluit worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.
Het college zal bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting in voorkomende gevallen ook rekening moeten houden met de omstandigheid dat de ouder(s) gebruikelijke zorg/hulp bieden in het kader van andere regelgeving. Denk bijvoorbeeld aan verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en/of het overnemen van huishoudelijke taken op grond van de Wmo 2015.
Opvang en verzorging van kinderen
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen, in het kader van de opvoeding. Dit houdt in het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid, en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van een kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind vereisen. Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende mogelijkheden van zorgverlof. Indien dit niet mogelijk is dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening zoals crèche, buitenschoolse opvang, gastouderbureau e.d. Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden wordt redelijk geacht, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is slechts kortdurende overbrugging nodig, dan kan hulp worden ingezet.
Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, en de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen en een sociaal netwerk zijn niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput, dan is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind hulp mogelijk voor oppas, opvang, begeleiding en verzorging van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), met de bedoeling binnen deze termijn een eigen oplossing te realiseren.
BIJLAGE 2: Richtlijnen PGB vaardigheid
De afweging of iemand PGB vaardig is wordt zorgvuldig gedaan. Hierbij zijn veel factoren van belang. Het kan bijvoorbeeld meewegen als:
1de jeugdige en/of ouder(s) handelingsonbekwaam is, niet pgb-vaardig is, onvoldoende inzicht heeft in de eigen situatie, of geen bewindvoerder/belangenbehartiger/wettelijk vertegenwoordiger heeft die zijn belangen kan behartigen en/of;
2de uitvoerder van de ondersteuning tevens gemachtigde, vertegenwoordiger en/of budgetbeheerder van jeugdige en/ouder(s) is en/of;
3een jeugdige en/of ouder(s) als ‘niet pgb-vaardig' wordt getoetst en de beoogde budgetbeheerder niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor eventuele onrechtmatigheden en/of onvoldoende kwalitatieve zorg en/of;
4de beoogd budgetbeheerder zelf ook ‘niet pgb-vaardig’ is en/of;
5er een ernstig vermoeden is dat de budgethouder of zijn vertegenwoordiger problemen zal hebben met het omgaan met een pgb en/of;
6er een gerechtvaardigde verwachting is dat het aansturen van de met het pgb ingekochte zorg of ondersteuning en/of het vervullen van goed werkgeverschap problemen zal opleveren en/of;
7de jeugdige en/of ouder(s) niet alleen afhankelijk van de zorgaanbieder is voor het leveren van zorg, maar ook afhankelijk is van de zorgaanbieder voor woonruimte en/of;
8er sprake is van verslavingsproblematiek en/of schuldenproblematiek en/of;
9uit controle is gebleken dat de jeugdige en/of ouder(s) of budgetbeheerder op een eerder moment niet in staat is gebleken de taken en verantwoordelijkheden horend bij een pgb zorgvuldig uit te voeren en/of;
10er eerder sprake is geweest van fraude of misbruik met een pgb en/of;
11sprake is van analfabetisme of onvoldoende taal- of rekenvaardigheid zonder dat jeugdige en/of ouder(s) personen in zijn omgeving heeft die hem kunnen bijstaan en/of;
13een jeugdige en/of ouder(s), budgetbeheerder en/of de pgb-aanbieder voor een strafbaar feit, gepleegd, in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag, is veroordeeld en/of;
14er aangetoond onrechtmatig gebruik van voorzieningen is in Wlz, Zvw, Participatiewet, Jeugdwet of Wmo, door jeugdige en/of ouder(s), budgetbeheerder en/of aanbieder, minder dan vijf jaar geleden en/of;
15sprake is van spoed- of crisiszorg waardoor er vanwege het spoedeisende karakter geen onderzoek naar bekwaamheid van de budgethouder en/of de kwaliteit van de geboden ondersteuning gedaan kan worden en/of;
16er gegronde redenen bestaan om te verwachten dat het budget besteed zal worden in het buitenland zonder dat daar, naar het oordeel van het college, een gegronde reden voor is, en/of;
17de kwaliteit van de Jeugdhulp onvoldoende is geborgd/de beoogde zorgverlener niet de gewenste kwaliteit biedt, bijvoorbeeld als een onhoudbare situatie dreigt waarin de veiligheid van de jeugdige en/of ouder(s) in het geding komt. Het college kan hiervoor aanvullende regels bepalen.
18sprake is van andere belemmerende omstandigheden naar het oordeel van het college. Om een Pgb af te wijzen op overwegende bezwaren moet er een feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan de afwijzing plaatsvindt. In de beschikking wordt voor de motivering verwezen naar het plan van aanpak, dat onderdeel is van de beschikking. De jeugdige en/of ouder(s) kan hiertegen bezwaar aantekenen.