Gemeentelijke regelgeving

Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Bloemendaal 2025

Gemeente Bloemendaal · geldt sinds 24 oktober 2025

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

4.1 Woonvoorzieningen

4.1.1 Afwegingskader

•Het doel van de aanpassing is beperkingen bij het normale gebruik van de woning te verminderen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletbezoek, het bereiden en consumeren van voedsel, en de toe- en doorgankelijkheid van de woning. Als het kinderen betreft komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woonruimte (de tuin wordt hier ook onder begrepen).

•De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

•Het college beoordeelt daarnaast of een herschikking binnen de woning oplossing kan bieden.

4.1.2 Weigeringsgronden

Geen woonvoorziening wordt verstrekt (volgens artikel 7, vijfde lid, van de verordening) als:

1als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

2als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;

3ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;

4als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

5als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

6als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;

7als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.

Daarnaast wordt ook geen woonvoorziening verstrekt als:

1De belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen (uitsluitend voor zover de aanvraag een verhuiskostenvergoeding betreft).

2Deze betrekking heeft op:

•hobbyruimtes en studeerkamers;

•therapeutische/medische doeleinden (bijvoorbeeld dialyseruimten en therapeutische baden);

•problemen die een incidenteel karakter hebben of noodvoorzieningen zoals vluchtvoorzieningen of branddeuren.

•woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar te worden bewoond, zoals vakantie en recreatiewoningen.

•woningen met een seniorenstatus

•tweede woning

•garages

•verhuizen naar een Wlz-instelling of een andere instelling, gericht op het verstrekken van zorg met uitzondering van situaties beschreven in 4.1.9

•een Wlz indicatie inclusief verblijf.

4.1.3 Vormen woonvoorzieningen

•Een woonvoorziening in natura;

•Een persoonsgebonden budget;

•Een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten.

4.1.4 Soorten woonvoorzieningen

De volgende woonvoorzieningen kunnen worden verstrekt:

a.een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening (roerend);

b.een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (onroerend);

c.onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening;

d.tijdelijke huisvesting;

e.kosten in verband met huurderving;

f.een uitraasruimte.

Ad a. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening (roerend);

De keuze voor een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening (ook wel een losse woonvoorziening) hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Bij het verstrekken van een woonvoorziening gaat men uit van de goedkoopst adequate voorziening. Om die reden zal er eerst gekeken worden of een niet bouwtechnische voorziening passend is in plaats van een bouwtechnische voorziening. Voorbeelden van losse woonvoorzieningen zijn een tillift, badlift, (verrijdbare) douche/toiletstoel en een douchestretcher

Ad b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (onroerend);

De keuze voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (ook wel een nagelvaste of onroerende woonvoorziening) hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Bij het verstrekken van een woonvoorziening gaat men uit van de goedkoopst adequate voorziening. Voorbeelden van onroerende woonvoorzieningen zijn een vast douchezitje, , realiseren stroompunt voor een scootmobiel, toegankelijkheid woning/berging door straatwerk.

Ad c. onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening

Voor woonvoorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt heeft het college afspraken gemaakt met de betreffende leveranciers.

Voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening die in eigendom is verstrekt, kan een pgb worden verstrekt zoals omschreven in het Besluit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen pgb op basis van het huurtarief in natura en pgb op basis van een offerte:

1Pgb op basis van huurtarief in natura: kosten voor onderhoud, keuring en reparatie is opgenomen in het pgb-budget voor de voorziening (er wordt één pgb toegekend).

2Pgb op basis van offerte: onderhoud, keuring en reparatie worden op declaratiebasis ingediend.

In beide gevallen wordt het pgb verstrekt voor de duur van zes jaar. Wanneer de voorziening na zes jaar niet is afgekeurd, middels een afkeuringsrapport, kunnen de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie na afloop van de pgb-termijn gedeclareerd worden bij de Wmo. Het is ook mogelijk dat er een pgb wordt verstrekt op basis van offerte, zonder onderhoud, keuring en reparatie. Dit pgb wordt niet voor zes jaar afgegeven.

De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een voorzieningen die vanuit de Wmo verstrekt zijn in algemene ruimten kunnen worden betaald vanuit de Wmo, of door de vereniging van eigenaren (VVE) of woningbouw. Nadere afspraken hierover worden met de betreffende partij gemaakt.

Ad d. tijdelijke huisvesting

Voor de kosten in verband met tijdelijke huisvesting kan een voorziening worden verstrekt gelijk aan de werkelijke kosten met een maximum van de grens voor de huurtoeslag. De voorziening kan worden verstrekt voor de woning met de laagste woonlasten en wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet kan worden bewoond en de belanghebbende als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan.

Ad e. huurderving

Als een verhuurder, op verzoek van het college, een aangepaste woning aanhoudt in afwachting van toewijzing aan een persoon met beperkingen kan een voorziening worden verstrekt voor huurderving. De hoogte van de voorziening bedraagt niet meer dan de kale huur van de woonruimte voor de duur van maximaal 6 maanden. De eerste maand huurderving komt voor rekening van de verhuurder aangezien dit gebruikelijk is.

Ad f. uitraasruimte

De uitraasruimte is een uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen uitsluitend worden verstrekt in relatie tot het normale gebruik van de woning. Dit is een verblijfsruimte waarin een persoon, die ten gevolge van een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.

Op basis van deskundigenadvies zal worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast.

De uitraasruimte is uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken.

4.1.5 Procedure bij bouwkundige aanpassing

1Er wordt een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opgesteld. Bij aanpassingen boven de € 10.000,00 worden tenminste twee offertes opgevraagd. Bij aanpassingen onder de € 10.000,00 volstaat één offerte.

2Het college beoordeelt de offerte(s), kiest de goedkoopst adequate oplossing en stelt aan de hand daarvan de hoogte van de verstrekking vast.

3Er mag geen begin worden gemaakt met uitvoering van de werkzaamheden voordat de beschikking is afgegeven. Uitsluitend na voorafgaande toestemming van het college kan hiervan worden afgeweken.

4De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing volgens het programma van eisen.

4.1.6 Kosten van woningaanpassingen.

De volgende kosten kunnen worden vergoed:

1De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;

2Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom, met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in De Nieuwe Regeling (DNR). Alleen in gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen.

3De kosten voor het toezicht op de uitvoering, als dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

4De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

5De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare btw;

6De door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;

7De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

8De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening.

4.1.7 Uitbreiding van ruimten

Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de normen aangehouden zoals die zijn vastgelegd in het Handboek voor Toegankelijkheid.

In geval van aanpassing van verharde paden komt er maximaal 20 m2 voor een bijdrage in aanmerking.

4.1.8 Gemeenschappelijke ruimten

Het college kan een woonvoorziening verstrekken voor het treffen van de volgende voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte als de woonruimte zonder deze voorzieningen voor de belanghebbende ontoegankelijk blijft:

a.het verbreden van de toegangsdeuren;

b.het aanbrengen van elektrische deuropeners;

c.de aanleg van een hellingbaan vanaf de openbare weg naar de toegang van het gebouw;

d.drempelhulpen.

In het gespreksverslag worden, in overleg met de cliënt, de contactgegevens van de VVE opgenomen.

Het college verstrekt geen voorziening voor het treffen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van gebouwen voor ouderen en/of personen met beperkingen. De plaatsing van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten is volgens het geldende Besluit bouwwerken en leefomgeving. Dit betekent dat trapliften in gemeenschappelijke ruimten niet worden verstrekt vanuit de Wmo.

Bij verstrekking van bovengenoemde voorziening wordt de voorziening op naam gezet van de aanvrager. Bij overlijden of verhuizen zijn de volgende opties mogelijk:

1de voorziening wordt overgezet op naam van een andere bewoner;

2de VVE of woningbouw neemt het onderhoudscontract over;

3de voorziening wordt verwijderd.

In uitzonderlijke gevallen kan het college het onderhoudscontract doorbetalen, wanneer de verwachting is dat binnen redelijke termijn een andere bewoner gebruik moet maken van de voorziening.

4.1.9 Woonvoorziening in een Wlz-instelling

Mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen voor bewoners van een Wlz-instelling worden verstrekt vanuit de Wlz.

Mobiliteitshulpmiddelen zijn: (elektrische) rolstoelen, aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagen/buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen.

Roerende voorzieningen zijn hulpmiddelen voor zorg en wonen die door meerdere personen gebruikt kunnen worden, zoals tilliften en douchestoelen. Deze voorzieningen worden onderdeel van de inventaris van zorginstellingen.

Voor Wlz gerechtigde-cliënten die zelf de woonlasten betalen of ze nu zelfstandig in een huis wonen of in een geclusterde woonvorm, vallen de mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen onder de verantwoordelijkheid van de Wmo. In geclusterde woonvoorzieningen is het vaak niet nodig en niet wenselijk dat iedere cliënt een eigen tillift, douchestoel of scootmobiel heeft. Het ligt in de rede dat hierover met de woonvorm afspraken worden gemaakt.

4.1.10 Feitelijk hoofdverblijf en bezoekbaar maken

Een voorziening wordt alleen verstrekt als de aanvrager zijn feitelijk hoofdverblijf heeft in de gemeente of zal hebben in de woonruimte waar de voorziening wordt getroffen.

In uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan:

•kinderen met een beperking, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden. Het is een vereiste dat de ouder(s) het feitelijk hoofdverblijf hebben in de gemeente. In situaties waarin sprake is van bezoekregelingen is dit niet mogelijk. Het co-ouderschap zal door middel van een convenant/rechtelijke uitspraak moeten worden aangetoond.

•Als een belanghebbende zijn feitelijk hoofdverblijf heeft in een erkende instelling op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen kan uitsluitend een voorziening worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van één woonruimte. Onder bezoekbaar maken wordt verstaan het kunnen bereiken van de woonkamer en het kunnen bereiken en gebruiken van een toilet(voorziening).

4.1.11 Mantelzorgwoning

Een mantelzorgwoning wordt niet vanuit de Wmo verstrekt.

4.1.12 Primaat van verhuizing

Als vaststaat dat een woning, als gevolg van beperkingen bij het normale gebruik van de woning moet worden aangepast, wordt eerst beoordeeld of verhuizing naar een al aangepaste woning, of naar een goedkoper aan te passen woning, een oplossing is. Dit geldt niet als de kosten van de te treffen woonvoorzieningen (nu en voorzienbaar) het bedrag, genoemd in het Besluit, naar verwachting redelijkerwijs niet zullen overschrijden.

Er zijn grenzen aan het hanteren van het primaat van verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan, dan wel moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van het college bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In de individuele situatie zullen alle relevante factoren worden gewogen.

Termijn

Uit het onderzoek blijkt binnen welke aanvaardbare termijn een oplossing voor het woonprobleem moet zijn gevonden. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of verhuizen een adequate oplossing is.

Sociale en emotionele omstandigheden

Sociale en emotionele omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn onder meer de binding van de aanvrager met de huidige woonomgeving, het sociale netwerk en de nabijheid van voor de aanvrager belangrijke voorzieningen. De sociale omstandigheden moeten zoveel mogelijk worden geobjectiveerd.

In geval de aanvrager zijn werk ‘aan huis’ heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant te worden meegewogen.

Woonlasten en financiële draagkracht

Het college maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de eventuele nieuwe woning. Alle relevante woonlasten worden daarbij in aanmerking genomen, rekening houdend met de actuele situatie op de woningmarkt. Een toename van de woonlasten is acceptabel als die past bij het (gezins)inkomen.

Aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte

Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. In de overwegingen kunnen de volgende kosten worden meegenomen:

•huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al bewoonde woonruimte;

•de kosten van een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten;

•de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning;

•een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving.

De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing

Aangepaste sociale huurwoningen kunnen opnieuw worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging een rol.

Na afweging van deze factoren wordt een beslissing genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Als het primaat van verhuizing wordt toegekend, maar de aanvrager wil niet verhuizen, kan de aanvrager niet in aanmerking komen voor een woningaanpassing.

4.1.13 Verhuis- en herinrichtingskosten

Wanneer er sprake is van een onvoorzienbare verhuizing als het gevolg van beperkingen, kan voor de kosten van verhuis- en herinrichting een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Zie hoofdstuk 6. De hoogte van de tegemoetkoming staat vermeld in het Besluit.

4.1.14 Verhuisverklaring

Een verhuisverklaring kan worden afgegeven wanneer vastgesteld is dat cliënt als gevolg van zijn beperkingen belemmeringen ondervindt in het normaal gebruik van de woning. Gezien de aard van de aandoening is de cliënt in de (nabije) toekomst aangewezen op een gelijkvloerse woning die tenminste moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

•gelegen op de begane grond of bereikbaar met lift;

•douchegelegenheid op afschot.

De verklaring geeft de cliënt gelegenheid in te schrijven op Wmo gelabelde woning bij de woningbouwvereniging. Het geeft de cliënt voorrang op een sociale huurwoning. Wanneer een sociale huurwoning is gevonden moet, voor het tekenen van de huurovereenkomst, contact met het college worden opgenomen om te beoordelen of de woning voldoet aan de voorwaarden.

De cliënt krijgt de mogelijkheid bij het zoeken naar een voor hen passende woning om in plaats van de maatwerkvoorziening verhuisverklaring te kiezen voor de voordelen van de regeling ‘Ouder worden prettig wonen’. Verhuis- en inrichtingskosten kunnen ook (op aanvraag) worden verstrekt wanneer gebruik wordt gemaakt van de regeling Ouder worden prettig wonen.

4.1.15 Woningsanering in verband met luchtwegaandoeningen

Men kan in aanmerking komen voor een voorziening voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (COPD) noodzakelijk is. Sanering is alleen mogelijk als er een duidelijke medische noodzaak is. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding wordt mede bepaald in relatie tot het leefpatroon, de woninginrichting en de ventilatiemogelijkheden. Hierbij valt te denken aan maatregelen met betrekking tot:

•Het schoonhouden van de woning;

•Het houden van huisdieren;

•Het roken in de woning.

Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Bij een verhuizing geldt dit ook. Ook mag worden verwacht dat betrokkenen zelf maatregelen treffen ter voorkoming van aandoeningen aan de luchtwegen.

In de regel kan een voorziening worden verstrekt als:

•De cliënt voorafgaand aan de aanschaf niet had kunnen weten dat aandoeningen aan de luchtwegen zou ontstaan, dan wel verergeren;

•Vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is en de afschrijvingstermijn nog niet is verlopen.

Geen voorziening wordt verstrekt als:

•Het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt;

•De cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert.

•De aanpassing als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd.

De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek (als dit niet algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden). De woonkamer kan ook worden gesaneerd in het geval de aanvrager jonger is dan vier jaar.

4.2 Vervoersvoorzieningen

4.2.1 Inleiding

Ondersteuning bij het lokaal verplaatsen kan noodzakelijk zijn om in de eigen woon- en leefomgeving te kunnen participeren. Het collectieve vervoersysteem heeft het primaat mits hierbij voldoende rekening kan worden gehouden met de persoonskenmerken en de behoeften van de gebruiker. Aanvullend kan zo nodig gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verzorgt.

De vervoersvoorziening is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen (recreatieve verplaatsingen kunnen hier ook deel van uitmaken).

4.2.2 Afwegingskader

De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing. Ziekenvervoer kan bijvoorbeeld een voorliggende voorziening zijn.

•Om tot een juiste probleemstelling te komen en te beoordelen welke ondersteuning er passend en goedkoopst adequaat is, wordt er informatie verzameld over het verplaatsingsgedrag van de aanvrager. Hieronder wordt verstaan: het verplaatsingsmotief (waarom), de verplaatsingsbestemming (waarheen), de verplaatsingsfrequentie (hoe vaak) en de wijze van verplaatsen (hoe en waarmee).

•Komt men voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan onderscheiden we vervoer voor de korte en langere afstand. Het vervoer op de korte afstand is het zogenoemde “loop-“ en “fietsvervoer”. Het vervoer op de langere afstand is het vervoer waarvoor personen zonder beperking het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. In ieder geval bij personen met een zeer beperkte loopafstand (tot maximaal 100 meter) kan op beide terreinen een oplossing worden aangeboden.

•Voorzieningen om zich buiten de directe leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootmobielen of een meeneembare scootmobiel, worden niet verstrekt.

4.2.3 Collectief vervoer

1Bij personen met een loopafstand minder dan 800 meter kan het college beoordelen of het collectief vervoer een passende oplossing is ten aanzien van de probleemstelling. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid van verplaatsen op de plaats van bestemming en het zelfstandig kunnen reizen.

2Als er sprake is van een beperking waardoor de persoon gedurende de rit begeleiding nodig heeft, kan er een begeleidingsindicatie worden verstrekt. Denk hierbij aan: gedragsproblematiek, noodzakelijke medische begeleiding.

3Collectief vervoer is bedoeld voor sociaal recreatieve doeleinden in de regio tot maximaal 25 kilometer vanaf het woonadres of naar een puntbestemming.

4Het collectief vervoer mag niet worden ingezet voor het vervoer van en naar de dagbesteding of werk.

5Als collectief vervoer niet of onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid en participatie, kan het college een individuele voorziening verstrekken.

4.2.4 Bovenregionaal vervoer

Bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Voor bovenregionaal vervoer kan men in aanmerking komen voor de Valys.

4.2.5 Uitbreiding aantal kilometers collectief vervoer

Bij de te verstrekken collectieve vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis (als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de verordening). Van deze bandbreedte kan worden afgeweken als het noodzakelijk is om de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van betrokkene op een aanvaardbaar niveau te brengen en er geen andere oplossingen beschikbaar zijn. Denk hierbij aan:

-Wanneer partner of kind in een Wlz-instelling is opgenomen.

-Wanneer de cliënt niet behoort tot een doelgroep die gebruik kan maken van reguliere activiteiten, waardoor zij zijn aangewezen op specifiek voor die doelgroep georganiseerde activiteiten. Twee activiteiten per week en één familiebezoek in het kader van sociale activiteiten/sport worden binnen de Wmo als passend beschouwd. De bovenmatige kilometers worden aanvullend toegekend.

4.2.6 Rijvaardigheid en gewenningslessen

Een maatwerkvoorziening kan alleen worden verstrekt als deze op een veilige manier kan worden gebruikt. Zo kan het noodzakelijk zijn dat de aanvrager, na het afleggen van een rijvaardigheidstest, eerst rijlessen/verkeerslessen volgt om vast te stellen dat een voorziening veilig kan worden gebruikt. Wanneer op een later moment alsnog twijfel ontstaat, kan van betrokkene worden gevraagd om (nogmaals) een rijvaardigheidstest af te leggen. Als de betrokkene weigert mee te werken aan een rijvaardigheidstest kan dit reden zijn om de voorziening niet te verstrekken. Ook wanneer deze test uitwijst dat de voorziening niet langer veilig kan worden gebruikt, wordt de voorziening ingenomen.

4.2.7 Stalling

Een maatwerkvoorziening welke in bruikleen wordt verstrekt moet gestald worden volgens de afspraken met de leverancier. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd, mits deze voldoet aan de eisen van brandveiligheid. Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. Sinds 1 juli 2024 is het ook expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Als het noodzakelijk is, kan een woonvoorziening worden verstrekt om stalling en opladen mogelijk te maken. Als redelijkerwijs een oplossing is in de bestaande ruimte van de woning (inclusief de tuin), kan aan die oplossing voorrang worden gegeven. Het college kan zo nodig een afdekzeil of een afdakje verstrekken. Van huisgenoten wordt redelijkerwijs verwacht dat zij in bepaalde gevallen kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld bij het buiten- en binnenzetten van een scootmobiel of het verwijderen een aanbrengen van de beschermhoes.

4.2.8 Aanpassingen aan de eigen auto

Een aanpassing aan een eigen auto wordt alleen verstrekt als een auto maximaal 6 jaar oud is. Reden hiervoor is dat de autoaanpassing minimaal 6 jaar mee moet kunnen gaan en een levensduur van 12 jaar voor een auto als reëel wordt gezien. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor voorzieningen die eenvoudig en zonder (aanzienlijke) meerkosten kunnen worden overgezet in een nieuw aan te schaffen auto (denk aan een aangepaste stoel of een kofferbaklift). Als betrokkene binnen de termijn van 6 jaar na verstrekking van de voorziening besluit een nieuwe auto aan te schaffen dan wordt het tot de eigen verantwoordelijkheid gerekend om de noodzakelijke autoaanpassing zelf te realiseren. Als betrokkene na de termijn van zes jaar na verstrekking van de voorziening besluit een nieuwe auto aan te schaffen, maar de auto nog geen twaalf jaar oud is, wordt het tot de eigen verantwoordelijkheid gerekend om de noodzakelijke autoaanpassing zelf te regelen.

4.2.9 Vervoersvoorziening voor bewoners Wlz-instelling.

Als een bewoner van een Wlz-instelling wil deelnemen aan activiteiten die niet door de instelling zijn georganiseerd en buiten de instelling plaats vinden (behalve dagbesteding of werk), kan hij een beroep doen op de Wmo voor het noodzakelijke vervoer.

4.2.10 Financiële tegemoetkoming vervoer

Voor de meerkosten van vervoer kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6.

4.3 Rolstoelen

4.3.1 Inleiding

Voor het incidenteel of dagelijks verplaatsen in en om de woning kan een handbewogen of elektrische rolstoel worden verstrekt.

4.3.2 Afwegingskader

•De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

•Een rolstoel wordt vertrekt wanneer aantoonbare beperkingen het gebruik van een rolstoel noodzakelijk maken voor verplaatsingen in en om de woning.

•Bij de verstrekking van een rolstoel op grond van de Wmo 2015 houdt het college rekening met de mogelijkheid dat een mantelzorger de rolstoel kan duwen. Als er sprake is van één of meerdere mantelzorgers, beoordeelt het college per situatie of het redelijk is om deze taak van hen te verwachten. Hierbij wordt onder andere gekeken naar hun fysieke belastbaarheid, eventuele beperkingen, de verdeling van zorgtaken en het risico op overbelasting. Alleen wanneer geen van de aanwezige mantelzorgers aantoonbaar in staat is om deze ondersteuning te bieden, kan dit meewegen in de beoordeling van de noodzakelijke voorziening.

4.3.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door Wlz gerechtigden

Wlz gerechtigden woonachtig in een instelling kunnen geen aanspraak maken op een rolstoel vanuit de Wmo.

Voor bewoners van een Wlz-instelling met een voor 1 januari 2020 verstrekt mobiliteitshulpmiddel door het college, is een overgangsregeling van toepassing tot het hulpmiddel vervangen moet worden.

4.3.4 Meerkosten sportvoorziening

Voor de meerkosten van een sportvoorziening kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

4.4 Huishoudelijke ondersteuning

4.4.1 Inleiding

Als sprake is van een (dreigend) disfunctioneren van het huishouden kan huishoudelijke ondersteuning (HO) worden ingezet. Cliënten met een (tijdelijke) beperking die daardoor bepaalde huishoudelijke werkzaamheden niet kunnen uitvoeren en/of niet in staat zijn zelf regie te voeren over het huishouden kunnen in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning.

4.4.2 Afwegingskader

•De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

•Huishoudelijke ondersteuning is bedoeld voor mensen die zelfstandig wonen met uitzondering van Wlz-gerechtigden.

•Huishoudelijke ondersteuning is gericht op het schoonhouden van de woning en wordt slechts geboden als dit betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning.

4.4.3 Gebruikelijke hulp

Een persoon komt niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning als één of meer huisgenoten in staat worden geacht het huishoudelijk werk te verrichten (zie ook 3.5).

Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van echtgenoten, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Deze hulp is uitsluitend aan de orde wanneer sprake is van een leefeenheid waarin men gezamenlijk in één woning woont. Bij het onderzoek naar de noodzaak van ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 2.3, wordt beoordeeld:

•of de gevraagde hulp onder gebruikelijke hulp valt; en

•of deze hulp feitelijk geleverd kan worden.

Bij een leefeenheid waarin kinderen aanwezig zijn, wordt verwacht dat zij – afhankelijk van leeftijd, ontwikkeling en belastbaarheid – een bijdrage leveren aan het huishouden. Daarbij gelden de volgende richtlijnen:

Kinderen tot 5 jaar: van hen wordt geen bijdrage aan huishoudelijke taken verwacht.

Kinderen van 5 tot en met 18 jaar: kunnen, afhankelijk van hun individuele mogelijkheden, worden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Voorbeelden hiervan zijn:

•opruimen van eigen spullen;

•de tafel dekken en afruimen;

•afwassen of afdrogen;

•de eigen kamer opruimen en stofzuigen;

•kleding in de wasmand doen.

Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsfase, het psychosociaal functioneren, en het welbevinden van het kind. De schoolprestaties maken hiervan expliciet deel uit.

Huisgenoten van 18 jaar en ouder

Alle huisgenoten van 18 jaar of ouder worden geacht naar draagkracht bij te dragen aan het uitvoeren van huishoudelijke taken, ongeacht of zij een voltijdstudie volgen of voltijds werken. Deze bijdrage wordt als verplichtend beschouwd binnen de leefeenheid.

Er wordt geen rekening mee gehouden of iemand de huishoudelijke werkzaamheden niet wil doen of al dan niet gewend is te doen. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden/lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken.

Als personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijke werkzaamheden hebben gedaan, en dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. Het gaat dan om advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden. De taak wordt niet overgenomen maar via instructies gestuurd.

In bepaalde individuele gevallen kan er aanleiding zijn om van AIV af te zien en regulier huishoudelijke ondersteuning toe te kennen, bijvoorbeeld bij mensen met een (zeer) hoge leeftijd waarbij redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij zich de huishoudelijke taken nog eigen kunnen maken.

Uitzonderingen voor gebruikelijke hulp

•Medisch geobjectiveerde aandoening

Als uit objectief medisch onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft waardoor de huishoudelijke werkzaamheden redelijkerwijs niet kunnen worden overgenomen.

•(Dreigende) overbelasting

In geval van (dreigende) overbelasting van degene die de gebruikelijke zorg levert, zal huishoudelijke ondersteuning in beginsel van korte duur zijn, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven een oplossing te realiseren voor de ontstane situatie.

•Fysieke afwezigheid in verband met werk

Over het algemeen zal alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. De afwezigheid dient te voldoen aan de volgende kenmerken:

•het is inherent aan het werk, en

•heeft een verplichtend karakter, en

•is structureel van aard.

4.4.4 Producten huishoudelijke ondersteuning tot 1 januari 2026 en vanaf 1 januari 2026

Bij het indiceren van huishoudelijke ondersteuning wordt tot 1 januari 2026 gebruik gemaakt van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019

4Bureau HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019, zie: chrome-extension://efaidnbmnnnibpcajpcglclefindmkaj/https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/Normenkader-Huishoudelijke-Ondersteuning-2019-met-aanvulling-2022-bureau-HHM.pdf

en vanaf 1 januari 2026 wordt gebruik gemaakt van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025

5Bureau HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2025, zie: https://www.hhm.nl/werk/handreiking-normenkader-huishoudelijke-ondersteuning/

. Het normenkader bevat de volgende resultaatgebieden:

•schoon en leefbaar huis;

•wasverzorging;

•boodschappen;

•regie/organisatie, AIV;

•maaltijden;

•kindzorg.

Om de omvang van huishoudelijke ondersteuning vast te stellen moet bepaald worden welke activiteiten de cliënt zelf niet kan uitvoeren. Er is gekozen voor normtijden om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden.

Vanwege de nieuwe inkoop voor huishoudelijke ondersteuning gelden er twee verschillende productomschrijvingen, zie bijlage A.

•toelichting Normenkader HHM;

•productomschrijving huishoudelijke ondersteuning tot 1 januari 2026;

•productomschrijving huishoudelijke ondersteuning vanaf 1 januari 2026.

4.4.5 Nadere toelichting resultaatgebieden

Ruimtes waar huishoudelijke ondersteuning betrekking op heeft:

De huishoudelijke hulp maakt schoon in de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, toilet en hal (met trap). Ruimten zoals berging, logeerkamer, zolder en de buitenruimten worden niet schoongemaakt door de huishoudelijke hulp.

Terminologie extra kamer ‘in gebruik’ heeft betrekking op wel of geen slaapkamer:

De terminologie waar deze omschrijving op rust is: een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is die frequent wordt gebruikt door personen binnen de gezamenlijke huishouding, of het is bijvoorbeeld een hobbykamer, dan is het dus voor ‘iets anders’ en dan maakt het in principe niet uit waarvoor dat is.

Boodschappen en/of maaltijden

De cliënt moet kunnen beschikken over maaltijden en/of de boodschappen om de maaltijden te kunnen bereiden. Wanneer het iemand door zijn of haar (tijdelijke) beperkingen niet lukt de maaltijd te verzorgen kan, als voorliggende voorzieningen (zoals boodschappen- en maaltijdenservice/kant-en-klaar maaltijden) ontoereikend zijn, ondersteuning worden ingezet.

Het toedienen van de maaltijd valt buiten de kaders van de Wmo. Als er om medische/geneeskundige redenen hulp nodig is bij de maaltijden, ligt de indicatie (en financiering) hiervoor bij de Zvw. Dit kan ook gelden voor de hierboven genoemde vormen van maaltijdondersteuning (bereiden, klaarzetten, aansporen en toezien).

De ondersteuning met betrekking tot boodschappen en/of maaltijden kan worden ingezet bij de producten HO2 en HO3. Dit is afhankelijk van de situatie en daarmee maatwerk.

Het verzorgen van kinderen

Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor kinderen die tot het gezin behoren als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Bij uitval van één van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Van ouders wordt verwacht dat zij zoeken naar eigen oplossingen: zorgverlof, mantelzorg, inzet sociaal netwerk en andere voorliggende voorzieningen zoals Buurtgezinnen en kinderopvang (t/m 5 dagen per week). Als deze eigen oplossingen (nog) niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput zijn, is hulp voor een korte periode mogelijk zodat de ouder(s) de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te realiseren.

De tijdelijke opvang en/of verzorging van kinderen valt onder organisatie van het huishouden. Het kan zijn dat een ouder ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging en/of opvang van gezonde kinderen uit te voeren. Het kan dan gaan om persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten.

Conform de richtlijn indicatiestelling van de MOzaak worden voor tijdelijke opvang en/of verzorging van kinderen de volgende normtijden gehanteerd;

•naar bed brengen/uit bed halen 10 minuten per keer per kind;

•wassen en kleden 10 minuten per dag per kind;

•eten en/of drinken geven 20 minuten per broodmaaltijd en 25 minuten per warme maaltijd;

•babyvoeding: flesje/borstvoeding 20 minuten per keer per kind;

•luier verschonen 10 minuten per keer per kind;

•naar school/crèche brengen/halen 15 minuten per keer per gezin.

Als meer opvang noodzakelijk is kan meer tijd worden geïndiceerd tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, zoals zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussenschoolse opvang, gastouder, etc. De maximale duur voor opvang is 3 maanden.

4.4.6 Bijzondere woonsituaties

•Kamerverhuur

Als een kamer wordt verhuurd aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) zelf schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten.

•Geclusterd wonen

Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in één huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. De cliënt is verantwoordelijk voor een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten.

•Leef- en woongemeenschappen

Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in één gebouw én vormt met hen een leefeenheid, bijvoorbeeld een kloostergemeenschap. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer. Gezamenlijke ruimtes behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.

4.4.7 Persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning

Voorwaarden voor een PGB zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

Bij het bepalen van de omvang van de huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een pgb wordt uitgegaan van de pgb tarieven zoals bepaald in het Besluit.

4.4.8 Toekenningstermijn

Huishoudelijke ondersteuning kan worden toegekend voor een maximale periode van 5 jaar wanneer de beperkingen langdurig van aard zijn en de ondersteuning blijvend noodzakelijk is.

4.4.9 Voorzetten huishoudelijke ondersteuning na overlijden klant op naam partner

Als een klant overlijdt, kan de huishoudelijke ondersteuning voor maximaal 6 weken overgezet worden op de partner. Dit kan alleen als er sprake is van een gezamenlijk gevoerd huishouden. De uitkeringsadministratie (UA) controleert dit.

Als dit het geval is ontvangt de partner een beëindigingsbrief waarin is opgenomen dat de voorziening Huishoudelijke Ondersteuning voor 6 weken op diens naam wordt gezet, aansluitend op de overlijdensdatum. Voor deze periode is de partner geen eigen bijdrage in het kader van de Wmo verschuldigd. De partner moet zelf contact met het Loket opnemen wanneer er sprake is van langdurige noodzaak voor huishoudelijke ondersteuning. Dit wordt beoordeeld als nieuwe melding Wmo.

4.4.10 Eénmalige grote schoonmaak bij ernstig vervuilde huishoudens

Vanuit de Wmo kan een éénmalige grote schoonmaak worden ingezet. Voor de uitvoering wordt door het Loket een offerte opgevraagd. Na de grote schoonmaak wordt over het algemeen voor minimaal 6 maanden huishoudelijke ondersteuning toegekend (over het algemeen huishoudelijke ondersteuning met begeleiding of pakket met volledige overname). Hierbij is maatwerk mogelijk.

4.5 Begeleiding

4.5.1 Inleiding

Bij begeleiding onderscheiden we individuele begeleiding en dagbesteding. Of individuele begeleiding of dagbesteding wordt ingezet, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Dagbesteding is voorliggend op individuele begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding is gericht op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is dagbesteding de aangewezen vorm van begeleiding.

De ondersteuning is gericht op cliënten met:

•een beperking als gevolg van het ouder worden;

•een psychosociale of psychiatrische problematiek;

•een verstandelijke beperking;

•een lichamelijke of zintuiglijke beperking of chronische ziekte;

•verslavingsproblematiek.

4.5.2 Afwegingskader

•De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

•De beperkingen zijn een gevolg van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem.

•Om voor begeleiding in aanmerking te komen dient sprake te zijn van matig tot ernstige beperkingen op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie of het gedrag. Een cliënt waarbij enkel sprake is van een taalbarrière komt niet in aanmerking voor begeleiding vanuit de Wmo.

4.5.3 De omvang en de intensiteit van de begeleiding

De omvang en de intensiteit van de begeleiding is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Op basis van de te verrichten taken wordt in redelijkheid de maximale omvang, frequentie en intensiteit van de in te zetten individuele begeleiding (aantal uren per week) of dagbesteding (aantal dagdelen per week) bepaald.

Bij individuele begeleiding worden er (persoonsgerichte) doelen opgesteld. Deze doelen worden beschreven in het gespreksverslag. Bij een herindicatie wordt het ondersteuningsplan van de zorgaanbieder opgevraagd en de opgestelde doelen geëvalueerd.

4.5.4 Bij verordening aangewezen algemene voorziening begeleiding

Bij individuele begeleiding en dagbesteding wordt in eerste instantie gekeken of een bij verordening aangewezen algemene voorziening passend is (indien van toepassing). Bij een bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt geen beschikking/besluit afgegeven, maar een machtiging. Bij de machtiging wordt gekeken naar het aantal uur of dagdelen per week, de aanbieder en de duur van de toekenning. Als de bij verordening aangewezen algemene voorziening niet passend is kan individuele begeleiding of dagbesteding toegekend worden als maatwerkvoorziening.

4.5.5 Maatwerkvoorziening begeleiding

4.5.5.1 Maatwerkvoorziening individuele begeleiding

Bij toekenning wordt gekeken naar het aantal uur of dagdelen per week, de aanbieder, de duur van de toekenning en de intensiteit.

De cliënt of het huishouden/gezin wordt zodanig motiverend, adviserend en instruerend ondersteund dat de Cliënt of het huishouden/gezin in staat is zo zelfredzaam mogelijk de algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren, een gestructureerd huishouden te voeren, sociale relaties aan te gaan en te onderhouden en/of maatschappelijk te participeren.

Om dit te realiseren wordt Individuele begeleiding geboden bij:

•het structureren en uitvoeren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle relevante levensgebieden (persoonlijk functioneren, lichamelijke gezondheid, psychische gezondheid, opvoeden en opgroeien, zingeving, financiën en administratie, wonen);

•het aangaan en onderhouden van sociale contacten, aansluitend op wat passend is bij de cliënt;

•het invulling geven aan participatie in de samenleving.

Individuele begeleiding kan ook in groepsverband gegeven worden.

We onderscheiden drie intensiteiten van ondersteuning, gericht op cliënten met verschillende kenmerken en ondersteuningsbehoefte:

•Licht;

•Middelzwaar; en

•Zwaar.

LICHTE ONDERSTEUNING

Individuele begeleiding vanuit trede licht is gericht op het stimuleren en behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en op het voorkomen van achteruitgang.

Met de inzet van deze begeleiding wordt:

•het uitvoeren van praktische vaardigheden en handelingen gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen;

•het aanbrengen van (dag)structuur en het voeren van regie gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen.

De beperking/problematiek van cliënt is niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de Cliënt. Ook is er geen sprake van intensief toezicht op het functioneren van de cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of om complicatie bij een ziekte te voorkomen.

MIDDELZWARE ONDERSTEUNING

Als bij lichte ondersteuning, met als onderscheid dat bij middelzware individuele begeleiding sprake is van:

•meer complexe ziektebeelden: er zijn zodanige stoornissen en beperkingen aanwezig dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is; of

•meer complexe activiteiten: er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de Cliënt of Cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handeling/vaardigheden; of

•meer ontwikkelmogelijkheden richting door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie en zelfstandigheid met minder of zonder ondersteuning. Er is meer focus op trainen en coachen, waardoor gericht aan uitstroom kan worden gewerkt.

Van de ondersteuner wordt methodisch handelen verwacht; hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat of resultaten, volgens het ondersteuningsplan. Het te behalen resultaat kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.

ZWARE ONDERSTEUNING

Net als bij lichte en middelzware ondersteuning wordt geoefend, ondersteund en overgenomen, maar zware ondersteuning wordt ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. Er is veelal sprake van langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijks leven. Over het algemeen is er methodische (traject)begeleiding gericht op verbetering/ontwikkeling nodig. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.

4.5.5.2 Maatwerkvoorziening dagbesteding (inclusief vervoer)

De Cliënt wordt in groepsverband zodanig motiverend, adviserend en instruerend ondersteund dat de zelfredzaamheid, participatie en regie, voor zover aanwezig en zo mogelijk, behouden blijft dan wel bevorderd wordt.

Om dit te realiseren wordt dagbesteding ingezet, die waar nodig/mogelijk bijdraagt aan:

•structuur en veiligheid;

•duurzaam sociaal contact/ontmoeting;

•het ontwikkelen en het behouden van (nieuwe) vaardigheden en interesses;

•de toeleiding naar vrijwillige en arbeidsmatige werkzaamheden;

•ontlasting van mantelzorger(s).

De aard van de in te zetten dagbesteding is afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de Cliënt en kan zijn: (re)creatieve dagbesteding, arbeidsmatige dagbesteding of dagopvang.

We onderscheiden drie intensiteiten van dagbesteding, gericht op Cliënten met verschillende kenmerken en ondersteuningsbehoefte:

•licht;

•middelzwaar; en

•zwaar

Voor alle treden geldt dat het uitgangspunt is dat mensen zelf of met behulp van hun netwerk dan wel andere informele oplossingen naar de betreffende zorglocatie komen. Wanneer eigen oplossingen niet mogelijk zijn en er sprake is van een door de toegang vastgestelde (medische) noodzaak, dient in vervoer voorzien te worden.

DAGBESTEDING LICHT

Dagbesteding licht betreft het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, danwel het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen, danwel arbeidsmatige werkzaamheden. Er worden eventueel (tijdelijk) taken overgenomen die de Cliënten zelf niet meer kunnen en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd.

De Cliënt heeft beperkingen (fysiek en/of mentaal), maar er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de Cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte te voorkomen. Het ziektebeeld van de Cliënt is ook niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de Cliënt.

DAGBESTEDING MIDDELZWAAR

Als bij lichte dagbesteding. Bij dagbesteding middelzwaar wordt, als de Cliënt leerbaar is, gericht op behoud of versterking van de zelfredzaamheid geoefend met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handelingen/vaardigheden. Ook kan gericht op door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie worden getraind/gecoacht ten behoeve van bijvoorbeeld verhoging belastbaarheid (qua werk), waardoor aan uitstroom (naar bijvoorbeeld een re-integratietraject) kan worden gewerkt.

Vanwege de beperkingen (fysiek en/of mentaal) is de Cliënt (nog) niet in staat om deel te nemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag (werk/school of vrijetijdsbesteding), of aan de lichte vorm van dagbesteding. Het gedrag van de Cliënt is voorspelbaar en risico’s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. Er is in beperkte mate toezicht nodig op het functioneren van de Cliënt.

Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht: hij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat volgens een ondersteuningsplan.

DAGBESTEDING ZWAAR

Als bij middelzware dagbesteding waarbij de dagbesteding zwaar is bedoeld voor de meest complexe situaties waarin sprake is van complexe problematiek/ziektebeelden. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. De zorgvraag op basis van ziektebeeld en/of beperkingen is leidend voor de begeleiding. Doel is het voorkomen of vertragen van verergering van problematiek. Deze vorm van dagbesteding biedt met name ondersteuning met dagprogramma voor dagstructurering en (intensieve) begeleiding en toezicht.

Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht: hij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat volgens een Ondersteuningsplan. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.

4.5.6 Toekenningstermijn van de begeleiding

De toekenningstermijn van de ondersteuning wordt afgestemd op de specifieke situatie van de cliënt en het te bereiken doel. De maximale toekenningstermijn is 5 jaar.

4.6 Kortdurend verblijf

4.6.1 Inleiding

Bij kortdurend verblijf wordt de cliënt in een huiselijke omgeving logeeropvang geboden om de mantelzorger te ontlasten, waarbij toezicht en/of zorg noodzakelijk kan zijn. Het verblijf wordt in de regel geboden gedurende een korte, vooraf bepaalde, periode.

In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging en/of persoonlijke verzorging nodig is moet hiervoor apart worden geïndiceerd op grond van de Zvw. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf.

De ondersteuning is gericht op cliënten met:

•een beperking als gevolg van het ouder worden;

•een psychosociale of psychiatrische problematiek;

•een verstandelijke beperking;

•met een lichamelijke of zintuiglijke beperking of chronische ziekte.

4.6.2 Afwegingskader

•De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

•De cliënt heeft de mogelijkheid tot 24 uursbegeleiding/toezicht nodig gedurende maximaal drie etmalen per week.

•De persoon die gebruikelijk zorg biedt, dan wel de mantelzorger dient te worden ontlast.

4.6.3 Product kortdurend verblijf

Bij kortdurend verblijf wordt de cliënt in een instelling met een huiselijke omgeving logeeropvang geboden om de mantelzorger te ontlasten, waarbij toezicht en/of zorg noodzakelijk kan zijn. Het verblijf wordt over het algemeen geboden gedurende een korte periode. Ondertussen hebben de mensen thuis, die normaal de zorg en aandacht geven, tijd voor zichzelf. In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen.

Deze vorm van respijtzorg wordt ook wel logeeropvang genoemd.

Kortdurend verblijf is gericht op mensen met:

•een beperking als gevolg van het ouder worden;

•een psychosociale of psychiatrische problematiek;

•een verstandelijke beperking;

•een lichamelijke of zintuiglijke beperking of chronische ziekte.

De cliënt is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pas voor het collectief vervoer.

4.6.4 De omvang van het kortdurend verblijf

De omvang en frequentie van kortdurend verblijf is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt en zijn mantelzorger. Logeeropvang in het kader van de Wmo kan verstrekt worden tot een maximum van 156 etmalen per jaar. Deze etmalen mogen voor een periode van maximaal 21 etmalen aaneengeschakeld ingezet worden. Op het maximumaantal etmalen per week kan een uitzondering worden gemaakt, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat of om een andere reden tijdelijk afwezig is.

4.6.5 Toekenningstermijn Kortdurend verblijf

De ondersteuning wordt verstrekt voor een periode van maximaal één jaar, om de toegekende etmalen te verzilveren.

4.6.6 Financiering Kortdurend verblijf (Wmo, Wlz of Zvw)

Kortdurend verblijf kan onder verschillende wet- en regelgeving vallen (Wmo, Wlz of Zvw). Kortdurend verblijf valt niet onder de Wmo als:

•Een cliënt blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht en 24 uur per dag zorg in de nabijheid (Wlz).

•Een cliënt is aangewezen op verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg (Zvw).

•Als de mantelzorger tijdelijk langdurig wegvalt, kan de wijkverpleegkundige worden ingezet als het medische gezien niet verantwoord is om alleen thuis te zijn (Zvw).

4.6.7 Toegang Kortdurend verblijf

De toegang tot de ondersteuning verloopt zonder tussenkomst van het college. De ontvanger van kortdurend verblijf ontvangt dan ook geen beschikking. In plaats daarvan meldt de ontvanger zich bij een gecontracteerde aanbieder (zorg in natura). De aanbieder doet een melding als bedoeld in artikel 2 van de verordening bij het college.

Een uitzondering geldt voor kortdurend verblijf via pgb. Hiervoor geldt dat de toegang verloopt via het college conform artikel 5 van de verordening.

4.7 Beschermd wonen en Beschermd thuis

4.7.1 Beschermd wonen

1Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als:

a.er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en hij als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en

b.er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en

c.de cliënt geen hulpvraag kan stellen of een hulpvraag niet kan uitstellen; en

d.de cliënt niet zelfstandig kan wonen en er een noodzaak is tot 24 uurs ondersteuning.

2Het college stelt voorwaarden aan cliënten aan wie opvang of beschermd wonen wordt geboden, verband houdende met het bereiken van een als noodzakelijk vastgesteld ondersteuningsdoel. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op:

a.de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte;

b.de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van het opgestelde ondersteuningsplan;

c.het door de cliënt naleven van de leef- en gedragsregels binnen de voorzieningen;

d.het betalen van de eigen bijdrage;

e.volledige medewerking van de cliënt bij het toewerken naar uitstroommogelijkheden.

4.7.2 Beschermd thuis

Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd thuis als:

a.er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en de cliënt als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en

b.er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en

c.de cliënt een hulpvraag kan stellen en deze hulpvraag met een dagdeel kan uitstellen; en

d.zelfstandig kan wonen met begeleiding die 24 uur bereikbaar is; en

e.de cliënt deze begeleiding accepteert.

4.7.3 Afwegingskader

Voor Beschermd wonen is een regioboek ‘Zo thuis mogelijk’. Dit bevat een werkinstructie voor Beschermd wonen en Beschermd thuis voor de periode 2025-2028 voor de regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget

5.3 Pgb voor diensten

5.3.1 Hoogte pgb voor diensten

De hoogte van het pgb-tarief is vastgesteld in het Besluit en zijn berekend op basis van de tarieven voor de ingekochte zorg in natura (ZIN). Er wordt een onderscheid gemaakt in twee tarieven:

•Voor professionele ondersteuners, waaronder ook zzp’ers, zijn de tarieven vastgesteld op 100% van het zorg in natura tarief;

•Het pgb-tarief voor personen niet werkzaam voor een professionele zorgaanbieder, bijvoorbeeld voor personen uit het sociaal netwerk, bedraagt 75% van het zorg in natura tarief.

Wanneer de dienst huishoudelijke ondersteuning met een pgb wordt afgenomen wordt voor de noodzakelijke inzet het HHM normenkader gehanteerd (zie hoofdstuk 4.4 Huishoudelijke Ondersteuning).

De hoogte van het pgb voor Beschermd wonen die beroepsmatig wordt geboden wordt gebaseerd op maximaal 100% van het toepasselijke ZIN-tarief.

5.3.2 Zorgovereenkomst (ZOK)

Bij een pgb voor diensten is de budgethouder verplicht een ZOK te sluiten met de betreffende zorgverlener. Dit is een contract waarin de afspraken over de zorg, werktijden en vergoeding liggen vastgelegd. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beoordeelt of de ZOK compleet is en juridisch goed is ingevuld. Vanuit de Wmo wordt beoordeeld of de ZOK inhoudelijk goed is ingevuld (datum, zorgomvang en tarief). De ZOK wordt na goedkeuring geaccordeerd in het systeem van de SVB. Vanaf dat moment kan de cliënt declaraties indienen bij de SVB

6Het pgb wordt uitbetaald in de vorm van een trekkingsrecht. Het pgb wordt niet op de bankrekening van de budgethouder gestort, maar op rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgethouder declareert aan de SVB. De SVB betaalt de zorgverlener.

.

Voor Beschermd wonen geldt:

Betaling van de ondersteuning met een vaste maandvergoeding is niet toegestaan. Een budgethouder mag zijn hulpverlener alleen de daadwerkelijk geleverde ondersteuning bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) laten declareren (facturering achteraf, per uur), tenzij het een pgb voor Beschermd wonen in een 24-uursvoorziening betreft.

5.4 Pgb voor producten

5.4.1 Voorwaarden pgb voor woonvoorziening:

Bij een pgb voor een woonvoorziening zijn aanvullend de volgende voorwaarden van toepassing:

1er mag niet al voorafgaand aan deze beschikking een begin zijn gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop dit persoonsgebonden budget betrekking heeft. Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer er sprake is van een acute noodsituatie (artikel 7, lid 3 sub b van de Verordening);

2de cliënt dient de door het college aangewezen personen toegang te verstrekken tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht;

3de cliënt dient de personen onder 2 inzage te geven in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing;

4de cliënt dient de personen onder 2 de gelegenheid te bieden de woningaanpassing te controleren.

5wanneer de cliënt opdrachtgever is dient direct na de voltooiing van de werkzaamheden, tot uiterlijk één jaar na de datum van het toekenningsbesluit, de rekening(en) en bijbehorende betaalbewijzen in te dienen ten behoeve van de gereedmelding. Hiermee verklaart de cliënt aan het college dat de werkzaamheden zijn voltooid.

Wanneer het college een pgb heeft verstrekt kan de cliënt gedurende zes jaar geen beroep doen op hetzelfde type voorziening. Na zes jaar kan, na overlegging van een technisch afkeuringsrapport, de cliënt mogelijk in aanmerking komen voor een nieuwe voorziening.

5.4.2 Hoogte pgb voor producten

Het pgb voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura (op offerte of huurbasis) zou zijn verstrekt, vermeerderd met de instandhoudingskosten voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering over een periode tot de afschrijftermijn van de voorziening is bereikt.

Als het niet mogelijk is het pgb vast te stellen op basis van de huurprijs in natura, wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van de door de aanvrager ingediende en door of vanwege het college geaccepteerde offerte voor de voorziening, het onderhoudscontract en de verzekering. De aanvrager van een pgb zal altijd zelf moeten zorgen voor het adequaat verzekeren van de aangeschafte voorziening.

Voor trapliften geldt dat er voor installatie van de traplift een pgb wordt toegekend aan de hand van een offerte. Daarnaast wordt er voor trapliften een vast bedrag toegekend voor onderhoud en reparatie, volgens het Besluit.

Voor woonvoorzieningen hoger dan €10.000, waarbij het pgb niet kan worden vastgesteld op basis van de huurprijs in natura, dienen twee offertes te worden beoordeeld. Na het overleggen van de offertes geeft de Wmo akkoord. Uitbetaling van het pgb gaat op basis van declaratie. Wanneer de kostprijs van de voorziening lager is dan het toegekende pgb, wordt een herzieningsbesluit genomen met daarin het juiste pgb- bedrag.

Onderhoud en reparatie na verloop van toekenningsperiode van het pgb

Als de voorziening na het verstrijken van de toekenningsperiode van het pgb nog steeds de meest goedkoop adequate passende voorziening is, en de voorziening niet is afgekeurd, kan de cliënt de kosten voor (technische) reparatie en onderhoud tot €500 per jaar indienen bij het college. Wanneer de kosten voor onderhoud- en/of reparatie boven dit bedrag uitkomen dient de cliënt eerst te overleggen met het college.

Bijlage A: Huishoudelijke ondersteuning

Normenkader Huishoudelijke ondersteuning

De normtijden en het niveau van schoon dat behaald kan worden bij de verschillende producten huishoudelijke ondersteuning zijn gebaseerd op het HHM Normenkader (hierna: het normenkader). Het normenkader is gebaseerd op een onafhankelijk onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM. In december 2018 bevestigde de CRvB in haar uitspraak dat dit normenkader voldoet aan de eisen die in mei 2016 werden gesteld aan de onderbouwing van normtijden. In januari van 2025 is het normenkader ten aanzien van de wasverzorging aangepast. Het normenkader is in alle gemeenten van toepassing verklaard.

Het normenkader gaat uit van een ‘gemiddelde ondersteuningsbehoefte’. Het college doet onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en stelt vast welke inzet daarbij passend is.

In het normenkader wordt onderscheid gemaakt in (1) basisactiviteiten en (2) incidentele activiteiten.

1Basisactiviteiten: deze activiteiten dienen regelmatig uitgevoerd te worden, zoals omschreven in het normenkader. Dit gaat onder andere om de volgende werkzaamheden: stof afnemen nat en droog, stofzuigen, dweilen, keukenblok schoonmaken, badkamer en toilet schoonmaken, bed verschonen, afval opruimen.

2Incidentele activiteiten: deze activiteiten worden slecht één of enkele malen per jaar uitgevoerd, zoals omschreven in het normenkader. Dit gaat onder andere om de volgende werkzaamheden: ramen wassen binnenzijde, raambekleding wassen/schoonmaken, meubels schoonmaken, reinigen radiatoren, keukenapparatuur schoonmaken, binnen- en bovenzijde keukenkastjes afnemen, deuren afnemen, deurposten en tegelwanden afnemen.

Deze basis- en incidentele activiteiten moeten ertoe leiden dat cliënten wonen in een ‘schoon en leefbaar huis’. Dat is het geval als de woning normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.

•Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.

•Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

Welke activiteiten daarbij horen is afhankelijk van de situatie van de cliënt.

Producten huishoudelijke ondersteuning tot 1 januari 2026:

Op deze producten is het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van toepassing.

Huishoudelijke ondersteuning basis (HO1)

Inwoners die door een aantoonbare beperking op grond van ziekte of gebrek niet meer in staat zijn om zelf (een deel) van de huishoudelijke taken te verrichten én waarbij niemand in het huishouden of netwerk aanwezig is om deze taken op te pakken kunnen in aanmerking komen voor een indicatie huishoudelijke ondersteuning basis. Er is in dit geval sprake van een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag.

Huishoudelijke ondersteuning basis is opgebouwd in verschillende pakketten waarbij de hieronder beschreven resultaten leidend zijn:

•Pakket A Schoon en leefbaar huis (overname zware huishoudelijke taken), waarbij uitgegaan wordt van gedeeltelijke overname van huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten. In dit pakket zijn cliënten, dan wel cliënten én hun netwerk, in staat een deel van de huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Deze activiteiten kunnen per cliënt variëren. Gemiddeld gaat het om een inzet van 110 minuten.

•Pakket B Schoon en leefbaar huis (overname zware- en lichte huishoudelijke taken), waarbij uitgegaan wordt van ondersteuning bij alle huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Gemiddeld gaat het om een inzet van 125 minuten.

•Pakket C Schoon en leefbaar huis (overname zware- en lichte huishoudelijke taken + wasverzorging), waarbij uitgegaan wordt van overname van alle huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Daarnaast is overname van de wasverzorging aan de orde. Gemiddeld gaat het om een inzet van 168 minuten.

Bij de pakketten wordt uitgegaan van een gemiddelde cliëntsituatie. Voor alle drie de pakketten geldt dat de zorgaanbieder, aan de hand van de persoonlijke situatie van de inwoner, in overleg met de inwoner bepaalt welke activiteiten daadwerkelijk overgenomen moeten worden en in welke frequentie. Het uitgangspunt is dat er wekelijks huishoudelijke ondersteuning wordt geboden, tenzij anders afgesproken tussen de cliënt en de betreffende zorgaanbieder.

Huishoudelijke ondersteuning plus (HO2)

Dit product heeft betrekking op inwoners die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen niet meer in staat zijn (een deel) van de huishoudelijke taken uit te voeren én waarbij sprake is van een grotere ondersteuningsbehoefte dan opgenomen in de gemiddelde cliëntsituatie van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning.

Dit betekent dat als vanwege de benodigde inzet of frequentie een pakket (HO1) niet passend is, omdat er een grotere ondersteuningsbehoefte is, en deze grotere ondersteuningsbehoefte leidt tot een grotere ondersteuningsvraag waardoor een pakket (HO1) niet passend is, HO 2 toegekend kan worden.

Een grotere ondersteuningsbehoefte kan bijvoorbeeld ontstaan door:

•Inwoner is minder in staat om regie uit te voeren over het huishouden;

•Er is sprake van verzwarende omstandigheden, zoals: een aandoening aan de luchtwegen, rolstoelgebondenheid, incontinentie, etc.

HO2 betreft huishoudelijke werkzaamheden gericht op de resultaten: schoon en leefbaar huis. Deze ondersteuning is gericht op de overname van (alle) huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten en indien nodig overname van de wasverzorging. Daarnaast kunnen ook één of meerdere van de volgende punten aan de orde zijn:

•het kunnen beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden;

•het thuis kunnen zorgen voor minderjarige kinderen;

•hulp bij het organiseren van het huishouden.

Welke basis- en incidentele activiteiten daadwerkelijk overgenomen moeten worden, wordt bepaald aan de hand van de situatie van inwoner en is maatwerk. Voor het product HO2 stelt het college het aantal minuten ondersteuning per week vast in de beschikking en in het gespreksverslag. De toekenning wordt qua minuten afgerond op eenheden van 5 (102 minuten wordt 100, 103 minuten wordt 105).

Huishoudelijke ondersteuning compleet (HO3)

HO3 betreft huishoudelijke ondersteuning aan inwoners die vanwege zware en/of complexe problematiek niet of onvoldoende in staat zijn op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren. Er is geen of sterk verminderde eigen regie over het huishouden als gevolg van bijvoorbeeld verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen (dwangmatig, manipulatief, verbaal-agressief, zelfbeschadigend, grensoverschrijdend) en/of een psychische stoornis. Er kan sprake zijn van een vervuilde situatie of overlast.

De ondersteuning is gericht op een schoon en leefbaar huis en overname van (alle) huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Aanvullend kan het gaan om het realiseren van de voldoende resultaten:

•het beschikken over schone en draagbare kleding;

•het beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden;

•het thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen;

•hulp bij het organiseren van het huishouden.

Daarnaast kunnen ook één of meerdere van de volgende punten aan de orde zijn:

•hulp bij een vervuild huishouden of voorkomen dat een huishouden vervuild raakt;

•de cliënt wordt ondersteund in het zelfstandig voeren van het huishouden en het participeren in de samenleving;

•de ondersteuning is gericht op activatie, voorkomen van escalatie door te stabiliseren dan wel achteruitgang te vertragen of te voorkomen;

•de ondersteuning richt zich met name op de leefgebieden: wonen en dagelijkse routine.

Voor het product HO3 stelt het college het aantal minuten ondersteuning per week vast in de beschikking en in het gespreksverslag. De toekenning wordt qua minuten afgerond op eenheden van 5 (102 minuten wordt 100, 103 minuten wordt 105). De inzet wordt afgestemd op de zware en/of complexe problematiek van de cliënt. Gestreefd wordt naar het bereiken van een stabiele situatie. Indien mogelijk wordt, na stabilisatie, afgeschaald naar HO2 of HO1.

Producten huishoudelijke ondersteuning vanaf 1 januari 2026

Op deze producten is het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (of de meest recente versie) van toepassing.

HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING 1

Binnen huishoudelijke ondersteuning 1 (HO1) is sprake van een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag. De focus ligt op het schoon en leefbaar maken en houden van de woning. Dat wordt zoveel mogelijk samen met de cliënt gedaan.

Binnen HO1 wordt onderscheid gemaakt tussen zeven producten:

•HO1 pakket A: Schoon en leefbaar houden van de woning met eigen kracht/netwerk, levering ééns in de twee weken

•HO1 pakket B: Schoon en leefbaar houden van de woning met eigen kracht/netwerk, wekelijkse levering

•HO1 pakket C: Schoon en leefbaar houden van de woning, volledige overname

•HO1 pakket D: Wasverzorging eenpersoonshuishouden gedeeltelijke overname i.v.m. eigen kracht/netwerk

•HO1 pakket E: Wasverzorging eenpersoonshuishouden volledige overname

•HO1 pakket F: Wasverzorging meerpersoonshuishouden gedeeltelijke overname i.v.m. eigen kracht/netwerk

•HO1 pakket G: Wasverzorging meerpersoonshuishouden volledige overname

DOELGROEP HO1 (PAKKETTEN A, B en C EN WASMODULES D, E, F en G)

Cliënten die als gevolg van een lichamelijke beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet in staat zijn een deel van de huishoudelijke taken uit te voeren, maar zelf nog in staat zijn om regie te voeren over het huishouden. Deze cliënten hebben een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag en er is geen sprake van ‘verzwarende omstandigheden’. De ondersteuningsvraag sluit aan op de gemiddelde cliëntsituatie zoals opgenomen in het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning.

RESULTATEN HO1 (PAKKETTEN A, B en C EN WASVERZORGING D, E, F en G)

Binnen de zeven vaste pakketten, vallend onder HO1 van perceel 1A en 2A, kan het gaan om het realiseren van onderstaande resultaten:

1Het schoon en leefbaar houden van de woning;

2Het verzorgen van de was (exclusief strijken).

Deze resultaten worden gerealiseerd binnen de ‘standaard’ normtijden zoals opgenomen in het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning.

HO1 PAKKET A: Schoon en leefbaar houden van de woning met eigen kracht/netwerk, levering eens in de twee weken

Dit pakket biedt gedeeltelijke overname van huishoudelijke taken (exclusief wasverzorging) voor een schoon en leefbaar huis. Het is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte van 150 minuten per twee weken, maar de daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen.

Het college biedt op maat gemaakte ondersteuning volgens de Wmo 2015, wat voor sommige cliënten neerkomt op één keer per twee weken. De cliënt of iemand uit het netwerk kan tussen de momenten van inzet de algemene hygiëne in huis op orde houden. Dit omvat taken zoals het bijhouden van de wastafel en het toilet, afnemen van het aanrechtblad, stof afnemen (Swiffer Duster of vergelijkbaar), en het schoonhouden van de vloeren met een (robot- of steel)stofzuiger of Swiffer. Er zijn geen verzwarende factoren die dit verhinderen. Het college bepaalt of deze inzet passend is.

De specifieke activiteiten variëren per cliënt en worden bepaald op basis van de persoonlijke situatie.

HO1 PAKKET B: Schoon en leefbaar houden van de woning met eigen kracht/netwerk, wekelijkse levering

Dit pakket biedt gedeeltelijke overname van huishoudelijke taken (exclusief wasverzorging) voor een schoon en leefbaar huis. Het is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte van 110 minuten per week, maar de daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen. Deze ondersteuning vindt wekelijks plaats.

In dit pakket kunnen cliënten, of hun netwerk, een deel van de huishoudelijke taken zelf uitvoeren. In tegenstelling tot pakket A lukt het de cliënt niet om de algemene hygiëne (rondom het toilet) bij te houden, waardoor wekelijkse inzet nodig is. De specifieke activiteiten variëren per cliënt en worden bepaald op basis van de persoonlijke situatie.

HO1 PAKKET C: Schoon en leefbaar houden van de woning

Dit pakket biedt volledige overname van alle huishoudelijke taken (exclusief wasverzorging) voor een schoon en leefbaar huis. Het is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte van 125 minuten per week, maar de daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen. De ondersteuning vindt wekelijks plaats.

HO1 PAKKET D, E. F en G: HET VERZORGEN VAN DE WAS

Hierbij is (gedeeltelijke) overname van de wasverzorging (taken zoals opgenomen in het HHM-normenkader Huishoudelijke Ondersteuning) aan de orde. Deze pakketten worden alleen in combinatie met pakket B of C afgegeven.

•Pakket D: Wasverzorging eenpersoonshuishouden gedeeltelijke overname i.v.m. eigen kracht/netwerk (21 min. p/w)

•Pakket E: Wasverzorging eenpersoonshuishouden volledige overname (41 min. p/w)

•Pakket F: Wasverzorging meerpersoonshuishouden gedeeltelijke overname i.v.m. eigen kracht/netwerk (30 min. p/w)

•Pakket G: Wasverzorging meerpersoonshuishouden volledige overname (50 min. p/w)

De tijdsindicatie per pakket is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte per week. De daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen.

Kader afweging pakket A of B:

150minuten per twee weken is de norm. Iemand kan dan de algemene hygiëne

7Dat betekent dat deze ‘op middenhoogte’ een aantal zaken in huis voldoende bij moet kunnen houden: wastafel, aanrecht, toilet(ten) en stof afnemen op middenniveau. De cliënt moet de vloeren kunnen bijhouden: zelf, bijvoorbeeld met een (steel)stofzuiger, Swiffer of met een robotstofzuiger of door iemand anders, etc.

onderhouden. Dit volstaat niet in onderstaande situaties:

-Als een client een indicatie heeft voor wasverzorging, wordt altijd wekelijks de was gedaan. Pakket A om de twee weken is dan geen optie. Pakket B 110 minuten per week wordt dan automatisch geïndiceerd met een waspakket.

-De benodigde extra ondersteuning waardoor tweewekelijks niet volstaat, maar de klant nog wel zelf iets kan doen, kan noodzakelijk zijn als:

a.Extra frequentie nodig is door vervuiling, bijvoorbeeld: (ernstige) incontinentie of (ernstige) tremors.

b.Extragrondigheid vereist bij schoonmaak, vanwege medische noodzaak, zoals: Allergieën, astma, COPD.

Conclusie:

•150 minuten per twee weken wordt de standaard voor huishoudelijke ondersteuning. Mensen kunnen dan dus zelf een deel van de taken uitvoeren, waaronder de algemene hygiëne.

•110 minuten per week wordt ingezet als er ook wasverzorging nodig is.

•110 minuten per week wordt ingezet op basis van intensiteit van vervuiling zie a of vanwege medische noodzaak zie b.

HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING 2

Binnen huishoudelijke ondersteuning 2 (HO2) is sprake van een grotere ondersteuningsbehoefte dan opgenomen in de gemiddelde cliëntsituatie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning. Ook kan ondersteuning bij regie gewenst zijn. Welke resultaten behaald moeten worden wordt per situatie bepaald.

Binnen HO2 is één product opgenomen:

•HO2 Huishoudelijke Ondersteuning (maatwerk)

DOELGROEP HO2 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING (maatwerk)

Cliënten die als gevolg van een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet meer in staat zijn (een deel) van de huishoudelijke taken uit te voeren én waarbij sprake is van een grotere ondersteuningsbehoefte dan opgenomen in de gemiddelde cliëntsituatie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning. Ook kan het gaan om cliënten die minder in staat zijn om regie uit te voeren over het huishouden. Deze cliënten hebben een grotere ondersteuningsvraag of er is sprake van ‘verzwarende omstandigheden’ (zoals een aandoening aan de luchtwegen, een grotere ondersteuningsvraag als gevolg van rolstoelgebondenheid et cetera).

RESULTATEN HO2 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING (maatwerk)

Het kan gaan om het realiseren van de volgende resultaten:

1Het schoon en leefbaar houden van de woning;

2Het verzorgen van de was;

3Gestreken wasgoed indien medisch noodzakelijk;

4Het beschikken over boodschappen en maaltijden;

5Het ondersteunen bij verzorging van de minderjarige kinderen;

6Hulp bij het organiseren van het huishouden (overname en/of ondersteuning bij regie).

Welke basis- en incidentele activiteiten overgenomen moeten worden, wordt bepaald aan de hand van de situatie van cliënt en is maatwerk. Voor het product HO2 stelt Opdrachtgever het aantal minuten per week vast op basis van het HHM Normenkader. De tijd zal worden afgerond op 5 minuten. Uitgangspunt is dat de inzet en frequentie van de ondersteuning wordt afgestemd op de hulpvraag van de cliënt.

HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING 3 (inspanningsgericht)

HO3 heeft als doel het bieden van passende ondersteuning op de grens van huishoudelijke hulp en begeleiding. Uitgangspunt hierbij is het zorgen voor een schoon en leefbaar huis (met lichte begeleiding), maar ook het vergroten van de zelfstandigheid en participatie.

DOELGROEP HO3 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING

Cliënten met een verhoogde behoefte aan ondersteuning op het gebied van huishoudelijke taken, regie en organisatie van het huishouden. Kenmerkend is de nood om de situatie te stabiliseren en de behoefte aan een eenvoudige vorm van begeleiding. De cliënten voldoen aan één of meerdere van de volgende kenmerken:

•Beperkte zelfredzaamheid

•Gevaar van eenzaamheid en verwaarlozing

•Onvoldoende sociaal netwerk

•Gebrek aan regie of regieverlies

Deze kenmerken zijn het gevolg van bijvoorbeeld verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen en/of een psychische stoornis. Er kan sprake zijn van een vervuilde situatie.

RESULTATEN HO3 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING

De ondersteuning is gericht op:

1Schoon en leefbaar huis, aanleren van structuur in het huishouden, praktische ondersteuning;

2Activeren en stimuleren van zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij.

Het kan gaan om het realiseren van de volgende resultaten:

1Het schoon en leefbaar houden van de woning;

2Het verzorgen van de was;

3Gestreken wasgoed indien medisch noodzakelijk;

4Het beschikken over boodschappen en maaltijden;

5Het ondersteunen van verzorging voor de minderjarige kinderen;

6Hulp bij het organiseren van het huishouden (overname en/of ondersteuning bij regie).

Daarnaast kan het bij deze doelgroep gaan om de volgende aanvullende resultaten:

7Zorgen voor structuur en lichte begeleiding bij het organiseren van het dagelijkse huishouden;

8Het stimuleren en bevorderen van zelfredzaamheid, door de cliënt zelf de dagelijkse noodzakelijke activiteiten uit te laten voeren, en de cliënt daardoor zelfstandig een huishouden te kunnen laten voeren;

9Helpen/ondersteunen bij het regelen/uitvoeren van dagelijks praktische bezigheden gericht op het huishouden, administratie en dagelijkse routine;

10Hulp bij een vervuild huishouden of voorkomen dat een huishouden vervuild raakt;

11Stabilisatie van de situatie en voorkomen/vertragen van achteruitgang;

12Het stimuleren van participatie van de cliënt in de eigen leefomgeving. Dat kan gaan over het zoeken van contact met mensen in de omgeving of door aansluiting bij bestaande voorzieningen en/of activiteiten.

Welke basis- en incidentele activiteiten overgenomen moeten worden, wordt bepaald aan de hand van de situatie van cliënt en is maatwerk. Voor het product HO3 stelt Opdrachtgever het aantal minuten per week vast, dit kan variëren per cliënt en wordt afgerond op 5 minuten. Indien mogelijk wordt afgeschaald naar de producten vallend onder HO1 en HO2 Huishoudelijke Ondersteuning).

De resultaatgebieden, de activiteiten en frequenties (paragraaf 4.4.5)

Per resultaatgebied wordt in het normenkader aangegeven welke activiteiten daaronder kunnen vallen. In de beschikking aan de cliënt dient te worden aangegeven voor welke resultaatgebieden de huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt (=waar de hulp uit bestaat) en welke activiteiten daartoe gerekend kunnen worden. Ook staat er vermeld dat de taken die iemand zelf kan doen, zelf moet doen.

Bij huishoudelijke ondersteuning in natura worden in een gesprek tussen de aanbieder en de cliënt de te verrichten werkzaamheden overeengekomen. De door de aanbieder te verrichten werkzaamheden worden afgestemd op de mogelijkheden van de cliënt en zijn netwerk. De uitkomst van dit gesprek wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan, dat door de cliënt en de aanbieder wordt ondertekend.

De omvang die nodig is om de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren is maatwerk. Op basis van het normenkader wordt de frequentie bepaald (zie overzicht). Dit kan wekelijks (normenkader 2019) of om de week zijn (normenkader 2025).

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.