Aanhef
De raad van de gemeente Blaricum;
gelezen het voorstel d.d. 11 november 2025 van het college van burgemeester en wethouders;
gelet op de artikelen 228 van de Gemeentewet;
B E S L U I T:
de volgende
VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN PRECARIOBELASTING GEMEENTE BLARICUM 2026
vast te stellen:
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
1Deze verordening verstaat onder:
a.een jaar: een kalenderjaar;
b.een maand: een kalendermaand;
c.een week: een kalenderweek;
d.een dag: een etmaal;
e.een dagdeel: een ochtend (6-12 uur), middag (12-18 uur), avond (18-24 uur); of nacht (0-6 uur);
f.een vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.
2Een gedeelte van een in het eerste lid, onder a. t/m d. genoemde eenheid wordt als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam precariobelasting wordt ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, een belasting geheven overeenkomstig de navolgende bepalingen.
Artikel 3 Belastingplicht
1Precariobelasting wordt geheven van degene die een voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.
2In afwijking in zoverre van het tweede lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het tweede lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
Artikel 4 Heffingsgrondslag
1De belasting wordt geheven naar de in deze verordening opgenomen maatstaven en tarieven, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.
2Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan.
Artikel 5 Oppervlakte
1Bij het hebben van voorwerpen op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, wordt de oppervlakte bepaald op die, welke door de voorwerpen wordt overdekt.
2Bij het hebben van voorwerpen onder gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, wordt de oppervlakte bepaald op die, uitgaande van een horizontale projectie van de voorwerpen.
Artikel 6 Tarief
Het tarief bedraagt
1voor tijdelijke (tent)overkappingen per m² per dag € 2,83
2voor het plaatsen van een afzetbak (container), zeecontainer/bouwkeet, per dag,
a.dag 1 en 2 € 0,00
b.dag 3 € 6,33
c.dag 4 € 12,66
d.dag 5 € 19,00
e.dag 6 € 25,34
f.dag 7 en verder € 31,66
g.met een maximum van € 1.000,- per 2 maanden.
3voor het plaatsen van bouwmaterialen en materieel
a.per m² per dag € 6,67
b.met een maximum van € 1.000,-
4voor objecten onder openbare gemeentegrond, te weten leidingen, kabels, kokers, buizen, draden of soortgelijke voorwerpen per strekkende meter, per jaar € 1,39
5voor objecten boven openbare gemeentegrond, te weten leidingen, kabels, kokers, draden of soortgelijke voorwerpen per strekkende meter, per jaar € 2,62
Artikel 7 Belastingtijdvak
1In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.
2In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.
Artikel 8 Wijze van heffing
1De in deze verordening genoemde belasting, waarvoor een jaartarief geldt, wordt geheven bij wege van aanslag.
2De overige belasting wordt geheven door middel van een gedagtekende nota of een gedagtekend besluit, waarin het verschuldigde bedrag wordt vermeld. Het bedrag wordt door toezending of uitreiking van de nota of het besluit aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 9 Tijdstip van betaling
1De belasting, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1, is invorderbaar in één termijn, welke vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op die van de dagtekening van het aanslagbiljet.
2De belasting, zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 is invorderbaar in één termijn, welke vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening van de nota of het besluit.
3De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijn.
Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 50,00.
Artikel 11 Vrijstellingen
De belasting wordt niet geheven ter zake van:
1voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeente grond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;
2voorwerpen en werken ten behoeve van percelen, waarvan de gemeente krachtens recht van bezit of enig ander zakelijk recht de genothebbende is, met uitzondering van die percelen, welke aan derden zijn verhuurd;
3de door TNT en/of KPN aangebrachte brievenbussen, postzegelautomaten, telefooncellen en niet tot reclame dienende aanwijzingen voor het publiek;
4wegwijzers en verkeersaanwijzingen van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB en van andere overeenkomstige instellingen;
5halteborden, wachthuisjes en dergelijke ten dienste van openbare middelen van vervoer;
6buizen tot lozing van fecaliën, van huishoud- of hemelwater, welke rechtstreeks aansluiten op de gemeentelijke riolering;
7voorwerpen, gebruikt voor activiteiten met een politiek, godsdienstig, geestelijk, wereldbeschouwelijk, sociaal, weldadig doel dan wel, voor zover geen sprake is van een directe of indirecte commerciële (neven)activiteit, voor activiteiten met een sportief, cultureel, recreatief of mediadoel;
8borden tot verhuur of verkoop van woningen of percelen, in het geval deze borden aan de te verhuren of te verkopen woningen of percelen zijn bevestigd;
9oplaadpalen en daarbij behorende kabels, leidingen en andere voorwerpen voor het opladen van (mede) elektrisch aangedreven auto’s, motoren, brom- en scootmobielen en fietsen;
10buizen, kabels, draden of leidingen ter zake waarvan op grond van de Gaswet of de Elektriciteitswet een netbeheerder is aangewezen.
Artikel 12 Kwijtschelding
Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering.
Artikel 14 Overgangsrecht
De "Verordening Precariobelasting 2025", vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van 18 december 2024, wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich vóór die datum hebben voorgedaan.
Artikel 15 Inwerkingtreding
1Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.
2De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 16 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening precariobelasting gemeente Blaricum 2026".
Ondertekening