Aanhef
Inleiding
Op 26 maart 2024 heeft de gemeenteraad van Blaricum ingestemd met het Beleidsplan kapaanvragen Blaricum. In dit beleidsplan zijn kaders gesteld en is een afwegingskader opgenomen, die ten doel hebben eenduidige en transparante afwegingen mogelijk te maken bij de beoordeling van kapvergunningaanvragen.
In dit sanctiebeleid wordt het handhavingsaspect behorend bij kapvergunningen en/of illegale kap nader uitgewerkt. Dit sanctiebeleid omvat beleidsregels die ten doel hebben duidelijkheid en transparantie te verschaffen bij de toepassing van handhavingsinstrumenten, die enerzijds vanuit de wet in formele zin, zoals de Algemene wet bestuursrecht, voortvloeien en anderzijds door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) nader worden aangescherpt.
Er bestaan verschillende soorten overtredingen met betrekking tot het vellen van houtopstanden. In dit sanctiebeleid wordt de nadruk gelegd op drie meest voorkomende overtredingen:
-Illegale velling (artikel 3.71 Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: VFL)
-Niet voldoen aan de in de omgevingsvergunning opgenomen herplantplicht (artikel 3.74 VFL)
-Niet voldoen aan de herplantplicht op basis van artikel 3.75 VFL.
Dit sanctiebeleid staat er echter niet in de weg om handhavend op te treden tegen overtredingen die minder voorkomen, zoals bijvoorbeeld het niet voldoen aan andere voorschriften die in de kapvergunning zijn opgenomen. Een voorbeeld daarvan is dat de vergunninghouder in strijd met een voorschrift van de kapvergunning handelt, door tijdens de herplant geen maatregelen te nemen die een andere (belendende) boom dienen te beschermen. Voor overtredingen die niet in dit beleid naar voren komen, wordt casuïstisch gekeken naar de ernst van de overtreding en daaraan een sanctie verbonden die passend wordt geacht. Dit geldt ook voor gevallen waarin het gevaar voor een (herhaaldelijke) overtreding klaarblijkelijk dreigt.
In het sanctiebeleid worden de mogelijke handhavingsmiddelen uitgewerkt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen en strafrechtelijke sancties. Het college is bevoegd om bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen in te zetten, maar strafrechtelijke sancties horen bij de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. In het laatste geval kan het college een aangifte doen.
De mogelijke bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen zijn:
-De last onder dwangsom (afdeling 5.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
-De last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1 Awb).
Op grond van jurisprudentie is het bestuursorgaan verplicht bij het inzetten van handhavingsmiddelen het subsidiariteitsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel, ook wel aangeduid als het beginsel van de minste pijn, houdt in dat het bestuursorgaan moet kiezen voor het minst ingrijpende handhavingsmiddel dat effectief is om de overtreding te beëindigen. De last onder dwangsom heeft daarbij vaak de voorkeur boven de last onder bestuursdwang, omdat het de overtreder de gelegenheid geeft zelf de overtreding te herstellen zonder directe inmenging van het bestuursorgaan. Slechts wanneer een dwangsom niet effectief of passend is, mag bestuursdwang worden toegepast. Deze afweging is verplicht op grond van het evenredigheidsbeginsel en wordt bevestigd in vaste rechtspraak van onder andere de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tot slot is in dit sanctiebeleid ook een hardheidsclausule (paragraaf 4) opgenomen, zodat het college van burgemeester en wethouders, indien noodzakelijk, kan afwijken van het beleid.