Aanhef
Dit rapport dient ter onderbouwing van de totstandkoming van de archeologische beleidskaart voor de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren (BEL combinatie). Doel van de beleidskaart en de daaraan gekoppelde voorschriften is om een transparant afwegingskader te bieden ten aanzien van de noodzaak tot archeologisch onderzoek binnen de drie gemeenten.
Hoofdstuk 3 De archeologie van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren
Paragraaf 3.2 Prehistorie
Artikel 3.2.1 Jagers en Verzamelaars
Het landschap van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren veranderde drastisch gedurende het Pleistoceen, de periode van de ijstijden. Dit tijdvak begon omstreeks 2,6 miljoen jaar geleden en duurde tot ca. 8000 voor Christus. In de voorlaatste ijstijd, het Saalien (240.000 - 130.000 jaar geleden) drongen de gletsjers van het Scandinavische landijs door tot in Midden Nederland. Gedurende het opschuiven van de gletsjers naar het zuiden werden de afzettingen van de voorheen noordelijker stromende rivieren Maas en Rijn opgedrukt in hoge ruggen. De pleistocene afzettingen binnen de die gemeenten bestaan uit een hoge stuwwal van grind, zand en klei, smeltwaterafzettingen aan de zuidwestzijde van deze stuwwal en dikke dekzandafzettingen op de flank en ten oosten van de stuwwal.
Binnen het gebied loopt deze stuwwal van Huizen, ten westen van Blaricum en Laren, en buigt dan naar het zuidoosten af tussen Laren en Hilversum. Het betreffende gebied is heuvelachting en bestaat nu voornamelijk uit bos- of heidegebieden. Ten tijde van de aanwezigheid van het ijs gedurende het Saalien stroomde het smeltwater door de stuwwal naar het zuidwesten, waarbij het materiaal van de stuwwal werd geërodeerd en afgezet als een smeltwaterwaaier. Deze waaier bestaat nu uit het vlakke en flauw afhellend heide landschap van de Westerheide. Ten oosten van de stuwwal ontstond door de schuring en het gewicht van het ijs een dal van tientallen meters beneden NAP.
Gedurende een warme periode tussen de een na laatste en de laatste ijstijd, het Eemien (130.000 - 115.00 jaar geleden), smolten de ijskappen. De naam van de periode is verbonden aan het gletsjerdal, waarin later de rivier de Eem zou gaan stromen. Het diep uitgeschuurde dal werd deels opgevuld met door het ijs vermalen en gemengd zand en grind. Echter voor een belangrijk deel werd het door het ijs uitgeschuurde dal ook opgevuld met een dik pakket zeeklei toen het dal overspoeld werd door de Noordzee.
Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 - 8.000 voor Christus) reikte het landijs niet tot Nederland. Het klimaat in Nederland was echter wel zeer koud en droog. Er was weinig begroeiing aanwezig. Hierdoor kon het aan de oppervlakte liggende zand in Nederland opwaaien. Het verwaaide zand werd onder meer afgezet in de luwte aan de oostzijde van de stuwwal van Blaricum en Laren en in het gedeeltelijk met klei opgevulde Eemdal. De dikke laag zand bedekte grote delen van het landschap van voor de laatste ijstijd en wordt daarom dekzand genoemd. Direct achter de oudere stuwwal is hierdoor een vlak en flauw naar het oosten afhellend landschap ontstaan waarop de dorpen Laren en Blaricum en de akkergebieden rondom die dorpen zijn ontstaan. Opmerkelijk is dat ten oosten van Eemnes smalle en langgerekte dekzandruggen voorkomen, ongeveer parallel aan de stuwwal. Deze ruggen zijn mogelijk ontstaan door de wind.
Na het einde van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, werd het klimaat in Nederland weer warmer. Het landschap raakte begroeid met vegetatie en daardoor stopte de verplaatsing van zand door de wind. Daarnaast begon de zeespiegel snel te stijgen en daaraan gekoppeld ook de grondwaterstanden. Het regenwater dat in het nog niet geheel opgevulde Eemdal viel, verzamelde zich in een riviertje, de Amer/Eem. Deze stroomde door het dal naar het noorden.
Door de steeds hogere grondwaterstanden konden in de lage delen van het Eemdal de plantenresten niet meer vergaan en ontstond een veenpakket. Dit werd het veengebied van het latere Eemnes. Door de steeds verder stijgende grondwaterstanden werd het veenpakket steeds dikker en groeide langzaam naar het westen steeds hoger op de flauw hellende dekzandafzettingen. Het riviertje de Eem kronkelde door dit veengebied en zette bij overstromingen kleiige sedimenten af op het veen. Langs dit riviertje ontstond zo aan weerszijden een smalle kleiige rug, een oeverwal, waarop mensen relatief veilig konden wonen. Het veenpakket werd uiteindelijk zo dik dat het de dekzandruggen in Eemnes bedekte, namelijk tot aan de huidige snelweg A27 op de dekzandhelling.
Ten noorden van het onderzoeksgebied ontstond na de laatste ijstijd, mede door een regelmatig terugkerende inwerking van de zee een grote waterplas. Dit is de voorloper van het huidige IJsselmeer. Deze waterplas was gedurende de eerste 8000 jaar afwisselend een meer en een binnenzee, d.w.z. verbonden met de zee.
Het bovenstaande overzicht klinkt koud en de mens lijkt afwezig in het verhaal. Echter, voor of na de periode van het Saalien toen de gletsjers het gebied bedekten, hebben er mensen in het gebied rondgetrokken. De eerste (sporadische) aanwijzingen van menselijke aanwezigheid gaan terug tot de periode 300.000-35.000 v. Chr. In de Kuil van Koppel te Laren en ter plaatse van het ziekenhuis in Blaricum zijn vuursteenafslagen uit het Midden Paleolithicum gevonden.
Vanaf circa 6000 v. Chr. (Mesolithicum, 8800 - 5300 v. Chr.) kunnen we spreken van substantiële menselijke activiteiten (Wimmers 1992; Wimmers et al. 1993). Van de mensen die vanaf 6000 v. Chr. het gebied op de Gooise stuwwal en in de Eemvallei bevolkten, is bekend dat zij een nomadisch bestaan leidden. Het waren zogenaamde jagers-verzamelaars, die leefden van wild, gevogelte, vissen, noten, vruchten en planten. Zij trokken met de seizoenen mee achter het wild aan. Daarom
leefden zij in tijdelijke tentenkampen. Deze levenswijze laat weinig sporen na. Het achtergelaten organische materiaal vergaat met de jaren in de droge zandgronden. Wat overblijft zijn vooral vuurstenen werktuigen, zogenaamde microlithen. Dit zijn zeer fijn bewerkte, kleine vuurstenen werktuigen (krabbers, stekers en messen) en pijlpunten. In grote getale wordt dit type vondsten binnen de drie gemeenten aangetroffen. In Eemnes zijn verschillende vuursteenvindplaatsen bekend op de dekzandrug die van noord naar zuid door de Noordpolder te Veld loopt. Op de stuwwal zijn in de omgeving van de Aardjesberg, Tafelberg, Laarder Wasmeer en Blaricummermeent bekende vindplaatsen.
Artikel 3.2.2 Vroege Landbouwers
In het Neolithicum (Nieuwe Steentijd), de periode van 5300 tot 2000 v. Chr., doen de landbouw en veeteelt hun intrede. Een vaste levenswijze, met een vaste woonplaats, is essentieel om eigen gewassen te kunnen zaaien en oogsten. Uit deze tijd stammen de eerste boerderijtjes. Ook doet het eerste aardewerk zijn intrede, in de vorm van voorraadvaten (Klokbekers, Standvoetbekers en Trechterbekers). Kenmerkende vuurstenen werktuigen zijn de bijlen (flint-ovalbeilen).
Zoals boven is vermeld, groeit gedurende deze periode het veenpakket verder en ontwikkelt zich de voorloper van het huidige IJsselmeer/voormalige Zuiderzee. Door de toenemende vernatting van het gebied rondom Eemnes circa 4000 jaar geleden veranderden de laag gelegen delen in een veenmoeras waarin geen bewoning meer plaats vond. Bewoning concentreerde zich voornamelijk op de hoger gelegen stuwwallen van het Gooi en in mindere mate op oeverwallen van de Eem. De eerdere bewoningsresten verdwenen onder nieuwe lagen klei die werd afgezet door overstromingen vanuit de Zuiderzee en onder nieuwe pakketten veen.
Sporen van bewoning uit deze periode zijn onder andere bekend van de eerdergenoemde dekzandruggen, in de polders van Eemnes, de Blaricummerheide, de Postiljon/Vredelaan te Laren en de grafheuvels op de Westerheide en rondom de Zeven Bergjes op de Zuiderheide.
In de Bronstijd (2000 - 700 v. Chr.) verdwijnt het gebruik van vuurstenen werktuigen geleidelijk en doen bronzen werktuigen hun intrede. Landbouw legt een steeds groter beslag op de beschikbare ruimte. Uiteindelijk worden bossen gekapt en/of platgebrand om nieuwe gronden voor landbouw en veeteelt te creëren. Een van de gevolgen is het verschralen van de bodem en uiteindelijk het ontstaan van zandverstuivingen, zoals aan de zuidoostzijde van Laren. Sporen van nederzettingen, in de vorm van verspreide boerderijen, zijn onder andere gevonden bij de Blaricummerheide, Boissevainweg en Tafelberg. In de Bronstijd raakte het cremeren van de doden in zwang. Grafheuvels met daarin crematiegraven zijn bekend rond de Aardjesberg en de Zeven Bergjes. Deze trend zet zich door in de IJzertijd (700-12 v. Chr.). Op den duur wierpen de mensen geen grafheuvels meer op, maar hergebruikten de bestaande heuvels, of begroeven de urn met as in de grond. De Westerheide bevat waarschijnlijk een van de grootste urnenvelden van Nederland (Historisch Canon TVE; Cruysheer 2008).
De periode IJzertijd tot aan de Vroege Middeleeuwen is relatief onderbelicht. Behalve grafvelden zijn uit de IJzertijd vooral losse aardewerkvondsten bekend. Mogelijke nederzettingen zijn aangetroffen bij de Tafelberg en Blaricummerheide. Vooralsnog lijkt het er op dat de mensen in de loop van de IJzertijd zijn weggetrokken van de zandgronden op de stuwwal. Wellicht heeft de ‘uitvinding’ van de ijzeren ploeg hierbij een rol gespeeld. Met dit werktuig konden namelijk ook kleiige gronden in cultuur worden gebracht en was men dus niet meer gebonden aan de (schralere) zandgronden.
Paragraaf 3.4 Middeleeuwen
Artikel 3.4.1 Vroege Middeleeuwen
Ongeveer 1000 jaar geleden komt de voorloper van het IJsselmeer in verbinding te staan met de Noordzee. Hierdoor ontstond een binnenzee, de Zuiderzee, die bij stormen regelmatig ook het veengebied van Eemnes overstroomde. Hierdoor werd een laag klei afgezet. Ook vanuit de rivier de Eem wordt klei afgezet op het laag gelegen veengebied.
Inklinking van de grond door ontginning en de latere overstromingen zorgden ervoor dat de mensen die woonden op de oeverwallen van de Eem moesten verhuizen naar hoger gelegen plaatsen. Als gevolg hiervan begon men dijken langs de Eem aan te leggen in een poging om de weidegebieden en het hooiland te beschermen tegen overstromingen. De lage dijken waren niet altijd een afdoende bescherming tegen het water getuige de vele wielen langs de Zomerdijk. Hierdoor werd tot aan het dorp telkens opnieuw klei afgezet op het veen. Ten westen van het dorp Eemnes verdween de dunne laag veen die op het dekzand voorkwam door afgraving en oxidatie. Hierdoor kwamen archeologische waarden uit eerdere perioden dichter aan het oppervlak te liggen.
Verder ten westen bleef de situatie relatief stabiel. De grind- en kleiafzettingen van de stuwwal waren in het verleden belangrijke grondstoffen waardoor op verschillende plaatsen in de stuwwal kleine en grote groeves voorkomen. Vooral langs de zuidwest-rand van de stuwwal in Laren komen groeves voor, maar ook op de Blaricummerheide is een grote groeve geweest.
Vanaf de Middeleeuwen wordt de ontwikkeling van de bewoning in het gebied duidelijker. In de periode van de Vroege Middeleeuwen lijken de nederzettingen Blaricum en Laren te ontstaan. Vanuit etymologisch perspectief duidt de naam Blaricum op een ontstaan in de periode tussen de 5e/6e en 9e eeuw. Op een soortgelijke wijze kan het ontstaan van Laren bij het Sint Janskerkhof eveneens in deze periode worden geplaatst. De oorspronkelijke naam is waarschijnlijk Laer, wat “open plek” betekent. De bakermat van het dorp Laren is het nog bestaande bouwland (De ‘Eng’) ten oosten van het tegenwoordige Sint Janskerkhof, waar zich mogelijk in de 5e eeuw boeren vestigden. Gelet op de grote overeenkomst in nederzettingsstructuur is het aannemelijk dat Blaricum en Laren in dezelfde periode zijn ontstaan, waarschijnlijk vanuit een klein cluster hoeven. Deze nederzettingen liggen bovendien beide op en boven circa 5 m. NAP, op de overgang van stuwwal naar middelhoge dekzanden. Verondersteld wordt dat dit ook de overgang vormde tussen bouwland en intensief benut weidegebied. Dergelijke overgangszones zijn in geheel Nederland bekend vanwege de situering van vroegmiddeleeuwse nederzettingen (Harten 1976; Berendsen 1997; Bakker en Ypey 1964; Wimmers et al 1993).
Vondstmateriaal uit deze periode is schaars. Op de Aardjesberg zijn aardewerkscherven uit de 7e-8e eeuw aangetroffen die kunnen duiden op een nederzetting daar. Ook rond het Sint Janskerkhof vermoeden sommigen de aanwezigheid van een vroeg middeleeuwse nederzetting. Eind 11e eeuw werd hier vermoedelijk een kerk gesticht - op die van Naarden na de oudste van het Gooi - voor de omliggende dorpen.
Artikel 3.4.2 Late Middeleeuwen
Vanaf de Late Middeleeuwen (1050-1500) komen de nederzettingen Blaricum, Eemnes en Laren tot bloei. De kernen van Blaricum en de nieuwe nederzetting van Laren ontwikkelen zich gedurende deze periode en de opeenvolgende Nieuwe Tijd tot zogenaamde esdorpen. Hier lag het bouwland (akkers) bijeen in essen of enken. Door middel van jaarlijkse plaggenbemesting werd de vruchtbaarheid van deze gronden verhoogd. Door het opbrengen van plaggen kwam het maaiveld steeds hoger te liggen, waardoor de thans nog herkenbare bolling in de akkers optrad. De plaggenmest bestond uit afgestoken heide, vermengd met mest van vee. Rondom de esdorpen lagen uitgestrekte heidevelden. Door begrazing met schapen werd voorkomen dat deze velden dichtgroeiden. Tevens zorgden de schapen voor de benodigde mest voor de akkers van de dorpen.
Blaricum.
Zoals vermeld is het dorp waarschijnlijk ontstaan uit een vroegmiddeleeuwse nederzetting.
Blaricum was vermoedelijk een klein buurtschap met hier en daar hutten en eenvoudige huisjes. De kleine boeren maakten gebruik van het omliggende weidegebied. In 1381/82 komt men Blaricum voor het eerst tegen in de archieven. In het midden van de 15e eeuw had Blaricum 65 haardsteden (huizen). Net als Laren was Blaricum een klein esdorp, dat in het kielzog van Laren – mede door de aansluiting op het tramnet van de Gooise Stoomtram in 1882 – een vestigingsplaats werd voor rijke Amsterdammers en kunstenaars. Bijzonder aan Blaricum is dat het tegen de grens met Laren van 1899 tot 1911 de Kolonie van de Internationale Broederschap van Prof. Jacob van Rees huisvestte.
Laren.
Op de oudste kaart van het Gooi (figuur 3) is te zien dat er sprake is van twee plaatsaanduidingen Laren, namelijk zowel bij het Sint Janskerkhof als bij de Brink. De algemene geschiedschrijving is dat de bebouwing van Laren van de 7e eeuw tot in de 15e eeuw hoger tegen de
stuwwal lag en daarna afzakte naar het lager gelegen gebied, dichter bij het grondwater en weidegronden. Dat water was gezakt door het verdwijnen van het veen rondom de Gooise hoogten. Vanaf omstreeks 1260 heeft op het Sint Janskerkhof een stenen parochiekerk gestaan, gewijd aan Sint Vitus, waarschijnlijk als opvolger van een houten voorganger. De kerk is in 1586 afgebroken (Van der Voort 2010).
Voor de 16de eeuw ontstaat het es- of brinkdorp Laren op de plaats van het huidige Laren. Daar lag een poel die gebruikt werd als drenkplaats voor het vee. Het was het laagst gelegen gedeelte van de nederzetting. Deze vijver had de naam ‘Coeswaerde’ (afgeleid van Koewade, oftewel de drenkplaats voor de koeien) (Tol 1986, Historische Kring Laren). Hier omheen vormde zich de brink: een langgerekt driehoekig plein, omzoomd door boerderijen.
Eemnes.
In het zuidoostelijke puntje van de huidige gemeente Eemnes is de eerste bewoningskern van het dorp gelegen, thans Eembrugge geheten. Deze nederzetting dateert uit de twaalfde eeuw. De ligging is te verklaren uit het feit dat hier de eerste veenontginningen aanvingen. Het zwaartepunt van deze nederzetting Ter Eem lag echter ten oosten van de Eem tegenover de Nes. Kasteel Huis Ter Eem dateert van 1347 en is dus jonger dan de nederzetting. De eerste kerk van Ter Eem werd er ter plekke aan opgeofferd of in verwerkt. Na 1200 werd ook het gebied ten westen van de Eem ontgonnen. Voor de ontginning werd een kade (de Zomerdijk) aangelegd van waaruit in langgerekte stroken vanaf de Eem naar het westen toe werd ontgonnen. Aan de noordkant van dit nieuwe te
ontginnen deel ontstond de Zuidwend, een brede strook gemeenschappelijke grond tussen de Eem en het Gooi. Deze strook was eigendom van de gemeenschap, i.c. de (dorps)kerk). Deze werd niet ontgonnen en bleef hoger dan de inklinkende ontgonnen grond ten zuiden en (later) ten noorden daarvan en vormde op die manier een natuurlijke barrière tegen het uit het noorden komende water. Pas na 1300 kon het noordelijke deel van Eemnes ontgonnen worden. De in de zeventiende eeuw afgegraven Zuidwend vormde daarna de grens voor de zuidelijke ontginning die Zuidpolder is genoemd en de noordelijke ontginning die Noordpolder is genoemd. Door de ontginning trad
inklinking van de bodem op en verschoof men de ontginning noodgedwongen langzaamaan naar het westen op waar de bodem langzaam hoger op liep. Omstreeks 1325 werd door de graaf van Holland een noord-zuid gerichte lijn door het veen getrokken door middel van een greppel, de “rade”. Deze liep langs waar nu de Wakkerendijk/Meentweg ligt. Ten oosten van de rade werd Oost-Holland genoemd, waar de graaf de Eemnessers aanbood om te komen wonen en te ontginnen. Niet lang na 1325 werd een dijk opgeworpen die de achterkade vormde van deze Hollandse ontginning, waardoor ook een pad of weg ontstond, die later Wackerswech werd genoemd. De verhuizing van Eemnessers naar Oost-Holland leidde in 1346 tot conflicten met de bisschop van Utrecht, Jan van Arkel. Hij liet de nieuwe Hollandse nederzetting (Eemnes-Buiten) afbranden in 1346 en 1348. Uiteindelijk werd in 1356 definitief de vrede getekend en ontstond globaal de begrenzing van de huidige gemeente Eemnes. Eemnes-Buiten kreeg in 1352 stadsrechten en bouwde daarna de huidige Nicolaaskerk op de plaats waar het eerste houten kerkje stond. Eemnes-Binnen, behoorde nog geruime tijd tot de jurisdictie van
Ter Eem tot het in 1439 zelfstandig werd, stadsrechten kreeg en daarna zijn Pieterskerk bouwde. Beide nederzettingen hebben zich langs de huidige Wakkerendijk verder uitgebreid.
Hoofdstuk 4 Het beleidskader
Paragraaf 4.4 Provinciaal beleid
Artikel 4.4.1 Beleid provincie Noord-Holland
Algemeen:
Het archeologiebeleid van de provincie Noord-Holland richt zich op het bewaren van het erfgoed in de bodem (in situ). De provincie streeft ernaar het behoud als afwegingscriterium mee laten wegen, zowel in de provinciale ruimtelijke plannen als in de plannen die zij toetst.
De locatie van de meeste archeologische vindplaatsen is onbekend, omdat deze plekken veelal onder het maaiveld verborgen liggen. Om deze waarden te beschermen streeft de provincie ernaar deze overblijfselen zo vroeg mogelijk in de planontwikkeling door een archeologisch vooronderzoek te lokaliseren en waarderen. Bij toetsing door provincie wordt nagegaan of bij de planvorming voldoende archeologisch vooronderzoek is verricht.
Wanneer behoud in situ niet mogelijk is, wordt allereerst vastgesteld of de aantasting van de archeologische waarden onvermijdelijk wordt geacht. De provincie is van mening dat er een zwaarwegend maatschappelijk belang in het geding moet zijn, wil de aantasting als onvermijdelijk worden aangemerkt. Daarnaast moet worden vastgesteld of er redelijkerwijs geen alternatieve oplossingen voorhanden zijn. Indien de aantasting onvermijdelijk is dient de informatie van het bodemarchief te worden veiliggesteld door middel van een wetenschappelijk verantwoord onderzoek, uitgevoerd volgens algemeen geldende normen/richtlijnen KNA.
Met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg (per 1 september 2007) zijn gemeenteraden verplicht om bij de vaststelling van hun bestemmingsplan rekening te houden met in de grond aanwezige en verwachte archeologische monumenten. In de praktijk betekent dit dat er archeologisch vooronderzoek dient te worden uitgevoerd bij de voorbereiding van een bestemmingsplan.
Terreinen die beschermd zijn via de Monumentenwet of via een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening moeten op de verbeelding/plankaart aangeduid zijn. Eveneens adviseert de provincie Noord-Holland de gemeenten aan gebieden via het bestemmingsplan te beschermen waarvoor de aanwezigheid van de archeologische waarden nog niet vaststaan, maar die wel een hoge archeologische verwachting hebben. Deze gebieden kunnen aangewezen worden als archeologisch waardevol gebied.
In ieder bestemmingsplan moeten ter bescherming van de archeologische waarden regels/voorschriften worden opgenomen. Via een omgevingsvergunning kunnen voor het uitvoeren
van activiteiten/werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor het archeologische erfgoed, voorwaarden worden verbonden. In voorkomende gevallen wordt in het bestemmingsplan voor archeologie een dubbelbestemming opgenomen en wordt aangegeven dat een archeologisch bodemonderzoek dient te worden overgelegd.
Ontgrondingen:
Met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg is een nieuw artikel, lid 3a, aan de Ontgrondingenwet toegevoegd. Dit artikel bepaalt dat archeologisch vooronderzoek in de vorm van een rapport kan worden geëist voor ontgrondingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen voorwaarden aan de te verlenen ontgrondingsvergunning worden verbonden. Deze voorwaarden kunnen slaan op het nemen van technische maatregelen, de verplichting tot het uitvoeren van een archeologische opgraving of de verplichting om de ontgronding archeologisch te laten begeleiden.
De provincie Noord-Holland eist dat met een ontgrondingaanvraag een archeologisch rapport wordt ingediend, waarin de archeologische waarde van het betreffende terrein is vastgesteld. Wanneer is gebleken dat de archeologische waarde aangetast gaat worden vanwege een zwaarwegender maatschappelijk belang, dient de informatie van het bodemarchief te worden veiliggesteld door middel van een wetenschappelijk verantwoord onderzoek, uitgevoerd volgens algemeen geldende normen/richtlijnen, de KNA.
Artikel 4.4.2 Beleid provincie Utrecht
Ook het archeologisch beleid van de provincie Utrecht is gericht op het behoud in de bodem (in situ) van waardevolle archeologische restanten. Dit beleid is nader uitgewerkt en vastgelegd in het provinciale Cultuurprogramma en in de provinciale Structuurvisie.
In twee gevallen wordt geadviseerd archeologisch onderzoek bij ruimtelijke plannen te plegen. In de eerste plaats als bodemingrepen plaatsvinden in ongeroerde grond op terreinen met een vastgestelde archeologische waarde volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK). In de tweede plaats als bodemingrepen plaatsvinden in ongeroerde grond op of gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde volgens de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW). De provincie Utrecht gebruikt de AMK en IKAW bij advisering en beoordeling van / wijziging van bestemmingsplannen en bij het verlenen van ontgrondingvergunningen.
In de meeste gevallen is de gemeente bevoegd gezag. Soms is dat de provincie. Dit betreft projecten die gemeentegrenzen overschrijden, de verlening van ontgrondingvergunningen en Milieu Effectraportage-plichtige ingrepen (MER-plichtig).
Binnen het huidige bestel zijn de belangrijkste wettelijk taken van de provincie:
1Advisering, toetsing en vergunningverlening in het kader van Ontgrondingenwet.
2Aanwijzing van archeologisch waardevolle gebieden op basis van de provinciale Archeologische Monumenten Kaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) met als doel het veiligstellen van archeologische waarden. De provincie heeft hierin de bevoegdheid om archeologische attentiegebieden aan te wijzen wanneer archeologische belangen in (vigerende) bestemmingsplannen (nog) niet voldoende zijn beschermd. Deze attentiegebieden zijn terreinen met archeologische waarden die gemeenten verplicht moeten opnemen in hun bestemmingsplan.
3Beheren van een provinciaal depot voor bodemvondsten en vergunning verlenen aan gemeenten voor de inrichting van een eigen depot;
De provincie Utrecht heeft richtlijnen voor archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek opgesteld. Deze voorschriften zijn bestemd voor zowel overheden, bedrijven, organisaties en particulieren die voornemens zijn archeologisch onderzoek uitvoeren in de provincie Utrecht. Deze richtlijnen dienen ter verduidelijking van en aanvulling op de eisen en specificaties zoals vermeld in de KNA. In de gevallen waarin de provincie Utrecht optreedt als het bevoegd gezag, wordt gekeken of het uitgevoerde archeologisch onderzoek voldoet aan de minimale kwaliteitseisen en zal het onderzoek en bijbehorende rapportage aan de hand van deze Richtlijnen getoetst en beoordeeld worden.
Interim regeling ondergrens:
Op basis van archeologische en praktische overwegingen heeft de provincie Utrecht besloten om zeer kleine plangebieden – onder voorwaarden - vrij te stellen van archeologisch onderzoek. Voor het vaststellen van een definitief stelsel van ondergrenzen is mogelijk aanvullend onderzoek nodig. Op basis van al uitgevoerd onderzoek is echter besloten tot een interimregeling.
Uitgangspunt van dit beleid is dat de vrijstelling alleen geldt voor plangebieden waar alleen archeologische resten verwacht worden, en niet voor gebieden waar deze al zijn vastgesteld of daar al concrete aanwijzingen voor zijn.1 Indien een plangebied kleiner is dan 2500 m2 wordt het vrijgesteld van archeologisch onderzoek, indien het tevens voldoet aan de onderstaande aan de vrijstelling verbonden voorwaarden. Plangebieden kleiner dan 100 m2 zijn vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek.
De vrijstelling is niet van toepassing indien:
1het plangebied (gedeeltelijk) deel uit maakt van een archeologisch monument volgens de Archeologische Monumenten Kaart (AMK);
2het plangebied zich bevindt binnen 250 m van de grens een archeologisch monument volgens de AMK;
3er concrete aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische resten op basis van vondstmeldingen of waarnemingen (in ArchisII) uit het plangebied zelf of binnen een straal van 100 m van de grens van het plangebied;
4het plangebied zich bevindt in een zone met middelhoge of hoge verwachting volgens de Limes-kaart Utrecht (te raadplegen via www.provincie-utrecht.nl/chat);
5zich een historisch (lijn)element volgens de Cultuurhistorische Hoofd Structuur (CHS) van de provincie Utrecht in het plangebied bevindt dat verstoord zal worden;
6Het plan en de bodemingrepen een lineair element betreft, zoals bij voorbeeld sleuven voor riolering of kabel&leidingen en te graven sloten/waterwegen. Voor dergelijke ingrepen geldt geen vrijstelling op basis van oppervlakte en dient contact opgenomen te worden met de
provinciale archeoloog.
Hoofdstuk 5 De twee onderdelen van het archeologiebeleid van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren
Paragraaf 5.2 Archeologische waarden- en verwachtingenkaart
Artikel 5.2.1 Inleiding
De archeologische waarden- en verwachtingskaart geeft een zo volledig mogelijk beeld van de actuele kennis van het archeologische bodemarchief van de drie gemeenten. Deze kaart vormt de inhoudelijke verantwoording voor de archeologische beleidskaart. De archeologische waarden- en verwachtingskaart geeft informatie over:
-De ligging van alle bekende archeologische vindplaatsen en objecten. Voor verdere details wordt verwezen naar de Archeologische waarden, onderzoeken en waarnemingenkaart (Bijlage 1, kaart 5) en Bijlage 3.
-De verwachting (hoog, middelhoog, laag en geen) op nog onbekende archeologische objecten en terreinen.
Artikel 5.2.2 Overzicht en toelichting geraadpleegde bronnen
In het gebied van de drie gemeenten zijn in het verleden al vele onderzoeken uitgevoerd, van uitgebreide booronderzoeken en veldkarteringen in de Eemnesser polder tot opgravingen van grafheuvels op de Westerheide en Zuiderheide. Ook lokale verenigingen zijn zeer actief geweest. Het grootste deel van de onderzoeken is goed gedocumenteerd en gepubliceerd. De bestaande gegevens zijn bijeen gebracht en gecombineerd in een kaart.
Voor de samenstelling van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is gebruik gemaakt van de onderstaande bronnen.
-AHN. Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is een landsdekkend digitaal hoogtebestand.
Met een nauwkeurigheid van circa 5 cm. is het (micro)relief van Nederland gemeten. Het hele landschap kan in driedimensionaal perspectief worden bekeken, waarbij inzicht verkregen kan worden in de nederzettingskeuze van onze voorouders. Dit is van belang voor het opstellen van het verwachtingsmodel. Met het AHN kunnen bovendien archeologische sporen (bijvoorbeeld grafheuvels, karrensporenbundels, eendenkooien, grachten, wallen, dijken), grootschalige verstoringen (bijvoorbeeld ontzandingen, leemputten etc.) en landschappelijke kenmerken (bijvoorbeeld dekzandruggen, droogdalen, grenzen van enken) worden gelokaliseerd en begrensd.
-AMK. De archeologische monumentenkaart (AMK) is een product van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de provincies Utrecht en Noord-Holland. Op de AMK zijn alle door het Rijk en de provincies aangewezen archeologisch beschermde of waardevolle terreinen vermeld. De AMK dient een op een te worden overgenomen in gemeentelijke beleidskaarten.
-Archis2. De nationale database Archis2 wordt beheerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Archis is de officiele database waarin alle onderzoeken en vondstmeldingen kunnen worden opgenomen. Vele archeologische onderzoeken zijn aangemeld in Archis. De rapportages van de onderzoeken zijn terug te vinden in de literatuurlijst. De praktijk leert echter dat Archis niet volledig is. Daarom is navraag bij lokale verenigingen essentieel, om aanvullende
-Bodemkaart. Deze kaart geeft een omschrijving van de bodemkundige eenheden die aanwezig zijn binnen het gebied van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren. Dit betreft de kaart uit 2009 van het instituut Alterra van de universiteit Wageningen. (Zie voor verdere details de
toelichtingen op de kaarten in bijlage 1).
-Geomorfologische kaart. De kaart geeft een omschrijving van de geomorfologische eenheden die aanwezig zijn binnen het gebied van de gemeenten. Dit betreft de kaart uit 2008 van het instituut Alterra van de universiteit Wageningen. (Zie voor verdere details de toelichtingen op de
kaarten in bijlage 1).
-Historische kaarten. Historische kaarten zijn er in vele soorten en gedaanten: schetsmatige en zeer gedetailleerde, grootschalige en kleinschalige. Over het algemeen geldt: hoe jonger de kaart, des te beter het detailniveau en groter de kaartschaal. Het gevolg is dat deze accurater
zijn. Niettemin bevatten oude kaarten unieke informatie over de toenmalige inrichting van het gebied, die nergens anders te verkrijgen is. Een overzicht van de geraadpleegde kaarten is in het bronnenoverzicht opgenomen. Daar waar mogelijk zij de historische kaarten digitaal in het GIS opgenomen en zijn de relevante archeologische fenomenen overgenomen op de waarden- en verwachtingenkaart. De belangrijkste en meest informatieve kaarten voor de inventarisatie van archeologische waarden in het gebied zijn:
-Kaart van Gooiland uit 1537
-Nieuwe kaart van Gooilandt circa 1750
-Kadastrale minuutplan 1832
-Kaart van Gooiland na de heideverdeling van 1843
-Topografisch Militaire Kaart 1850
-Bonnebladen vanaf 1872
-Kaart Ketelaar (ARA geniearchief) van 1769
-Kaart van Lucas Jansen Sinck van 1619
Uit deze kaarten zijn de volgende fenomenen overgenomen in de archeologische waarden- en verwachtingenkaart en opgenomen in de catalogus:
-De begrenzing van de engen, zoals die in de 19e eeuw was vastgelegd.
-Oude wegenpatronen
-Kampen/bijenschansen
-Kerkhoven
-Windmolens
-Watermolens
-Plan voor het doortrekken van het Tienhovense Kanaal in 1661
-Sluizen
-Schietbanen
-Buitenplaatsen
-Gooijergracht
-Dijken
-IKAW. De Indicatieve kaart Archeologische Waarden (IKAW) is een globale verwachtingenkaart op landelijk niveau, vervaardigd door de RCE. Voor de BEL gemeenten is een meer gedetailleerde verwachtingenkaart gemaakt.
-Literatuur. Voor dit project is een inventarisatie gemaakt van de beschikbare boeken en artikelen aangaande de archeologie binnen de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren. Dit vormt de inhoudelijke basis voor van het voorliggende rapport. Alle relevante publicaties zijn in het
bronnenoverzicht opgenomen.
-Lokale verenigingen. Van afdeling Naerdincklant van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN) is de vindplaatsencatalogus, met vindplaatscoordinaten, integraal in de archeologische waarden- en verwachtingenkaart geplot. Dit levert een schat aan nieuwe locaties
op die niet in Archis staan. Bovendien kan deze catalogus worden gebruikt ter aanvulling of aanpassing van het verwachtingsmodel.
De Historische Kringen van Blaricum, Eemnes en Laren hebben geen vindplaatsencatalogi. Wel is van de Historische Kring Blaricum, Historische Kring Eemnes en Historische Kring Laren dankbaar gebruik gemaakt van de op hun websites gepubliceerde teksten. Via het Geologische Museum Hofland in Laren zijn geen nieuwe gegevens aan het licht gekomen.
Luchtfoto's. Luchtfoto's kunnen worden onderscheiden in actuele en historische. Opnamen uit de Tweede Wereldoorlog, de zogenaamde RAF foto's, vormen een belangrijke historische collectie. Zij zijn in te zien bij de bibliotheek van de Wageningen Universiteit en bij de Topografische Dienst. Tegenwoordig is een groot deel van deze foto's ook via de site
watwaswaar.nl te bekijken. Deze foto's zijn bestudeerd, maar hebben geen nieuwe informatie opgeleverd.
De gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren hebben een set actuele luchtfoto's beschikbaar gesteld. Deze foto's zijn bestudeerd. Op grond van de luchtfoto's is echter niet vast te stellen in hoeverre het bodemarchief daardoor is verstoord. Wel bieden actuele foto's ondersteuning bij het
orienteren en plaatsen van archeologische fenomenen in het landschap.
Provinciale cultuurhistorische waardenkaarten. De provincies Noord-Holland en Utrecht hebben ieder een cultuurhistorische waardenkaart. Deze toont de cultuurhistorische elementen die van provinciaal belang zijn. Ter controle op volledigheid zijn deze kaarten (digitaal) geraadpleegd.
Provinciale steunpunten. Het Steunpunt Monument en Archeologie Utrecht (STAMU) en Cultureel Erfgoed Noord-Holland (CEHN) zijn om advies gevraagd ten aanzien van de inhoud van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart.
Veldwerk. Op diverse momenten is het gebied van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren bezocht, met als doel archeologisch relevante fenomenen visueel te inspecteren en een betere inschatting te kunnen maken van de archeologische potentie van het gebied. Dit geldt onder andere voor de Noordpolder te Veld, Zuiderheide, Westerheide, Blaricummerheide, Tafelberg, Wakkerendijk, De Eem, Laren en Blaricum.
Artikel 5.2.3 Basiskaarten en catalogi
De informatie uit de bovengenoemde bronnen is op een aantal basiskaarten samengevat, te weten:
-Geomorfologische kaart (Bijlage 1: Kaart 1)
-Bodemkaart (Bijlage 1: Kaart 2)
-Hoogtekaart (Bijlage 1: Kaart 3)
-Archeologische waarden, onderzoeken en waarnemingen (Bijlage 1: Kaart 4)
Uit de basiskaarten is vervolgens afgeleid in welke gebieden de kans op de archeologie hoog, gematigd, laag of afwezig is.
Bij de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart hoort een aantal catalogi. Deze zijn opgenomen in bijlage 3. Dit betreft de volgende zaken:
-archeologische terreinen;
-uitgevoerde onderzoeken;
-archeologische waarnemingen en vondstmeldingen;
-Vindplaatsencatalogus, met vindplaatscoördinaten, van afdeling Naerdincklant van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN).
Hoofdstuk 8 Voorbeeld bestemmingsplanregels
Paragraaf 8.3 Waarde - archeologie 2 (archeologisch terrein)
Artikel 8.3.1 Omschrijving bestemming
De op de verbeelding als Waarde – archeologie 2 aangewezen gronden zijn, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Artikel 8.3.2 Omgevingsvergunning - activiteit bouwen
Lid 1
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 2, legt een KNA conform archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
Lid 2
Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in het eerste lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 3
In de situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 4
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
a.vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
b.een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 50 m²;
c.een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden maximaal 30 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
Lid 5
Indien het derde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
Artikel 8.3.3 Omgevingsvergunning - activiteit uitvoeren werken/werkzaamheden
Lid 1
Het is verboden om op of in de gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 2, zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:
a.afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 cm onder maaiveld;
b.heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
c.verlagen of verhogen van het waterpeil;
d.aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
e.aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
f.het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
g.landbouwactiviteiten die jaarlijks een deel van de grond afplaggen.
Lid 2
Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken:
a.worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 2 van toepassing is;
b.een oppervlakte beslaan van ten hoogste 50 m²;
c.al in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
d.mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende Omgevingsvergunning;
e.ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Lid 3
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 2, legt een KNA conform onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
Lid 4
Burgemeester en wethouders verlenen de Omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in het derde lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 5
In de situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 6
Indien het vijfde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
Artikel 8.3.4 Wijzigingsbevoegdheid
Lid 1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 2 aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen, indien het op grond van archeologisch onderzoek is gebleken dat het bestemmingsplan ter plaatse in verdere bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Lid 2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 2 aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen, indien:
a.uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden;
b.het op grond van archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Paragraaf 8.4 Waarde - archeologie 3 en 7 (Gebied of terrein met hoge archeologische verwachting of gebied met een onbekende archeologische verwachting)
Artikel 8.4.1 Omschrijving bestemming
De op de verbeelding als Waarde – archeologie 3 en 7 (gebied of terrein met hoge archeologische verwachting of gebied met een onbekende archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Artikel 8.4.2 Omgevingsvergunning - activiteit bouwen
Lid 1
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 3 en 7 (met hoge archeologische verwachting of met een onbekende archeologische verwachting), legt een KNA conform archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
Lid 2
Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in het eerste lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade aan archeologische waarden door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 3
In de situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten
in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 4
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
a.vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
b.een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 200 m²;
c.een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden maximaal 30 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
Lid 5
Indien het derde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt in de regels geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
Artikel 8.4.3 Omgevingsvergunning activiteit uitvoeren werken/werkzaamheden
Lid 1
Het is verboden om op of in de gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 3 en 7 (met hoge archeologische verwachting of een onbekende archeologische verwachting), zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de
volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:
a.afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 cm onder maaiveld;
b.heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
c.verlagen of verhogen van het waterpeil;
d.aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
e.aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
f.het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
g.landbouwactiviteiten die jaarlijks een deel van de grond afplaggen.
Lid 2
Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken:
a.worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 2 van toepassing is;
b.een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m²;
c.al in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
d.mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende Omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
e.ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Lid 3
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 3 en 7 (gebied of terrein met hoge archeologische verwachting of een onbekende archeologische verwachting), legt een KNA conform onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
Lid 4
Burgemeester en wethouders verlenen de Omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in het derde lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 5
In de situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 6
Indien het vijfde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt in de regels bepaald wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
Artikel 8.4.4 Wijzigingsbevoegdheid
Lid 1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 3 en 7 (gebied of terrein met hoge archeologische verwachting of een onbekende archeologische verwachting) aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen, indien het op grond van archeologisch onderzoek gebleken is dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Lid 2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 3 en 7 (gebied of terrein met hoge archeologische verwachting of een onbekende archeologische verwachting) aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen, indien:
a) uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden;
b) het op grond van archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Paragraaf 8.5 Waarde - archeologie 4 (Gebied of terrein met middelhoge archeologische verwachting)
Artikel 8.5.1 Omschrijving bestemming
De op de verbeelding als Waarde – archeologie 4 (gebied of terrein met middelhoge archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Artikel 8.5.2 Omgevingsvergunning - activiteit bouwen
Lid 1
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 4 (gebied of terrein met middelhoge archeologische verwachting), legt een KNA conform archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
Lid 2
Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in het eerste lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 3
In de situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 4
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
a.vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
b.een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
c.een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden maximaal 50 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
Lid 5
Indien het derde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt in de regels geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
Artikel 8.5.3 Omgevingsvergunning - activiteit uitvoeren werken/werkzaamheden
Lid 1
Het is verboden om op of in de gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 4 (gebied of terrein met middelhoge archeologische verwachting), zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:
a.afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 50 cm onder maaiveld;
b.heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
c.verlagen of verhogen van het waterpeil;
d.aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
e.aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
f.het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
g.landbouwactiviteiten die jaarlijks een deel van de grond afplaggen.
Lid 2
Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken:
a.worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 2 van toepassing is;
b.een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m²;
c.al in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
d.mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende Omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
e.ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Lid 3
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – archeologie 4 (gebied of terrein met middelhoge archeologische verwachting), legt een KNA conform archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
Lid 4
Burgemeester en wethouders verlenen de Omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het KNA archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in het derde lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 5
In de situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 6
Indien het vijfde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt in de regels geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
Artikel 8.5.4 Wijzigingsbevoegdheid
Lid 1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 4 (gebied of terrein met middelhoge archeologische verwachting) aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen, indien het op grond van archeologisch onderzoek is gebleken dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Lid 2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 4 (gebied of terrein met middelhoge archeologische verwachting) aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
a.uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn op zich op een andere plaats bevinden;
b.het op grond van archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Paragraaf 8.6 Waarde - archeologie 5 (Gebied of terrein met lage archeologische verwachting)
Artikel 8.6.1 Omschrijving bestemming
De op de verbeelding als Waarde – archeologie 5 (gebied of terrein met lage archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Artikel 8.6.2 Omgevingsvergunning - activiteit bouwen
Lid 1
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als gebied of terrein met lage archeologische verwachting, legt een KNA conform archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
Lid 2
Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform onderzoeksrapport als bedoeld in het eerste lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 3
In de situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 4
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
a.vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
b.een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2500 m²;
c.een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden maximaal 50 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst
Lid 5
Indien het derde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt in de regels bepaald wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
Artikel 8.6.3 Omgevingsvergunning - activiteit uitvoeren werken/werkzaamheden
Lid 1
Het is verboden om op of in de gronden, die op de plankaart zijn aangewezen als Waarde – archeologie 5 (terrein met lage archeologische verwachting), zonder of in afwijking van een
vergunning van burgemeester en wethouders (Omgevingsvergunning) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:
a.afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 50 cm;
b.heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
c.verlagen of verhogen van het waterpeil;
d.aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
e.aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
f.het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
g.landbouwactiviteiten die jaarlijks een deel van de grond afplaggen.
Lid 2
Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken:
a.worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 2 van toepassing is;
b.een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2500 m²;
c.al in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;
d.mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende Omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning;
e.ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Lid 3
De aanvrager van een Omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid die betrekking heeft op gronden, die op de plankaart zijn aangewezen als gebied of terrein met lage archeologische verwachting, legt een KNA conform archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische
waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.
Lid 4
Burgemeester en wethouders verlenen de Omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het KNA conform archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in het derde lid genoegzaam blijkt dat:
a.er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
b.schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning te verbinden regels.
Lid 5
In de situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, kunnen burgemeester en wethouders de volgende regels aan de Omgevingsvergunning verbinden:
a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Lid 6
Indien het vijfde lid, onderdeel c van toepassing is, wordt in de regels bepaald wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.
Artikel 8.6.4 Wijzigingsbevoegdheid
Lid 1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 5 (gebied of terrein met lage archeologische verwachting) aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen, indien het op grond van archeologisch onderzoek is gebleken dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Lid 2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 5 (gebied of terrein met lage archeologische verwachting) aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
a.uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden;
b.het op grond van archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Bijlage Bijlagen
Nota Archeologiebeleid Bronnenoverzicht
Nota Archeologiebeleid Lijst van afkortingen en begrippen
Nota Archeologiebeleid Bijlage 1 Kaarten
Nota Archeologiebeleid Bijlage 2 Beslissingstabellen voor archeologische verwachting
Nota Archeologiebeleid Bijlage 3 Archeologische gegevens