Gemeentelijke regelgeving

Programma externe veiligheid gemeente Best

Gemeente Best · geldt sinds 22 december 2023

Aanhef

Omgaan met externe veiligheidsrisico's: Handreiking voor gebiedsindeling

Voorwoord

Met de invoering van de Omgevingswet gaat de wetgeving rondom externe veiligheid op de schop. Een aantal landelijke wet- en regelgeving zal geïmplementeerd moeten worden in gemeentelijk beleid. Voor de huidige beleidsstukken rondom externe veiligheid, zoals de huidige beleidsvisie externe veiligheid uit juli 2009, geldt dat deze bij de invoering van de Omgevingswet komen te vervallen. Doordat er meer verantwoordelijkheden bij de gemeente komen te liggen, zal er een nieuw beleidskader rondom externe veiligheid gevormd moeten worden. In de structuur van de Omgevingswet passen gerichte beleidskeuzes het beste in een programma. Om flexibiliteit in te bouwen in de besluitvorming rondom locaties voor risicovolle activiteiten is het nodig om gemotiveerde beleidskeuzes te kunnen maken. Daarnaast zal dit programma externe veiligheid gerichte beleidskeuzes maken die aanvullend zijn op het tijdelijk omgevingsplan. Ook vormen deze beleidskeuzes de basis voor goede omgevingsplanregels voor het definitieve omgevingsplan. Daarom vormt dit programma externe veiligheid het beleidsstuk voor de gemeente Best in het kader van externe veiligheid.

Externe veiligheid behandelt de risico’s voor de leefomgeving die ontstaan als gevolg van transport over (spoor)wegen waterwegen en buisleidingen en de opslag van of het werken met gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. Enerzijds gaat het daarbij over de milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven/activiteiten of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (personen, gebouwen en locaties die niets met de activiteiten met gevaarlijke stoffen te maken hebben).

Binnen en nabij de gemeente Best zijn verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelegen. Al deze activiteiten zijn zichtbaar via www.atlasleefomgeving.nl. Zo zijn binnen de gemeente Best de Rijkswegen A2 en de A58, en de spoorlijn Boxtel - Eindhoven aanwezig voor het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast zijn (ondergrondse) buisleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals hogedruk aardgasleidingen en kerosine door een DPO-pijpleiding (Defensie Pijpleiding Organisatie). Ook zijn er verschillende risicovolle bedrijven aanwezig waarop het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bijlage VII van toepassing is. De aandachtsgebieden van deze milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s liggen verspreid over een groot deel van het grondgebied van de gemeente Best. Men moet dan denken aan bijvoorbeeld propaantanks, LPG-tankstations en bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden op- en overgeslagen. En ook is een klein deel van de gemeente Best gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 van Airport Eindhoven. Hierdoor kan men bij (ruimtelijke) ontwikkelingen met externe veiligheid te maken krijgen.

Dit programma schetst de huidige externe veiligheid situatie van de gemeente Best. Daarnaast vormt het programma een beleidskader hoe we als gemeente met externe veiligheid omgaan, met name bij ruimtelijke ordening, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en omgevingsvergunningen.

2 Wettelijk kader

2.2 Begrippenkader externe veiligheid

2.2.1 Omgevingsveiligheid

Onder de Omgevingswet wordt niet enkel van externe veiligheid gesproken, maar van het meer omvattende begrip omgevingsveiligheid. Externe veiligheid valt hieronder, maar omgevingsveiligheid is een breder begrip en gaat ook over rampen en crises en het voorkomen, beperken en bestrijden ervan, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening (artikel 5.2 Bkl). De veiligheidsregio’s hebben hier een adviserende rol (zie bijlage 3). In het programma externe veiligheid van de gemeente Best worden deze zaken niet behandeld, daarom spreken we van externe veiligheid en niet van omgevingsveiligheid.

2.2.2 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Risicobronnen zijn onder de Omgevingswet milieubelastende activiteiten (MBA’s) met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s:

•Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit omvat verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal)

1Dit zijn o.a. waterstof en/of LPG-tankstations, de voormalige BEVI-inrichtingen, propaantanks, PGS15-opslagvoorzieningen en Seveso-inrichtingen (voorheen de BRZO-inrichtingen)

;

•Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (spoor, weg, water);

•Buisleidingen met gevaarlijke stoffen, welke zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

•Windturbines;

•Luchthavens en defensieterreinen;

•Civiele en militaire munitieopslagen.

De MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het Bkl zijn alle activiteit waar externe veiligheid moet worden beschouwd bij ruimtelijke ontwikkelingen. De grootte van de plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6 ) en aandachtsgebieden (hierna uitgelegd) zijn in deze bijlage VII per activiteit bepaald. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

•A: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht

•B: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht

•C: Activiteiten met bij ministeriële regeling vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico

•D: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht

•E: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht

De aard, omvang en het risicoprofiel bepaalt onder andere de categorie indeling van een activiteit. Bij de te berekenen PR10-6 contouren en aandachtsgebieden gaat het om de activiteiten met de grootste externe veiligheidsrisico’s.

De regels rondom het veilig beheer, gebruik en onderhoud van de MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zijn opgesteld per activiteit en zijn terug te vinden in het Bal. Daarnaast dienen alle MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het Bkl te worden opgenomen in het Register Externe veiligheid (REV), de vervanger van de huidige Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS).

2.2.3 Plaatsgebonden risico

Dit is de kans dat één persoon per jaar overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt is dat deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. De ruimtelijke waarden voor het plaatsgebonden risico zijn terug te vinden in het Bkl. Deze waarden worden vertaald in afstanden die tot locaties en gebouwen in acht moeten worden genomen of waarmee rekening moet worden gehouden. Hier hoort een plaatsgebonden risicocontour bij: binnen de contour is het risico groot, buiten de contour is het risico kleiner. Dit noemen we de PR 10-6 contour. De afstanden van het plaatsgebonden risico zijn vastgestelde afstanden, berekende afstanden en de kans die geaccepteerd is als veilig: één op de miljoen per jaar. Binnen deze PR 10-6 contour zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toegestaan.

2.2.4 Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen kunnen zich levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk),

Figuur 1 (RIVM, 2021)

Daarom zijn er drie typen aandachtsgebieden gedefinieerd:

•Brandaandachtsgebied (BAG);

•Explosieaandachtsgebied (EAG);

•Gifwolkaandachtsgebied (GAG).

Figuur 2 (Oostkracht 10, 2022)

De grenswaarden van de aandachtsgebieden zijn geregeld in het Bkl. Voor de bepaling ervan is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en rampenbestrijding bieden. De aard en de omvang van een aandachtsgebied wordt bepaald door de effecten van een scenario, niet door de kans. Een aandachtsgebied kan kleiner worden door het toepassen van de best beschikbare technieken (BBT) bij de risicovolle activiteit. Voor een overzicht van de vaste afstanden van aandachtsgebieden bij enkele milieubelastende activiteiten, zie de tabel in bijlage 2 (RIVM, 2021).

2.2.5 Externe veiligheidsafstanden

Voor een groot aantal activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden. Deze zijn te vinden in het Bal of in het Bkl. De veiligheidsafstanden uit het Bal gelden vanaf het bij de activiteit aangegeven meetpunt tot de begrenzing van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Onder bepaalde voorwaarden gelden de afstanden in plaats daarvan tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in de omgeving (bijvoorbeeld de gevel van een gebouw). De begrenzingen staan vermeld in artikel 5.9 van het Bkl. De afstanden uit het Bkl gelden vanaf het bij de activiteit in bijlage VII aangegeven meetpunt(en) tot (zeer / beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties in de omgeving.

2.2.6 Voorschriftengebieden

Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 5.14 Bkl besluiten of een (deel van het) brand- of explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als brand- of explosievoorschriftengebied. In het voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen, of gelijkwaardige maatregelen. De aanvullende bouweisen staan in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het doel van deze maatregelen is om mensen binnenshuis beter te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie, veroorzaakt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Op grond van artikel 5.14 lid 3 Bkl kan de gemeente afwijken van het aanwijzen van een brand- of explosievoorschriftengebied. De gemeente kan zelf beslissen of het een aandachtsgebied aanwijst als voorschriftengebied, het voorschriftengebied expliciet niet aanwijst of kleinere voorschriftengebieden aanwijst.

Aanvullende regels:

•Een brandaandachtsgebied van het Basisnet moet verplicht worden aangewezen als voorschriftengebied als daar vanuit de Regeling Basisnet een plasbrandaandachtsgebied geldt;

•Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen (ook de functiewijziging van bestaande gebouwen naar zeer kwetsbaar gebouw) binnen een aandachtsgebied moeten verplicht worden aangewezen als voorschriftengebieden. Dit heeft met name voor brand- en explosieaandachtsgebieden waar men zeer kwetsbare gebouwen wil realiseren grote bouwkundige (en financiële) consequenties.

2.2.7 Groepsrisico

Dit is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Binnen aandachtsgebieden moet het bevoegd gezag rekening houden met het groepsrisico. Dit gebeurt bij het ontwikkelen van nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. “Rekening houden met” betekent dat het bevoegd gezag afwegingsruimte heeft over hoe ze omgaat met de omgeving van een risicovolle bron met de kans op maatschappelijke ontwrichting. Het doel is een integrale afweging van alle betrokken belangen. Het gaat hierbij ook om milieu en gezondheid. De centrale vraag luidt: wat acht het bevoegde gezag voldoende veilig en hoe motiveert ze dit? Het stappenplan dat onderdeel uitmaakt van dit programma kan gebruikt worden om deze afwegingen te maken.

2.2.8 Kwetsbaarheid van gebouwen en locaties

In bijlage VI van het Bkl staan drie categorieën gebouwen en locaties waarvoor de regels bescherming bieden:

1Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen)

2Kwetsbaar (gebouwen en locaties)

3Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties)

In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op ter bescherming van deze gebouwen en locaties vanwege externe veiligheidsrisico’s. De volgende zaken komen aan de orde bij het bepalen van de kwetsbaarheid van locaties en gebouwen: het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. De gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruikersfunctie van het gebouw. Deze moet blijken uit het omgevingsplan of uit de omgevingsvergunning waarbij die functie mogelijk wordt gemaakt.

Een gebouw is zeer kwetsbaar als de aanwezige personen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen (niet of verminderd zelfredzame personen). Bijvoorbeeld: een basisschool, gevangenis en een woonfunctie voor 24-uurszorg.

Voorbeelden van kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie en alle locaties waar grote evenementen (> 5000 personen) of recreatief nachtverblijf voor meer dan vijftig personen plaatsvindt. Gebouwen en locaties zijn kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn: sportfunctie, kantoorfunctie, hogescholen.

Alle overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar.

Rondom de kwetsbaarheid van de populatie buitenshuis is er een handleiding Omgevingsveiligheid mensen op buitenlocaties op 12 december 2019 gepubliceerd door de ‘Werkgroep Risico’s mensen buiten’

2Deze werkgroep bestaat uit afgevaardigden van de Brandweer NL, GGD/GHOR en Omgevingsdiensten

. De handleiding wordt door de VRBZO gebruikt voor de advisering aan de gemeente Best, bij de voorbereiding, planning en uitvoering van activiteiten in de buitenlucht in de nabijheid van een risicobron.

In de Omgevingswet ontbreekt een dergelijk landelijk afwegingskader voor mogelijke maatregelen om de veiligheid voor mensen op buitenlocaties te verhogen, zowel voor kleine als grote incidenten met gevaarlijke stoffen. Mensen op buitenlocaties zijn niet beschermd door een gebouw en worden daarom blootgesteld aan meer warmtestraling, overdruk en hogere concentraties giftige stoffen. Bij het realiseren voor buitenlocaties waarbij beperkt kwetsbare locaties en kwetsbare locaties worden gerealiseerd dient er rekening gehouden te worden met eventuele attentie- en/of aandachtsgebieden. Om de afweging te maken of een ontwikkeling van een buitenlocatie veilig kan worden ingericht dient het ‘Stappenplan veiligheid mensen op buitenlocaties’, gepubliceerd in de ‘Handleiding Omgevingsveiligheid Mensen op Buitenlocaties’, versie 3.1, 12 december 2019, gebruikt te worden.

3 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

3.3 Buisleidingen

3.3.1 Hogedruk aardgasleidingen

Door de gemeente Best lopen enkele hogedruk aardgasleidingen. Er lopen twee Z-leidingen (Z-519-02, Z-510-28) en twee A-leidingen A521-07 en A-525-02) door de gemeente Best. Deze Z-leidingen hebben een werkdruk van 40 bar. Bij Z-buisleidingen geldt een belemmeringenstrook van vier meter. De A-leidingen hebben een werkdruk van 66 bar. De belemmeringenstrook bedraagt voor deze leidingen 5 meter. Binnen de belemmeringenstrook mogen geen bouwwerken worden opgericht, aangezien de ruimte is gereserveerd voor onderhoud aan de leidingen. De PR 10-6 contour en de aandachtsgebieden moeten op grond van het Bkl, bijlage VII onder D2 berekend worden voor buisleidingen. De leidingbeheerder levert deze aan het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV).

3.3.2 Productleiding en DPO

Er lopen zogenaamde productleidingen door de gemeente Best. Dit betreffen DPO-leidingen. Door deze buisleidingen wordt kerosine getransporteerd. Deze buisleidingen hebben allen een belemmeringsstrook van 5 meter. Hierbinnen mogen geen bouwwerken worden opgericht, aangezien de ruimte is gereserveerd voor onderhoud aan de leidingen. De PR 10-6 contour en de aandachtsgebieden moeten op grond van het Bkl, bijlage VII onder D2 berekend worden voor buisleidingen. De leidingbeheerders leveren deze aan het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV). De DPO-leidingen hebben geen PR 10-6 contour.

3.4 Basisnet: rijkswegen en spoor

Over weg en spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het gaat hier zowel om doorgaand vervoer over rijks- en provinciale wegen, als om bestemmingsverkeer over gemeentelijke wegen als transport over het spoor. De regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven binnen de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De (spoor)wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd in Best zijn niet allemaal zichtbaar op het REV omdat het Basisnet alleen de hoofdsnelwegen bevat (de A-wegen) en enkele autowegen (N-wegen). In het geval van de gemeente Best geldt dat alleen de A2, de A2/A58, de A58 en het spoor Boxtel - Eindhoven op de risicokaart zijn geprojecteerd. Voor de transportroutes die niet tot het Basisnet behoren en waarover aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd worden, moet ook naar externe veiligheid gekeken worden. Dit is o.a. opgenomen in de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. In de toelichting van deze beleidsregels verzoekt het ministerie van Infrastructuur en Waterstraat de provincies en gemeenten dit beleid ook op de transportroutes in hun beheer toe te passen.

De volgende (spoor)wegen zijn in Best van invloed op externe veiligheid.

3.4.1 Rijksweg A2 en A2/A58 (wegvak B62 en wegvak B7)

De Rijksweg A2 en A2/A58 loopt aan de oostelijke en zuidelijke kant door de gemeente Best. Deze rijksweg is opgenomen in de Regeling Basisnet. wegvak B62 (knooppunt Vught – knooppunt Ekkerswijer) en wegvak B7 (knooppunt Batadorp – knooppunt Ekkerswijer) kennen geen PR10-6 contour. Deze wegvakken kennen een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter (zie figuur 4). Ook gaan deze wegvakken een gifwolkaandachtsgebied krijgen. De omvang van dit gebied wordt nog nader bepaald door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deze wegvlakken kennen geen plasbrandaandachtsgebied. De verplichting om de brandaandachtsgebieden aan te wijzen als brandvoorschriftengebied is voor deze rijkswegen niet van toepassing.

Figuur 4. Risicobronnen Basisnet in de gemeente Best: Rijkswegen A2, de A2/A58 en spoorlijn, al deze (spoor)wegen hebben een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter.

3.4.2 Provinciale wegen en gemeentelijke (doorgaande) wegen

Onder de Omgevingswet worden de provinciale wegen en gemeentelijke wegen niet gezien als zijnde MBA’s met externe veiligheidsrisico. Dit betekent dat mogelijke risico’s rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen niet meer afgewogen hoeven te worden bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen.

3.4.3 Spoorlijn Boxtel - Eindhoven

De spoorlijn Boxtel – Eindhoven loopt dwars door de gemeente Best. Een groot deel van dit spoor loopt door een spoortunnel (van Willem de Zwijgerstraat tot Oirschotseweg/Hoofdstraat). Deze spoortunnel kan worden beschouwd als een maatregel tegen de risico’s van een incident met gevaarlijke stoffen.

Deze spoorlijn heeft een brandaandachtsgebied van 30 meter. Echter, ter plaatse van de spoortunnel hoeft men bij nieuwe ontwikkelingen geen rekening te houden met het brandaandachtsgebied.

Ook heeft dit spoor een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Ook met het explosieaandachtsgebied hoeft men ter plaatse van de ondertunneling geen rekening te houden. Met de beperkingen welke gelden voor een explosieaandachtsgebied hoeft men dan geen rekening te houden.

Over het spoor worden ook giftige stoffen getransporteerd. Dat betekent dat er ter plaatse van de luchtverversingspunten en de in- en uitgang van de tunnel wel rekening moet worden gehouden met een gifwolkaandachtsgebied.

4 Beleidskeuzes

4.2 Uitgangspunten rondom bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

4.2.1 Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor

Een bijzonder aandachtspunt in het kader van de gebiedsgerichte aanpak is de aanwezigheid van infrastructuur waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze vervoersassen zijn niet als een afgebakend gebied te beschouwen omdat ze verschillende gebieden doorsnijden. Denk bijvoorbeeld aan woonwijken, buitengebieden en bedrijventerreinen. Hierdoor wordt het lastig om uniforme eisen te verbinden aan de mogelijkheid om ontwikkelingen te laten plaatsvinden in de nabijheid van diezelfde infrastructuur.

Gebieden die als ‘risicovolle infrastructuur’ worden beschouwd, betreffen locaties die binnen het aandachtsgebied van een weg vallen. In de gemeente Best zijn dit bijvoorbeeld Rijkswegen A2 en A58.

Maar ook het spoor Boxtel – Eindhoven heeft een brand- en explosieaandachtsgebied. Op dit moment gelden rond tunnels ( tunnels voor auto’s en treinen langer dan 250m) nog dezelfde aandachtsgebieden (AG's) als voor het verdere traject van de transportroute.

Het ministerie bekijkt of deze AG's ter hoogte van de tunnels kunnen worden verkleind of verwijderd. Het advies m.b.t. AG's rond tunnels wordt dit jaar nog door het Ministerie van IenW verwacht. Er is geen zekerheid dat de AG’en daadwerkelijk gaan verdwijnen ter hoogte van tunnels. Als het besluit wordt genomen dat deze verdwijnen, moet het Bkl hiervoor worden gewijzigd. Wanneer dat zal plaatsvinden, is op dit moment onbekend. Waarschijnlijk zal dit niet vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn.

De risico’s die voortvloeien bij de A2, A58 en de spoorlijn hebben betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen. Op de aard en omvang hiervan heeft de gemeente weinig invloed. Daarom kiest de gemeente Best om de omgang met deze risico’s te verbinden aan de voorwaarden van de gebiedstypes uit hoofdstuk 5. Concreet betekent dit dat waar bijvoorbeeld veel transport van gevaarlijke stoffen door het gebiedstype ‘Risicoluw’ loopt, de risicoluwe ambities worden gehanteerd. Hiermee probeert de gemeente Best de inwoners zoveel te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s.

In hoofdstuk 5 wordt een omschrijving van de gebiedstypen gegeven en worden de consequenties voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico besproken.

4.2.2 Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven)

Voor bestaande risicovolle bedrijven geldt dat de risicocontouren van bestaande (vergunde) en mogelijke uitbreiding zoveel mogelijk wordt beperkt om inefficiënt ruimtegebruik tegen te gaan. Dit wordt gedaan door een gerichte inzet van Best Beschikbare Technieken (BBT), waarbij de PR 10-6 contour (zoveel mogelijk) wordt teruggebracht binnen de eigen perceelgrenzen. Hiermee worden beperkingen voor de aangrenzende percelen opgeheven.

4.2.3 Hogedruk aardgasleidingen

Er lopen twee Z-leidingen (Z-519-02, Z-510-28) en twee A-leidingen A521-07 en A-525-02) door de gemeente Best. Het maatgevend scenario voor aardgastransportleidingen is een fakkelbrand en/of explosie als gevolg van breuk van de leiding (door een externe oorzaak, bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Afhankelijk van de leidingdiameter en gasdruk kan er een fakkel ontstaan van 60 tot 130 meter hoog. Door de Gasunie zijn op basis van dit mogelijke scenario de effectafstanden voor verschillende leidingdiameters en drukken bepaald (Scenarioboek externe veiligheid).

De effectafstanden (1% letaal) van de leidingen binnen de gemeente bedragen 70 tot 245 meter. De stralingshitte op deze afstand bedraagt 10 kW/m2. Zoals gezegd worden de effectafstanden bepaald op basis van het scenario van een guillotinebreuk. Het gas ontsteekt en er treedt een fakkelbrand op. De kans op een guillotinebreuk is echter zeer klein (kans op een breuk is 5 tot 10 keer kleiner dan een lek). Het meest geloofwaardige scenario is een lek in de buisleiding. Voor de grootste leidingen in Best (18 inch) ligt de effectafstand van een lek van de buisleiding op circa 10 meter van de buisleiding, voor de kleinste buisleiding (5 inch) ligt deze op de leiding (Tabellen 31 tot en met 34 van de Handreiking verantwoorde brandweeradvisering).

Gelet op de zeer kleine kans op een guillotinebreuk en de naar verhouding hoge kosten die gemaakt moeten worden om de bestaande gebouwde omgeving hiertegen te beschermen, is het niet reëel om hiervoor extra maatregelen op te leggen in het omgevingsplan of omgevingsvergunning. Ook voor het scenario van een lek van een buisleiding is het niet zinvol maatregelen aan de bestaande gebouwde omgeving op te leggen. De effectafstand is immers zeer klein (ligt op de buisleiding zelf of op zeer korte afstand), en bebouwing op de buisleiding is al uitgesloten vanwege de vrij te houden belemmeringstroken van 4 en 5 meter. Bij het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties in aandachtsgebieden van hogedruk aardgasleidingen moet door middel van het verantwoordingskader uit hoofdstuk 7 blijken welke maatregelen er getroffen dienen te worden. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen worden op voorhand uitgesloten binnen brand- en explosieaandachtsgebieden (zie 4.4), tenzij er zwaarwegend belang is om deze toch te realiseren in een aandachtsgebied. Hierbij geldt dan dat er een voorschriftengebied verplicht moet worden aangewezen.

4.2.4 DPO-leiding

Daarnaast is er ook een DPO-productleiding aanwezig waardoor kerosine wordt vervoerd.

DPO-leiding: De 1% letaliteit ligt op 30 meter, de PR 10-6 contour ligt op de leiding.

Naast het directe ruimtebeslag van de leidingen is ook het indirecte ruimtebeslag door risicocontouren van invloed op de strookbreedte. Bij het vaststellen van de externe veiligheidscontouren rondom buisleidingen zijn twee waarden van belang, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

5 Gebiedsgerichte risicoprofielen

5.1 Risicoluw gebied

5.1.1 Centrum en woonwijken

Het centrum is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals detailhandel, horeca en kleine bedrijvigheid. De gebieden worden gekenmerkt door hoge dichtheden van personen en activiteiten zoals wonen, scholen en zorginstellingen. De gemeente Best wil haar burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving bieden en in woonwijken worden daarom geen nieuwe risicovolle inrichtingen toegelaten.

De risicoruimte van eventueel aanwezige risicovolle inrichtingen worden zoveel mogelijk beperkt. Als de gelegenheid zich voordoet (bijvoorbeeld verkoop van een bedrijf) worden de mogelijkheden en financiële consequenties onderzocht om de risicovolle activiteiten op heffen of te verminderen.

In deze gebieden zijn alle risicovolle activiteiten uitgesloten, mits dit noodzakelijk is voor het functioneren van de woonwijk. Hiermee wil de gemeente Best niet per definitie ontwikkelingen rondom energietransitie (bijvoorbeeld buurtbatterijen, oplaadstations voor elektrische auto’s) uitsluiten. Er moet een passend maatregelenniveau worden gerealiseerd, inclusief een verantwoording van het groepsrisico volgens het verantwoordingskader.

5.2 Buitengebied

5.2.1 Buitengebied

Buitengebied

Het buitengebied is minder eenduidig dan de gebiedstypes centrum en wonen. In dit gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s als vanzelfsprekend gezien. Door historische ontwikkelingen heeft er een mengeling van verschillende activiteiten plaatsgevonden. Er zijn veel (agrarische) bestaande risicovolle activiteiten binnen dit gebied, waarbij ook vele woonlocaties zijn gevestigd binnen dit gebiedstype. Nieuwe (agrarische) risicovolle activiteiten zijn toegestaan binnen dit gebiedstype. Ook Aquabest valt onder het buitengebied. Op het terrein van Aquabest zijn enkele inrichtingen die een propaantank nodig hebben voor de bedrijfsvoering. Voor andere industriële (niet passend in het beeld van het buitengebied) risicovolle activiteiten zijn, met uitzondering van propaantanks, niet toegestaan binnen dit gebiedstype. Ook de uitbreiding van agrarische bestaande risicovolle activiteiten zijn mogelijk. Daarnaast is het mogelijk om ook (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk te maken, wanneer deze buiten brand- en explosieaandachtsgebieden van een risicovolle activiteit zijn gelegen. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten (in aandachtsgebieden) zijn eveneens toegestaan, mits voldaan wordt aan de verantwoordingsplicht uit hoofdstuk 7. Dit geldt niet voor zeer kwetsbare gebouwen. Deze worden uitgesloten.

LPG-tankstations/Waterstof-stations

De vestiging van nieuwe LPG-tankstations in het buitengebied wordt juist wel toegestaan. Deze industriële activiteiten van dergelijke inrichtingen hangen vaak nauw samen met de ligging van de doorgaande wegen in Best. Bovendien is het uit oogpunt van externe veiligheid verstandig om nieuwe LPG-tankstations zoveel mogelijk buiten bebouwde gebieden te vestigen. Dit geldt ook voor Waterstof-stations, die mogelijk door de energietransitie ook haar intrede kunnen maken binnen de gemeente Best. Locaties die ingericht zijn voor het afleveren van LPG zijn in de toekomst uitermate geschikt voor het huisvesten van inrichtingen voor het afleveren van risicovolle brandstoffen, zoals bijvoorbeeld waterstof of een combinatie van verschillende brandstoffen (zoals voorkomt bij multifuel-tankstations), door de historisch gecreëerd afstand tussen kwetsbare gebouwen en de risicovolle activiteit.

5.3 Bedrijventerreinen

5.3.1 Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen:

Dit betreffen gebieden met gemengde bedrijvigheid. Kantoren en industriële bedrijven wisselen elkaar af. Bestaande risicovolle inrichtingen zijn toegestaan. Voor nieuwe risicovolle inrichtingen geldt een “nee, tenzij” regeling. Dit betekent dat nieuwe risicovolle inrichtingen in principe niet zijn toegestaan, tenzij kan worden voldaan aan de bepaling dat de PR 10-6 contour niet buiten de perceelsgrens valt. Seveso-bedrijven worden uitgesloten. Voor nieuwe kwetsbare objecten geldt een “nee, tenzij” regeling. Dit betekent dat er geen nieuwe kwetsbare gebouwen zijn toegestaan, tenzij er zwaarwegende belangen zijn en een passende bescherming wordt geboden op basis van het verantwoordingskader en passend binnen het beeld van een bedrijventerrein. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen zijn niet toegestaan, zowel binnen als buiten aandachtsgebieden.

6 Borging externe veiligheid bij besluitvorming

6.2 Externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen

6.2.1 De bouw (of uitbreiding) van een (nieuwe) risicobron

Bij het initiatief voor een nieuwe risicobron of uitbreiding van een bestaande risicobron, moet worden bepaald wat de omvang van het aandachtsgebied is. De omvang van het aandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van bijlage VII van het Bkl. Hierin staan vaste afstanden waar rekening mee gehouden dient te worden of wanneer deze afstanden berekend dienen te worden. Wanneer de omvang van het aandachtsgebied is bepaald, moet worden beoordeeld of het aandachtsgebied past in het omgevingsplan. Dit is het geval als de gemeente in het omgevingsplan ruimte heeft gereserveerd voor toekomstige risicovolle activiteiten en aandachtsgebieden, zoals bij de gebiedstypes bedrijventerrein intensief en buitengebied. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Ook het Rijk en de provincie hebben de mogelijkheid om via een projectbesluit direct aanpassingen te maken in het omgevingsplan.

6.2.2 De bouw van een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie

Bij het initiatief voor een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie moet beoordeeld worden of de ontwikkeling past in het omgevingsplan. Passen betekent in eerste instantie dat het omgevingsplan de ruimtelijke ontwikkeling (bijv. woningen of een school) toestaat in het betreffende gebied. Daarnaast kunnen er voorwaarden zijn gesteld aan de bouw van het kwetsbaar gebouw op het gebied van bescherming, zoals bijvoorbeeld geldt voor het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen in een aandachtsgebied (voorschriftengebied).

Wanneer het omgevingsplan de bouw van het betreffende type gebouw toestaat, moet worden nagegaan of het gebouw in een aandachtsgebied is beoogd en of dit aandachtsgebied is aangewezen als voorschriftengebied. Het voorschriftengebied moet worden aangewezen voor zeer kwetsbaar gebouwen (zoals een ziekenhuis of kinderdagverblijf) wanneer deze in een brand- of explosieaandachtsgebied zijn voorzien.

Als het voorschriftengebied is aangewezen, betekent dit dat er aanvullende bouweisen gelden voor het te bouwen gebouw (artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl, zie stappenplan voldoende bescherming). Wanneer geen voorschriftengebied is aangewezen, gelden voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties niet direct de aanvullende bouweisen. Wel dient het stappenplan voldoende bescherming doorlopen te worden. Hieruit kan alsnog volgen dat er aanvullende bouweisen (of andere maatregelen) gelden.

Naast de aanwijzing van een voorschriftengebied, kan het omgevingsplan andere doel- en of middelvoorschriften bevatten waaraan de initiatiefnemer moet voldoen om de vergunning verleend te krijgen. Wanneer de initiatiefnemer in zijn plan kan aantonen aan de voorwaarden uit het omgevingsplan te kunnen voldoen, kan de omgevingsvergunning worden verleend. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden beoordeeld of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan.

6.3 Externe veiligheid en vergunningverlening

6.3.1 Rekening houden met Omgevingsplan

Bij het beoordelen bij een vergunningaanvraag wordt door de gemeente Best rekening gehouden met het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer de activiteit niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Het kan hierbij zowel gaan om de aanvraag van een vergunning voor een risicobron als van een (beperkt, zeer) kwetsbaar gebouw of locatie.

Als de activiteit past in het omgevingsplan, dient bepaald te worden of er een PR 10-6 contour en/of een aandachtsgebied is (vaste afstand uit bijlage VII Bkl of berekenen).

6.3.2 Actualiseren vergunning

Bij een nieuwe vergunning worden bestaande rechten in stand gehouden tenzij actualisatie nodig is. Artikel 5.38 Omgevingswet verplicht de gemeente Best om regelmatig de toereikendheid van de vergunning te bezien (actualiseren). Dit biedt de gemeente Best de mogelijkheid de vergunning te actualiseren wanneer deze bijvoorbeeld niet meer voldoet aan de laatste stand der techniek (artikel 4.22 lid 2 onder c). Met deze mogelijkheid kan de gemeente Best bronmaatregelen afdwingen om zo de bestaande of nieuwe omgeving te beschermen tegen eventuele effecten van een calamiteit bij een MBA met externe veiligheidsrisico’s.

6.3.3 Bescherming van bestaande bedrijven na vergunningverlening tegen de gevolgen van een veranderende omgeving

Alle activiteiten (dus ook nieuwe woonbebouwing) dienen te passen binnen de gestelde grenzen van het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer dat niet het geval is, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Als er al een bestaand aandachtsgebied is zal het bevoegd gezag daar rekening mee moeten houden in de aanpassing van het omgevingsplan (5.3 en 5.15 Bkl).

Als het omgevingsplan wordt aangepast moet de gemeente Best bij vergunningverlening aan een bedrijf rekening houden met het (aangepaste) omgevingsplan.

Bijlage 1 Afkortingenlijst

Afkorting

Betekenis

ODZOB

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

VRBZO

Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

MBA

Milieubelastende activiteit

EV

Externe veiligheid

OW

Omgevingswet

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

PR

Plaatsgebonden risico

GR

Groepsrisico

AG

Aandachtsgebied

ZKG

Zeer kwetsbaar gebouw

PGS

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

DSO

Digitaal Stelsel Omgevingswet

BBT

Best beschikbare technieken

Bijlage 3 Stappenplan voldoende bescherming van de Provincie Noord-Brabant

Toelichting Stappenplan voldoende bescherming

Om tot voldoende bescherming te komen in de gebiedstypen kun je gebruikmaken van een stappenplan.

Dit stappenplan is in het Handboek Omgevingsveiligheid van het RIVM uitgewerkt om mens en milieu binnen aandachtsgebieden te beschermen:

1Afstand houden van het aandachtsgebied (buiten aandachtsgebied ontwikkelen).

2Waarderen al bestaande bescherming:

a.is de basisbescherming op orde;

b.biedt bestaande omgeving voldoende bescherming.

3Overwegen aanvullende bescherming:

a.binnen aandachtsgebieden afstand houden;

b.aanvullende risicocommunicatie op orde;

c.beperken van het aantal aanwezige personen;

d.voldoende vlucht- en schuilmogelijkheden;

e.meerwaarde aanvullende bouwmaatregelen.

Om te komen tot een passende bescherming voor de nieuwe populatie die wordt toegevoegd, maak je onderscheid tussen maatregelenniveaus. De maatregelenniveaus zijn onderverdeeld in drie categorieën:

•Maatregelenniveau A (wettelijke basisbescherming)

•Maatregelenniveau B

•Maatregelenniveau C

Algemene toelichting van de 3 maatregelenniveaus

Maatregelenniveau A

Dit is het wettelijke basisbeschermingsniveau waarbij je invulling moet geven aan artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit bestaat uit de volgende onderdelen:

-basis risicocommunicatie (artikel 46 Wet Veiligheidsregio’s);

-toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT);

-de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening;

-aanwezigheid van bedrijfshulpverlening (conform ARBO-wet);

-hanteren constructieve veiligheidsklasse passend bij het type gebouw (conform Bbl);

-grenswaarde plaatsgebonden risico;

-de eventuele aanwijzing van een bedrijfsbrandweer.

Maatregelenniveau B

Dit maatregelenniveau biedt aanvullende bescherming boven op het wettelijke minimum.

Bij maatregelenniveau B kijk je naar de al aanwezige bescherming in de omgeving en extra bronmaatregelen (Best Beschikbare Technieken (BBT)). Een voorbeeld van al aanwezige bescherming is een greppel of vloeistofgoot tegen een plasbrand. Een voorbeeld van extra BBT is het toepassen van stoffen die minder gevaarlijk zijn.

Maatregelenniveau C

Maatregelenniveau C is aanvullend op de voorgaande maatregelenniveaus. Nadat de al aanwezige bescherming en de mogelijkheid tot bron- en omgevingsmaatregelen is beoordeeld, kijk je naar de mogelijkheid om aanvullende bouwmaatregelen te nemen. Voorbeelden van aanvullende bouwmaatregelen zijn splinterwerend glas of stevigere wanden. Dit resulteert in een maatregelenpakket om tot voldoende bescherming te komen bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen. Door het volgen van de stappen schaal je op naar een hoger maatregelenniveau. Je doorloopt alle stappen in het stappenplan.

Bij maatregelenniveau B komt een tweespoor voor: de initiatiefnemer/ontwikkelaar moet aan beide stappen voldoen om het stappenplan verder te doorlopen.

Naast de effectiviteit van maatregelen bekijk je ook of de maatregel economisch haalbaar is. Op basis van beide criteria weeg je af of je een maatregel kunt nemen. Indien blijkt dat het nemen van maatregelen niet lijdt tot een aanvaardbaar veiligheidsniveau of als blijkt dat de maatregelen niet economisch haalbaar zijn, dan kan het zijn dat de ontwikkeling binnen het explosie- en/of brandaandachtsgebied niet geschikt is.

Wanneer is er sprake van voldoende bescherming?

We spreken van voldoende bescherming indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

•er wordt voldaan aan de onderdelen van de basisbescherming; en 24 Gemeenteblad 2023 nr. 508476 29 november 2023

•er zijn voldoende vlucht,- en schuilmogelijkheden; en

•er zijn voldoende maatregelen (bron-, omgevings- en/of bouwmaatregelen) getroffen om de ontwikkeling te beschermen tegen de relevante gevaren.

Algemene informatie stappenplan

Beperkte verantwoording

In sommige situaties volgend uit het stappenplan kun je volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij geef je invulling aan de voorwaarden uit de basisbescherming (zie de laatste stap van maatregelenniveau A).

Beschrijven van het restrisico

Bij de verantwoording van het groepsrisico moet je altijd ook het restrisico in beeld brengen. Het restrisico is het risico dat overblijft op het moment dat er risicoreducerende maatregelen zijn genomen (omgevings-, bron- of bouwmaatregelen). Ook kan het zijn dat er sprake is van risico’s waarbij het nemen van maatregelen geen beschermend effect heeft. Door het restrisico in beeld te brengen en het te beschrijven is duidelijk welke risico’s het bevoegd gezag accepteert bij ontwikkelingen in een aandachtsgebied.

Verplichte adviestaak Veiligheidsregio

Bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (binnen een aandachtsgebied) wordt de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om advies te geven over zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van noodhulpdiensten.

Op basis van de eigenschappen van de bron, de aard van de ontwikkeling en de afstand tussen de bron en de ontwikkeling kun je bepalen of het standaardadvies van de Veiligheidsregio volstaat of dat maatwerkadvies vereist is. Voor de richtlijn wordt verwezen naar het standaard en maatwerkadvies van de Veiligheidsregio.

Bijlage 4 Tabel vastgestelde aandachtsgebieden

Voor enkele activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden tot aandachtsgebieden. Deze zijn te vinden in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de tabel hieronder staan de activiteiten met vaste afstanden in een duidelijk overzicht. De overige afstanden van de brand- en explosieaandachtsgebieden bij activiteiten uit bijlage VII van het Bkl dienen berekend te worden.

Voor het gifwolkaandachtsgebied geldt een beleidsmatige afkapping van maximaal 1,5 kilometer.

Bij Seveso-bedrijven wordt het gifwolkaandachtsgebied afgekapt op 300 meter.

Brandaandachtsgebied

Explosieaandachtsgebied

Basisnet

30meter

200meter

Tanken van LPG

60meter

160meter

Opslagtank voor propaan > 13m3

60meter

160meter

Opslaan van propaan < 5m3

20meter

30meter

Opslaan van propaan > 5m3

20meter

50meter

Opslaan van propaan > 5 bevoorradingen per jaar

60meter

160meter

Waterstof: opslag- en transport, groothandel, containeroverslag en tankstation

55meter

n.v.t.

LNG: opslag- en transport, groothandel en containeroverslag en tankstation

Tussen 50 en 200 meter (tabel E.10 bijlage VII Bkl)

n.v.t.

Bijlage 5 Stappenplan Omgevingsveiligheid VRBZO

Collectieve advisering omgevingsveiligheid Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in het kader van art. 5.11 en 5.15 Bkl

1Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in een aandachtsgebied (brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) of attentiegebied wordt aangevraagd.

2Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in de directe omgeving van een natuurgebied wordt aangevraagd.

o Hier wordt nog nadere invulling aan gegeven.

3Initiatieven met betrekking tot het regionaal risicoprofiel, waaronder:

o Windturbines

o Gevolgbeperking overstroming en klimaatadaptatie

o Evenementen

o Gebruik van gebouwen

o Voorkomen rookoverlast binnen-opslag en buitenopslag

o Risicocommunicatie

o Milieu

4Initiatieven met betrekking tot de energietransitie (o.a. zonneparken, trafohuisjes, Energie opslag Systemen (EOS)) en nieuwe technieken/ technologieën/activiteiten waarvan risico’s m.b.t. fysieke veiligheid en gezondheid nog onbekend zijn;

5Basisadvisering repressieve voorzieningen: De veiligheidsregio wil adviseren bij alle objecten waarbij afgeweken wordt van de uitgangspunten uit de ‘Handreiking bereikbaarheid en bluswater’

6https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2021/02/Beleidsregels-Bereikbaarheid-en-Bluswatervoorziening-Brabant-DEFINITIEF-herzien-25-6-2019.pdf

en/of de ‘bruidsschatregels’ ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Bij de overige ontwikkelingen dient de handreiking te worden overgenomen en kan advies worden gevraagd bij de veiligheidsregio.

Daarnaast wil de veiligheidsregio adviseren over repressieve voorzieningen die worden geplaatst bij (complexe) gebouwen die het brandweeroptreden mogelijk moeten maken. Dit geldt in ieder geval voor de volgende objecten:

o Gebouwen hoger dan 20 meter;

o Gebouwen met meervoudig ruimtegebruik (bijv. woongebouw boven tunnel of parkeergarage);

o Gebouwen met een inzetdiepte van meer dan 60 meter;

Ontwikkelingen die invloed hebben op bereikbaarheid voor hulpdiensten, zoals publieks- en/of verkeer aantrekkende voorzieningen (bijv. een evenemententerrein, een schouwburg, scholen, bioscopen, stadion, de grotere stations voor openbaar vervoer, evenementenhal, etc.), bouwwerkzaamheden en/of tijdelijke of permanente wegafsluitingen;

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.