Gemeentelijke regelgeving

Afwegingskader grootschalige duurzame energie buitengebied Best 2024

Gemeente Best · geldt sinds 20 december 2024

5. Windenergie

5.1 Aspecten afweging en onderbouwing windmolens

5.1.1 Milieueffecten en uitstoot van windmolens: veilige en gezonde leefomgeving

Er zijn en komen steeds meer onderzoeken

4https://docs.wind-watch.org/Leading-Edge-erosion-and-pollution-from-wind-turbine-blades_5_july_English.pdf

waaruit blijkt dat er erosie optreedt bij de rotorbladen van windturbines. Dit veroorzaakt een schadelijke uitstoot vanuit o.a. de coating, fiberglas. Dit kan oplopen tot 62 kg per turbine per jaar. Onder meer hierdoor is het niet wenselijk om windturbines te plaatsen in natuurgebieden, in drinkwatergebieden of in de buurt van woningen. Dit is vertaald in de geactualiseerde kaartlagen. Dit afwegingskader hanteert het volgende ten aanzien van de afweging en beoordeling van mogelijke initiatieven voor windmolens:

◼︎ Windmolens zijn niet toegestaan in de gebieden die in de visie zijn weergegeven in rood (o.a. natuurnetwerk).

◼︎ Windmolens zijn niet toegestaan in het door de provincie aangegeven drinkwaterbeschermingsgebied om het steeds schaarser wordende drinkwater voor nu en in de toekomst te beschermen.

◼︎ Voor windmolens geldt een afstand van minimaal 400 meter ten opzichte van alle woningen en woonbestemmingen, of zoveel meer als nodig voor een veilige en gezonde leefomgeving.

5.1.2 Geluid

Inwoners die in de omgeving van een windturbine wonen, kunnen hinder ervaren van het geluid van windturbines. Om die reden dient een windturbine afstand te houden tot woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen. De gemeente Best kijkt hiervoor naar de geluidsnormen van de rijksoverheid van oktober 2023: maximaal 45 dB Lden overdag en maximaal 39 dB Lden ’s nachts.

Daarnaast moet er tevens sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en is er afwegingsruimte voor lagere waarde dan de standaardwaarde als aanleiding daartoe op grond van cumulatie geluid of de aard van het gebied. Ook geldt een extra toeslag van 5 dB boven op de geluidsnorm voor tonaalgeluid

5https://www.helpdeskwindopland.nl/bijeenkomsten/alle+bijeenkomsten/2570789.aspx

. Om een dergelijk geluidniveau te realiseren, moet meer afstand worden gehouden tussen windturbines en geluidsgevoelige gebouwen. Ondanks dat geluid van windturbines minder luid is dan van andere bronnen (zoals verkeer en industrie), wordt dit geluid sneller als hinderlijk ervaren. De reden hiervan is het karakter van het geluid, en dan met name het zoeven en zwiepen van de wieken, de geluidsdruk en dat het een laagfrequent geluid is.

Of een mogelijke locatie voor windturbines voldoet aan de geluidsnorm moet per locatie met een akoestisch onderzoek worden bepaald, en vervolgens worden getoetst aan de activiteitentoets vanuit de Omgevingswet. De geluidsnorm is daarbij leidend, wat maakt dat de daadwerkelijke afstand die aangehouden dient te worden, kan afwijken.

5.1.3 Slagschaduw

De ronddraaiende wieken van een windturbine werpen schaduw op de omgeving. Dat wordt ‘slagschaduw’ genoemd. De frequentie, intensiteit en duur van dergelijke slagschaduw bij een locatie bepalen de mate van hinder. Er is volgens de normen van de rijksoverheid van oktober 2023 een stilstandsvoorziening nodig als de afstand van de windturbine tot de woningen en andere ‘gevoelige bestemmingen’ (bijvoorbeeld scholen) minder dan 12 maal de rotordiameter is. Bijvoorbeeld bij een rotordiameter van 110 meter (bladlengte van 55 meter) geldt dan: een invloed afstand van 1.320 meter, en als er gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kán optreden.

5.1.4 Trillinghinder

Er zijn berichten dat inwoners trillinghinder ondervinden van het draaien van de windturbines. De gemeente Best wil hier rekening mee houden en vindt dat inwoners ten alle tijden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moeten hebben binnen de gemeente. Een initiatiefnemer moet alle potentieel mogelijke effecten onderzoeken en uitwerken. Doel is dat omwonenden geen extra trillinghinder vanuit dit initiatief kunnen gaan ondervinden.

5.1.5 Effecten op (beschermde) soorten, flora en fauna

Windmolens hebben ook invloed op onder andere vogel- en vleermuizenpopulaties. Zo kunnen vogels in dodelijke aanvaring komen met de rotorbladen van windmolens. De extra sterfte leidt tot een afname van vogelpopulaties. Als het hierbij gaat om beschermde diersoorten dan is dat in principe niet aanvaardbaar.

In de ruimtelijke onderbouwing voor de besluitvormingsprocedure van windmolens moet daarom onder andere worden onderbouwd wat de effecten op flora en fauna kunnen zijn en de risico's van het initiatief windmolens op dierpopulaties

6Uit onderzoek van de Universiteit van Wageningen blijkt dat de gevolgen van de extra sterfte op vogelpopulaties onder de huidige normen voor windmolens worden onderschat. Zie; "Mortality limits used in wind energy impact assessment underestimate impacts of wind farms on bird populations", Universiteit van Wageningen, Peter Schippers, Ralph Buij, Alex Schotman, Jana Verboom, Henk van der Jeugd, Eelke Jongejans. 04 Juni 2020.

. Impact op beschermde soorten moet voorkomen worden.

5.1.6 Afstand tot objecten en gebieden

Omdat een windturbine risico’s met zich meebrengt voor de directe omgeving, zoals val- en werpgevaar, bestaan er minimale afstanden tussen windturbines en verschillende (beperkt) kwetsbare objecten.

In het Handboek Risicozonering Windturbines (2014) zijn minimumafstanden opgenomen voor panden, hoogspanningsleidingen, buisleidingen, risicobronnen, spoorwegen, vaarwegen en hoofdwegen. Bij de plaatsing van een windturbine dient rekening te worden gehouden met de minimumafstand tot deze objecten. Vanuit de Regionale Energie Strategie metropoolregio Eindhoven (RES MRE) is een minimale afstand opgenomen van 400m tot woningen. Daarnaast hanteert Rijkswaterstaat de beleidsregel dat er minstens vijftig meter afstand tussen een windturbine en een vaarweg moet worden aangehouden, om hinder van radarapparatuur te voorkomen. Ook kunnen windturbines, door hun hoogte en draaiende wieken, verstoring veroorzaken op de beelden van radarsystemen van radarstations van Defensie. Op voorhand is niet te bepalen of een verstoring acceptabel is, daarom dient bij het realiseren van windturbines hoger dan 90 meter NAP op verstoring getoetst te worden.

De normen van de rijksoverheid van oktober 2023 geven aan dat de afstand tot windturbinegevoelige objecten minimaal 2x de tiphoogte moet zijn. In veel Europese landen is dit meer.

Bij bepaling van milieueffecten gaat het om de grootte van de bron en de impact die dit heeft op de omgeving. In deze zin is er logischerwijs ook een relatie tussen impact en de tiphoogte van de windmolen als bron qua milieueffect. Een veilige en gezonde leefomgeving is hierbij leidend.

5.1.7 Vliegroutes

Figuur 1: Vliegroutes Eindhoven Airport (bron:https://samenopdehoogte.nl/uitleg1/vliegroutes/default.aspx)

Daarnaast ligt Best midden in de vliegroutes vanuit Eindhoven Airport, zie figuur 1. Deze vliegroutes geven hoogtebeperkingen. Hierdoor is het toepassen van grootschalige windmolens bij deze vliegroutes niet mogelijk.

5.1.8 Radarverstoringsgebied Eindhoven Airport/ Vliegbasis Eindhoven

Figuur 2: Radarverstoringsgebied (bron: https://www.rvo.nl/onderwerpen/windenergie-op-land/radar-windprojecten).

Vanuit zowel de militaire vliegbasis Eindhoven, vliegbasis Volkel alsook de burgerluchthaven Eindhoven Airport geldt dat goede radarontvangst voor het vliegverkeer onontbeerlijk is. Daarom gelden er rondom vliegvelden zgn. radarverstoringsgebieden met hoogtebeperkingen waarin geen verstoring van de radar is toegestaan, zie figuur 2. Hierop staan de maximale hoogten van windmolens ten opzichte van NAP. Best valt in de zone met een maximum van 90 meter NAP.

In aanvulling hierop is het goed om in het achterhoofd te houden dat defensie momenteel bezig is met haar toekomstvisie ‘Ruimte voor defensie’. We hebben onlangs de NRD beoordeeld en hieruit bleek dat defensie ook binnen onze regio de nodige extra ruimte claimt. Met name de beoogde activiteiten in Oirschot (laagvlieggebied helikopters) en vliegbasis Eindhoven (mogelijke locatie voor jachtvliegtuigen) gaan mogelijkerwijs extra belemmeringen opleveren voor windmolen initiatieven.

5.1.9 Conclusie windenergie

In principe is er één beperkt zoekgebied waar de opwek van windenergie in principe afweegbaar kan zijn.

Gezien alle beperkingen zijn de mogelijkheden om windenergie op grootschalig niveau toe te passen binnen dit zoekgebied beperkt. Het actuele provinciaal beleid vereist overigens projecten van minimaal 3 windmolens op rij. Wel zijn er mogelijkheden voor kleinschalige windmolens, waarbij op eigen erf een windmolen met een hoogte tot maximaal 15 meter mogelijk is. Dit is ook opgenomen in het geldende bestemmingsplan buitengebied Best.

6. Zonne-energie

6.1 Aspecten relevant voor het afwegingskader

6.1.1 Verzekeringen en/of bankgarantie

Er zijn een aantal risico’s bij duurzame energieopwekking die de gemeente wil waarborgen. Voorbeelden van dergelijke risico’s zijn:

◼︎ Opruimen installatie bij andere bestemming grond (na aflooptijd).

◼︎ Stormschade aan installatie.

◼︎ Glasschade op grond door installatie/panelen.

◼︎ Grondverontreiniging door installatie/panelen.

Om deze risico’s af te dekken moet de initiatiefnemer een en ander financieel borgen met een bankgarantie en/of een solide verzekering. Dit wordt vervolgens vastgelegd in een anterieure overeenkomst.

6.1.2 Lokale participatie

Lokale participatie is belangrijk voor acceptatie en draagvlak onder Bestse inwoners, organisaties en ondernemers. In de Visie duurzame energieopwekking buitengebied Best is ook de eis opgenomen dat er minimaal 50% lokaal eigendom moet zijn. Lokaal eigendom is een voorwaarde om een energieproject in het buitengebied van Best te mogen realiseren.

Lokaal eigendom betekent eigenaarschap en zeggenschap door de lokale gemeenschap, zowel financieel als juridisch. Het is een aandeel in het eigendom van de duurzame energie productie-installatie met volledig stemrecht. Dit kan door te investeren in een project en zo financieel deel te nemen (financiële participatie). (Mede-)eigendom betekent niet alleen financieel eigendom, maar ook (democratisch) zeggenschap over het project én over de besteding van de baten. Voor elk project zijn er verschillen in omvang, gebiedskenmerken, type project en betrokkenen

8Daarom is er geen landelijke standaard voor wat de lokale omgeving van een project is. Welke bewoners, (agrarische) grondeigenaren en bedrijven onderdeel zijn van de lokale omgeving wordt lokaal en per project bepaald. Uiteindelijk beoordeelt de gemeente of het proces goed doorlopen is en of de omgeving in voldoende mate betrokken is.

. De initiatiefnemer van een energieproject doorloopt daarom een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie en moet dit onderbouwen. Daarnaast is het vanuit de procedure voor een omgevingsvergunning verplicht om een omgevingsdialoog te voeren met de omgeving. Ook dit moet onderbouwd en gedocumenteerd worden.

6.1.3 Meerwaarde voor Best

De gemeente Best hecht niet alleen waarde aan de opwek van duurzame energie, maar ook aan duurzaamheid in brede zin. Dit betekent dat wij initiatiefnemers en ontwikkelaars vragen om met hun project meerwaarde te creëren voor onder meer natuur en landschap, voor de omgeving en andere belangrijke aspecten. In de tabel onder punt 3 zijn deze nader uitgewerkt. Daarnaast is aanleveren van een levenscyclusplan een voorwaarde voor elk project. Daarin moet staan hoe het initiatief wordt aangelegd, beheerd en weer wordt afgebroken.

6.1.4 Zonneladder

De zonneladder wordt weergeven in figuur 3. Deze zonneladder geeft de voorkeursvolgorde weer van de realisatie van zonnepanelen. De voorkeursvolgorde start bij trede 1 en loopt vervolgens via trede 2 naar trede 3. Dit betekent niet dat de volgende trede pas wordt ingezet als de voorgaande trede ten volste is benut. Het betekent dat er wordt gekeken naar wat er mogelijk is op de eerste trede. De vraag die nog over is zal dan op de volgende trede moeten worden gerealiseerd. Zo voorkom je dat de gehele opgave enkel op de laatste trede wordt ingevuld en de voorgaande tredes worden overgeslagen.

Figuur 3: Zonneladder MRE (https://static.metropoolregioeindhoven.nl/downloads/Themas/

Energietransitie/MRE_Concept_RES_April_2020_Los.pdf)

De raad heeft bij de vaststelling van de Visie duurzame energieopwekking buitengebied Best besloten dat er maximaal 20 hectare grondgebonden zonnepanelen in het buitengebied mogen worden toegekend in de periode tot 2026. Op dit moment (2024) is in totaal tot zo’n 12,9 hectare aan zonnepanelenveld vergund. Daarnaast doet Best mee met een project voor Opwek Energie op Rijksgronden (OER-Brainport), wat naar verwachting tussen de 1,5 en 2 hectare groot kan zijn. Het doel is de 2e helft van 2025 de stand van zaken te evalueren.

6.2 Toetsing initiatieven

6.2.1 Categorie 1: toetsing verplichte criteria

Elk initiatief wordt in eerste instantie getoetst aan de verplichte criteria uit categorie 1. Dit zijn criteria waaraan ten minste voldaan moet zijn, wil een initiatief overwogen kunnen worden. Aan elk van deze criteria dient ten minste voldaan te worden. Hierna kunnen de initiatieven beoordeeld worden aan de criteria van categorie 2. De criteria van categorie 1 zijn als volgt:

◼︎ Gemeente Best eist minimaal 50% lokaal eigendom:

Dit betekent dat inwoners/ondernemers van Best financieel kunnen deelnemen (bijv. investeren en aandelen). Daar hoort risico nemen bij. (Mede-) eigendom betekent naast financieel bijdragen, ook zeggenschap over het project én over de besteding van de baten. Dit kan bijvoorbeeld geregeld worden via een coöperatie of in een (gemeentelijk) duurzaamheidsfonds voor de inwoners van Best om op deze wijze anderszins meerwaarde te creëren.

◼︎ Multifunctioneel ruimtegebruik:

Zorgvuldig omgaan met beschikbare ruimte is een belangrijk uitgangspunt en daarom moet er sprake zijn van dubbelgebruik bij realisatie van grootschalige opwek. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een geluidswal langs de snelweg, of het herstellen van het omringend landschap en het verhogen van de biodiversiteit, het verbeteren van de waterkwaliteit en het realiseren van waterberging. Hierbij gaat het dus om een waardevolle toevoeging naast de grootschalige opwek, passend binnen de ruimtelijke bestemming. Het realiseren van een zonnepark is zonder aanvullende besluitvorming dan ook geen rechtvaardiging om een “niet-buitengebied-gebonden-functie”, zoals een stedelijke functie te realiseren in het buitengebied.

◼︎ Procesparticipatie:

Aantoonbaar inhoudelijk betrekken van inwoners/ondernemers bij een project, gericht op besluitvorming, randvoorwaarden etc. Een omgevingsdialoog is verplicht. Hierbij moet het participatiebeleid van de gemeente gehanteerd worden.

◼︎ Bouwstoffen die uitloogbaar zijn mogen niet worden toegepast. Als schadelijk uitloogbaar (bouw)materiaal wordt in ieder geval aangemerkt: zink, lood, koper, gewolmaniseerd (geïmpregneerd) hout en teerbitumen. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van verantwoorde, duurzame materialen. De materialen mogen niet schaars of schadelijk voor het milieu zijn. Herbruikbaar en circulair materiaalgebruik wordt gestimuleerd. Voor onderhoud mogen geen stoffen die schadelijk zijn voor de bodem gebruikt worden.

◼︎ Er mag geen permanente verlichting toegepast worden, maar beveiligingsverlichting mag wel toegepast worden.

6.2.2 Categorie 2: toetsing criteria puntensysteem

Als een initiatief een positieve beoordeling van categorie 1 heeft, toetsen we het initiatief aan criteria van categorie 2. Deze criteria hebben betrekking op:

(A) de participatie, (B) de meerwaarde voor Best, (C) de wegingsfactor van het landschap.

Deze toetsing maken we concreet door een scoreenwegingsfactor toe te kennen.

1Score. Daarbij moet een project minimaal 10 punten scoren op basis van de criteria over: participatie en de meerwaarde.

2Wegingsfactor landschap. Deze punten worden vermenigvuldigd met de scores van het landschap. Deze vermenigvuldiging kan: positief, neutraal of negatief zijn.

Hieronder staan de tabellen met scoring en wegingsfactoren opgenomen:

(A) Participatie

Score

Financiële en sociale participatie (minimaal 50% lokaal eigendom)

9Minimaal 50% lokaal eigendom (juridisch en economisch) is een vastgestelde eis vanuit de visie, waardoor hier te allen tijde aan moet worden voldaan. Met lokaal eigendom wordt hier bedoeld eigendom van de lokale omgeving en niet eigendom van lokale partijen.

Gemeente Best eist minimaal 50% lokaal eigendom. Bij voldoen aan minimale eis van 50% wordt 1 punt toegekend. Dit kan oplopen tot 3 punten. Dit betekent dat inwoners/ondernemers van Best financieel kunnen deelnemen (bijv. investeren en aandelen). Daar hoort risico nemen bij. (Mede-) eigendom betekent naast financieel bijdragen, ook zeggenschap over het project én over de besteding van de baten. Dit kan bijvoorbeeld geregeld worden via een coöperatie of in een (gemeentelijk) duurzaamheidsfonds voor de inwoners van Best om op deze wijze anderszins meerwaarde te creëren. Bij 50-74% lokaal eigendom 1 punt, bij meer dan 75% lokaal eigendom 2 punten.

1-2

Procesparticipatie

Aantoonbaar inhoudelijk betrekken van inwoners/ondernemers bij een project, gericht op besluitvorming, randvoorwaarden etc. Een omgevingsdialoog is verplicht, maar betekent niet dat automatisch punten worden toegekend. Als de dialoog goed is vormgegeven en beargumenteerd dan kan hier maximaal 1 punt op worden verdiend.

1

(B) Meerwaarde

Score

Biodiversiteit

Vergroten biodiversiteit. Bijv.: planten inheemse (streekeigen) bloemen en struiken, creëren van schuil- en voedselgelegenheid voor inheemse insecten en andere diersoorten, en gaat in overleg met de gemeente. Dit wordt gedaan door middel van een houtsingel aan minimaal 2 zijden van het perceel. Afhankelijk van de locatie in het buitengebied kunnen dit ook meer dan 2 zijden het perceel zijn. Een houtsingel van 7-10 meter levert 1 punt op, bij meer dan 10 meter 2 punten. De landschappelijke inpassing moet blijven bestaan, ook na verloop van de vergunning.

1-2

Maatschappelijke meerwaarde

Het creëren van extra maatschappelijke meerwaarde zoals openstellen van land voor wandelroutes of educatie.

Onder educatie verstaan we het delen van relevante kennis over opwekking duurzame energie, bijdragen aan opleiding en educatie, schoolbezoeken, etc. De landschappelijke inpassing moet blijven bestaan, ook na verloop van de vergunning.

1

Opstelling

Bij een oost-west opstelling of noord-zuid opstelling van de panelen is 1 punt te halen wanneer de afstand tussen de opstellingen minimaal 5 meter is. Bij een verticale opstelling zijn er 2 punten te behalen.

1-2

Klimaatadaptatie

Aantoonbare maatregelen zoals water vasthouden van buiten het projectgebied. Als alleen de eigen waterberging is geregeld 1 punt, 2 punten als deze daarnaast ook oplossing biedt voor anderen. De landschappelijke inpassing moet blijven bestaan, ook na verloop van de vergunning.

1-2

Cultuurhistorische waarde

Herstellen of versterken van de cultuurhistorische waarde door bijvoorbeeld historische routes beschikbaar te stellen.

1

Multifunctioneel ruimtegebruik

Zorgvuldig omgaan met beschikbare ruimte; dubbelgebruik. Bij dubbelgebruik 1 punt, bij drievoudig ruimtegebruik 2 punten.

1-2

Oplossingen energiesystemen

Bijvoorbeeld (lokale) opslag van duurzame energie, nieuwe vormen van duurzame energie opwek, of andere toepassingen. Bij het toepassen van een nieuwe innovatie in de vorm van duurzame energie opwek 1 punt, bij het toepassen van energieopslag waarbij er een oplossing geboden wordt aan de net schaarste 2 punten. Bij gebruik van beide opties zijn er 3 punten te verdienen.

1-3

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.