Aanhef
Burgemeester en wethouders van Berkelland
overwegende dat het gewenst is dat:
•een doelgroepkind vroegtijdig gesignaleerd wordt en dat ter bestrijding van (taal)achterstand bij kinderen in de leeftijd van 2 jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs, gerichte (erkende) programma’s van voorschoolse educatie worden aangeboden;
•kansengelijkheid in het onderwijs wordt bevorderd;
•financiële drempels voor ouders van doelgroepkinderen om deel te nemen aan voorschoolse educatie weggenomen of verlaagd worden;
•de voorschoolse educatie voldoet aan het landelijk gesteld minimum kwaliteitsniveau;
gelet op artikel 3 lid 2 van de Algemene subsidieverordening (ASV) 2022;
gelet op de artikelen 165 tot en met 168a van de Wet op het primair onderwijs;
gelet op de Wet kinderopvang;
gelet op de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang;
besluiten
vast te stellen de volgende regeling:
Subsidieregeling voorschoolse educatie Berkelland 2024
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a.Doelgroepkind: een kind dat een achterstand opgelopen heeft of dreigt op te lopen in de taalontwikkeling en/of een kind van wie de ontwikkeling stagneert of dreigt te stagneren door sociaal-emotionele problemen, of door problemen van psychosociale aard;
Het consultatiebureau bepaalt/indiceert of er sprake is van een doelgroepkind.
b.Kinderopvang: voorziening waar bedrijfsmatig of anders dan om niet dagopvang gedurende één of meerdere dagdelen per week plaatsvindt voor kinderen vanaf nul jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs.
c.Ouderbetrokkenheid: de betrokkenheid van ouders bij de opvoeding en het onderwijs of de ontwikkeling van hun kind, zowel thuis als in de kinderopvang.
d.Peuteropvang: een aanbod voorschoolse opvang voor peuters van 2 tot 4 jaar van maximaal 2 dagdelen per week gedurende maximaal 40 weken per jaar.
e.Peutergroep: een groep voor kinderen van 2 jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs. Deze kinderen zijn tenminste twee dagdelen per week in de peuter- of kinderopvang, waarbij het doel is de sociale, creatieve, educatieve ontplooiing (waaronder taalontwikkeling) en de motorische ontwikkeling van het kind in nauw overleg met de ouder/opvoeder te bevorderen. Dit door middel van spel en omgang met leeftijdsgenoten.
f.Voorschoolse educatie (VE): activiteiten voor een peutergroep die op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling stimuleren op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling en die verzorgd worden door een organisatie die werkt met peutergroepen. Voorschoolse educatie omvat per week 16 uur. De voorschoolse educatie moet voor tenminste 40 weken per jaar worden aangeboden aan het doelgroepkind.
g.Vereist taalniveau: pedagogisch medewerkers in de voorschoolse educatie moeten voor mondelinge en leesvaardigheden voldoen aan niveau 3F. Schriftelijke vaardigheden mogen worden beheerst op niveau 2F. 3F en 2F staan respectievelijk voor Fundamentele kwaliteit op niveau 3 en niveau 2.
Artikel 2 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen
Subsidie op grond van deze regeling kan worden verstrekt ten behoeve van:
1het bestrijden van ontwikkelingsachterstand bij kinderen in de leeftijd van 2 jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs door het aanbieden van gerichte (erkende) programma’s van voorschoolse educatie;
2het wegnemen of verlagen van financiële drempels voor ouders van doelgroepkinderen om deel te nemen aan voorschoolse educatie;
3het verhogen van de kwaliteit van de voorschoolse educatie;
Hierbij gaat het om activiteiten voor het bereiken van dit doel en waarvoor op grond van een plan van aanpak met nadere financiële onderbouwing, incidenteel subsidie toegekend kan worden als het budget voor Onderwijsachterstandbeleid toereikend is. Te denken valt hierbij aan activiteiten als het volgen van een gezamenlijke VE-training of ter versterking van ouderbetrokkenheid.
4organisaties met peutergroepen die in elk geval 16 uur per week voorschoolse educatie gedurende 40 weken per jaar bieden aan doelgroepkinderen in de leeftijd van 2,5 – 4 jaar. Organisaties die de voorschoolse educatie willen aanbieden verspreid over méér dan 40 weken in een jaar, voeren hierover vooraf overleg met de gemeente. Voor doelgroepkinderen die tussen de 2 – 2,5 jaar oud zijn is het 16-uurs aanbod niet vereist. De voorschoolse educatie aan deze groep omvat minimaal 10 uur per week gedurende 40 weken per jaar.
Artikel 3 Organisaties die voor subsidie in aanmerking komen
1Aan organisaties met peutergroepen wordt een subsidie verstrekt voor de wekelijkse deelname aan voorschoolse educatie door een doelgroepkind.
2Subsidie op grond van deze regeling wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen die zich bezig houden met het aanbieden van voorschoolse educatie, die primair gericht is op kinderen afkomstig uit de gemeente Berkelland. De voorschoolse educatie moet aangeboden worden in of in de nabijheid van een (dorps)kern behorend tot de gemeente Berkelland.
Artikel 4 Berekening van de subsidie voor doelgroepkinderen die onder de Wet kinderopvang vallen
1Voor doelgroepkinderen die onder de Wet kinderopvang vallen gaat de subsidie uit van het aantal uren benodigd voor deelname aan voorschoolse educatie, dat uitstijgt boven het aantal uren dat een ouder al afneemt voor peuter- of dagopvang. Dit tot en met maximaal 16 uren per week en gedurende 40 weken per jaar.
2Extra uren benodigd voor voorschoolse educatie zijn uitdrukkelijk niet bedoeld om in te zetten ter vervanging van de dagopvang.
3Het voorschools aanbod omvat een maximum van 6 uur per dag.
4De eerste 8 uren voorschoolse educatie per week vallen onder de werking van de Wet kinderopvang en komen niet voor gemeentelijke subsidie in aanmerking.
5Vanaf het 9e tot en met maximaal het 16e uur per week voorschoolse educatie bedraagt het subsidiabel bedrag per uur € 11,50 (in 2024). Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd gelijk aan de procentuele verandering in een jaar van de maximum uurprijs van de kinderopvangtoeslag voor dagopvang. Dit laatste geldt mits het budget voor onderwijsachterstandbeleid toereikend is.
Artikel 5 Berekening van de subsidie voor doelgroepkinderen die niet onder de Wet kinderopvang vallen
1Voor doelgroepkinderen die niet vallen onder de Wet kinderopvang gaat de subsidie uit van het aantal uren benodigd voor deelname aan voorschoolse educatie. Dit tot en met maximaal 16 uren per week en gedurende 40 weken per jaar.
2Extra uren benodigd voor voorschoolse educatie zijn uitdrukkelijk niet bedoeld om in te zetten ter vervanging van dagopvang.
3Het voorschools aanbod omvat een maximum van 6 uur per dag.
4Het subsidiabel bedrag per uur voor voorschoolse educatie is voor het 1e tot en met het 8e uur per week gelijk aan de maximum uurprijs van de kinderopvangtoeslag voor dagopvang (€ 10,25 in 2024) of het uurtarief van de aanbieder wanneer dit lager is, min de eigen bijdrage van de ouders die door de aanbieder wordt berekend op grond van de Kinderopvangtoeslagtabel.
5Het subsidiabel bedrag per uur voor voorschoolse educatie is vanaf het 9e tot en met maximaal het 16e uur per week voorschoolse educatie € 11,50 (in 2024). Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd gelijk aan de procentuele verandering in een jaar van de maximum uurprijs van de kinderopvangtoeslag voor dagopvang. Dit laatste geldt mits het budget voor onderwijsachterstandbeleid toereikend is.
Artikel 6 Procedurebepalingen
1De aanbieder van peuter- en/of kinderopvang vraagt per kwartaal de subsidie aan.
2Er wordt gebruik gemaakt van een door de gemeente beschikbaar gesteld declaratieformulier.
3De subsidieaanvraag vermeldt de initialen en geboortedatum van de peuters die gebruik hebben gemaakt van deze regeling en de periode waarover dit het geval was.
4Vooraf aan de start van de opvang is een overeenkomst opgesteld en ondertekend door de aanbieder en de ouders.
5De ouder(s) betalen voor het 1e tot en met het 8e uur opvang een ouderbijdrage aan de aanbieder. De aanbieder int de ouderbijdrage en is zelf verantwoordelijk voor een eventueel debiteurenverlies.
6De ouders blijven te allen tijde zelf verantwoordelijk voor betaling van het deel dat niet voor een vergoeding van de ouderbijdrage in aanmerking komt.
7De aanbieder is verantwoordelijk voor het jaarlijks schriftelijk toetsen en vaststellen van de hoogte van de ouderbijdrage aan de hand van:
-de aan aanbieder overlegde meest recente inkomensverklaring van ouders;
-de landelijk geldende kinderopvangtoeslagtabel.
8Als een ouder geen of niet tijdig de inkomensgegevens aan de aanbieder aanlevert, wordt deze aangemerkt als vallend onder de hoogste inkomenscategorie.
9Indien het inkomen van de ouders gedurende de plaatsingsperiode van een peuter verandert, zodanig dat dit van invloed is op de hoogte van de tegemoetkoming, moeten de ouders de aanbieder daarvan op de hoogte stellen. De aanbieder stelt daarna zo spoedig mogelijk de gewijzigde ouderbijdrage vast.
10De aanbieder dient aan te kunnen tonen dat de ouders waarvan de kinderen worden opgevangen voldoen aan de inkomensnormen bij deze subsidie.
Artikel 7 Doelgebonden verplichtingen
1De organisatie die de voorschoolse educatie biedt, zorgt voor een zowel schriftelijke als mondelinge overdracht van het doelgroepkind naar het basisonderwijs.
2Per januari 2022 is het wettelijk verplicht om een hbo pedagogisch medewerker/coach in te zetten voor de voorschoolse educatie (VE). De kinderopvangorganisatie beschrijft in het beleidsplan hoe deze beleidsmedewerker ervoor gaat zorgen dat de kwaliteit van pedagogisch medewerkers en het pedagogisch beleid wordt verhoogd en daarmee de kwaliteit van VE.
Artikel 8 Slotbepalingen
1Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2024 en eindigt op 31 december 2026.
2Deze regeling kan aangehaald worden als “Subsidieregeling voorschoolse educatie Berkelland 2024”.