Gemeentelijke regelgeving

Leidraad Inrichting Openbare Ruimte

Gemeente Berkelland · geldt sinds 7 augustus 2025

Aanhef

Civiel- en cultuurtechnische werken

2. Beheerbewust ontwerpen en inrichten

2.1. ROL VAN HET TEAM ADVIES EN BEHEER OR EN/OF OPDRACHTGEVERSCHAP IN HET PROJECT

2.1.1. Beheertafel

Team Advies en Beheer Openbare Ruimte biedt als platform voor haar rol de periodieke ‘beheertafel’. Van ontwikkelaars wordt verwacht dat ze het platform gebruiken om ontwerpen en documenten ter toetsing aan te bieden en om (samen) te sparren over aanpakken of oplossingen.

De beheerders van de openbare ruimte zitten elke drie weken aan de beheertafel. Documenten dienen minimaal een week voor de datum van de beheertafel aangeleverd te worden. De maximale duur van een beoordelingstraject is daarmee vier weken.

2.1.2. Projectverkenning

Binnen de initiatief- en definitiefasen levert het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap beheergegevens, beschikbare informatie, kwaliteitseisen, randvoorwaarden, wensen en ambities. Indien van toepassing ook middelen in de vorm van geld en tijd of de toezegging daartoe.

Gevraagd van de projectorganisatie:

•Afstemmoment voor benodigde inbreng.

2.1.3. Projectontwikkeling

Binnen de ontwikkel- en voorbereidingsfasen denkt het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap mee in het participatie- én ontwerpproces, levert zij (beheer)informatie en bewaakt zij de duurzame beheerbaarheid van het beoogde eindresultaat.

Gevraagd van de projectorganisatie:

•Afstemmomenten SO, VO en DO.

Aangeboden aan projectorganisatie:

•Deelname en/of bijdrage aan participatieproces.

2.1.4. Projectrealisatie

Binnen de realisatiefase denkt het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap mee in het technische ontwerpproces, levert zij (beheer)informatie en bewaakt zij de duurzame beheerbaarheid van het beoogde eindresultaat.

Gevraagd van de projectorganisatie:

•Afstemmoment bestek en tekeningen (uitvoeringscontract, voorzien van handtekening van de betrokken beheerders).

Het tweede deel van de realisatiefase behelst het bouwproces. Daarin kan een aantal stop- en/of bijwoonmomenten nuttig zijn, zoals bijvoorbeeld:

•Materialen bij leverantie;

•Tracé, vormgeving en hoogtes, bij voorbeeld na stellen van de banden;

•De kwaliteit van straatwerk, bijvoorbeeld 2 dagen na aanvang werk;

•Bij asfaltwerk: resultaten onderzoek boorkernen.

Voor stop- en/of bijwoonmomenten groenvoorzieningen, zie §11.6.

2.1.5. Afronding: toetsing en oplevering

Binnen de afrondingsfase krijgt het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap een rol bij de toetsing op duurzame beheerbaarheid en oplevering van het eindresultaat.

Gevraagd van de projectorganisatie:

•Vooropnamemoment: voorafgaand aan de oplevering volgens het UAV organiseert de projectleider en/of directievoerder een vooropname (of ‘beheerschouw’). Tijdens de vooropname schouwen de projectleider en/of directievoerder en de toezichthouder met een vertegenwoordiging van het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap het resultaat. Doel is om eventuele opmerkingen te verzamelen en te verwerken vóór de formele eerste oplevering.

•Indien zinvol:

-Vervolgopname (inspectie) drie maanden voor einde onderhoudstermijn;

-Vervolgopname (inspectie) drie maanden voor einde garantietermijn;

•Aanleveren van revisiegegevens.

De actuele (nieuw gerealiseerde) geometrie van de ontwikkelde locatie wordt opgenomen in de BGT (basiskaart grootschalige topografie) en wordt verrijkt en verwerkt in de beheersystemen. Belangrijk daarbij is dat de uitvoerende partij revisietekeningen en -gegevens van alle ondergrondse voorzieningen aanlevert. Het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap meet zélf de bovengrondse revisie in. (Let op: voorstel!)

Belangrijk: het werk kan pas werkelijk aan Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap worden overgedragen als alle revisiegegevens zijn geleverd en zijn goedgekeurd.

2.1.6. Opleveringseisen

Na de afronding van een project vindt overdracht van de ingerichte openbare ruimte plaats aan de gemeente en/of beheerders om het in eigendom en in duurzaam beheer te nemen. Deze paragraaf geeft een globaal overzicht van de kwaliteitseisen die van toepassing zijn. Daarnaast past de gemeente Berkelland de kwaliteitseisen uit de vigerende Standaard RAW bepalingen van het CROW toe.

Naast de vaste (verplichte) eindinspectie kunnen ook facultatieve aanleg- en tusseninspecties plaatsvinden. Deze staan bij de desbetreffende onderwerpen nader uitgewerkt in deze LIOR. Aan de hand van de eindinspectie wordt besloten of de voorziening voldoet en overgenomen kan worden.

Voor de opleveringsdocumenten zie §12.7.

Na de overdracht (overname) van het gehele werk is de gemeente Berkelland (Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap) eigenaar van de openbare ruimte en ook verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud.

Deelopleveringen

Bij deelopleveringen wordt een rapport gemaakt van nul-situatie bij ingebruikname van de voorziening terwijl het gehele werk nog niet is opgeleverd. De gemeente is vanaf dat moment aansprakelijk voor het gebruik van de voorziening en voor schade die ontstaat tijdens dat gebruik. De garantietermijn blijft van kracht conform de UAV-paragraaf 11.

2.1.7. Garantietermijnen

In alle situaties geldt, na oplevering aan de gemeente, een minimale garantietermijn van 1 kalenderjaar die onderdeel uitmaakt van de aanleg. Bij groenvoorzieningen behoort 1 jaar onderhoud en de inboet tot de garantietermijn. Bij asfaltconstructies wordt een minimale garantietermijn van 3 jaren gehanteerd.

Bij deelopleveringen wordt een rapport gemaakt van nul-situatie bij ingebruikname van de voorziening terwijl het gehele werk nog niet is opgeleverd. De gemeente is vanaf dat moment aansprakelijk voor het gebruik van de voorziening en voor schade die ontstaat tijdens dat gebruik. De garantietermijn blijft van kracht conform de UAV-paragraaf 11.

3. Klimaat

3.4. DEFINITIES

3.4.1. Klimaatadaptie en ruimtelijke adaptatie

Klimaatadaptatie houdt in dat we ons voorbereiden op de gevolgen en risico’s van het veranderende klimaat en onszelf en de omgeving hierop aanpassen. Het begrip ‘ruimtelijke adaptatie’ valt onder klimaatadaptatie. De begrippen worden veelal door elkaar gebruikt.

Ruimtelijke adaptatie is een onderdeel van klimaatadaptatie en houdt in: het aanpassen van onze leefomgeving aan klimaatverandering en de gevolgen van overstromingen, wateroverlast, droogte en hitte.

3.4.2. Klimaatmitigatie

Klimaatmitigatie is het voorkomen van verdere klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

3.6. 3-30-300 REGEL

3.6.1. 3 bomen zichtbaar vanuit elk huis

De eerste regel is dat iedereen vanuit huis minstens 3 bomen (van behoorlijke omvang) moet kunnen zien. Recent onderzoek toont het belang aan van zichtbaar groen voor de mentale gezondheid en welzijn.

Bovendien moet elke buurt minimaal 30 procent boomkroonbedekking hebben. Tot slot mag niemand meer dan 300 meter van een park of groene ruimte wonen waar meerdere recreatieve activiteiten mogelijk zijn.

3.6.2. 30% boomkroonbedekking in elke buurt

Onderzoek toont aan dat er een verband is tussen de boomkroonbedekkingsgraad en bijvoorbeeld de koeling van de omgeving, een beter luchtmilieu, mentale en fysieke gezondheid. Door meer buurten te vergroenen worden de bewoners aangemoedigd om meer tijd buiten door te brengen wat op zijn beurt de sociale cohesie bevordert.

Veel ambitieuze wereldsteden hebben 30% boomkroonpercentage als doel gesteld. Op wijkniveau zou 30% een minimum moeten zijn, en waar mogelijk liefst nog een hoger percentage.

3.6.3. 300 m vanaf het dichtstbijzijnde park of groene ruimte

Niemand mag meer dan 300 meter van een park of groene ruimte wonen waar je kunt recreëren. Veel studies onderstrepen het belang van de nabijheid van een gemakkelijke toegang tot hoogwaardige groene ruimte die voor recreatie kunnen worden gebruikt. Als afstand wordt vaak een wandeling van vijf tot tien minuten genoemd. Dit stimuleert het recreatief gebruik van groen en dat heeft op zijn beurt positieve invloed op zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid.

Uiteraard verschilt de lokale context; de behoeften in bijvoorbeeld voorsteden met een lagere dichtheid van de bebouwing zullen verschillen van die in dichtbebouwde stedelijke gebieden.

5. Grondwerk

5.2. ONTGRAVEN

5.2.1. Cunetten

Ontgravingen ten bate van verhardingen moeten tot aan de vaste zandlaag plaatsvinden met een maximum van (t.o.v. nieuw maaiveld):

•Rijwegen inclusief aanliggende voetpaden: 1,00 m;

•Parkeerplaatsen: 1,00 m;

•Fietspaden: 0,60 m;

•Vrij liggende trottoirs: 0,30 m;

•Ter plaatse van NUTS-tracés: 1,00 m.

De ontgravingsbreedte van rijbanen en fietspaden is gelijk aan de verhardingsbreedte vermeerderd met 0,50 m aan weerszijde. De cunetten moeten worden aangevuld met zand in zandbed.

5.2.2. Plantvakken

Plantvakken en groenstroken moeten uit grond bestaan. De grond moet voldoen aan de kwaliteit zoals beschreven in hoofdstuk 11 (Groenvoorzieningen). Is dat niet het geval, dan moeten deze worden ontgraven en worden aangevuld met grond die wel voldoet tot maximaal 0,10 m boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).

5.3. AANVULLING

5.3.1. Zand in zandbed

Zand dat in een zandbed wordt verwerkt moet voldoen aan de eisen zoals in de vigerende standaard RAW bepalingen, artikel 22.06.03 staat omschreven.

In afwijking van artikel 22.02.07 lid 05 van de vigerende standaard RAW bepalingen moet de verdichtingsgraad van het zand in aanvulling of in ophoging per monster ten minste 98% bedragen. De eis voor de gemiddelde verdichtingsgraad is niet van toepassing.

5.3.2. Grond

Grond die wordt verwerkt in plantplaatsen, plantstroken, groenvakken, grasvelden en bermen moeten worden aangevuld met (teel)grond in overeenstemming met de eisen uit hoofdstuk 11 (Groenvoorzieningen).

7. Riolering en water: ontwerpregels

7.3. WATERGANG, STUW EN ZAKSLOOT

7.3.1. Watergang

Bij realisatie van een watergang moet altijd een vergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Rijn en IJssel. Bij het Waterschap is nadere informatie te verkrijgen over deze vergunning.

Het ontwerp van de watergang moet minimaal aan de volgende eisen voldoen:

•Onderwater talud: 1:3;

•Bovenwater talud: 1:1,5;

•Waterdiepte: 1,00 m;

•Bodembreedte: 1,00 m;

•Diameter duiker: minimaal 0,40 m;

•Afstand grens-insteek: 0,50 m;

•Onderhoudsstroken: obstakelvrije strook van min 5,00 m breed;

-Waterbreedtes tot 6 m: onderhoudsstrook aan één zijde;

-Waterbreedtes 6 m tot 12 m: onderhoudspad aan beide zijden;

-Waterbreedtes 12 m en groter: geen onderhoudspad (varend onderhoud).

7.3.2. Stuw

Het ontwerp van de stuw moet aan de volgende eisen voldoen:

•Toepassen FSC-hout, 100 %-label, duurzaamheidsklasse 1;

•Diameter doorlaat: minimaal Ø125 mm (vertraagde afvoer, landbouwafvoernorm);

•Doorlaat uitvoeren in RVS;

•Stuwpeil is minstens 0,20 m onder maaiveld;

•Beide zijden stuw voorzien van een stortebed van minimaal 1,20 m breed.

7.3.3. Zaksloot

Het ontwerp moet minimaal aan de volgende eisen voldoen:

•Talud: 1:1,5;

•Bodembreedte: 0,50 m;

•Afstand grens-insteek: 0,50 m;

•Diameter duiker: minimaal 0,40 m.

7.5. HOOFDRIOOL

7.5.1. Ontwerp

•Minimale dekking: 1,20 m;

•Minimale diameter: 250 mm;

•Minimale vrije ruimte tussen kruisende leidingen: 0,20 m;

•Minimale afstand tussen hoofdleidingen: 1,20 m h.o.h.;

•Maximale putafstand: 70 m;

•Maximale diepte b.o.b.: 4,00 m minus maaiveld;

•Ieder begin-, eind en knikpunt voorzien van een inspectieput;

•Inspectieput bij voorkeur plaatsen in het hart van een rijbaan en/of rijstrook;

•Indien meerdere leidingen in één inspectieput samenkomen, moet de b.o.b. van de leiding(en) met de kleinste afvalwaterstroom minimaal 0,10 m hoger liggen dan de b.o.b. van de hoofdafvoerleidingen.

7.5.2. Afschot

•DWA-stelsel

•Voorkeur afschot: 1:buisdiameter in mm;

•Afschot beginstrengen: 1:250 (voor minimaal eerste 150 m);

•Minimaal afschot: 1:500.

HWA-stelsel

•Minimaal afschot: 1:1000.

•IT-stelsel

o Geen afschot.

7.5.3. Materiaal

PP-leidingen HWA, DWA (dicht):

•Klasse SN8;

•Verbindingen door middel van mof met rubbermanchet;

•Bij standpijpen zettingsvrije moffen toepassen;

•Maximale diameter: 400 mm;

•GWA buizen: kleur grijs;

•DWA buizen: kleur bruin;

•HWA buizen: kleur groen.

Betonbuizen (zowel dicht als IT):

•Verbindingen door middel van mof-spie met rubberring;

•Bij standpijpen zettingsvrije moffen toepassen;

•Infiltratiebuizen Martens Medina of De Hamer Permeo.

Gresbuizen:

•Normaalwandig;

•Verbindingssysteem C;

•Maken inlaten (huis- en/of kolkaansluitingen) voor aansluiting PP door middel van boren. As inlaat loodrecht op de buis.

7.6. AANSLUITLEIDINGEN

7.6.1. Ontwerp

•Minimale dekking: 0,80 m op de erfgrens;

•Minimale diameter: 125 mm;

•Minimaal afschot: 1:200;

•Haakse bochten door middel van 2x 45° bocht toepassen;

•Op standpijp een flexibel T-stuk, of een flexibel bocht;

•Ontstoppingsstuk plaatsen 0,50 m vanaf de erfgrens (particuliere zijde);

•Elk perceel voorzien van een eigen aansluiting (eigen standpijp);

•Kosten voor een individuele aansluiting op bestaand gemeentelijk riool is voor rekening van de ontwikkelaar. De ontwikkelaar kan hiervoor een aanvraag indienen bij de gemeente. Zie onderstaande link:

Direct Regelen Rioolaansluiting woning aanvragen

•Maximaal 2 kolken op 1 standpijp door middel van flexibele bocht.

7.6.2. Materiaal

PP-leidingen

•Klasse SN8;

•Verbindingen door middel van mof met rubbermanchet;

•GWA buizen: kleur grijs;

•DWA buizen: kleur bruin;

•HWA buizen: kleur groen;

•Ontstoppingsstuk (PK-put 315 mm) met klemdeksel.

Gres

•Normaalwandig;

•Verbindingssysteem F.

7.7. DRAINAGE

7.7.1. Ontwerp

De opdrachtnemer moet een drainageplan ter goedkeuring aanbieden aan de gemeente Berkelland, Team Advies en Beheer Openbare Ruimte. Dit plan moet minimaal de volgende elementen bevatten:

•Onderzoek naar de gedragingen van de grondwaterstanden;

•Onderzoek naar de hoeveelheid “oer” in de ondergrond;

•Afvoermogelijkheden;

•Hoogteligging en maatvoering drainage;

Bij hoge concentraties “oer” in de ondergrond de drainage onder GLG aanbrengen in verband met dicht slibben;

•Dimensioneringsberekening van de drainage;

-Toetsingscriterium van dimensioneringsberekening is een minimale afvoer van 7 mm per dag;

•Maximale putafstand van 50,00 m.

7.7.2. Materiaal

•Drainage voorzien van PP 450-vezel.

•Leggen in minimaal 0,30 m draineerzand.

9. Straatwerk

9.2. RIJBAAN

9.2.1. Maatvoering

De maatvoering van de rijbaan is afhankelijk van de verkeersintensiteit, fietsroutes, wel of niet parkeren en type weg. De gemeente Berkelland onderscheidt verschillende type wegen en hanteert daarvoor de ontwerpprincipes van de ASVV 2021 (CROW-publicatie 740).

Voor enkele basisprincipes zie onderstaande tabel.

Type weg

(Ontwerp) snelheid

Breedte

Locatie fietsers

Parkeren

Belijning / markering

Buiten de bebouwde kom

a.Gebiedsontsluitingsweg (GOW80)

80km/u

7,5 m

Vrij liggende fietspaden

Niet

Dubbele as- en kantmarkering

b.Erftoegangsweg (ETW60)

60km/u

5,0 – 6,0 m

Op de rijbaan of fiets(suggestie)stroken

Niet of op de rijbaan

Kant- of fiets(suggestie)strook markering

Binnen de bebouwde kom

c.Gebiedsontsluitingsweg (GOW50)

50km/u

8,0 m

Vrij liggende fietspaden

Niet

Rijbaan-scheiding 1,5 m

d.Gebiedsontsluitingsweg (GOW50)

50km/h

6,5 m

Vrij liggende fietspaden

Niet of langsparkeren

As-markering

e.Gebiedsontsluitingsweg (GOW30)

30km/h

6,2 m

Op de rijbaan

Niet of langsparkeren

Fiets(suggestiestrook)markering

f.Erftoegangsweg (ETW50)

50km/u

6,2 m

Op de rijbaan

Haaks- en/of langsparkeren

Geen

g.Erftoegangsweg (ETW30)

30km/u

5,5 m

Op de rijbaan

Haaks-parkeren

Geen

h.Erftoegangsweg (ETW30)

30km/h

5,0 m

Op de rijbaan

Langs-parkeren

Geen

i.(1-richting verkeer auto, 2-richting verkeer fiets

30km/h

3,85 m

Op de rijbaan

Langs-parkeren

Geen

j.Fietsstraat

30km/u

5,0 m

Op de rijbaan

Langs-parkeren

Beide zijden rammelstrook 0,5 m

In verband met het projecteren van een NUTS-strook in de openbare ruimte is het toepassen van woonerven niet wenselijk. Zie ook hoofdstuk 8.1.

De definitieve ontwerpbreedte en inrichting moet altijd in overleg met het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte worden bepaald.

De genoemde maatvoering in de ASVV is theoretisch. Met als uitgangspunt ontwerpen op tegel- en/of steenmaat. Daar waar dit niet mogelijk dient dit in een dwarsprofiel te worden aangegeven.

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten:

•Alleen noodzakelijke, functionele verharding toepassen. Denk hierbij aan het toepassen van een trottoir aan beide zijden van de rijbaan;

•Maximale lengte van een doodlopende weg in overleg met de hulpdiensten;

•Beschikbare ruimte versus benodigde ruimte. Lichtmasten zijn een onderdeel van de openbare ruimte. Voor het bepalen van de benodigde breedte moet rekening worden gehouden met het aanbrengen van lichtmasten. Een lichtmast wordt minimaal 0,30 m uit de kant rijbaanverharding gepositioneerd.

9.2.2. Bochtstralen

Wegvakken worden op elkaar aangesloten door middel van bochtstralen. De bochtstralen moeten geschikt zijn voor een maatgevend voertuig om te kunnen passeren. De grootte van de bochtstraal is afhankelijk van de effectieve breedte en de toegestane rijrichtingen van beide wegvakken die op elkaar aansluiten, zie onderstaande figuur.

Een indicatie voor de bochtstralen bij kruisingsvlakken:

•R ≥ 15,0 m, bij gebiedsontsluitingswegen;

•R ≥ 8,0 m, bij erftoegangswegen met relatief middelmatige (middeldruk) verkeersfunctie;

•R ≥ 6,0 m, bij erftoegangswegen met geringe verkeersfunctie (woonstraten).

Een indicatie voor de bochtstralen bij in de rijbaan:

•R ≥ 50,0 m, bij gebiedsontsluitingswegen en/of erftoegangswegen met ontwerpsnelheid 50 km/u;

•R ≥ 15,0 m, bij erftoegangswegen met ontwerpsnelheid 30 km/u.

Ontwerpuitgangspunten:

•Bij erftoegangswegen binnen de bebouwde kom (ETW30 / 30 km-zone) kan een groot voertuig gebruik maken van de volle breedte van zowel de toeleidende weg als de zijweg;

•Op gebiedsontsluitingswegen (50 km/h) en industrieterreinen moet vrachtverkeer elkaar in de bocht kunnen passeren;

•Bij parkeren op de rijbaan wordt de effectieve breedte verkleind waardoor de fictieve bochtstraal groter moet worden. Het eerste parkeervak moet op zodanige afstand van de kruising worden gerealiseerd, dat de grotere bochtstraal in de praktijk mogelijk is;

•Het maatgevende ontwerpvoertuig tot en met wegbreedtes van 5,50 m is een vrachtauto (draaicirkel = 9,80 m), bij wegbreedtes van 6,00 m en groter is het ontwerpvoertuig een trekker met oplegger (draaicirkel = 12,00 m);

•Het ontwerp toetsen met een rijcurve simulatie conform het maatgevende ontwerpvoertuig.

9.2.3. Markering

Wel of geen markering op de rijbaan is afhankelijk van de verkeersintensiteit, fietsroutes, wel of niet parkeren en type weg. De gemeente Berkelland hanteert daarvoor de ontwerpprincipes van de verschillende online kennis modules van het CROW, namelijk:

•Kennismodule Meubilair en installaties;

•Kennismodule Wegontwerp Buiten de Bebouwde Kom;

•Kennismodule Verkeerstekens.

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;

•Belangrijke fietspaden buiten bebouwde kom zoveel mogelijk uitvoeren met kant- en asmarkering. Conform fietsberaad CROW “Geactualiseerde aanbevelingen voor markering op fietspaden 2022”;

•Het kan natuurlijk zijn dat er afgeweken moet worden van de ontwerpprincipes van het CROW. Van de initiatiefnemer wordt een toelichting gevraagd, waar en waarom er wordt afgeweken van de ontwerpprincipes van het CROW;

•CROW brengt in het voorjaar van 2024 een volledig geactualiseerde versie uit van de Richtlijn bebakening en markering van wegen.

9.6. TROTTOIRS

9.6.1. Oversteekplaatsen (trottoiropgangen)

Trottoiropgangen bevinden zich bij oversteekplaatsen en nabij parkeervoorzieningen. Zij hebben tot doel om voetgangers (onder andere mensen in een rolstoel, met een rollator of mensen met een kinderwagen) eenvoudig van en op het trottoir te laten komen.

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;

•Doorgaande wandelverbindingen zodanig op elkaar aansluiten dat de rijbaan haaks kan worden overgestoken;

•Trottoiropgang haaks op de rijweg en buiten het tangentpunt projecteren. In een 30 km-zone (waar weinig verkeer is) mag deze wel in de bocht worden aangebracht;

•Breedte van 1,20 m;

•Bij voldoende trottoirbreedte => 4 st. inrittenblokken, 1x links, 2x “tussen” en 1x rechts;

•Bij onvoldoende trottoirbreedte => verlaagde band toepassen => 1x links, 1x “tussen” en 1x rechts en een maximale helling 1:10;

•Om hoogteverschillen (in de goot) en de kans op plasvorming te minimaliseren, moeten trottoiropgangen bij voorkeur op het hoogste afwateringsniveau worden aangebracht;

•Achter een trottoiropgang moet een horizontaal vlak aanwezig zijn dat tenminste 1,20 m diep is om een rolstoelgebruiker de gelegenheid te geven om te draaien;

•Een oversteekplaats wordt bij voorkeur voorzien van een lichtmast ten behoeve van de zichtbaarheid van overstekende voetgangers in het donker.

9.6.2. Inritten

Inritten bevinden zich op de locatie waar verkeer (voornamelijk auto’s) over het trottoir naar het eigen terrein moeten kunnen bewegen.

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;

•Inrit haaks op de rijweg en buiten de bochtstraal projecteren;

•Breedte inrit gelijk aan uitrit eigen terrein met aan beide zijden 0,75 m extra ruimte tot maximaal 4,00 m bij een enkele inrit;

•Dubbele inrit (alleen bij 2 percelen) 7,00 m;

•Maximale helling 1:10;

•Ter plaatse van inrit op industrieterrein fundering van menggranulaat (250 mm, 0/31,5) toepassen;

•Breedte inrit op industrieterrein maximaal 10,0 m.

9.9. MATERIALEN

9.9.1. Duurzaam beton

Alle verhardingen van beton, betonnen elementverharding, kantopsluitingen (m.u.v. hulpstukken) en stampbeton moeten zijn vervaardigd van “Duurzaam beton”. Duurzaam beton moet bestaan uit secundair toeslagmateriaal. De minimale eis voor secundair toeslagmateriaal (% v/v) staat op Moederbestek. Meer info is te vinden op Bouwcirculair. Het secundair toeslagmateriaal in duurzaam beton moet zijn voorzien van CE-markering op basis van de NEN-EN 12620.

Duurzaam beton moet een MKI-waarde hebben. De maximale eis voor de MKI-waarde (€) staat op Moederbestek. De MKI-waarde voor duurzaam beton moet berekend zijn volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

9.9.2. Elementenverharding

•Sortering gebakken materialen minimaal A4-12EQ+ (KOMO);

•Betonstraatstenen moeten kleurecht zijn;

•Goten van elementverharding, stellen op specie;

•Afschot verharding 2%;

•Bestratingen moeten maximaal 10 mm boven de aansluitende kantopsluiting liggen (klik);

•Al het straat- en tegelwerk aftrillen, afstrooien en invegen met brekerzand.

9.9.3. Asfaltverhardingen

•Het toepassen van asfaltmengsels met gemodificeerde bitumen, blanke bitumen en/of kleurstoffen is niet toegestaan. Asfalt moet volledig recyclebaar zijn.

•Gekleurde (niet zwarte) asfaltdeklagen worden bereikt met het toepassen van steenslag met een kleur. Zo ontstaat bijvoorbeeld rood of lichtgrijs wordend asfalt.

•Tussen asfaltverharding en trottoirband altijd een streklaag toepassen. Voor de waterafvoerende zijde een goottegel (300 x 150 x 60 mm) toepassen en in overige situaties een betonstraatsteen dikformaat of keiformaat.

9.9.4. Materialisatie per wegcategorie

Wegcategorie

Wegcategorie onderdeel

Type verharding

Erftoegangsweg

Rijbaan

•Elementenverharding, kei- of dikformaat, voorzien van 2 strekken en/of 1 strek en 1 waterlaag, dik 80 mm

Trottoir

•Rechtstand; betontegels, dik 60 mm

•Bochten; betonstraatstenen, keiformaat

•Straatbakstenen

•Voorzien van trottoirband 130/150x250 mm en/of geleideband 50/200x250 mm en op de erfgrens opsluitband 100x200 mm

Parkeren

•Elementenverharding, kei- of dikformaat, voorzien van 2 strekken, dik 80 mm

Inritten

(van rijbaan naar woning)

•Breedte trottoir > 5 tegels;

Inritblokken 450 mm diep

•Breedte trottoir < 5 tegels;

Verlaagde band

•Inrit:

Betontegels, dik 60 mm voorzien van opsluitband 100x200 mm (in cementspecie en voorzien van steunrug van beton)

Inritconstructies

(op kruispunten)

•Inritblokken 750 mm diep

Gebieds-ontsluitingsweg

Rijbaan

Asfalt voorzien van goottegel

Trottoir

•Rechtstand; betontegels, dik 60 mm

•Bochten; betonstraatstenen, keiformaat

•Voorzien van trottoirband 180/200x250 mm en/of geleideband 50/200x250 mm en op de erfgrens opsluitband 100x200 mm

Parkeren

•Elementenverharding, kei- of dikformaat, voorzien van 2 strekken, dik 80 mm

Inritten

(van rijbaan naar woning)

•Breedte trottoir > 5 tegels;

Inritblokken 500 mm diep

•Breedte trottoir < 5 tegels;

Verlaagde band

•Inrit:

Betontegels, dik 60 mm voorzien van opsluitband 100x200 mm (in cementspecie en voorzien van steunrug van beton)

Inritconstructies (op kruispunten)

•Inritblokken 800 mm diep

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;

•Elementenverharding rijbaan in keperverband;

•Elementenverharding parkeervakken in elleboogverband;

•Elementenverharding trottoir in halfsteensverband dwars op de looprichting. Bij uitritten in stroomlagen;

•Vakmarkering parkeervakken in elementenverharding, betonstraatstenen, keiformaat, wit;

Kantafwerking rijbaan met keperstenen (bss) of door middel van knippen (sbs);

•Kantafwerking parkeervakken met halve stenen (bss) of passtenen (sbs);

•Fundering van 250 mm menggranulaat 0/31,5 met daarop een straatlaag van minimaal 50 mm;

•Alle overige wegen uitvoeren in asfalt (tonrond). Voor iedere weg moet een asfalt berekening worden gemaakt.

9.9.5. Materialisatie fietspaden

Wegcategorie

Wegcategorie onderdeel

Type verharding

(Doorgaande) fietspaden binnen de bebouwde kom

•Asfalt roodwordend of met rode coating ter plaatse van kruispunten. Tussenliggende delen zwart

Bij een fietspad voorzien van trottoirband 1 strek van betonstraatstenen, keiformaat toepassen

•Dubbelbetonstraatstenen, rood

(Doorgaande) fietspaden buiten de bebouwde kom

•Asfalt zwart

Bij een fietspad voorzien van trottoirband 1 strek van betonstraatstenen, keiformaat toepassen

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;

•Doorgaande fietspaden binnen de bebouwde kom worden niet standaard rood uitgevoerd. Om en nabij kruisingsvlakken, wanneer de fietsers niet in de voorrang zitten, wordt de rode verharding niet doorgezet;

•In parken en/of groene omgevingen en buiten de bebouwde kom omgeving worden fietspaden uitgevoerd in zwart asfalt of grijs beton;

•Fietsoversteken buiten de bebouwde kom, bij fietsers in de voorrang, worden rood uitgevoerd;

•Elementen verharding wordt toegepast wanneer asfalt niet mogelijk is (bijvoorbeeld op een K&L-tracé);

•Halfsteensverband dwars op de rijrichting. In bochten en bij uitritten in stroomlagen;

•Midden markering door middel van betonstraatsteen, keiformaat, wit;

•Wanneer fietsstroken en/of fietspaden in rood asfalt worden uitgevoerd mag er geen gebruik worden gemaakt van blanke bitumen of kleurstoffen.

9.9.6. Materialisatie met betrekking tot klimaatadaptatie

Klimaatadaptatie

Wegcategorie onderdeel

Type verharding

Groene bestrating

Rijbaan, trottoir en/of parkeren

•Altijd opbouwen en samenstellen met daartoe ontwikkelde fundatiesubstraten, straatlaagsubstraten en vulsubstraten met daarin gemengde gras- of kruidenzaad. Voorbeeld van een acceptabel concept: Park Positive.

•In parkeervakken kunnen grasbetontegels en speciale betonproducten worden toegepast (rekening houden met beloopbaarheid. Parkeervakken voorzien van streklagen.

•Rijbaandelen en trottoirs voorzien van speciale betonproducten als bijvoorbeeld ‘Gradient’stenen, altijd in overleg met de wegbeheerder.

•Bij groene bestratingen altijd cementloze betonproducten gebruiken.

Waterdoorlatende en/of waterpasserende bestrating

Rijbaan, trottoir en/of parkeren

Binnen de gemeente Berkelland wordt dit type verharding NIET toegepast

Waterbergende fundering

Rijbaan, trottoir en/of parkeren

•Aquabase (met geogrid verstrekt) of Aquaflow (met geotextiel ingepakt) o.g.

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;

•Groene bestrating kan en mag worden toegepast. Het is echter van belang dat de open ruimten groen worden en groen blijven. Daarnaast moet de onderhoudsinspanning beperkt blijven tot incidenteel maaien en bemesten. Daarom dient de initiatiefnemer / ontwerper een toelichting met de volgende onderwerpen te verstrekken:

-Doel (bijvoorbeeld: groene omgeving, hittestress en/of infiltratie van water);

-Wensbeeld groen;

-Wijze van functioneren (de groene bestrating dient groen te blijven);

-Beloopbaarheid;

-Bezonning;

-Onderhoud.

•Waterbergende fundering kan en mag worden toegepast. Waarbij bijvoorbeeld de trottoir- of straatkolk rechtstreeks op de waterbergende fundering wordt aangesloten. Door de initiatiefnemer dient de constructie te worden toegelicht en uitgewerkt.

9.9.7. Materialisatie middengeleiders

Wegcategorie

Wegcategorie onderdeel

Type verharding

Gebieds-ontsluitingsweg

Midden-geleiders

•RWS-band 115/220x160 mm, kleur grijs, geen goottegel / streklaag op de tussenlaag

•Streetprint, dik 160 mm, kleur RAL 3004

•Voegstone voorzien van voegmortel Infrano E1000, kleur steengrijs o.g.

Voor alle straatmeubilair geldt: • Straatmeubilair voorzien maaibescherming.

10. Straatmeubilair

10.1. VERLICHTING

10.1.1. Ontwerp

•Het verlichtingsplan afstemmen op de locatie van bestaande bomen en/of nieuw te planten bomen en vice versa;

•Verlichting zo veel als mogelijk plaatsen buiten de kroonprojectie;

•Minimaal 0,50 m uit de rijweg of fietspad plaatsen;

•In het verlichtingsontwerp rekening houden met inritten en ramen;

•Op locaties die niet bereikbaar zijn door een hoogwerker, mag de lichtmast niet hoger zijn dan 4,00 m.

10.1.2. Materiaaleisen

•Openbare verlichting moet voldoen aan de richtlijnen van de NSVV, de NEN 6700:1991 nl, de NEN 6702:1991 nl, NEN-EN 40-3-1:2000 en, NEN-EN 40-3-2:2000 en de NEN-EN 40-3-3:2003 en;

•Armaturen moeten voorzien zijn van dimbare led technologie;

•Armaturen voorzien van Zhaga connector aan de bovenzijde van het armatuur;

•Connector dient aangesloten te zijn op LED-Driver Sensor Ready (SR);

•Armaturen voorzien van Communicatie module OLC CityTouch (CityTouch OLC COM SR LG) van Signify inclusief 5 jaar communicatie en inregelen door Signify;

•Levensduur armaturen minimaal 20 jaar;

•Lichtmasten met een minimale levensduur van 40 jaar;

•Lichtmasten voorzien van HMR®-Maaiveldbescherming en grondstukbehandeling of de MSN-XS maaiveldbescherming en/of grondstukbehandeling;

•Lichtmasten aan de binnenzijde afvullen met schoon metselzand tot een hoogte van 0,20 m boven het maaiveld;

•Bevestigingsbouten van de armaturen en de schroefdraad van de deursluiting invetten met Kroon Oil Keramische montage pasta of gelijkwaardig;

•Na het plaatsen de masten nummeren conform de eisen en opgave van het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte;

•Aansluiting van kabels voor verlichting op het openbare net door de netbeheerder;

•Bij plaatsing van de armaturen, overlast door invallend licht in woningen en tuinen zoveel mogelijk beperken. Zo nodig lichtafscherming toepassen;

•Deursluitingen van de masten voorzien van een driekantsluiting.

10.1.3. Revisie

Na aanleg moet er een revisietekening worden verstrekt aan het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte, zowel in *.pdf als in *.dwg. Op deze tekening staan de lichtmasten met de daarbij horende lichtmastnummers en type lichtmast (in x,y – coördinaten in het RD-stelsel). De verschillende type masten aangeven op tekening door middel van afwijkende symbolen. Op de revisietekeningen moeten minimaal de volgende gegevens zijn vermeld:

•Soort mast (hoogte, materiaal, bedekking en type);

•Fabricaat;

•Type armatuur, inclusief elevatiehoek;

•RAL-kleur;

•Lampsoort;

•Vermogen;

•Lampkleur;

•Ordernummer van de leverancier.

10.3. BEBAKENING EN BEBORDING

10.3.1. Verkeersborden

Ontwerp

Het ontwerp met betrekking tot de verkeertekens, moet voldoen aan het gestelde in de “Uitvoeringsvoorschriften BABW betreffende verkeerstekens” en Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Aanvullend hierop moet het ontwerp voldoen aan de volgende eisen:

•De verkeersborden zoveel als mogelijk plaatsen op lichtmasten;

•De rand van de verkeersborden binnen de bebouwde kom, 1,00 m (minimaal 0,60 m) uit de kant van de weg plaatsen. Rekening houdend, dat in geval van puntvernauwing minimaal 0,90 m vrije doorgang op voetpaden wordt gewaarborgd;

•Voor buiten de komgrens geldt een afstand van 1,80 m tussen rand verkeersbord en verharding.

•De hoogte van de onderkant van het onderste bord ten opzichte van het wegdek bedraagt minimaal 2,20 m. Op een verkeerseiland of buiten een weg, pad of trottoir mag deze hoogte 1,20 m bedragen;

•Maximaal twee borden, niet zijnde onderborden, op één paal of mast bevestigen.

Materiaaleisen

Alle bebording moet zijn vormgegeven volgens het modelnummer, conform het vigerende VNVF Bordenboek. (Vereniging Nederlandse Verkeersborden Fabrikanten).

Voor alle verkeersborden, bebakening, plaatsnaamborden en schrikhekken geldt dat ze moeten voldoen aan de volgende ontwerpeisen:

•Leverantie voorzien van kwaliteitskeur Qualisign® (VNVF);

•Volgens RVV 1990, NEN-EN 12899-1:2007 nl en NEN 3381:2020 nl;

•Folie: 3M, Diamond Grade DG3, volgens CE-normering en voorzien van het CE-merkteken, serie 4000;

•Bordmateriaal: aluminium;

•Bordmateriaaldikte: 2 mm;

•Uitvoering met dubbel omgezette rand of kokerprofiel in frame;

•Levensduurgarantie retro-reflectie: 20 jaar door gebruik van laminaatfolie;

•Lettertype volgens ANWB-E;

•Achterzijde verkeersbord grijs.

10.3.2. Verkeersbordpalen

Materiaaleisen

•Gelaste flespalen;

•Ø76/Ø48 mm, wanddikte minimaal 2,9 mm;

•Materiaal: verzinkt staal;

•Voorzien van PVC dop;

•2 ankergaten Ø20 mm ten bate van 2 losse grondpijpen Ø19 mm;

•Lengte flespaal: 3,30 m, 3,60 m, 3,90 m of 4,30 m (inclusief 0,80 m ondergronds).

10.3.3. Komgrens

De komgrens wordt aangeduid door middel van een komportaal in combinatie met een plaatsnaambord en de benodigde zonebebordingen.

10.3.4. Plaatsnaamborden

Plaatsnaam

Afmeting

Type bord volgens de RVV

Borculo

0,34 x 1,34 m

H01b en/of H02 b

Beltrum

0,52 x 1,14 m

H01b en/of H02 b

Eibergen

0,52 x 1,14 m

H01b en/of H02 b

Geesteren

0,52 x 1,34 m

H01b en/of H02 b

Gelselaar

0,52 x 1,34 m

H01b en/of H02 b

Haarlo

0,52 x 1,14 m

H01b en/of H02 b

Neede

0,52 x 1,14 m

H01b en/of H02 b

Noordijk

0,52 x 1,14 m

H01b en/of H02 b

Rekken

0,52 x 1,14 m

H01b en/of H02 b

Rietmolen

0,52 x 1,34 m

H01b en/of H02 b

Ruurlo

0,52 x 1,14 m

H01b en/of H02 b

10.3.5. Fietspadpaaltjes

Flexibele paal

•Flexpost -kunststof-BB21 zuil Ø160 mm (D.G. rood / wit);

•Kunststofbuis (kleur zwart) 32 x 2,0 mm - lengte 0,97 m;

•4x vulplaatje ten bate van montage Flexpost Ø160 mm;

•4x houtdraadbout RVS A2 – M12 x 80 mm, 4x plug – S 16;

•Betonpoer ten bate van Flexpost universeel -0,29 x 0,29 x 0,20 m, 10x Ø14 mm.

Klappaal

•KVS-systeem, diameter Ø100 mm;

•Hoogte boven maaiveld 750 mm;

•Stalen fundatie 930x135x135 mm;

•Kleur: Rood-wit, folie: Retro-reflecterend klasse II;

•Vergrendeling: KVS-systeem.

10.3.6. Zuilkokers

Koker

•Volgens RVV 1990, NEN-EN 12899-1:2007 nl en NEN 3381:2020 nl;

•Koker van aluminium (geen kunststof materialen) voorzien van DG3 reflecterende folie;

•Onder- en bovendeksel van aluminium of staal;

•Bovendeksel (1x) voorzien van één inbusbevestiging;

•Folie: 3M, Diamond Grade DG3, volgens CE-normering en voorzien van het CE-merkteken;

•Folie toepassen in de kleur geel en obstakelzuilen in de kleur zwart / wit.

Buispaal

•Diameter Ø48 mm;

•Materiaal: aluminium, wanddikte minimaal 2,9 mm;

•Voorzien van PVC dop;

•Lengte 2,00 m

Grondpot

•Type D Ø48 mm, met draaisluiting, lengte 300 mm;

•Verkrijgbaar bij onder andere Pol Heteren en HR Groep Ede.

In dichte verharding:

•In beton- of asfaltverharding, een gat aanbrengen van Ø150 mm;

•Stellen van de grondpot, dusdanig dat het schroefdeel boven de verharding uit komt;

•Rondom de grondpot opvullen met krimpvrijemortel.

In elementen verharding:

•Grondpot in betonnen poer;

•Bovenkant betonnen poer = bovenkant elementenverharding.

10.3.7. Bevestiging

•Aluminium klembeugel Ø48 mm (geen scharnierbeugel) met klemplaatjes en RVS bouten, ringen en moeren;

•Aluminium bandbeugel met RVS slangklem.

10.4. SPEELVOORZIENINGEN

10.4.1. Veiligheid

De geplaatste speeltoestellen moeten veilig zijn en aan de wettelijke eisen voldoen. Daarom stelt het WAS eisen aan speeltoestellen. Speelvoorzieningen dienen te voldoen aan het attractiebesluit. Ook speelaanleidingen die niet vallen onder het WAS moeten veilig zijn. Een keuringsrapport van de leverancier of bevoegde keuringsinstantie dient bij oplevering aan de gemeente te worden overhandigd. Dit geldt voor zowel de geplaatste toestellen als voor de gemaakte speelaanleidingen, in dat geval is een omgevingskeuring vereist. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor alle aangebrachte voorzieningen tot het moment van oplevering.

Gemeente Berkelland heeft een lijst van leveranciers, die voldoen aan de gestelde eisen in het beleidsplan, en om de hoeveelheid leveranciers voor onderdelen in verband met reparaties beperkt te houden.

De ontwikkelaar dient ten behoeve van de oplevering een keuringsrapport in te leveren bij de projectleider van de gemeente. Het rapport dient opgesteld te zijn door een bevoegd keuringsinstituut.

10.4.2. Nieuwe speelvoorziening

In een speelvoorziening moet minimaal 1 zitgelegenheid en 1 boom aanwezig zijn. De speelvoorziening is goed bereikbaar en liefst centraal gelegen in een wijk.

Een nieuwe speelvoorziening met speeltoestellen moet voldoende van omvang zijn. Uitgangspunt is minimaal 4 speelelementen, rekening houdend met de doelgroep waar de locatie voor bestemd is. Er wordt uit gegaan van minimaal 40 kinderen in de leeftijd van 0-14 jaar om een speelvoorziening met speeltoestellen te realiseren.

10.5. ZITVOORZIENINGEN

10.5.1. Zitbanken

•Leverancier: Delta;

•Type: Zorix;

•Materiaal: Thermisch verzinkt staal;

•Lengte: 1,80 m;

•Kleur: Gepoedercoat in RAL 9005;

•Bevestiging straatwerk: bevestigen door middel van Cantillana turbobetonmortel;

•Bevestiging overig: bevestigen door middel van betonplaat (afmetingen circa 0,8 x 2,0 x 0,1 m)

In centra kan bij specifieke projecten van het bovenstaande type worden afgeweken.

10.5.2. Picknickset

•Leverancier: Delta;

•Type: Picknick Only1-CLARO;

•Zitting: Rooster, thermisch verzinkt;

•Kleur zitting: Gepoedercoat in RAL 7021 – Black grey;

•Poot: Staal, thermisch verzinkt;

•Kleur poot: Gepoedercoat in RAL 9005 – Diep zwart;

•Afmeting: 1.800 x 1.617 x 470 mm;

•Bevestiging: Fundatie onder maaiveld.

10.6. AFVALINZAMELING

10.6.1. Eisen aan opstelplaats minicontainer

Bij het bepalen van een geschikte locatie en/of clusterplaats voor minicontainers moet rekening worden gehouden met de onderstaande randvoorwaarden:

Aanbied locaties

•Logische aansluiting op achterpadenstructuur (houd rekening met looproutes);

•Maximale loopafstand van 125,00 m (vanaf de perceelgrens);

•Bereikbaar zonder een drukke straat over te hoeven steken;

•De opstelplek markeren door middel van een symbooltegel (minicontainer);

•Twee symbooltegels per locatie.

Rijroutes

•Vermijd locaties in doodlopende straten;

•Voorkom achteruitrijden en draaien van het inzamelvoertuig;

•Rekening houden met de rijroute van de vuilniswagen. Vuilniswagen heeft aan de rechterzijde van de wagen een zijlader;

•Opstelplek obstakelvrij en niet in bochten;

•Benodigde ruimte per container is minimaal 0,80 x 0,80 m (b x d);

•Langwerpige opstelplaats langs de kant van de weg;

•Wegen moeten bereikbaar zijn voor de inzamelvoertuigen;

•Clusterplaatsen zoveel mogelijk direct aan de openbare weg;

•Voorkom blokkades in trottoir en/of loopstrook voor bijvoorbeeld rolstoelen, kinderwagens.

10.6.2. Ondergrondse vuilopslag

De volgende algemene uitgangspunten bij locatiebepaling voor ondergronds vuilopslag zijn:

•Minimale afstand ten opzichte van het gebouw is 5,00 m (Brandweereis);

•Locatie vuilopslag zo dicht mogelijk bij ingang van het terrein en/of langs de rijbaan;

•Vuilopslag niet in doodlopende wegen situeren;

•Locatie obstakelvrij (openbare verlichting, palen, bomen, luifels, et cetera) waarbij rekening gehouden moet worden met een maximale reikwijdte van de kraan van 8,00 m;

•Minimale tussenruimte tussen twee ondergrondse vuilopslagen is 0,50 m;

•Materiaal van de bestrating rondom de container aansluiten op de aanwezige bestratingsmaterialen. Rondom container een streklaag haaks op de container.

Materiaal

•Fabrikant: Serac;

•Kleur container: grijs;

•Kleur bekleding: RAL 7016;

•HARDE binnenbak

•Type bekleding: hardhouten latjes, behandeld met Wilman zout kunststof PE latjes;

•Hoogte bovengronds: 1.100 mm;

•Hoogte ondergronds: 1.600 mm;

•Afmetingen te graven put 3.000 liter: 1.700 x 1.700 x 1.650 mm;

•Afmetingen te graven put 5.000 liter: 2.100 x 2.100 x 1.650 mm.

Plaatsing

•Plaatsingsvoorschriften volgens de leverancier.

Inhoud

Diameter

Type

Kleur deksel

Restafval

3.000 liter

1.300 mm

Container voorzien van quick-opname, draagzak en automatisch sluitend “slot” op inwerpdeksel

Grijs

5.000 liter

1.700 mm

Container voorzien van geïntegreerde trommel inhoud 80 L (rolemmer), quick-opname, draagzak en automatisch sluitend “slot” op inwerpdeksel

Grijs

Papierinzameling

3.000 liter

1.300 mm

Container voorzien van quick-opname, draagzak en inwerpdeksel met papier sleuf

Blauw

5.000 liter

1.700 mm

Container voorzien van quick-opname, draagzak en inwerpdeksel met papier sleuf

Blauw

Glasinzameling

3.000 liter

1.300 mm

Container voorzien van quick-opname, harde binnenbak en inwerpdeksel met RVS-koker

Groen

Textielinzameling

5.000 liter

1.700 mm

Container voorzien van quick-opname, draagzak en inwerpdeksel met ronde opening

Rood

10.6.3. Afvalbakken

•Leverancier: HR Groep;

•Type: Basic BIN afvalbak - 50 liter -;

•Voorzien van: binnenbak

•Kleur: groen RAL 6009;

•Materiaal: staal, thermisch verzinkt;

•Bevestiging: stalenbuisframe met voetplaat;

•Inclusief: driekantsleutel (BIN key).

In centra kan bij specifieke projecten van het bovenstaande type worden afgeweken.

10.7. HONDENSPEELPLAATS (ALLEEN OP INITIATIEF VAN BEWONERS)

10.7.1. Ontwerpeisen:

•Hondenspeelplaats omheinen door middel van een haag in combinatie met een dubbelstaafmat hekwerk;

•Hekwerk 1,10 m hoog, kleur RAL 9005;

•Haag 1,20 m hoog;

•Hekwerk aan binnenzijde van de haag;

•Toegang tot hondenspeelplaats voorzien van aanduiding hondenspeelplaats;

•Hondenspeelplaats voorzien van afvalbak;

Afvalbak

•Leverancier: HR Groep;

•Type: Basic BIN afvalbak - 50 liter -;

•Voorzien van: binnenbak

•Kleur: groen RAL 6009;

•Materiaal: staal, thermisch verzinkt;

•Bevestiging: stalenbuisframe met voetplaat;

•Inclusief: driekantsleutel (BIN key).

11. Groenvoorzieningen

11.1. ONTWERP

11.1.1. Klimaatadaptatie

Waar mogelijk krijgt het groen een rol in de klimaatadaptatie.

•Geen onnodige verhardingen;

•Waar mogelijk hemelwater opvangen in het groen, naast eventuele andere voorzieningen zoals sloten en hemelwaterafvoer- infiltratieriolen;

•Groen dat van voldoende omvang is en geen specifieke functie heeft voor spelen of ontmoeten waar dit mee tegenstrijdig is, wordt komvormig aangelegd, om zo opvangen en infiltreren van hemelwater mogelijk te maken;

•Waar mogelijk worden bomen geplant of behouden. Vanwege CO2-reductie, maar ook om verkoeling te bieden in geval van warme perioden.

11.1.2. Biodiversiteit

Om biodiversiteit te verhogen hebben inheemse soorten en ecologisch groenbeheer de voorkeur.

Waar grasvelden breder dan 3 m worden aangelegd, die geen functie hebben als speelveld, worden deze ingericht als bloemrijk gras. Dit houdt in dat het wordt ingezaaid met vaste inheemse bloemsoorten (geen gras). En wordt aangelegd volgens het principe van bloemrijk gras, zoals verder in dit hoofdstuk toegelicht.

Gestreefd wordt naar aanleggen van groene verbindingen tussen grotere groenelementen.

De cultuurhistorische en landschappelijke identiteit worden versterkt. Denk aan het inpassen van specifieke landschapselementen in de overgang naar bebouwing.

11.2. BODEMEISEN GROEN EN BOMEN

11.2.1. Eisen bodem groenvoorzieningen

Groenvakken bevatten een minimale laagdikte teelgrond:

•Ter plaatse van bomen 0,75 m;

•Ter plaatse van heesters en/of hagen 0,60 m;

•Ter plaatse van gras 0,30 m.

Groenvakken bevatten een minimale % organische stof als stabiele humus voor:

•Bomen 3% in volle grond;

•Heesters en/of hagen 3-5%;

•Gazon 1,5%.

Bodem (bestaand en/of nieuw):

•De PH (zuurgraad) van de grond ligt tussen de 4,5 en 6,5 afhankelijk van het toe te passen sortiment beplanting;

•De aan te voeren teelgrond heeft een granulaire samenstelling met M50 cijfer van 250, gedefinieerd als matig grof zand met 5% lutum;

•Plantvakken dienen tot een diepte van 1 m onder maaiveld een maximale indringingsweerstand te hebben van 1,5 MPa.

11.2.2. Aanvullende eisen:

•Bodem en maaiveld zijn vrij van bodemvreemd materiaal met een maximale fractie van 50 mm tot een diepte van 0,40 m;

•Bodem is vrij van (resten van) invasieve (wortel)onkruiden, zoals Japanse duizendknoop, zevenblad, kweek en berenklauw. Dit groenafval vernietigen (bijv. in verbrandingsoven);

•Bodem bemonsteren en advies vragen bij de gemeente Berkelland of en zo ja, welke en hoeveel (organische) stoffen en bemesting moet worden toegevoegd voor de geplande beplanting.

Gras

Bodem en maaiveld van grasvakken zijn vrij van bodemvreemd materiaal (inclusief kiezelstenen) met een maximale fractie van 20 mm tot een diepte van 0,15 m.

Natuurontwikkeling

Vakken met als doel het creëren van een natuurlijke vegetatie behouden bij de ontwikkeling de oorspronkelijke geomorfologische opbouw.

11.3. GROENVOORZIENINGEN

11.3.1. Uitgangspunten groenvoorzieningen

Ontwerp en inrichting

In algemene zin dienen hierbij de volgende algemene uitgangspunten te worden gehanteerd:

•Snippergroen, vakken kleiner dan 10 m2 of smaller dan 1 m dienen voorkomen te worden;

•Bomen worden bij voorkeur niet in verharding geplaatst maar in groenvakken en bermen;

•Rondom bomen en obstakels in gazon en/of wilde flora minimaal 2 m ruimte vrijhouden ten bate van onderhoud;

•Talud in gazon minimaal 1:3;

•Taluds natuurvriendelijke oevers minimaal 1:4;

•Beplantingsplan en plantlijst maken met vermelding van soort (wetenschappelijke naam) en maat;

•Onderhoudsplan opstellen met was-wordt overzicht inclusief realistisch onderhoudskostenoverzicht;

•Plantvakken dienen onkruidvrij te zijn bij oplevering.

Deskundigheid aannemer

De aannemer en/of onderaannemer dient aantoonbaar minimaal in het bezit te zijn van een geldig “Groenkeur-certificaat BRL Groenvoorziening”.

Onderhoudstermijn

De onderhoudstermijn op het totale groenwerk bedraagt minimaal 12 maanden, liefst 36 maanden. Inboet inbegrepen.

Groeiplaats controle

Bij behoud van de oorspronkelijke grond en/of teelgrond in het project dient vooraf een analyserapport, volgens bodemanalyse voor de groenvoorziening, aan de directie te worden voorgelegd om te bepalen of de grond als groeimedium geschikt is. Er dient door de ontwikkelende partij aangegeven te worden met welke middelen en hoeveelheden de grond verbeterd wordt teneinde in de buurt van de streefwaarde van het % organische stof te komen.

Na aanbrengen (teel)grond en/of bemesting, maar voor inplant en/of inzaaien, dient aangetoond te worden of het gewenste streefpercentage organische stof is behaald middels een analyserapport volgens bodemanalyse voor de groenvoorziening.

Analyserapport volgens bodemanalyse voor de groenvoorziening, minimaal controleren op:

•Organische stof %;

•Zuurgraad, PH-KCL tussen de 4,5-6,5 afhankelijk van de toepassing (sortiment);

•Samenstelling korrelgrootte grond, inclusief % lutum;

•Beschikbaarheid voedingsstoffen, inclusief sporenelementen.

11.4. BOMEN

11.4.1. Beschermen te behouden bestaande bomen

Bij het maken van een nieuw plan worden bestaande bomen en beplantingen voor zover mogelijk behouden, mits ze nog een goede conditie en toekomstverwachting hebben.

Voor het behoud van de bestaande bomen stelt de ontwikkelaar een beschermingsplan op en legt deze ter goedkeuring voor aan de projectleider van de gemeente. In het beschermingsplan moet in ieder geval zorggedragen worden voor bescherming tegen aanrijschade, verdichting van de bodem onder de kroon, kroon-, tak- en stamschade, verdroging als gevolg van bronnering en verandering van het bestaande maaiveld gedurende de gehele periode van de werkzaamheden, van bouwrijp- tot en met woonrijp maken.

Schade door verstoring van de omgeving van de boom willen de gemeente Berkelland voorkomen. Bij graafwerkzaamheden moet er zo min mogelijk wortelbeschadiging zijn. Dit geldt ook voor schade door verdichting, bovengrondse beschadiging en bodemverontreiniging.

Hiervoor worden de richtlijnen uit het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen gehanteerd. De bomenposter “Werken rond Bomen” is een uitgave van Vereniging Stadswerk en ondersteunt de inhoud van het Handboek Bomen. Bij diverse bestekken en werkzaamheden verwijzen wij naar deze richtlijnen.

Bij schade aan boom en of wortels dient, via de projectleider van de gemeente, een deskundige te worden ingeschakeld. Eventuele onderzoeks- en herstelkosten zijn voor rekening van de ontwikkelaar en/of aannemer.

11.4.2. Nieuwe bomen

•Voor de goede ontwikkeling van een boom moet er voldoende ruimte zijn, boven en onder de grond;

•Bij voorkeur plant de gemeente Berkelland geen bomen in verharding, maar in plantvakken of gras;

•Rekening houden met kabels en leidingen; eventueel kijken naar haalbaar alternatieven o.b.v. heesters.

•De bomen worden geplant met duurzame materialen, en goede watergeef voorziening;

•Ook krijgt de boom voldoende voedingsstoffen en watervasthoudend materiaal in het plantgat.

Soortkeuze en maatvoering

•Soortkeuze afstemmen zodat er zo weinig mogelijk overlast is;

•Bij voorkeur geen vormbomen (lei, knot of kandelaber);

•Vanwege ziektegevoeligheid en plagen hebben gewone es, kastanje, gewone iep, gewone eik, Acacia Robina en beuk niet de voorkeur;

•Bij voorkeur kiezen voor een diversiteit aan bomen, die meerwaarde hebben voor de biodiversiteit, aantrekkelijk voor inheemse fauna (vogels, insecten et cetera);

•Op initiatief van inwoners kunnen er fruitbomen worden geplant (mits inwoners zorgdragen voor pluk en extra onderhoud);

•De minimale maat voor aanplant is 14-16. In bijzondere projecten kan een grotere maat geplant worden, tot maximaal maat 30-35.

Bovengrondse groeiruimte

De boom heeft voldoende ruimte nodig zodat hij kan uitgroeien zonder hinderlijk te worden voor de omgeving. Er moet rekening gehouden worden met de grootte, groeivorm en eventuele opkroonhoogte van de boom als hij volwassen is.

Ondergrondse groeiruimte

Er moet genoeg ondergrondse ruimte zijn die doorwortelbaar is. Een richtlijn is ¾ m3 per m2 kroonprojectie.

Een goede doorwortelbare bodem moet voldoen aan een aantal voorwaarden:

•De indringingsweerstand moet minder zijn dan 1,5 MPa;

•De bodem moet genoeg lucht en water bevatten. Zandgrond minimaal poriënvolume van

•45% en kleigrond 55%;

•De lucht in de bodem moet in het groeiseizoen een zuurstofgehalte van 16 volumeprocent bezitten;

•De grond moet continu voldoende vocht en voedingsstoffen bevatten;

•Bij aanplant worden voedingsstoffen toegevoegd en watervasthoudende elementen.

Eisen groeiplaats in volle grond (doorwortelbare ruimte)

•Minimale afstand doorwortelbare ruimte aan 1 of maximaal 2 zijden is 1,5 m vanaf de stam gerekend;

•De minimale doorwortelbare diepte is 0,75 m, gerekend vanaf het maaiveld en bedraagt maximaal 1,0 m. Daaronder mag geen storende grondlaag en/of lagen aanwezig zijn. Minimale afstand tot GHG is 0,10 m. De laag teelgrond moet minimaal 0,10 m boven de GHG zitten;

•Teelgrond (doorwortelbare ruimte) bevat een streefwaarde van 3% organische stof (stabiele humus), voor bomen in de volle grond;

•Bij bomen die binnen een straal van 2 m van een verharding staan is een wortelwerende voorziening langs de verhardingsconstructie noodzakelijk. Te nemen maatregel (materiaal en/of lengte) ter goedkeuring aan de projectleider van de gemeente voorleggen.

Eisen groeiplaats in (gedeeltelijke) verharding en/of halfverharding

Voor bomen in volle grond waarin de doorwortelbare ruimte niet behaald kan worden, waarvan de streefwaarde minder dan 75% is, zijn aanvullende maatregelen onder de verharding en/of halfverharding noodzakelijk in de vorm van een groeiplaatsconstructie:

•Bomen van de 1e grootte – streefwaarde is 75 m3; waarvan minimaal 25 m3 vollegrond;

•Bomen van de 2e grootte – streefwaarde is 45 m3; waarvan minimaal 15 m3 vollegrond;

•Bomen van de 3e grootte – streefwaarde is 25 m3; waarvan minimaal 8 m3 vollegrond.

Voor bomen in volledige verharding of halfverharding dient een volledige groeiplaatsconstructie te worden aangelegd:

•Bomen van de 1e grootte – streefwaarde 40 m3;

•Bomen van de 2e grootte – streefwaarde 25 m3;

•Bomen van de 3e grootte – streefwaarde 13 m3.

Hoeveelheid, type constructie en te nemen maatregelen (water en luchttoevoer) ter goedkeuring voorleggen aan de projectleider van de gemeente, in overeenstemming met een groendeskundige van de gemeente.

Groeiplaatsconstructies dienen zo veel mogelijk voorkomen te worden.

Bestaande grond verbeteren

Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 à 2% organische stof bevat.

Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:

•Compost en dergelijke (voldoende uitgerijpt) tot 2 m3 per 100 m2;

•Wormenmest en dergelijke tot 0,15m laagdikte (los gestort), oppervlakte per boom 25 m2 (circa 5 x 5 m);

•Dendrovorm en dergelijke tot 10kg per 100 m2;

•Homogeen doormengen (spitten) in de bovenste 0,60 m.

Eisen aanleg

Boompalen:

•Bij elke nieuwe boom dienen 3 korte niet- verduurzaamde palen, met kokos of jute touw worden aangebracht. Langs de palen komt een gietrand van gerecycled plastic;

•Palen 1,25 m lang, doorsnede 80 tot 100 mm, FSC-hout (onbehandeld);

•De palen komen tot ongeveer 0,45 m boven het maaiveld.

Kwaliteit plantmateriaal:

•De bomen zijn van A kwaliteit, bij kweker minimaal 3x verplant en zijn voorzien van een “draadkluit”, afkomstig van zandgrond of leemhoudend zand en neonicotinevrij gekweekt. De ontwikkelaar vraagt goedkeuring vooraf voor de te leveren partij. Gemeente keurt, merkt en zoekt zo nodig de partij bomen uit;

•Planten, diepte in verhouding tot de kluit waarbij de bovenzijde kluit gelijk is aan bovenzijde van aansluitend maaiveld. Bovenkant draadkluit losmaken;

•Aanbrengen en in stand houden gietrand ten behoeve van water geven gedurende onderhoudsperiode;

-Materiaal LDPE (UV-bestendig), hoogte 300 mm, dikte 3 tot 4 mm, kleur groen of zwart, Ø gietrand 0,20 ruimer dan Ø kluit, gietrand circa 0,10 m ingraven, circa 0,20 m zichtbaar boven maaiveld aanbrengen;

-Vastzetten aan buitenzijde boompalen.

Onderhoudsperiode

•Controle van nieuwe bomen, zuurstofgehalte kluit, boombanden zo nodig verruimen en vervangen, boompalen zo nodig vervangen, boom en boompalen zo nodig rechtzetten;

•Bij aanplant van bomen een watergeef regime meenemen gedurende onderhoudsperiode. Water geven naar behoefte gedurende 1 groeiseizoen, uitgaan van minimaal 10 x. Gietrand behoeft niet te worden verwijderd aan einde onderhoudsperiode. De gemeente neemt aan het eind van de periode de (onbeschadigde) gietrand over in beheer;

•Ontwikkelaar dient een lijst bij te houden wanneer genoemde posten, controle en water geven, hebben plaats gevonden en wat het resultaat hiervan is. De ontwikkelaar verstrekt deze gegevens te allen tijde als de opdrachtgever daarom vraagt. De ontwikkelaar verstrekt de lijst met totale gegevens aan de opdrachtgever bij het einde van de onderhoudstermijn;

•Onkruidvrij houden boomspiegel binnen gietrand;

•Bij oplevering aan het einde van de onderhoudstermijn dienen de bomen levensvatbaar en onbeschadigd te zijn;

•Bomen vanaf aanplantmaat ≥ 25-30 hebben een onderhoudstermijn van 3 jaar, inclusief nazorg en hergroeigarantie;

•Vrijstaande (park-)bomen niet opkronen.

11.5. OVERIGE GROENELEMENTEN

11.5.1. Bosplantsoen

Bosplantsoen vakken zijn minimaal 5 m breed.

Eisen groeiplaats

•Teelgrond bevat minimaal 2% Organische stof (stabiele humus);

•De minimale doorwortelbare diepte, gerekend vanaf het maaiveld, bedraagt 0,75 m, gerekend vanaf het maaiveld. Daaronder mag geen storende grondlaag aanwezig zijn. Minimale afstand tot GHG is 0,10 m;

•Vakken met als doel het creëren van een natuurlijke vegetatie en/of natuurontwikkeling behouden bij de ontwikkeling de oorspronkelijke geomorfologische opbouw. In deze vakken geen bemesting toepassen.

Bestaande grond verbeteren

Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 % organische stof bevat.

Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:

•Compost en dergelijke (voldoende uitgerijpt) tot 2 m3 per are;

•Wormenmest en dergelijke tot 0,10 m laagdikte;

•Dendrovorm en dergelijke tot 5 kg per are;

•Homogeen doormengen (spitten) in de bovenste 0,40 m grondlaag. Dendrovorm doorwerken in de bovenste 0,15 m.

Eisen aanleg

•Beplantingsplan en plantlijst maken met vermelding van soort (wetenschappelijke naam) en maat;

•Aanplantmaat minimaal 80-100, afwijking in overleg afhankelijk van het sortiment;

•Beplanting niet terug knippen anders dan gebroken takken;

•Aan te brengen bomen conform voorschriften “eisen aanleg bomen”;

•Groepsgewijs aanplanten 1,5 bij 1,5 driehoeksverband;

•Afstand rand aanplant minimaal 1,5 m vanaf de rand vak;

•Bij natuurlijke vegetatie en/of natuurontwikkeling beplanting is er een sortimentslijst van de gemeente van toepassing.

Onderhoudsperiode

•Uitmaaien kruidachtige vegetatie. Uitgaan van minimaal 2x per groeiseizoen. Afmaaien onkruid, onkruid niet hoger dan 0,60 m laten worden. Maaisel laten liggen. Ter voorkoming van schade aan beplanting handmatig onkruid verwijderen rondom de planten in een straal van minimaal 0,20 m;

•Bij oplevering aan het einde van de onderhoudstermijn dient de beplanting levensvatbaar en onbeschadigd te zijn;

•Beplanting moeten vrij zijn van neonicotinoïden en neonicotinevrij gekweekt zijn;

•Onderhoud van bomen conform voorschriften “onderhoudsperiode boom”.

11.5.2. Heesters

Eisen groeiplaats

•Teelgrond bevat minimaal 3% organische stof (stabiele humus);

•Laagdikte teelgrond en/of doorwortelbare ruimte bedraagt minimaal 0,60m, daaronder mag geen storende grondlaag aanwezig zijn.

Bestaande grond verbeteren

Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 tot 2% organische stof bevat.

Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:

•Compost en dergelijke (voldoende uitgerijpt) tot 2 m3 per 100 m2;

•Wormenmest en dergelijke tot 0,15 m laagdikte;

•Dendrovorm en dergelijke tot 10 kg per 100 m2;

•Homogeen doormengen (spitten) in de bovenste 0,40 m grondlaag. Dendrovorm doorwerken in de bovenste 0,15 m.

Eisen aanleg

•Beplantingsplan en plantlijst maken met vermelding van soort (wetenschappelijke naam) en maat;

•Aanplantmaat ≥ 30-40 (streefwaarde) afhankelijk van sortiment. Afwijkende maat alleen in overleg mogelijk;

•Beplanting niet terug knippen anders dan gebroken takken;

•Aantal stuks per m2 afhankelijk van het sortiment, uitgangspunt is binnen 2 jaar een gesloten plantvak te verkrijgen. Planten in driehoeksverband;

•Afstand rand aanplant minimaal 0,25 m vanaf de rand vak. Afhankelijk van het sortiment;

•Beplanting moeten vrij zijn van neonicotinoïden en neonicotinevrij gekweekt zijn.

Onderhoudsperiode

•Opslag en onkruidvrij houden plantvak conform CROW-beeldkwaliteit B (Kwaliteitscatalogus openbare ruimte);

•Ontwikkelaar dient de beplanting zo nodig water te geven. Ontwikkelaar dient een lijst bij te houden wanneer watergiften indien noodzakelijk, hebben plaats gevonden en wat het resultaat hiervan is;

•De ontwikkelaar verstrekt deze gegevens ten aller tijde als de gemeente daarom vraagt;

•De ontwikkelaar verstrekt de lijst met totale gegevens aan de opdrachtgever bij het einde van de onderhoudstermijn;

•Bij oplevering aan het einde van de onderhoudstermijn dienen de heesters levensvatbaar en onbeschadigd te zijn.

11.5.3. Hagen en blokhagen

•Bij hagen bedraagt de minimale breedte 0,80 m en de maximale kniphoogte 1 m. Hagen worden voornamelijk toegepast als scheiding voor kinderspeelplaatsen en als wegbegeleidend element. Een haag bestaat uit een enkele of een dubbele rij (voorkeur) afhankelijk van de gebruiksdruk;

•Bij blokhagen geldt dat de breedte varieert van 1,2 m tot circa 2,0 m. Bredere eenheden dienen voorkomen te worden i.v.m. kosten vs. onderhoud;

•Kniphoogte op tekening vermelden.

•Afhankelijk van de situatie is er voorkeur voor een gemengde haag met 3-5 soorten voor variatie.

Eisen groeiplaats

•Teelgrond bevat minimaal 3% Organische stof (stabiele humus);

•Laagdikte teelgrond en/of doorwortelbare ruimte bedraagt minimaal 0,60 m, daaronder mag geen storende grondlaag aanwezig zijn.

Bestaande grond verbeteren

Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 - 2% organische stof bevat.

Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:

•Compost en dergelijke (voldoende uitgerijpt) tot 2 m3 per 100 m2;

•Wormenmest en dergelijke tot 0,15 m laagdikte;

•Dendrovorm en dergelijke tot 10 kg per 100 m2;

•Homogeen doormengen (spitfrezen) in de bovenste 0,40 m grondlaag. Dendrovorm doorwerken in de bovenste 0,15 m.

Eisen aanleg

•Beplantingsplan en plantlijst maken met vermelding van soort (wetenschappelijke naam) en maat;

•Aanplantmaat is minimaal 80-100 voor hagen en 60-80 voor blokhagen;

•Beplanting niet terug knippen anders dan gebroken takken;

•Enkele rij is 4 per m1, dubbele rij is 7 per m1, 0,30 m in de rij en 0,40 m tussen de rijen, blokhagen plantafstand 0,30 x 0,40 m;

•Afstand rand aanplant minimaal 0,25 m vanaf de rand vak. Langs wegen 0,50 m, afhankelijk van het sortiment;

•Beplanting moeten vrij zijn van neonicotinoïden en neonicotinevrij gekweekt zijn.

Onderhoudsperiode

•Opslag en onkruidvrij houden van het plantvak conform CROW-beeldkwaliteit B (Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2018);

•Ontwikkelaar dient de beplanting zo nodig water te geven. Ontwikkelaar dient een lijst bij te houden wanneer watergiften, indien noodzakelijk, hebben plaats gevonden en wat het resultaat hiervan is. De ontwikkelaar versterkt deze gegevens ten aller tijde als de opdrachtgever daarom vraagt. De ontwikkelaar verstrekt de lijst met totale gegevens aan de Gemeente bij het einde van de onderhoudstermijn;

•Kniphoogte hagen is 0,80 tot 1,00 m;

•Kniphoogte blokhagen is 0,60 m;

•Haag en/of blokhaag knippen aan 3 zijden. Frequentie afhankelijk van soort, verkeersveiligheid en toegankelijkheid;

•Bij oplevering aan het einde van de onderhoudstermijn dient de beplanting levensvatbaar, onbeschadigd en geknipt te zijn.

11.5.4. Gazon

Uitgangspunt is gazon en/of speelweide, strak en egaal aan te leggen en te behouden.

•Het gazon dient egaal, vlak en zonder hoogteverschil aan de band aangelegd te zijn;

•Gazon opsluiten met een opsluitband langs halfverharde paden, die al dan niet zichtbaar is;

•Gazons zijn minimaal 2 m breed;

•De helling mag niet steiler dan 1:3 zijn in verband met gebruik en onderhoud;

•Obstakels minimaliseren, en zorgen dat deze het onderhoud niet belemmeren;

•De bereikbaarheid voor maaimachines waarborgen.

Eisen aanleg

•Toe te passen soort gazon is een recreatie mengsel type R1, 1,5 kg/100 m2;

•Start bemesting ten bate van gazon (type R1) NPK 12-10-18, 2,5 kg per 100 m2, gelijkmatig verdelen over oppervlakte bij aanleg voor of na het zaaien.

Eisen groeiplaats

•Teelgrond bevat 2% organische stof;

•Laagdikte teelgrond en/of doorwortelbare ruimte bedraagt minimaal 0,30 m, daaronder mogen geen storende grondlagen aanwezig zijn.

Bestaande grond verbeteren

Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 % organische stof bevat.

Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:

•Compost en dergelijke (voldoende uitgerijpt) tot 2 m3 per 100 m2;

•Wormenmest en dergelijke tot 0,50 m laagdikte;

•Dendrovorm en dergelijke tot 5 kg per 100 m2;

•Homogeen doormengen in de bovenste 0,15 m.

Onderhoudsperiode

•Bemesting ten bate van gazon (type R1) met KAS (kalkamonsalpeter), 2,5 kg per 100 m2, gelijkmatig verdelen over oppervlakte, tijdstip op aanwijs van de directie en/of gemeente;

•Maaien gazon: maaihoogte conform CROW-beeldkwaliteit B (Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2018). Tijdens maaibeurt geen afval kapot maaien;

•Bijmaaien randen en rondom obstakels. Conform CROW-beeldkwaliteit C (Kwaliteitscatalogus openbare ruimte 2018). Geen grastossen op de mat en geen vervuiling op omliggende bestrating;

•Bij oplevering aan het einde van de onderhoudstermijn dient de grasmat vlak, egaal en voldoende gesloten te zijn;

•Graskanten rondom, beplanting en elementen verharding, minimaal 1x per seizoen steken;

•Vrijgekomen materiaal afvoeren. Geen grastossen op de mat en geen vervuiling op omliggende bestrating.

11.5.5. Bloemrijk gras binnen de bebouwde kom

•Bloemrijk gras is minimaal 3 m breed;

•De geomorfologische opbouw wordt zoveel mogelijk behouden. Natuurtechnisch afgraven wordt hier toegepast, en afvoeren van de bovenste rijke bouwvoor;

•Diepte van afgraven, afhankelijk van doelstelling, met als uitgangspunt dat de bovenste grondlaag verschraald wordt of blijft;

•In de bouwvoor zit bij aanleg maximaal 1 tot 1,5% organische stof.

Eisen groeiplaats bloemrijke vegetatie

•Laagdikte doorwortelbare ruimte bedraagt minimaal 0,30 m, daaronder mag geen storende grondlagen aanwezig zijn.

Eisen aanleg

•Het terrein dient tot een maaibaar geheel afgewerkt te worden, zonder hoogteverschil aan de band aangelegd te zijn;

•Kruidenmengsel, 0,10 kg/are (kruidenmengsel wordt door de gemeente beschikbaar gesteld tegen de kostprijs). Ten behoeve van het zaaien het zand met scherpzand opmengen, verhouding 1:7;

•Samenstelling Kruidenmengsel in overleg met de projectleider van de gemeente;

•Hoeveelheid en samenstelling mengsel tijdig doorgeven i.v.m. beperkte beschikbaarheid diverse zaden;

•Het zaad 10 tot 20 mm onderwerken en de grond licht aandrukken.

Onderhoudsperiode

•Maaien terrein in mei of juni, en in september. Tijdens maaibeurt geen afval kapot maaien. Geen vervuiling op omliggende bestrating. Maaisel afvoeren en geen vervuiling op terrein en op omliggende bestrating; Indien er veel storingsonkruiden zijn, in het eerste jaar na inzaaien, een extra maaibeurt toepassen, en het maaisel afvoeren;

•Bijmaaien randen en rondom obstakels gelijktijdig met maaibeurt. Maaisel afvoeren en geen vervuiling op terrein en op omliggende bestrating;

•Grashoogte binnen een afstand van 0,30 m van obstakel of boom ≤ 3x hoogte omliggende gras. Geen grastossen op de mat en geen vervuiling op omliggende bestrating;

•Vakken en/of gedeelte ten bate van uitzichtpunten verkeer en randen langs fiets en/of voetpaden 2x per seizoen maaien (mei en september).

Vaste planten

In principe worden er geen vaste planten toegepast in het (toekomstig) openbaar groen. In bijzondere situaties kan dit in overleg deel uitmaken van het plan. Dan gelden de volgende eisen:

•Alleen vaste plantensoorten toepassen die sterk genoeg zijn in de openbare ruimte en die onderhoudsextensief zijn. Keuzes in overleg met een groendeskundige van de gemeente.

Eisen groeiplaats

•Teelgrond bevat minimaal 3% organische stof (stabiele humus);

•Laagdikte teelgrond en/of doorwortelbare ruimte bedraagt minimaal 0,40 m, daaronder mogen geen storende grondlagen aanwezig zijn;

•Grond moet vrij zijn van wortelonkruiden.

Bestaande grond verbeteren

Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 tot 2% organische stof bevat.

Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:

•Compost en dergelijke (voldoende uitgerijpt) tot 2 m3 per 100 m2 onkruidvrij;

•Wormenmest en dergelijke tot 0,15 m laagdikte;

•Dendrovorm en dergelijke tot 8 kg per 100 m2;

•Homogeen doormengen (spitfrezen) in de bovenste 0,40 m grondlaag. Dendrovorm doorwerken in de bovenste 0,15 m.

Eisen aanleg

•Beplantingsplan en plantlijst maken met vermelding van soort (wetenschappelijke naam) en maat;

•Toepassing van de juiste soorten op de juiste plaats;

•Aanplantmaat: minimaal potmaat P9;

•Beplanting niet terug knippen anders dan beschadigde delen;

•8-12 planten per m2 afhankelijk van het sortiment, uitgangspunt is binnen 2 jaar een gesloten plantvak te verkrijgen. Planten in driehoeksverband;

•Beplanting moeten vrij zijn van neonicotinoïden en neonicotinevrij gekweekt zijn.

Onderhoudsperiode

•Opslag en onkruidvrij houden plantvak. Onkruidbedekking conform CROW-beeldkwaliteit A;

•Ontwikkelaar dient de beplanting zo nodig water te geven;

•Bij oplevering aan het einde van de onderhoudstermijn dienen de vaste planten levensvatbaar en onbeschadigd te zijn.

11.5.6. Natuurvriendelijke oevers

Oevers worden natuurvriendelijk aangelegd. Indien de ruimte het toelaat, wordt een plas-drasberm op 0,10 – 0,50 m onder het gemiddelde waterpeil gegraven, van minimaal 1 m breed.

Het talud op de overgang van water naar land is flauw en is minimaal 1:4.

11.5.7. Wadi’s

In principe kan elke groenvoorziening verlaagd of komvormig worden aangelegd waar dit de bedoelde functionaliteit niet aantast.

Op bepaalde plekken kan het wenselijk zijn om de functie van wadi te optimaliseren en deze dieper aan te leggen. Daarbij wordt rekening gehouden met de grondwaterstand en infiltratiemogelijkheden, om te voorkomen dat er te lang water in blijft staan. Een wadi dient binnen 24-48 uur weer droog zijn.

De bodem van de wadi kan indien nodig worden voorzien van granulaat, drainage en/of een kolk voor extra doorlatendheid en/of de afvoer van hemelwater.

12. Uitvoering

12.2. BEREIKBAARHEID, LEEFBAARHEID, VEILIGHEID EN COMMUNICATIE

12.2.1. Bereikbaarheid

In aanvulling op artikel 01.12.01 van de Standaard wordt bepaald dat de eigenaar en/of gebruiker van een aan het werk grenzend of daarachterliggend perceel (en aan hulpdiensten), verleent de initiatiefnemer de nodige hulp om hinder, welke voor hem uit zijn werk voortvloeit, zoveel mogelijk te beperken.

De initiatiefnemer draagt zorg dat de betrokken percelen te allen tijde bereikbaar zijn.

Bij werk in uitvoering moet een loopstrook voor de percelen vrijgehouden worden.

De initiatiefnemer mag zonder toestemming van de gemeente Berkelland geen wegen voor het verkeer afsluiten.

Brandkranen, sifons, afsluiters, kabelmoffen, putafdekkingen van riolen en gemalen en andere aan te brengen delen moeten steeds bereikbaar en/of bedienbaar zijn.

12.2.2. Leefbaarheid

In aanvulling op artikel 01.12.03 van de Standaard moeten de materialen die tijdens of als gevolg van het uitvoeren van werken op de openbare ruimte of in de watergang terechtkomen terstond worden verwijderd.

Het werkterrein evenals de omgeving moet ordelijk en schoon worden gehouden en te worden voorzien van (tijdelijke) veilige verharding en (tijdelijke) verlichting.

Ophalen van huisvuil moet altijd mogelijk zijn, met minimale extra inspanning van de perceeleigenaar en/of gebruikers. Zo nodig moet hierbij hulp worden verleend.

12.2.3. Veiligheid

De verkeershinder voor het verkeer op de rijweg moet tot een minimum beperkt worden. De verkeersmaatregelen moeten afgestemd en goedgekeurd zijn door de hulpdiensten en alle wegbeheerders op of langs wiens wegen tijdelijke maatregelen worden genomen, bebording wordt geplaatst, omleidingsverkeer wordt geleid of extra verkeer wordt verwacht.

Bebording, afzettingen en verlichting uitvoeren overeenkomstig de CROW-publicatie:

“Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen, Werk in Uitvoering 96b – 2020, publicatie 530B”.

De initiatiefnemer is zowel tijdens als buiten de werktijden verantwoordelijk voor de verkeersmaatregelen.

12.2.4. Communicatie

De initiatiefnemer moet de belanghebbenden en omwonenden langs de wegen en straten waar werkzaamheden en/of afsluitingen gaan plaats vinden minimaal 5 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk waarschuwen.

12.7. DOCUMENTEN AANLEVEREN VOOR OVERDRACHT

12.7.1. Contractstukken

Voor aanvang van de uitvoering moeten de volgende stukken worden aangeleverd:

•Anterieure overeenkomst;

•Planning van het project;

•(Werk)bestek inclusief nota van inlichtingen;

•Bestekstekeningen;

•Alle bijlagen.

12.7.2. Uitvoering

Voor aanvang van de werkzaamheden moeten de volgende stukken worden aangeleverd:

•BLVC-plan;

•V&G-dossier;

•Gedetailleerde uitvoeringsplanning.

En indien van toepassing:

•Bemalingsplan;

•Vergunningen en/of meldingen.

12.7.3. Opleverdocumenten

•Wijzigingen op bestek (afwijkingsrapport(en));

•Certificaten van de toegepaste materialen (zie §12.4);

•Overzicht van alle toegepaste materialen (zie §12.4);

•Bewijs van oorsprong grond en zand;

•Riool inspectie(s) (zie §7.9);

•Revisie riolering inclusief definitieve puttenstaat (zie §7.10);

•Revisie watergangen, duikers, wadi's, uitstroomvoorzieningen, stuwen, bodembescherming, beschoeiing, kunstwerken, onderhoudsstrook watergangen;

•Revisie openbare verlichting (zie §10.1.3);

•Revisie hoogteligging, materialisatie en markeringen;

•Asfaltcertificaten en verdichtingsrapporten;

•Verdichtingsrapporten;

•Bewijs afgevoerd betongranulaat;

•Speelvoorzieningen (zie §10.4);

•Onderhoudsvoorschriften;

•Garantieverklaringen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.