artikel 1 Begripsbepalingen
Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.1. lid 1 onder e., artikel 2.6 lid 1 en artikel 3.10 lid 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Diercategorie: Hoofdcategorie als bedoeld in de bijlage van de Regeling Ammoniak en Veehouderij.
Veehouderijbedrijf: inrichting als bedoeld in categorie 8.1, onder a in onderdeel C van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.
artikel 2 Intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit milieu
In deze beleidsregel wordt voor de gronden zoals genoemd in de artikelen 3 en 4 van deze regeling aangegeven waneer burgemeester en wethouders overgaan tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu.
artikel 3 Voor zover gedurende vier jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning (art. 2.33 lid 2 onder a. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);
1Burgemeester en wethouders gaan over tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu indien gedurende vier jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
2In afwijking van lid 1 van dit artikel gaan burgemeester en wethouders over tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning van een veehouderijbedrijf indien een vergunde diercategorie gedurende vier jaar in zijn geheel niet is gehouden.
Toelichting
Toelichting:
In artikel 2.33 lid 2 onder a. staat dat de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu geheel of gedeeltelijk kan worden ingetrokken als het bedrijf gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar niet in gebruik is. Dit houdt concreet in dat als het bedrijf of een gedeelte ervan (de vergunde omvang is niet benut; een op zich zelf staand onderdeel van de inrichting is niet in werking geweest) leeg staat of niet meer gebruikt wordt, de vergunning geheel of gedeeltelijk ingetrokken kan worden.
Het beleid voor het intrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu is in deze beleidsregel afgestemd met het intrekkingsbleid voor de activiteit bouwen. Volgens dat beleid worden niet gebruikte bouwvergunningen (behalve voor woningen) na vier jaar ingetrokken.
In deze beleidsregel geldt ook voor het intrekken van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu de termijn van vier jaar als uitgangspunt. Zodoende kunnen deze intrekkingsprocedures worden samengevoegd en is het mogelijk om de omgevingssituatie integraal te beoordelen.
Met de komst van de Wabo is artikel 8.18 van de Wet milieubeheer vervallen. Volgens dat artikel kwam een milieuvergunning van rechtswege te vervallen indien de inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning was voltooid en in werking gebracht. Ook voor deze situaties kan de vergunning worden ingetrokken op basis van artikel 2.33, 2 onder a. Volgens deze beleidsregel zal de vergunning in dit soort situaties na vier jaar worden ingetrokken. Hierbij kunnen wij in bijzondere omstandigheden afwijken van de beleidsregel en een bedrijf een langere periode indien een ondernemer aantoonbaar meer tijd nodig heeft om het bedrijf op te richten of te wijzigen.
Voor veehouderijbedrijven is in lid 2 van dit artikel bepaald dat alleen tot (gedeeltelijke) intrekking wordt overgegaan als een diercategorie (Hoofdcategorie als bedoeld in de Regeling Ammoniak en Veehouderij) gedurende een periode van 4 jaar (na vergunningverlening) in zijn geheel niet is gehouden. Hiermee wordt voorkomen dat het intrekkingsbeleid ook van toepassing is op die situaties waarbij sprake is van onderbezetting bij diercategorien. Dit is om de volgende redenen niet gewenst:
-Het gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning vanwege onderbezetting leidt tot veel juridische procedures. Ook is de bewijslast voor deze situaties een stuk moeilijker.
-Bij het gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning vanwege onderbezetting zullen ondernemers voor een maximale productiecapaciteit/volle stalbezetting zorgen. Voor het milieu is dat niet gewenst.
-Op 31 december 2010 is een wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling voorgepubliceerd. Met deze wijziging worden agrarische activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Hierdoor komen de omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu van bijna alle agrarische bedrijven automatisch te vervallen.
artikel 4 Bij geheel of gedeeltelijke verwoesting (art. 2.33 lid 2 onder d sub 2˚ Wabo)
1.Burgemeester en wethouders gaan over tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu indien er binnen één jaar na de verwoesting geen aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is ingediend.
Toelichting:
Onder verwoesting verstaan wij de afbraak van een schuur door sloop of verwoesting van een schuur door brand of natuurrampen. Bij brand of sloop van een gebouw wordt dit in de meeste gevallen onmiddellijk gevolgd door nieuwbouw. Intrekken van de vergunning is dan niet aan de orde. In de meeste gevallen is voor de herbouw een nieuwe omgevingsvergunning nodig (alleen als exact dezelfde schuur gebouwd wordt is géén nieuwe omgevingsvergunning noodzakelijk).
Als er binnen één jaar na de verwoesting geen aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend dan gaan we er van uit dat de schuur niet herbouwd wordt. In dat geval trekken wij de omgevingsvergunning in. Bijzondere omstandigheden om niet tot intrekking over te gaan kan de benodigde tijd zijn die een bedrijf nodig heeft om een MER op te stellen of de keuze voor een andere bedrijfsopzet. Dergelijke omstandigheden worden per geval beoordeeld.
Inwerkingtreding.
Deze beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na die van publicatie.
Aldus besloten in de vergadering van
van burgemeester en wethouders van Berkelland,
De secretaris, De burgemeester,