Aanhef
De raad van de gemeente Berkeland;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 februari 2025;
overwegende, dat het wenselijk is beleidskaders vast te stellen voor het realiseren van grote windmolens in het gemeentegrensoverschrijdende zoekgebied K zoals dat is bepaald in de Regionale Energiestrategie Achterhoek (RES1.0) en in lijn met de op 28 mei 2024 vastgestelde Omgevingsvisie Berkelland;
dat hiervoor in samenwerking met de gemeente Oost Gelre is toegewerkt naar de opstelling van een “Beleidsdocument grote windmolens (Gemeente Oost Gelre en Gemeente Berkelland)” en daarvoor een gezamenlijk participatieproces is doorlopen;
dat het ontwerp van het “Beleidsdocument grote windmolens (Gemeente Oost Gelre en Gemeente Berkelland)” van 23 mei tot en met 3 juli 2024 voor iedereen ter inzage heeft gelegen en digitaal beschikbaar is gesteld en dit is bekendgemaakt via publicaties in het huis-aan-huisblad “Achterhoek Nieuws” en het digitale Gemeenteblad;
dat in deze bekendmakingen ook is aangegeven op welke manier iedereen zijn mening kon geven over het ontwerp-Beleidsdocument door het indienen van zienswijzen;
dat de tijdens de ter inzage legging binnengekomen zienswijzen en het eveneens binnengekomen advies zijn samengevat en beoordeeld in het “Verslag van de ter inzage legging van het ontwerp-Beleidsdocument grote windmolens (Gemeente Oost Gelre en Gemeente Berkelland)” waarvan de inhoud onderdeel uitmaakt van de motivering van het besluit over de vaststelling van het beleidsdocument;
dat het bovengenoemde verslag van de ter inzage legging ook aangeeft of en in hoeverre de zienswijzen en/of het advies aanleiding geven tot het aanbrengen van aanpassingen of aanvullingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument en daarnaast ook de ambtshalve aanpassingen of aanvullingen vermeldt;
dat het voornemen bestaat om op korte termijn aan de gemeenteraad voor te leggen een besluit tot vaststelling van een verordening Lokaal Eigendom, dit vooruitlopend op het in werking treden van artikel 2.4 en artikel 6.12, derde lid van de Energiewet, waarbij in deze gemeentelijke verordening regels worden gesteld over lokaal eigendom bij de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen;
dat het Rijk toewerkt naar de vaststelling het Besluit windturbines leefomgeving dat nieuwe landelijke normen bevat voor windturbines en windparken, dat dit Besluit zal worden opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit (Ob) en uiterlijk op 1 juli 2025 in werking treedt;
gelet op de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en andere van toepassing zijnde wetten;
B E S L U I T :
1het “Verslag van de ter inzage legging van het ontwerp-“Beleidsdocument grote windmolens (Gemeente Oost Gelre en Gemeente Berkelland)”” vast te stellen, met inbegrip van de daarin opgenomen beoordelingen van de ingediende zienswijzen en het ingediende advies met bijbehorende (ambtshalve) aanpassingen of aanvullingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument;
2het “Beleidsdocument grote windmolens (Gemeente Oost Gelre en Gemeente Berkelland)” vast te stellen, dit met inbegrip van de wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-beleidsdocument;
3te bepalen dat het onder 2. genoemde beleidsdocument in werking treedt na bekendmaking van dit besluit, waarbij deze bekendmaking niet eerder plaatsvindt dan de bekendmaking van het besluit van de gemeenteraad over het vaststellen van een verordening over Lokaal eigendom zoals bedoeld in de Energiewet, maar wel voor het in werking treden van de nieuwe landelijke normen voor windturbines (Besluit windturbines leefomgeving).
Voorwoord
Als gemeente willen en moeten we onze verantwoordelijkheid nemen als het gaat om windenergie. We leveren graag onze bijdrage aan een klimaat neutrale energieopwekking. Met alleen zonnepanelen halen we onze doelstellingen helaas niet. We begrijpen daarnaast ook dat inwoners niet zitten te wachten op grote windmolens in de omgeving van hun huis.
Maar we willen als gemeente wel graag zelf aan de lat blijven en ons niet laten overvallen. Daarom is het goed dat we nu samen met gemeente Oost Gelre beleid hebben ontwikkeld om zo het algemeen belang èn het belang van onze inwoners zo goed mogelijk te kunnen dienen bij de beoordeling van toekomstige windinitiatieven in zoekgebied K.
Hans van der Noordt, wethouder gemeente Berkelland
Hoofdstuk 2. Beleid & regelgeving
2.1 Rijksbeleid
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van een duurzame leefomgeving binnen Nederland. Daarbij wordt een integrale benadering voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie vanuit het Rijk. In de NOVI worden de nationale belangen en opgaven in de fysieke leefomgeving vertaald naar prioriteiten, waarbij prioriteit 1 van de NOVI luidt: ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’. Eén van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening (die in 2050 CO₂-arm is) en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur. In dit nationale belang worden de afspraken in zowel het Klimaatakkoord van Parijs als het nationale Klimaatakkoord (ontwerp 2018) herbevestigd. Dit betekent dat de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd moet zijn, door in 2050 95% minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren ten opzichte van 1990.
Voor duurzame energie (door windmolens eventueel in combinatie met zonnevelden) geeft de NOVI de voorkeur aan grootschalige clustering van duurzame energieproductie. Hierbij is het belangrijk dat een afweging wordt gemaakt tegenover andere relevante waarden zoals landschap, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water, bodem en betrokken bestuur en inwoners. Een natuur-inclusief ontwerp en beheer van een windpark is hierbij van belang om verstoring of aantasting van natuur en biodiversiteit zoveel mogelijk te voorkomen. Inwoners van een gebied worden betrokken in een project en waar mogelijk kunnen ze meeprofiteren.
2.1.2 Landelijke normen voor windenergie
Landelijk geldende normen voor windparken voor geluid, slagschaduw en veiligheid waren voorheen opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op 30 juni 2021 sprak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit dat de algemene landelijke normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer in strijd waren met het Europees recht omdat voor deze normen vooraf geen milieueffectrapport was opgesteld. Het ging hierbij om de normen voor windmolenprojecten die vallen onder bijlage II van de Europese MER-richtlijn
1Uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2021:1395.
en dus om windparken van drie of meer windturbines. De Afdeling verklaarde daarom de eerdere windturbinebepalingen buiten toepassing voor windparken met drie of meer windturbines. Op solitaire windmolens of windparken met twee windmolens zijn de bepalingen uit het Activiteitenbesluit van toepassing gebleven omdat daarvoor geen milieueffectrapport nodig was. Deze bepalingen zijn per 1 januari 2024 via de zogeheten ‘bruidsschat’ en paragraaf 4.30 van het Besluit algemene regels leefomgeving (Bal) overgegaan naar het nieuwe wettelijke stelsel van de Omgevingswet. Zij gelden ook nu dus nog steeds voor projecten tot maximaal twee windmolens.
Op 11 oktober 2023 maakte het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het ontwerp bekend van nieuwe landelijke bepalingen voor windturbines
2Staatscourant 11 oktober 2023 (nr. 27607). De documenten zijn te vinden via Windturbines leefomgeving | Platform Participatie. De bijbehorende Nota van Toelichting noemt op pagina 1-5 de verschillende situaties waarop deze nieuwe landelijke regels zich richten.
. Dit ontwerp van het Besluit Windturbines Leefomgeving is voorzien van een milieueffectrapport en richt zich op windturbines en windparken (een combinatie van ten minste twee of meer windturbines). Over deze landelijke ontwerpwindturbinebepalingen en het bijbehorende milieueffectrapport kon iedereen tot en met 22 november 2023 zienswijzen indienen.
Voor windparken met twee of meer windmolens zijn de nieuwe landelijke regels in procedure gebracht. Windparken van drie of meer windmolens kunnen pas weer aan de hand van landelijke milieunormen worden beoordeeld als de Rijksoverheid deze nieuwe landelijke normen definitief heeft vastgesteld. Daarbij is 1 juli 2025 de uiterste datum voor vaststelling van de nieuwe landelijke normen. Deze zullen landen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit die bij de Omgevingswet horen.
De als ontwerp gepresenteerde nieuwe landelijke normen hebben kort gezegd betrekking op:
-Afstand: ten minste 2x tiphoogte tot windturbinegevoelige objecten, uitzondering is goed gemotiveerd mogelijk voor ‘zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen’ (ZEZAM);
-Geluid: standaardwaarden 45 dBLden en 39 dBLnight, lokaal maatwerk is mogelijk tot grenswaarden 47 dBLden en 41dBLnight.;
-Externe veiligheid: standaardwaarden en grenswaarden voor (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties;
-Obstakelmarkering en obstakelverlichting: eisen uit “Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland” van 2016 zijn verwerkt in regelgeving;
-Lichtschittering: eisen over gebruik van niet-reflecterende materialen of niet-reflecterende coatinglagen;
-Slagschaduw: maximaal 6 uur per jaar en maximaal 20 minuten per dag per slagschaduwgevoelig gebouw, automatische stilstandsvoorziening en logboek zijn verplicht en lokaal mag worden afgeweken tot 0 uur slagschaduw.
De uiteindelijk vast te stellen normen zullen duidelijk maken welke minimale afstand vereist is tussen een windmolen en een woning of een ander windturbinegevoelig object. Ook zal dan pas definitief duidelijk zijn in welke mate gebruik kan worden gemaakt van lokale bevoegdheden om maatwerk te leveren door bijvoorbeeld het hanteren van grenswaarden in plaats van de standaardwaarden.
Zolang nog geen nieuwe landelijke normen voor windmolens definitief zijn vastgesteld, staat het gemeenten vrij eigen lokale normen op te stellen waaraan windparken van drie of meer windmolens kunnen worden getoetst. Gemeenten kunnen er voor kiezen geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het opstellen van lokale normen en de nieuwe landelijke normen af te wachten. Op windmolenprojecten bestaande uit één of twee windmolens zijn de windturbinebepalingen uit het vroegere Activiteitenbesluit nog steeds van toepassing. Zoals gezegd zijn deze sinds 1 januari 2024 verwerkt in het stelsel van de Omgevingswet (zie onder meer via de ‘bruidsschat’ bij de omgevingswet en de paragrafen 4.30, 4.30a en 4.30b van het Bal).
De gemeenten Oost Gelre en Berkelland kiezen er nu al voor om aan te sluiten bij de nieuwe (nog vast te stellen) landelijke normen en om daarbij uit te gaan van de standaardwaarden zoals die zijn verwoord in het ontwerp daarvan. Deze benadering vormt een integraal onderdeel van dit beleidsdocument waarmee binnen de toekomstige wettelijke normen wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk beschermingsniveau voor omwonenden. Tot aan de vaststelling van het gemeentelijke beleidskader en de nieuwe landelijke normen zullen de gemeenten Oost Gelre en Berkelland overigens geen windparken vergunnen.
2.2 Provinciaal beleid
2.2.1 Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’
In de omgevingsvisie “Gaaf Gelderland”, vastgesteld op 19 december 2018, spreekt de provincie Gelderland zich uit voor een versnelling van de energietransitie, gericht op een forse vergroting van het aandeel duurzame energie dat past bij de Gelderse kwaliteiten. Gelderland streeft er naar om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn met als tussenstap in 2030 een reductie van broeikasgassen met 55% ten opzichte van 1990. Hiervoor wordt ingezet op energiebesparing en het terugdringen van energieverbruik in huizen, gebouwen, verkeer, vervoer, in de industrie en landbouw. Daarnaast wordt ingezet op verschillende duurzame bronnen van energie zoals wind, zon, biomassa, waterstof, waterkracht en bodemenergie.
Om kansen volledig te benutten verbindt de provincie de energieopgave met andere vraagstukken: klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, wonen en economie. Verder biedt zij experimenteer- en innovatieruimte door proefprojecten te starten, bijvoorbeeld voor energieopslag.
2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland
Voor de provinciale regelgeving voor ruimtelijke ontwikkelingen is de Omgevingsverordening Gelderland maatgevend (DSO-versie 2 januari 2024). Bij het in werking treden van de Omgevingswet is een daarop afgestemde versie van de omgevingsverordening gaan gelden, dit met inbegrip van een wijzigingsplan dat Provinciale Staten van Gelderland op 15 november 2023 vaststelde. Daarbij geeft artikel 5.88 onder meer aan dat windturbines in principe alleen zijn toegestaan als deze passen binnen de RES. Verder geeft de omgevingsverordening in artikel 5.91 aan dat bij het oprichten van windmolens of een windmolenpark aandacht moet worden besteed aan:
➢ de ruimtelijke kenmerken van het landschap;
➢ de maat, schaal en inrichting in het landschap;
➢ de visuele interferentie met een nabij gelegen windpark of windmolens;
➢ de cultuurhistorische achtergrond en waarde van het landschap;
➢ de beleving van de windmolen of het windpark in het landschap.
Ook bevat de Omgevingsverordening Gelderland specifieke regels voor bijzondere gebieden zoals het Gelders Natuurnetwerk (GNN) (artikel 5.7) of de Groene Ontwikkelingszone (GO) (artikel 5.20). In deze gebieden zijn nieuwe ontwikkelingen alleen mogelijk als de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het GNN en/of GO zoveel mogelijk worden beperkt blijven en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Deze afwijkruimte wordt enkel geboden als er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieve locaties beschikbaar zijn en tijdig effectieve compenserende maatregelen worden getroffen. In weidevogelgebieden staat de omgevingsverordening geen windmolens toe, ook niet met compenserende maatregelen (artikel 5.29). Voor de landschappelijke beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen heeft de provincie daarnaast voor onder meer de Achterhoek een streekgids vastgesteld. Daarin is aangegeven op welke manieren de regels uit de omgevingsverordening over het thema landschap moeten worden toegepast in de diverse deelgebieden (afdeling 5.3 Omgevingsverordening Gelderland).
2.2.3 Beleidslijn Windenergie
De beleidslijn windenergie
3Beleidslijn Windenergie (gelderland.nl)
verduidelijkt hoe en waar de provincie windmolens gerealiseerd wil zien. Windmolens worden op voorhand niet geheel uitgesloten voor delen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, het Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000-gebieden. Echter schat de provincie deze gebieden niet kansrijk.
De provincie wil windenergie combineren met andere functies in een voorkeursgebied, zoals combinaties met infrastructuur (water)wegen en railverbindingen, regionale bedrijventerreinen, intensiveringsgebieden glastuinbouw en agrarische productielandschappen. Indien windmolens niet gecombineerd kunnen worden met genoemde functies, maar uit onderzoek wel blijkt dat kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening, dan staat het beleid de realisatie van deze windmolens niet in de weg. De provincie beschrijft dat er bij een initiatief voor windenergie veel aandacht moet worden besteed aan het creëren van draagvlak en participatie. De inspanningen in relatie tot participatie en het creëren van draagvlak worden daarom meegenomen bij de beoordeling van een concreet windenergieplan.
De provincie is bezig met herijking van haar windbeleid. Hiervoor voert zij een milieueffectrapportage uit die in 2023 is gestart met een Notitie Reikwijdte en Detailniveau
4Gelders milieuonderzoek wind, zon en warmte (gelderland.nl)
. De uitkomsten daarvan zijn ten tijde van het schrijven van dit beleidsstuk nog niet bekend. Op 20 januari 2025 is het ontwerp van het provinciale milieueffectrapport (planMER) weliswaar ter inzage gelegd, maar de bestuurlijke keuzes daarover worden pas in de tweede helft van 2025 gemaakt.
2.4 Gemeentelijk beleid
2.4.1 Gemeente Berkelland
Waar het gaat over energieneutraliteit sluit de gemeente Berkelland zich aan bij het Nationale Klimaatakkoord. Dit betekent dat de gemeente bijdraagt aan het klimaatneutraal zijn in 2050, met als tussendoel 55% CO2-reductie in 2030. Op 16 februari 2022 besloot de gemeenteraad dat initiatieven voor grote windmolens enkel worden toegestaan in zoekgebied K. Gemeente Berkelland heeft daarbij reeds een aantal ruimtelijke uitgangspunten opgesteld voor een verkenning van de mogelijkheden van windenergie. Dit zijn bijvoorbeeld de voorkeur voor een clusteropstelling, de afstand tot woningen en de geschiktheid van open agrarische landschappen in het buitengebied. Daarnaast zijn uitgangspunten opgenomen voor de regierol van de gemeente bij nieuwe initiatieven. Lokaal eigenaarschap vindt Berkelland hierbij belangrijk; voor draagvlak, acceptatie en om de opbrengsten lokaal te houden. Berkelland streeft naar zoveel mogelijk lokaal eigendom, het liefst 100% maar in ieder geval meer dan 51% . De gemeente streeft er naar dat de ontwikkeling, zeggenschap en opbrengsten in handen zijn van lokale partijen en inwoners. Een mogelijkheid kan zijn dat de gemeente (mede-)investeert in een windpark en/of zonnepark of hier zelf het initiatief toe neemt.
2.4.1.1 Omgevingsvisie Berkelland.
De gemeenteraad van Berkelland heeft op 28 mei 2024 de Omgevingsvisie Berkelland vastgesteld
5Vastgestelde Omgevingsvisie Berkelland (ruimtelijkeplannen.nl)
. Het duurzaamheidsbeleid van Berkelland is toegespitst op de energietransitie. Met een energie-uitvoeringsprogramma voor de gebouwde omgeving, utiliteitsgebouwen en MKB-bedrijven en een Transitievisie Warmte voor de aardgastransitie. Als basis voor het ruimtelijk beleid voor duurzame energieopwekking gelden de RES en de in 2018 vastgestelde beleidsnotitie “Ruimtelijke Ordening en Duurzame Energieopwekking in Berkelland” (RODE). In de RES Achterhoek zijn meerdere zoekgebieden voor windenergie vastgelegd. De focus van Berkelland ligt hierbij zoals gezegd alleen op zoekgebied K. Verder wordt ook het maximaal benutten van zon op dak nagestreefd als bijdrage aan het Achterhoekse RES-bod en is de opgave voor zon op land (maximaal 140 ha) al grotendeels ingevuld door de vergunde zonneparken. Lokaal eigendom van de windmolens in Berkelland is de ambitie, omdat daarmee zeggenschap over de baten ligt in het gebied waar ook de lasten worden ervaren. De gemeente stimuleert en/of faciliteert maatregelen die bijdragen aan de energietransitie.
Ook ondersteunt zij waar mogelijk duurzame initiatieven, bijvoorbeeld bij circulair en duurzaam bouwen. Hier is geen specifiek gemeentelijk beleid voor.
Met ca. 140 ha vergunde grootschalige zonneparken, de ambitie van 0,071 TWh voor windenergie in zoekgebied K en het benutten van zon op daken levert Berkelland haar bijdrage aan de opgave van 1,35 TWh voor de RES Achterhoek. De Achterhoekse opgave bevat nog een restdeel van 0,244 TWh dat nog niet aan één van de gemeenten/zoekgebieden gealloceerd is. Berkelland is niet bereid iets van dat restdeel te faciliteren, een standpunt dat ook in de vastgestelde omgevingsvisie is verwoord.
In het Coalitieakkoord 2022-2026 was aangegeven dat er geen nieuwe zonneparken op landbouwgrond bijkomen en dat de gemeente zon op dak blijft stimuleren als de beste optie voor grootschalige energie-opwekking. Omdat de gezondheid van de inwoners en de leefomgeving belangrijk zijn, biedt het coalitieakkoord alleen ruimte voor windmolens als er duidelijke normen worden gehanteerd zoals ruime afstand tot woningen en het behoud van natuur- en landschappelijke waarden. Verder spreekt het zich uit voor gemeentelijke regie op windmolenprojecten (bijv. via een maatschappelijke tender) zodat inwoners ook actief kunnen participeren in een mogelijk windmolenproject. De afspraken in de RES Achterhoek vormen het kader waar het coalitieakkoord zich qua opwek en zoekgebieden conformeert, iets wat vervolgens met de gemeenteraad verder wordt ingevuld.
2.4.2 Gemeente Oost Gelre
Gemeente Oost Gelre heeft in 2018 het beleid ‘Installaties opwekking hernieuwbare energie Oost Gelre opgesteld’, waarin kaders en een uitvoeringsplan staan uitgewerkt gericht op het mogelijk maken van windenergie. Het beleid gaat daarbij in op windturbines met een ashoogte vanaf 80 meter. Tevens staat aangegeven dat de gemeente draagvlak zeer belangrijk vindt. Daarom dienen bij de voorbereiding van een initiatief mogelijkheden voor proces- en financiële participatie worden geboden. Daarnaast wil gemeente het proces van de energietransitie monitoren en evalueren. Bij een initiatief dient de locatie ten opzichte van landschap, cultuurhistorie en ecologie zorgvuldig te worden gekozen. Ook wordt de voorkeur voor meervoudig ruimtegebruik uitgesproken.
In het Coalitieprogramma 2022-2026 van gemeente Oost Gelre worden windmolens niet uitgesloten, zolang er voldoende draagvlak is en er geen risico op de gezondheid is. Voorkeur wordt gegeven voor plannen en initiatieven die van eigen inwoners en bedrijven komen. Bij nieuwe grootschalige initiatieven worden lokaal eigendom en zeggenschap belangrijk gevonden. Daarom wil de gemeente dat bedrijven en inwoners van de gemeente een meerderheidsbelang van ten minste 51% hebben.
2.4.2.1 Omgevingsvisie Oost Gelre
In de Omgevingsvisie Oost Gelre
6Omgevingsvisie Oost Gelre (ruimtelijkeplannen.nl)
beschrijft de gemeente Oost Gelre hoe ze kijkt naar de ontwikkeling van de gemeente, en welke kansen en uitdagingen er zijn. Ook wordt beschreven op welke manier de gemeente daarmee wil omgaan. Alle aspecten die te maken hebben met de fysieke leefomgeving komen voorbij: verkeer, werken, openbare ruimte, wonen, natuur en milieu, gezondheid en landelijk gebied. De visie voor Oost Gelre is beschreven in vijf doelen.
•heeft hechte en leefbare kernen;
•geeft ruimte aan ondernemen;
•blijft dichtbij en bereikbaar;
•is een gezonde en veilige leefomgeving;
•heeft een aantrekkelijk landelijk gebied vol leven.
In de Omgevingsvisie Oost Gelre, vastgesteld op 19 september 2023, worden de ambities voor 2040 uitgesproken op het gebied van duurzame energie. In het buitengebied wordt ruimte geboden voor duurzame energieopwekking: zonne-energie op land en windmolens. Hierbij wordt gezocht naar de juiste inpassing van windmolens in het landschap, mits er genoeg maatschappelijk draagvlak is en de plaatsing ervan geen risico vormt voor de gezondheid. Ook wordt aangegeven dat de inwoners als eerste financieel kunnen deelnemen in initiatieven. Voorkeur wordt uitgesproken naar initiatieven voor duurzame opwekking die van eigen inwoners en bedrijven komen, bijvoorbeeld via een lokale energiecoöperatie. Daarnaast wordt de voorkeur uitgesproken om initiatieven voor duurzame energie te combineren met andere functies. Tegelijkertijd spreekt Oost Gelre uit dat dat het realiseren van duurzame energie soms ten koste gaat van ander gebruik en dat het landschap hierdoor verandert.
Hoofdstuk 3. Zoekgebieden
3.1 RES-Zoekgebieden
3.1.1 Gebiedsanalyse zoekgebied K (2022)
Zoekgebied K is gelegen tussen Groenlo, Mariënvelde en Ruurlo en is gelegen in gemeente Oost Gelre en Berkelland. Hieronder is de ligging van zoekgebied K te zien.
Figuur 2. Zoekgebied K, gelegen in gemeente Berkelland en Oost Gelre (bron: Bosch & van Rijn, 2022).
Voor het gemeentelijk grondgebied van Berkelland en het gedeelte van de gemeente Oost Gelre dat tot zoekgebied K behoort, is een nadere gebiedsanalyse uitgevoerd. De gebiedsanalyse betreft een indicatieve analyse van ruimtelijke beperkingen voor windturbines die een gevolg zijn van het feit dat voldoende afstand tot verschillende objecten (zoals woningen) en bestemmingen (zoals vaarwegen) moeten worden aangehouden. In Bijlage 2 is het rapport van de gebiedsanalyse voor zoekgebied K toegevoegd. Daarbij is uitgegaan van windmolens met een ashoogte van 150 meter en een rotordiameter van 150 meter. Omdat dit uitkomt op een tiphoogte 225 meter is bij de afstand ten opzichte van woonkernen overigens uitgegaan van 2.250 meter7. In het milieueffectrapport bij de ontwerpwindturbinebepalingen zijn overigens de twee onderstaande varianten (referentieturbines) gehanteerd om de effecten van windturbines te beoordelen. Daarvan heeft de meest linkse referentieturbine met 235 meter een net iets hogere tiphoogte dan de windmolen die in de al eerder gemaakte gebiedsanalyse is gebruikt.
De door de gemeenten opgestelde gebiedsanalyse houdt rekening met ruimtelijke beperkingen door harde belemmeringen. Op locaties met harde belemmeringen zijn windmolens hoogstwaarschijnlijk uitgesloten. De harde belemmeringen komen voort uit landelijke wet- en regelgeving waarin bufferafstanden zijn voorgeschreven ten opzichte van diverse functies zoals bijvoorbeeld woningen, spoorwegen, buisleidingen en het Gelders Natuurnetwerk. Daarnaast is rekening gehouden met zachte belemmeringen. Zachte belemmeringen geven vanuit wet- en regelgeving aandachtspunten mee maar zijn geen absolute uitsluitingsgronden voor het plaatsen van windmolens. Op basis van de harde en zachte belemmeringen levert deze gebiedsanalyse het volgende beeld op voor zoekgebied K, zie Figuur 3.
Figuur 3. Belemmeringen zoekgebied K (bron: Bosch & van Rijn, 2022).
Op basis van deze belemmeringenkaart is verkend of er binnen het zoekgebied ‘witte vlekken’ zijn waarbinnen ten minste 2 windmolens per locatie kunnen komen. Dit is niet gedaan aan de hand van bij de gemeente binnengekomen initiatieven, maar met de bedoeling om te kijken of invulling van deze ‘witte vlekken’ reëel zou kunnen zijn. Verder past daarbij de opmerking dat deze eerste verkenning is uitgevoerd vóórdat op 12 oktober 2023 de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen werden vrijgegeven (zie verder in paragraaf 4.1.9).
3.1.2 Gebiedsanalyse zoekgebied I (2022)
Zoekgebied I is gelegen rond de gemeentegrenzen Oost Gelre – Aalten – Winterswijk en ten noorden van Bredevoort. Hieronder is de ligging van zoekgebied I te zien.
Figuur 4. Zoekgebied I, gelegen in gemeente Oost Gelre (bron: Bosch & van Rijn, 2022).
Voor het gemeentelijk grondgebied van Oost Gelre dat tot zoekgebied I behoort, is een nadere belemmeringsanalyse uitgevoerd. Voor zoekgebied I is nog geen nadere gebiedsanalyse (zoals voor zoekgebied K) uitgevoerd. In de belemmeringsanalyse is rekening gehouden met ruimtelijke beperkingen door harde belemmeringen (windmolens hoogstwaarschijnlijk uitgesloten) en door zachte belemmeringen (windmolens niet uitgesloten, maar er zijn wel aandachtspunten). De harde belemmeringen komen voort uit landelijke wet- en regelgeving waarin bufferafstanden zijn voorgeschreven ten opzichte van diverse functies zoals bijvoorbeeld woningen, spoorwegen, buisleidingen en het Gelders Natuurnetwerk. Zachte belemmeringen geven vanuit wet- en regelgeving aandachtspunten mee maar zijn geen absolute uitsluitingsgronden voor het plaatsen van windmolens. Op basis van de harde en zachte belemmeringen levert deze gebiedsanalyse het volgende beeld op voor zoekgebied I, zie Figuur 5. Ook bij deze afbeelding geldt dat zij voortkomt uit een eerste verkenning die is uitgevoerd vóórdat de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen op 12 oktober 2023 werden vrijgegeven (zie verder in paragraaf 4.1.9).
Figuur 5. Kaart met harde belemmeringen binnen zoekgebied I (bron: Bosch & van Rijn, 2022).
Hoofdstuk 4. Beleidskader grote windmolens
4.1 Ruimtelijke randvoorwaarden
4.1.1 Randvoorwaarden locatie
De gemeenten Oost Gelre en Berkelland zien de in de RES 1.0 genoemde opgave voor hun zoekgebieden als een gezamenlijke opgave, dus los van de exacte onderverdeling per gemeente in zoekgebied K. Windmolens of een windpark moet(en) altijd gelegen zijn in een voorkeurszoekgebied uit de RES, zijnde de zoekgebieden K en I uit de RES 1.0
8de overige zoekgebieden uit bijlage 1 uit de RES 1.0 zijn in deze beleidsregel uitgesloten. De RES 2.0 kan aanleiding zijn om deze beleidsregel te herzien.
. De gemeenten verlenen geen medewerking aan een locatie buiten deze zoekgebieden. Per zoekgebied wordt uitgegaan van één windpark, dat betekent dat er één integraal totaalplan moet zijn binnen het gebied. Dit mag ook één project zijn met meerdere initiatiefnemers of meerdere initiatieven binnen één ruimtelijk plan. Het uitgangspunt betreft in dat geval een samenwerkingsverband tussen betreffende partijen. Voor gemeente Berkelland geldt dat grote windmolens alleen zijn toegestaan in zoekgebied K. Voor gemeente Oost Gelre geldt dat grote windmolens alleen zijn toegestaan in zoekgebied K en I.
Voor de opstelling en inrichting van windmolens of een windpark geldt het volgende:
•De in de RES 1.0 genoemde gezamenlijke opgave moet (minimaal en maximaal) binnen de mogelijkheden van de landelijke regelgeving zo goed mogelijk worden ingevuld door een initiatief of combinatie van initiatieven in 1 ruimtelijk plan.
•Een ruimtelijk plan voor windenergie bestaat uit ten minste twee windmolens. Solitaire windmolens zijn in een ruimtelijk plan dus niet toegestaan.
•De opstelling van de windmolens in het windpark moet daarbij als eenheid te lezen zijn. De windmolens hebben daarom dezelfde kleur en verschijningsvorm en zijn zoveel mogelijk van hetzelfde type met gelijke afmetingen voor (as)hoogte en rotordiameter. Voorkeur wordt gegeven aan een lichtgrijze kleur van de windmolens, aangezien deze kleur tegen de wolken wegvalt.
•Een windpark moet opgesteld staan in een goede ruimtelijke eenheid, zoals een lijn- of clusteropstelling. De keuze is daarbij afhankelijk van de concrete locatie en de landschappelijke (omgevings-)context.
Wanneer in de toekomst de RES is geborgd in het provinciaal beleid en daarvan deel uitmaakt, dan bestaat de mogelijkheid om initiatieven uit te sluiten die niet passen in de RES, de huidige Elektriciteitswet 1998 of de toekomstige Energiewet waarmee de Eerste Kamer op 10 december 2024 instemde.
4.1.2 Randvoorwaarden externe veiligheid
De aanwezigheid van windmolens kan een verhoogd risico opleveren voor omwonenden. Mogelijke risico’s zijn het afbreken van de mast, afbreken van de gondel en de afworp van een wiek. De mate van het risico is afhankelijk van verschillende factoren zoals afstand tot de windmolen, faalkans van de windmolen en het aanwezige aantal mensen. Externe veiligheid gaat daarbij om de bescherming van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s en om het bieden van een basisbeschermingsniveau aan personen die wonen, werken of recreëren in de omgeving van risicovolle activiteiten. Om de veiligheid te borgen geldt het volgende:
•Voor een initiatief voor windenergie moet een rapportage externe veiligheid worden opgesteld om aan te tonen dat het plan voldoet aan de eisen op het gebied van externe veiligheid. Het gaat om de standaardwaarden en grenswaarden voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en toetswaarden voor risicorelevante (bedrijfs)activiteiten conform de Handreiking Risicozonering Windmolens, e.e.a. na vaststelling van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen.
•Het plan moet in bouwtechnische zin voldoen aan de technische eisen die onder meer voortvloeien uit NEN-normen en uit van toepassing zijnde ministeriële regelingen.
4.1.3 Randvoorwaarden geluid
Windmolens produceren geluid, dat vaak wordt beschreven als suizend en/of zoemend. Door dit geluid kunnen windmolens hinder voor de leefomgeving veroorzaken. Om de hinder zoveel mogelijk te beperken/voorkomen, hanteert de gemeente voor initiatieven van nieuwe grootschalige windmolenprojecten de landelijke standaardwaarden (in de ontwerpwindturbinebepalingen: 45 dBLden en 39 dBLnight) met daarbij de volgende randvoorwaarden voor de aspecten geluid.
•Voor een concreet project zal altijd een gedetailleerde berekening van de optredende geluidniveaus ter plaatse van omliggende woningen moeten worden gemaakt. Hierbij moet het initiatief voldoen aan de uiteindelijk vastgestelde landelijke normen (uiterlijk 1juli 2025).
•De draaigegevens en geluidsproductiegegevens van de windmolens moeten openbaar (online) beschikbaar zijn.
•Initiatiefnemer moet een goed klachtensysteem opzetten, waar omwonenden terecht kunnen indien zich problemen voordoen of wanneer er klachten over geluid zijn. Hiervan zijn al voorbeelden bekend.
4.1.4 Randvoorwaarden slagschaduw en lichtschittering
Slagschaduw van een windmolen is de schaduw van de draaiende wieken op een slagschaduwgevoelig gebouw. Als slagschaduw op een raam van een woning (of kantoor) valt, kan dat als hinderlijk worden ervaren. Het menselijk oog is namelijk gevoelig voor optredende verschillen tussen licht en donker en snelle bewegingen. Om hinder van slagschaduw zoveel mogelijk te voorkomen, stelt gemeente de volgende randvoorwaarden op voor slagschaduw.
•Voor een initiatief voor windenergie moet altijd de slagschaduwduur ter plaatse van omliggende woningen inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij moet het initiatief voldoen aan de landelijke normen (verwachting uiterlijk juli 2025): maximaal 6 uur per jaar en maximaal 20 minuten per dag per slagschaduwgevoelig gebouw, automatische stilstandsvoorziening en logboek zijn verplicht en lokaal mag worden afgeweken tot 0 uur slagschaduw.
•Er moet overeenkomstig de landelijke (ontwerp)windturbinebepalingen een automatische stilstandvoorziening worden aangebracht op de windmolens om (de hinder van) slagschaduw op woningen te voorkomen.
•Initiatiefnemer moet een goed klachtensysteem opzetten, waar omwonenden terecht kunnen indien zich problemen voordoen of wanneer er klachten over slagschaduw zijn. Daarbij moet volgens de ontwerpwindturbinebepalingen jaarrond met een logboek worden bijgehouden hoeveel slagschaduw daadwerkelijk wordt veroorzaakt.
•Lichtschittering wordt vooral veroorzaakt door weerkaatsing van zonlicht op gladde en glimmende oppervlakken en kan een hinderlijk en verblindend effect opleveren voor inwoners van de gemeente en andere gebruikers van het gebied zoals verkeersdeelnemers. Om deze redenen mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van niet reflecterende materialen of coatinglagen (zie NEN certificering en ontwerpwindturbinebepalingen).
4.1.5 Randvoorwaarden verlichting
In verband met de veiligheid van luchtverkeer moet obstakelverlichting worden geïnstalleerd op windmolens. Door de obstakelverlichting kan lichthinder ontstaan. Echter zijn er verscheidene mogelijkheden om lichthinder voor de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Gemeente hanteert daarom de volgende randvoorwaarden:
•Er moet worden voldaan aan de landelijke (ontwerp)regels over markering en obstakelverlichting, waarbij toepassing wordt gegeven aan de technieken die voor de omgeving zo weinig mogelijk hinder opleveren.
•De nachtelijke rode verlichting voor de luchtvaartveiligheid moet zijn voorzien van naderingsdetectie op basis van transpondertechniek (of een daaraan gelijkwaardige technologie) en daarom uitsluitend aan zijn indien een luchtvaartuig zich in de nabijheid bevindt. Omdat de (ontwerp)windturbinebepalingen naderingsdetectie niet verplicht stellen, kan van deze voorwaarde worden afgezien als kan worden aangetoond zij voor de sectorpartijen en de luchtvaartautoriteiten niet uitvoerbaar vanwege de oorzaken die worden genoemd in de toelichting bij de ontwerpwindturbinebepalingen (Nota van Toelichting, pag. 44). Meer informatie over dit aspect en de mogelijkheden om daarvoor subsidie aan te vragen is te vinden via: Naderingsdetectie Gelderse windturbineparken (gelderland.nl).
4.1.6 Landschappelijke inpassing
Windmolens zijn vanwege hun grootte goed zichtbaar in het landschap. Moderne windmolens, overstijgen daarbij altijd het landschap en vormen daarin als het ware een nieuwe laag. Bij een initiatief moet daarom worden gezocht naar een locatie waar de landschappelijke impact voor de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt. Hierbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de locatie van de windmolens zelf, maar ook met de landschappelijke beleving vanuit verschillende gezichtspunten en zichtlijnen.
•Een initiatief voor windenergie wordt bij voorkeur geplaatst in een ‘grootschalig open landschap’.
•Bij een initiatief voor windmolens moet een landschapsplan worden opgesteld. Hierin moet worden uitgewerkt wat de effecten zijn op de landschappelijke beleving en welke maatregelen nodig zijn om de landschappelijke impact te beperken via compenserende maatregelen. Het initiatief moet voldoen aan een versterking van de biodiversiteit en landschapsontwikkeling/versterking. In de landschapsanalyse en het ontwerp van het windmolen-initiatief moet in ieder geval worden uitgewerkt (en worden onderbouwd dat wordt voldaan aan):
o De landschappelijke uitgangspunten van de provinciale Omgevingsverordening zoals die zijn verwoord in de Streekgids Achterhoek. Daarbij is voor zoekgebied K vooral het deelgebied ‘Het Ruurlosche Broek’ van belang, terwijl voor zoekgebied I (i) moet worden gekeken naar het deelgebied ‘Het Oost-Nederlands plateau’.
o De aanwezige (ruimtelijke) landschapskenmerken van het gebied en eventuele ontwikkeldoelen/kernkwaliteiten
o het behoud van bestaande (en nieuwe) landschapselementen (zoals houtwallen, beplantingsstroken, bossen en zandpaden) en hoe deze landschapselementen worden gebruikt om de beleving op een positieve manier te beïnvloeden;
o de maat, schaal en inrichting van het landschap en motivering van de as- en tiphoogte aan de hand van het landschap (waarom is de aangehouden hoogte nodig? Wat betekent het landschappelijk als wordt gekozen voor een lagere hoogte?);
o de landschappelijke beleving van het windmolenpark in het landschap en vanuit omliggende woningen (door een realistische (3D-) visualisatie);
o (zoveel mogelijk) behoud van zichtlijnen vanuit woningen en/of openbare wegen;
o (zoveel mogelijk) voorkómen van visuele interferentie met nabijgelegen windmolens of windpark;
o de cultuurhistorische achtergrond en waarden in het landschap;
o op welke wijze het windpark een bijdrage levert aan de lokale natuurwaarden, bijvoorbeeld door een natuur-inclusief ontwerp en koppelkansen voor natuur, landschap en water. Het windpark moet bijdragen aan de leefomgeving door:
▪ een financiële bijdrage aan een fonds voor landschaps- en natuurontwikkeling in en rondom het windpark (compensatie met een plus);
▪ mitigerende ingrepen in landschap en natuur om het zicht op het windpark vanuit omliggende woningen te beperken;
▪ NB. De landschaps- en natuurontwikkeling (incl. instandhouding) wordt planologisch bestemd;
o landschappelijke inpassing van de toegangs- en onderhoudswegen;
o combinatie van hekwerken etc. met de landschappelijke randafwerking
o de positie van de benodigde gebouwen in cluster of één lijn;
o keuze van de kleur voor hekwerken en installatievoorzieningen/gebouwen (die in het landschap wegvallen);
o op welke wijze wordt gewerkt met beplanting en andere middelen die passen bij het landschapstype (landschapstype-eigen);
o installaties behorende bij de windmolen moeten zoveel mogelijk worden opgenomen in de voet van de windmolen
o een beoordeling/berekening van een gebied 360 graden rondom het windmolenpark, welk gebied noodzakelijk is voor aanleg van landschapselementen voor landschappelijke inpassing. De situatie wordt met 3D beelden gevisualiseerd. Het gaat bij windmolens om een ‘lagenbenadering’ waarbij inpassing plaats vindt op meerdere locaties en op verschillende afstanden (lagen) van de molens. De beoordeling moet voor meerdere relevante (zicht) locaties inzichtelijk gemaakt worden. Dit ‘wensbeeld’ moet vervolgens getoetst worden op haalbaarheid van uitvoering. Bijvoorbeeld of de gewenste grondaankopen kunnen worden gerealiseerd. De grondposities die noodzakelijk zijn voor de landschappelijke inpassing incl. het landschappelijk inrichtingsplan maken deel uit van de aanvraag en vergunningverlening
4.1.7 Ecologische aspecten
Windmolens kunnen effecten op (beschermde) natuurwaarden hebben. Voor initiatieven voor nieuwe grootschalige windmolenprojecten hanteert de gemeente daarom de volgende randvoorwaarden voor het aspect natuur:
•Bij een initiatief voor windmolens moet ecologisch onderzoek worden verricht. Dit ecologisch onderzoek moet zowel de effecten op beschermde natuurgebieden als effecten op beschermde soorten onderzoeken. Hierbij moet worden getoetst of er significant negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen of gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten.
•Initiatiefnemer moet voor soortenbescherming een ontheffing/toestemming in het kader van de Omgevingswet (voorheen: Wet natuurbescherming)/Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aanvragen, wanneer uit de ecologische onderzoeken blijkt dat een ontheffing noodzakelijk is. De haalbaarheid voor het verlenen van deze ontheffing/toestemming maakt onderdeel uit van de afweging over het verlenen van medewerking aan de ruimtelijke procedure voor het realiseren van het initiatief.
•Initiatiefnemer moet de effecten van eventuele stikstofdepositie onderzoeken op Natura 2000-gebieden. Bij een initiatief moet worden onderzocht of hiervoor een vergunning op grond van de Omgevingswet (voorheen: Wet natuurbescherming)/Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) noodzakelijk is.
•Initiatiefnemer moet de effecten op bijzondere gebieden zoals het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelzone onderzoeken. Hierbij moet worden voldaan aan de voorwaarden volgend uit de provinciale Omgevingsverordening Gelderland.
•Voor zoekgebied K geldt dat binnen een gedeelte van deze locatie weidevogels aanwezig zijn. In het ecologische onderzoek moet daarom de aanwezigheid van weidevogels nadrukkelijk worden onderzocht. Overigens gebeurt dit altijd bij ecologische onderzoeken in het landelijk gebied, ook als het betrokken gebied volgens de provinciale omgevingsverordening niet formeel is aangewezen als weidevogelgebied.
•Indien op basis van de resultaten van het ecologisch onderzoek een automatische stilstandvoorziening voor (trek)vogels en/of vleermuizen nodig blijkt, moet deze verplicht worden toegepast en maakt deze deel uit van de vergunningsvoorwaarden.
•Indien compenserende of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn, moet hierbij ook rekening worden gehouden met het gemeentelijk biodiversiteitplan (inspiratiedocument) en het effect daarvan op het aanwezige landschap.
•Verplichte monitoring van ten minste drie jaar na ingebruikname van de windmolens/het windpark om de effecten op natuur door de komst van de windmolens/het windpark in kaart te brengen (deze verplichting kan ook voortkomen uit de provinciale Wnb/Bal-ontheffing)
4.1.8 Randvoorwaarden afstand
Het regeerakkoord van het kabinet Rutte IV stelde een heldere afstandsnorm in het vooruitzicht voor de bouw van windmolens op land. Om die reden introduceerden de ontwerpwindturbinebepalingen een afstandsnorm die wordt bepaald op minimaal tweemaal de tiphoogte van de windturbine. Dit betreft een harde norm waarvan alleen kan worden afgeweken vanwege ‘zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen’ (ZEZAM).
De Nota van Toelichting bij de ontwerpwindturbinebepalingen geeft aan dat toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid vraagt om “…een indringende inhoudelijke afweging en goede motivering. Om tot een goede afweging te komen of de voorgenomen afwijking van het algemene beschermingsniveau van de afstandsnorm gerechtvaardigd is, moet gekeken worden naar de legitimiteit van het voorgenomen besluit, de doelmatigheid en doeltreffendheid daarvan, de evenredigheid en proportionaliteit, de noodzakelijkheid en naar de aanwezigheid van voldoende maatschappelijk draagvlak. Deze norm biedt veel zekerheid voor omwonenden, en weinig mogelijkheden voor maatwerk voor het bevoegd gezag vanwege de gedegen motiveringsplicht.”
9Nota van Toelichting, pag. 51.
Tegen deze achtergrond en vanuit de wens van de gemeente om hinder vanwege windmolens zo gering mogelijk te laten zijn, gaan de gemeenten bij de toepassing van deze beleidsregel uit van de afstandsnorm zoals die is opgenomen in de ontwerpwindturbinebepalingen en zien zij na vaststelling daarvan op voorhand geen mogelijkheden voor toepassing van maatwerk via de ZEZAM-afwijking. Dit betekent dat de gemeenten uitgaan van een minimale afstand van tweemaal de tiphoogte tussen een windmolen en een windturbinegevoelig gebouw zoals deze is voorzien in artikel 5.162d Bkl.
4.1.9 Kansenkaarten op basis van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen (2023)
Om in beeld te krijgen hoe de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen doorwerken in de mogelijkheden voor het realiseren van windmolens in de zoekgebieden K en I, hebben de gemeenten kansenkaarten opgesteld. Daarbij is uitgegaan van de twee referentieturbines die ook in het planMER van het Rijk bij de ontwerpwindturbinebepalingen zijn gebruikt (235 m en 280 m tiphoogte), van de standaardwaarden van 45dB dBLden en 39 dBLnight en van de vuistregel dat deze standaardwaarden een geluidscontour van 600 m opleveren. Dit laatste betekent dat de afstand die vereist is vanwege de geluidsnorm meer bepalend is als belemmering voor het realiseren van windmolens dan de vaste afstandsnorm van tweemaal de tiphoogte van de windmolen (zonder toepassing van de ‘ZEZAM’- afwijking).
Figuur 6. Belemmeringen referentieturbine 235 m tiphoogte (indicatief beeld)
Figuur 7. Belemmeringen referentieturbine 280 m tiphoogte (indicatief beeld)
Wanneer op basis van de bovenstaande belemmeringenkaarten wordt gekeken welk gedeelte van zoekgebied K voor het plaatsen van deze referentieturbines in aanmerking zou kunnen komen, dan blijkt bij een geluidsnorm van 45dBLden dat deze geluidsnorm maatgevend is en om een grotere afstand ten opzichte van gevoelige functies vraagt dan de vaste afstandsnorm van tweemaal de tiphoogte. Dit levert dat het onderstaande beeld op:
Figuur 8. Kansenkaart (indicatief) voor windturbines zoekgebied K (geluidsnorm = bepalend 600 m)
Voor zoekgebied I zijn hierna vergelijkbare belemmeringenkaarten weergegeven voor de beide referentieturbines:
Figuur 9. Belemmeringen referentieturbine 235 m tiphoogte (indicatief beeld)
Figuur 10. Belemmeringen referentieturbine 280 m tiphoogte (indicatief beeld)
Uit deze belemmeringenkaarten komt naar voren dat zoekgebied I geen ruimte lijkt te bieden voor de turbines die bij de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen als referentieturbines zijn gebruikt.
Op basis van de bovenstaande belemmeringenkaarten en kansenkaart is vervolgens ook ingeschat hoeveel windmolens zouden kunnen worden geplaatst in de zoekgebieden, welk vermogen dat zou kunnen opleveren en hoe zich dat verhoudt tot de opgave die de gemeenten zijn aangegaan in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES1.0). Ook daarbij is weer uitgegaan van de referentieturbines uit het landelijke plan-MER.
Voor het groen gekleurde deel van zoekgebied K geldt dat dit een lengte heeft van circa 1.320 m en dat het op zijn breedste punt ongeveer 470 m breed is. Voor het plaatsen van windmolens wordt doorgaans als vuistregel gehanteerd dat de onderlinge afstand 3 à 4 maal de rotordiameter moet bedragen. Bij een rotordiameter van 170 meter komt dit voor de referentieturbine ‘235 m tiphoogte’ neer op een onderlinge afstand van 510-680 m, een afstand die voor de referentieturbine ‘280 m tiphoogte’ via een rotordiameter van 200 m neerkomt op 600-800 m. Dit betekent dat in het betreffende gedeelte van zoekgebied K realistisch gezien drie windmolens met een tiphoogte van 235 m zouden kunnen worden geplaatst of twee windmolens met een tiphoogte van 280 m.
Dit aantal windmolens kan worden vertaald in een daarmee te behalen elektriciteitsproductie, iets waarbij ook weer wordt aangesloten die de kengetallen die de landelijke planMER hanteert voor de beide referentieturbines (6MW voor ‘235 tiphoogte’ en 8 MW voor ‘280 m tiphoogte’). Met drie windmolens ‘235 tiphoogte’ of 2 windmolens ‘280 tiphoogte’ komt dat neer op 16-18 MW, een vermogen dat bij 3.300 uur voluit draaien (de zogenaamde “vollasturen”) zou neerkomen op 52.800 - 59.400 MWh (0,0052TWh-0,059 TWh).
In RES-verband hebben de gemeenten Berkelland en Oost Gelre afgesproken dat zij een bijdrage van 0,071 TWh resp. 0,058 TWh willen invullen via windenergie. Deze gezamenlijke windopgave van 0,129 TWh kan echter niet worden gehaald door het plaatsen van twee of drie referentieturbines in de zoekgebieden K en I. De gezamenlijke elektriciteitsproductie daarvan komt namelijk uit tussen de 41% en 46% van deze gezamenlijke windopgave. Ondanks het gegeven dat de voorgaande berekeningen vanuit de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen zijn gebaseerd op aannames, lijkt het er dus op dat de RES-opgave voor windenergie niet kan worden ingevuld binnen de zoekgebieden K en I uit RES1.0. Dit beeld zou niet veel anders worden wanneer met creatief passen en meten in zoekgebied K nog een windmolens zou kunnen worden geplaatst omdat de opbrengst ook dan nog zou uitkomen op ongeveer 60% van de RES-opgave. Al met al kan worden geconcludeerd dat de toepassing van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen zal maken dat de RES-opgave niet kan worden ingevuld in de zoekgebieden K en I uit RES 1.0.
Bij dit alles is van belang om te beseffen dat de verschillende berekeningen en uitkomsten voortkomen uit de aanname dat in de zoekgebieden wordt gewerkt met de referentieturbines uit het landelijke planMER. Wanneer bij een concreet initiatief bijvoorbeeld een andere tiphoogte in beeld zou zijn of wellicht een stillere windturbine, dan zou het gedeelte van de zoekgebieden waarbinnen windmolens mogelijk zouden zijn er dus enigszins anders uit kunnen komen zien. Uit de bovenstaande afbeeldingen moet dus niet worden geconcludeerd dat in zoekgebied K alleen in het ‘groene’ gebied windmolens kunnen worden gerealiseerd en dat in zoekgebied I helemaal geen windmolens mogelijk zijn. Wel geven de afbeeldingen en de bijbehorende gegevens een eerste beeld van de mogelijkheden voor het plaatsen van windmolens in de zoekgebieden en van de bijdrage die de zoekgebieden dan zouden kunnen leveren aan de opgave uit RES1.0.
Bijlage 1. Begrippenlijst
Anterieure overeenkomst: Elke grondexploitatieovereenkomst die men sluit voor de vaststelling van een exploitatieplan is een anterieure overeenkomst. Deze overeenkomst sluit men in de beginfase van een project vóór de vaststelling van een exploitatieplan.
Ashoogte: De ashoogte van een windmolen geeft weer op welke hoogte de as zich bevindt waaraan de bladen zijn bevestigd. Hoger in de lucht is meer wind, windmolens met een grote ashoogte produceren daardoor meer windenergie.
Externe veiligheid: Personen buiten de inrichting van een windmolen, lopen het risico dat een ongeval met een windmolen ook hen treft. Denk hierbij aan: ijsafwerping, mastbreuk, het afbreken van een turbineblad of de gondel. Omdat externe veiligheid relevant is bij windmolens, kent de landelijke regelgeving en ook de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen veiligheidseisen.
Financiële participatie: De mogelijkheid om financieel deel te nemen aan het project, of op een andere manier profijt te hebben van een tegemoetkoming. Bijvoorbeeld in de vorm van financiële obligaties, eigendomsparticipatie, een omgevingsfonds of combinatie hiervan.
Gebiedsanalyse: Ruimtelijk onderzoek naar de mogelijkheden en beperkingen voor windmolens volgens geldende wet- en regelgeving.
Grootschalig open landschap: een type landschap waar sprake is van:
•Situering in een relatief jong ontginningslandschap, ontstaan na 1900
•Een landschap dat is ontstaan uit voormalige heide en veengebieden
•Een rationele en rechthoekige verkaveling, meestal vanuit een hoofdtoegangsweg of –watergang; de hoofdstructuur is vaak eenzijdig aangeplant.
•Agrarische bedrijven die loodrecht gesitueerd zijn aan de hoofdroutes met ruime erven
•Relatief grootschalige landbouwpercelen van 1 ha of meer al of niet omzoomd met robuuste landschapsstructuren, meestal in de vorm van houtsingels.
Grote windmolen: Windmolens met een ashoogte hoger dan 80 meter.
Harde belemmeringen: Belemmeringen voortkomend uit landelijke wet- en regelgeving waarin bufferafstanden zijn voorgeschreven ten opzichte van diverse functies als woningen, spoorwegen, buisleidingen en het Gelders Natuurnetwerk. Een harde belemmering sluit de ontwikkeling van een windmolen op die locatie bij voorbaat uit.
Lokaal eigendom: Een vorm van financiële participatie die betekent dat inwoners en (lokale) ondernemers/grondeigenaren uit de gemeenten Oost Gelre en/of Berkelland samen, deels of volledig eigenaar zijn en blijven van een windpark.
m.e.r.: Milieueffectrapportage, de wettelijk geregelde procedure van milieueffectrapportage.
MER: Milieueffectrapport, brengt de milieueffecten van een plan (planMER) of project (projectMER) in beeld.
NOVI: De Nationale omgevingsvisie (van het Rijk) is de langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkeling van de leefomgeving.
Omgevingsfonds: Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan maatschappelijke doelen in de buurt, zoals een sportclub of wijkvereniging.
Omwonenden: mensen die in de buurt wonen, bedrijven die in de buurt gevestigd zijn en/of eigenaren van in de buurt gelegen percelen.
Omwonendenregeling: Direct omwonenden ontvangen voordeel, bijvoorbeeld in de vorm van verduurzaming van hun woning, korting op groene stroom of een vergoeding.
Proces participatie: Het actief informeren van stakeholders en bewoners en het ophalen van input over het project, bijvoorbeeld via inspraakavonden of het inrichten van klankbordgroepen.
RES Zoekgebied: Zoekgebieden waarin de mogelijkheden voor windmolens worden onderzocht.
RES: Een regionale energiestrategie (RES) is het document van een regio waarin de afspraken over duurzame energie staan. Nederland kent 30 energieregio’s met ieder een eigen RES.
Rotordiameter: De rotordiameter van een windmolen geeft de diameter weer van de cirkel die de bladen beschrijven. Dit is tweemaal de lengte van de rotorbladen. Voor de rotor geldt: hoe groter de rotor, hoe meer energie de windmolen kan opwekken.
Slagschaduw: De schaduw die ontstaat wanneer de zon op de bladen van een windmolen schijnt. Dit is de schaduw van de turbine op de ondergrond of achtergrond. Deze slagschaduw draait mee met de zon en is het langst bij zonsopgang en -ondergang in de winter.
Tiphoogte: De tiphoogte van een windmolen geeft de maximale hoogte weer die de tip van de bladen kan bereiken. Dit is de ashoogte met daarbij opgeteld de lengte van het rotorblad.
TWh: Het jaarlijkse elektriciteitsgebruik van heel Nederland wordt uitgedrukt in terawattuur (TWh), ofwel miljarden kWh. 1 TWh staat ongeveer gelijk aan de opwek van 57 windmolens van 5 MW of 1000 hectare aan zonnepark.
Woonkern: Dat deel van de gemeente dat als aaneengesloten geheel beschouwd wordt en prioritair in aanmerking komt als woonomgeving.
Zachte belemmeringen: Belemmeringen vanuit wet- en regelgeving die aandachtspunten meegeven maar geen absolute uitsluiting zijn voor de ontwikkeling van een windmolen.