5. Activeren
Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa bestaan volgens artikel 34 BBV uit:
□ Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio.
Het disagio is het verschil tussen het bedrag waarvoor de lening wordt aangegaan en het lagere bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. In het BBV is bepaald dat een lening voor het totaalbedrag van de aangegane schuld moet worden gewaardeerd. Voor kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio geldt een maximale afschrijvingsduur gelijk aan de looptijd van de lening.
□ Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.
Wanneer voorafgaand aan een nieuwe investering een onderzoek en/of voorbereidend werk plaatsvindt, dan mogen deze kosten, als wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 60 BBV, worden geactiveerd. Hiervoor geldt een afschrijvingstermijn van maximaal vijf jaar. (Voorbereidings)kosten die worden gemaakt in de periode voordat een grondexploitatie is vastgesteld mogen eveneens worden geactiveerd als een immaterieel vast actief.
□ Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
In artikel 61 BBV is duidelijk ingekaderd wanneer bijdragen aan derden mogen worden geactiveerd. Bijdragen aan activa in eigendom van derden mogen worden geactiveerd indien:
a.er sprake is van een investering door een derde;
b.de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c.de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een wijze zoals overeengekomen;
d.de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Indien aan één van deze criteria niet voldaan wordt, mag de bijdrage niet geactiveerd worden, maar moet deze op de exploitatie als een last worden verantwoord.
Materiële vaste activa
De materiele vaste activa bestaan volgens artikel 35 BBV uit:
□ Investeringen met een economisch nut.
Materiële vaste activa zijn de bezittingen van de gemeente, die zij langdurig gebruikt voor haar bedrijfsvoering. De gemeente heeft het economisch eigendom. Voorbeelden zijn het gemeentehuis, bedrijfsauto’s, computers, maar ook riolering, sportvelden en sportgebouwen in het bezit van de gemeente. Materiële vaste activa hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn (er een markt voor is) en/of indien ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen.
□ Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Indien het genereren van middelen gebeurt of kan gebeuren middels het vragen van rechten of heffingen, dan spreekt het BBV van materiële vaste activa met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.
□ Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
Materiële vaste activa in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut genereren geen middelen, maar vervullen wel duidelijk een publieke taak. Het betreft investeringen in bijvoorbeeld wegen, water en groenvoorzieningen.
Financiële vaste activa
De financiële vaste activa bestaan volgens artikel 36 BBV uit:
□ Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen;
□ Leningen aan openbare lichamen, woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen;
□ Overige langlopende leningen;
□ Uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
□ Uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
□ Overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
Activering
In artikel 59 BBV is opgenomen dat alle investering moeten worden geactiveerd. Het is echter niet praktisch om alle investeringen te activeren. De Commissie BBV doet in haar notitie rondom materiële vaste activa vanuit efficiency oogpunt de aanbeveling om een minimale omvang voor het activeren van vaste activa te hanteren. Hierdoor wordt de staat van activa niet belast met veel kleine investeringsbedragen en worden extra administratieve handelingen voorkomen. Het huidige beleid is om investeringsuitgaven onder de € 10.000 niet te activeren.
Bij zowel de investeringen met een economisch nut als maatschappelijk nut mag de bijdrage van derden die in directe relatie staat met de investering hierop in mindering gebracht worden. De reden hiervoor is dat degene die de bijdrage heeft verstrekt direct wil zien of zijn bijdrage geheel aan dat doel is besteed waarvoor het bestemd was.
Bijdragen uit reserves mogen niet rechtstreeks in mindering gebracht worden op het investeringsbedrag. Wel mag de reserve gebruikt worden als dekkingsmiddel voor de jaarlijkse kapitaallasten.
Daarnaast is het alleen toegestaan om extra en/of vervroegd af te schrijven als sprake is van duurzame waardevermindering of als het activa eerder buiten gebruik wordt gesteld.
In sommige gevallen is het moeilijk een onderscheid te maken tussen investeringen en grote uitgaven die niet kunnen worden geactiveerd. De Commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat kosten voor klein en groot onderhoud niet levensduur verlengend zijn, daarbij geldt het volgende:
□ Kosten van klein onderhoud dienen in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie te worden gebracht;
□ Kosten van groot onderhoud kunnen in het jaar van uitvoering of direct ten laste van de exploitatie gebracht worden of ten laste van een vooraf gevormde voorziening (artikel 44 lid 1c BBV);
□ Kosten van het wegwerken van achterstallig onderhoud dienen ineens ten laste van de exploitatie te worden gebracht.
Onderhoud is niet levensduur verlengend, maar dient om een actief gedurende zijn levensduur in een goede staat te houden. Voor levensduur verlengende investeringen geldt expliciet dat ze bijdragen aan een substantiële levensduurverlenging van het betreffende actief, zoals het renoveren van een gebouw. Een investering die de levensduur verlengt van een bestaand actief (ten opzichte van de oorspronkelijke termijn) wordt afgeschreven over de resterende verwachte levensduur van het totale actief.
7. Afschrijven
Lineaire afschrijvingsmethode
Bij de lineaire afschrijvingsmethode wordt per jaar een vast percentage afgeschreven van het verschil tussen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en de restwaarde. Bij deze methode blijft het afschrijvingsbedrag elk jaar gelijk. Doordat de boekwaarde elk jaar daalt, zullen de rentelasten dalen.
Per saldo betekent dit dat de kapitaallasten jaarlijks dalen.
Voordelen:
□ Een duidelijk en reëel beeld van de waardevermindering van het object;
□ Door de daling van de kapitaallasten in de loop van de gebruiksperiode ontstaat ruimte om eventueel stijgende onderhoudslasten op te vangen;
□ Over de totale afschrijvingsperiode bezien levert deze methode de laagste kapitaallasten op.
Nadeel:
□ In het begin drukken de kapitaallasten zwaarder op de gemeentelijke begroting dan op het einde.
Dit betekent dat wanneer de daadwerkelijke vervanging plaats gaat vinden de begroting weer zwaarder belast kan worden. Dit kan tot budgettaire problemen leiden.
Annuïtaire afschrijvingsmethode
In het verleden werd sporadisch gebruik gemaakt van de annuïtaire afschrijvingsmethode. Door wijzigingen in het BBV is het grote voordeel van de annuïtaire methode vervallen. De wijziging is dat elk jaar opnieuw het toe te rekenen rentetarief berekend moet worden. Dit doet het voordeel van de annuïtaire methode teniet, en daarom stellen we nu voor om de annuïtaire methode in de toekomst niet meer toe te passen.
Aanvang van de kapitaallasten
De Commissie BBV onderscheidt in haar notitie materiële vaste activa een aantal momenten om te beginnen met afschrijven. De onderstaande mogelijkheden worden daarin onderscheiden:
□ vanaf het begin van het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving);
□ medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een half jaar afschrijving);
□ vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt;
□ vanaf het moment van ingebruikname.
Het uitgangspunt dat gehanteerd wordt, is dat op het actief wordt afgeschreven vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt. Het toerekenen van rentelasten wordt gedaan vanaf het boekjaar volgend op het jaar van de investering. Voor het berekenen van de rentelasten wordt uitgegaan van de boekwaarde op 1 januari van het dienstjaar en van een bij de begroting vastgestelde vaste rekenrente. Bij het opmaken van de jaarrekening wordt een herberekening van dit rentetarief gemaakt, als deze herberekening minimaal 25% afwijkt wordt het actuele rentetarief toegepast in de jaarrekening. Als de afwijking kleiner is dan 25% wordt het rentetarief volgens de begroting toegepast (commissie BBV – notitie rente 2023 – stellige uitspraak C)
Bijlage 1: afschrijvingstermijn per soort activa
Onderwerp
Termijn oud
Termijn nieuw
Algemeen
Activa met een verkrijgingprijs < € 10.000 worden niet geactiveerd.
Immateriële activa
Kosten van onderzoek en ontwikkeling (max. termijn BBV)
5
5
Kosten van sluiten van geldleningen en disagio
Variabel
niet
Materiële vaste activa
Gronden en terreinen
Niet
niet
Woonruimten en bedrijfsgebouwen
Nieuwbouw gebouwen (permanent)
40
40
Renovatie en verbouw
25
25
Tijdelijke gebouwen
15
15
Technische installaties en inventaris
15
15
Schoolgebouwen
Nieuwbouw gebouwen (permanent)
40
40
Nieuwbouw gebouwen (semi-permanent)
20
20
Ingrijpende verbouwing
25
25
Technische Installaties
n.v.t.
15
Inventaris 1e inrichting (meubels)
20
20
Onderwijsleerpakket 1e inrichting
10
10
Riolering
Vrijverval rioleringen
80
80
Gemalen-bouwkundig
60
60
Gemalen-mechanische-elektrisch
20
20
Minipompunits bouwkundig
60
60
Minipompunits mechanische-elektrisch
20
20
Persleidingen
80
80
Drukriolering-leidingen
80
80
Drukriolering-vrijvalriolen
80
80
IBA bouwkundig
40
40
IBA mechanisch-elektrisch
10
10
Randvoorzieningen mechanisch-elektrisch
20
20
Weg- en waterbouwkundige werken
Wegen: aanleg en ingrijpende reconstructie – asfalt of betonklinkers
25
25
Wegen: aanleg en ingrijpende reconstructie – gebakken klinkers
25
40
Wegen rehabilitatie
10
10
Trottoirs
25
25
Parkeervoorzieningen
25
25
Openbare verlichting: masten
40
40
Openbare verlichting: armaturen
20
20
Verkeersmaatregelen
15
15
Groenvoorzieningen
25
25
Aanleg/inrichting speelvoorzieningen
15
15
Sportvoorzieningen
Aanleg sportpark
nog niet actueel
30
Aanleg voetbalveld
30
30
Renovatie voetbalveld
15
15
Aanleg tennisveld
15
15
Renovatie tennisveld
10
10
Nieuwbouw kleedaccommodatie
30
30
Renovatie kleedaccommodatie
15
15
Installaties
15
15
Vervoermiddelen
Voertuigen
10
10
Vrachtwagen
15
15
Werkmaterieel (tractor, laadschop, wegenschaaf, waterton, zoutstrooiers)
15
15
Werkmaterieel, Veegmachine
10
10
Machines, apparaten installaties
Verkeersregelinstallaties
15
15
Borden en bewegwijzering
10
10
Stemmachines
10
Niet meer relevant
Duurzaamheid: zonnepanelen, windmolen, ect.
20
20
Automatisering
Netwerkbekabeling
8
8
Hardware (pc’s, beeldschermen, switches)
4
4
Software/infosystemen/bestanden
4
4
Printers
5
5
Netwerk servers
3
3
Bijlage 2: begrippen en definities
Begrip
Definitie
Achterstallig onderhoud
Onderhoud dat niet op tijd is uitgevoerd, waardoor een onderhoudsrichtlijn is overschreden en niet (meer) wordt voldaan aan het door de gemeenteraad gestelde kwaliteitsniveau.
Activeren
Het op de balans presenteren van de financiële waarde van het aangeschafte of vervaardigde kapitaalgoed met meerjarig nut dat vanaf dat moment als bezitting kan worden beschouwd.
Afschrijven
Het op een methodische wijze in de boekhouding (verslaglegging en verslaggeving) tot uitdrukking brengen van de waardedaling van een kapitaalgoed over een bepaalde periode.
Groot onderhoud
Uitvoering van correctieve maatregelen, als gevolg van slijtage na een langere periode van gebruik, om een object in goede staat te houden of te brengen.
Investeringen
Onder investeringen wordt verstaan het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.
Investeringen, levensduur verlengend
Investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en expliciet leiden tot een substantiële levensduurverlenging van betreffend actief.
Investeringen met een economisch nut
Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen.
Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Investeringen met een economisch nut, waarvoor een bestemmingsheffing kan worden geheven. Bijvoorbeeld riool- en afvalinvesteringen.
Investeringen met een maatschappelijk nut in de openbare ruimte
Investeringen die geen economisch nut opleveren (geen middelen genereren en/of verhandelbaar zijn), bijvoorbeeld wegen.
Klein onderhoud
Preventieve maatregelen en dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau.
Opbrengstwaarde
Waarde van een kapitaalgoed bij verkoop.
Reconstructie van een weg
Maatregelen om de verharding en de inrichting van de weg aan te passen aan de huidige (hogere) eisen.
Renovatie
Renovatie of renoveren is herstellen en wanneer nodig gedeeltelijk vernieuwen van een investeringsgoed, waardoor het beter bruikbaar wordt naar de huidige maatstaven en normen.
Restwaarde
De restwaarde is de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief.
Waarderen
De waarde die toegekend wordt aan het geactiveerde kapitaalgoed op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.