Aanhef
Deze beleidsregel legt uit hoe de gemeente Bergen (L) de beoordeling van levensgedrag uitvoert.
De burgemeester;
overwegende dat exploitanten, leidinggevende en beheerders van aangewezen openbare inrichtingen waaronder horecabedrijven, coffeeshops, seksinrichtingen en speelautomatenhallen, alsook organisatoren van vechtsportevenementen, moeten voldoen aan de norm van het ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; zoals bedoeld bij of krachtens het bepaalde in de Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen (L) (hierna Apv), de Alcoholwet, en de Wet op de Kansspelen;
gelet op het bepaalde in artikel 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht;
gelet op het bepaalde in artikel 2:25, artikel 2:28, artikel 2:81 en 2:82, 3:7 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L);
gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder b en artikel 35, eerste lid, onder b van de Alcoholwet;
gelet op het bepaalde in artikel 30d, vierde lid onder a van de Wet op de kansspelen juncto artikel 4 van het Kansspelenbesluit 2000;
overwegende dat het wenselijk is transparant te zijn in de wijze van beoordeling van het levensgedrag van aanvragers van een exploitatievergunning en van een Alcoholwetvergunning of ontheffing, en van personen, vermeld op genoemde vergunningen, gelet op de jurisprudentie;
overwegende dat het voor een voorzienbare en eenduidige toepassing van de beoordeling van de norm van belang is beleidsregels vast te stellen;
Besluit:
vast te stellen de navolgende ‘Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Bergen (L)’: