2 Niet-openbare uitwegen
2.1 Inleiding
2.1.1 Definitie niet-openbare uitwegen
Onder niet-openbare uitwegen worden verstaan:
Aansluitingen van een privéterrein op een voor het openbaar verkeer openstaande weg door middel van een in-/uitritconstructie. Voorbeelden van privéterreinen zijn:
•particulier erf (woning);
•bedrijfsterrein;
•privé parkeerplaatsen (zoals garageboxen);
•agrarische percelen;
•parkeerterrein.
2.1.2 Definitie openbare parkeerplaats
Onder een openbare parkeerplaats wordt verstaan:
Een in openbaar gebied voor een ieder (feitelijk) toegankelijke parkpeerplaats. Deze hoeft niet speciaal door middel van markeringen op het wegdek te zijn aangegeven. Een plaats buiten een gemarkeerde parkeerplaats, die zich op een rijbaan van de weg bevindt waar het niet verboden is om te parkeren, is ook als een openbare parkeerplaats te beschouwen.
2.3 Nadere uitwerking weigeringsgronden artikel 5:2 VFL
2.3.1 Indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht
De aanleg van een uitweg kan de veiligheid van het verkeer op de weg nadelig beïnvloeden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het verkeer geremd wordt, de doorstroming, de parkeermogelijkheden of de vrije ruimte beperkt wordt. Om de veiligheid van de weg te waarborgen worden de volgende criteria aangehouden.
1Per woning is één uitweg toegestaan waarbij de beschikbare diepte op particulier terrein minimaal 5,00 meter dient te zijn en de beschikbare breedte dient minimaal 3,00 meter te zijn. Dit omdat het op particulier terrein geparkeerde voertuig niet mag uitsteken op openbaar terrein en daardoor het verkeer (voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer) hindert of in gevaar brengt. Daarnaast moet er sprake zijn van een bruikbare parkeerplaats op eigen terrein.
2De gemeente hanteert een standaardbreedte van maximaal 4,00 meter voor een uitrit bij woningen. Bij een dubbele uitrit bedraagt de standaardbreedte maximaal 7 meter. Van een dubbele uitrit is sprake als bewoners een uitrit delen (bijvoorbeeld bij een twee-onder-een-kap woning). Een uitrit verschaft toegang tot de zijtuin naast een woning (dit betekent dus dat een tussenwoning niet kan beschikken over een uitrit). Een uitrit voor de voorgevel is niet toegestaan tenzij anders geregeld in het omgevingsplan.
3De gemeente hanteert een standaardbreedte van maximaal 12 meter voor uitwegen bij (agrarische) bedrijven met grote voertuigen. Het agrarisch materieel is de afgelopen jaren dusdanig breed geworden dat een smallere uitrit onvoldoende is. Daarnaast zijn de wegen vaak smal waardoor het lastig is om goed in te draaien. Voor vrachtverkeer geldt verder dat vanwege de lengte en de grote draaicirkel een smalle uitweg onwenselijk is. Uitzondering hierop is Industrieterrein de Flammert. Daar geldt de standaardbreedte van 12 meter niet, hier wordt maatwerk geleverd.
4Bij (agrarische) bedrijven is één uitweg toegestaan. Bij grote bedrijfspercelen kunnen echter meerdere uitwegen toegestaan worden. Er kan gemiddeld een 12 meter brede uitweg toegestaan worden per 50 meter frontbreedte van het bedrijfsperceel. De onderlinge afstand tussen de diverse uitwegen van gemiddeld 12 meter breed bedraagt in principe 50 meter. Voldoende afstand tussen uitwegen bevordert de verkeersveiligheid.
5Uitwegen moeten minimaal 5,00 meter afliggen van bijzondere gevaarpunten, zoals bochten van wegen, oversteekplaatsen, verkeersdrempels, wegversmallingen, kruispuntplateau’s of kruisingen.
6Het zicht vanaf de perceelsgrens op het verkeer (voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer) op de openbare weg maar ook vanaf de openbare weg moet zodanig zijn dat men de uitweg veilig kan gebruiken. Bij twijfel controleert de gemeente de zichtbaarheid. Denk bijvoorbeeld aan een onoverzichtelijke bocht, een bomenrij, hoge struiken of andere zicht belemmerende objecten.
7Ter plaatse van een bushalte is een uitweg niet toegestaan.
8Indien de uitweg aangelegd moet worden over een watergang of sloot waarop de Waterschapsverordening van toepassing is dient vooraf een vergunning / toestemming van het waterschap te worden verkregen. De doorstroming van water mag niet belemmerd worden.
2.3.2 Indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats
De aanleg van een uitweg mag niet ten koste gaan van aanwezige openbare parkeerplaatsen. Het vervallen van een parkeerplaats in de openbare ruimte gaat namelijk ten koste van het dubbelgebruik en bezoekers parkeren, waardoor de parkeerdruk in de omgeving vergroot wordt. Desondanks zijn er situaties denkbaar waarbij het noodzakelijk is om een uitweg te realiseren. Via onderstaande regeling wordt het mogelijk gemaakt om maatwerk te kunnen verlenen bij uitzonderlijke situaties.
Algemeen principe is in elk geval dat bij het aanleggen van uitwegen voldoende ruimte moet overblijven voor het volgens de Nota Parkeernormen of in het omgevingsplan vastgelegde benodigde aantal parkeerplaatsen. Voor parkeerplaatsen bij winkels en bedrijven worden andere normen gehanteerd dan bij woningen.
1Indien de noodzaak voor het verdwijnen van een openbare parkeerplaats kan worden onderbouwd, is het mogelijk om maximaal één openbare parkeerplaats te laten vervallen.
2Indien een openbare parkeerplaats vervalt, dient de aanvrager dit op te vangen, door zijn/haar eigen voertuig op eigen particulier terrein te parkeren.
3Als door de aanleg van de uitweg de parkeerdruk in het gebied / straat te hoog wordt, wordt de aanvraag omgevingsvergunning geweigerd.
4Indien op eigen terrein voldoende ruimte is voor het creëren van parkeergelegenheid zonder dat dit direct grenst aan de openbare ruimte, dient dit op het eigen terrein gerealiseerd te worden.
2.3.3 Indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast
De gemeentelijke groenvoorzieningen hebben vaak een afschermende functie en een hoge belevingswaarde. Het doorsnijden van gemeentelijke groenstroken wordt ongewenst geacht. Door versnippering van aaneensluitende plantsoenstroken wordt de afschermende functie teniet gedaan en de belevingswaarde van het groen verminderd. Voorts wordt de mogelijkheid tot een adequaat beheer van het groen beperkt. Per situatie wordt een afweging gemaakt. Om de bescherming van de groenvoorziening in de gemeente te waarborgen worden de volgende criteria aangehouden.
1Indien een aanvraag voor een uitweg wordt ingediend waarbij een openbare groenvoorziening wordt doorsneden en er een alternatief voor de uitweg beschikbaar is wordt de aanvraag omgevingsvergunning geweigerd.
2Bij openbaar groen dat onderdeel is van een groenstructuur of een speelvoorziening weegt een aantasting van dit groen extra zwaar. Deze groenvoorziening mag niet doorsneden worden door een uitweg.
3Waardevolle of beeld- of structuurbepalende groenvoorzieningen, met name bomen, worden niet verwijderd voor een uitweg. Een uitweg dient op minimaal 5,00 meter van de zijkant van de stam van een waardevolle boom te blijven.
4Het zicht vanaf en op een uitweg moet voldoende zijn. Indien groenvoorzieningen het zicht belemmeren, kan het nodig zijn om te snoeien of de groenvoorzieningen te verwijderen. Voor het verwijderen van gemeentelijke groenvoorzieningen is instemming van de gemeente nodig.
5Als voor de aanleg van een uitweg een boom verwijderd moet worden kan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. De aanleg van de uitweg kan niet worden uitgevoerd als de aanvrager niet in het bezit is van de vereiste onherroepelijke omgevingsvergunning voor het verwijderen van de boom.
6Als er een nieuwe uitweg wordt aangelegd ter vervanging van een oude uitweg (maar op een andere plaats), dient de oude uitweg te worden verwijderd, waarna de weg en het openbaar groen ter plaatse van de opgeheven uitweg in de oorspronkelijke staat wordt hersteld.
2.3.4 Aanleg tweede uitweg
Een uitweg zal altijd invloed hebben op de verkeersveiligheid en het aanzien van de weg. Des te meer uitwegen op een weg uitkomen, des te meer de verkeersveiligheid daar onder lijdt. Iedere uitweg geeft een mogelijk conflictpunt tussen 2 verkeersstromen. Daarom wordt er een maximum aantal uitwegen per woon- of bedrijfsperceel gehanteerd.
Het is verboden om een tweede uitweg aan te leggen indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Ook hiervoor geldt dat er soms sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Voor die situaties willen wij maatwerk kunnen verlenen. Daarom het volgende: er kan slechts medewerking worden verleend aan een tweede uitweg indien de noodzaak van een tweede uitweg onomstotelijk wordt aangetoond gelet op de bruikbaarheid van het perceel, en het niet op onaanvaardbare wijze ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
2.5 Aanleg en materiaalgebruik
2.5.1 Procedurestappen
Na de ontvangst van een aanvraag omgevingsvergunning wordt beoordeeld of deze kan worden verleend. Indien de gemeente de vergunning verleend, vraagt de gemeente een offerte aan bij een externe partij voor de aanleg van de uitrit. Deze wordt vervolgens voor akkoord / ondertekening voorgelegd aan de aanvrager. Indien akkoord geeft de gemeente opdracht voor aanleg van de uitweg. Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning worden leges in rekening gebracht.