Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van Beemster;
gelet op artikel 1:3, vierde lid, en artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en onderdeel C.1. van de bij dat Besluit behorende bijlage,
BESLUIT:
vast te stellen de volgende:
Beleidsregel toepassen wegingsfactoren
Tekst
1Voor de toepassing van de wegingsfactoren, die zijn genoemd in onderdeel C.1. van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt een zaak in beginsel aangemerkt als
a.zeer licht indien:
1het om een pro-forma bezwaarschrift zonder aanvulling gaat; 2. het bezwaarschrift summier gemotiveerd is;
3de inhoud van het bezwaarschrift is gebaseerd op een bijgevoegd taxatierapport.
b.gemiddeld indien de werkzaamheden bestaan uit:
1een juiste vaststelling van de feiten;
2een onderzoek naar de waarde;
3een opgeworpen rechtsvraag.
2Voor de toepassing van de wegingsfactoren geldt in andere gevallen dan die genoemd in onderdelen 1.a en 1.b een per geval aan te wijzen categorie.
3Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking op de in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze.
Toelichting op de Beleidsregel toepassing wegingsfactoren
De beleidsregel brengt lijn in de afdoening van verzoeken om kostenvergoedingen door de heffingsambtenaar. Het doel ervan is dat gelijke gevallen zoveel mogelijk gelijk en ongelijke gevallen zoveel mogelijk, naar de mate van hun ongelijkheid, ongelijk worden behandeld. De beleidsregel is bindend voor de heffingsambtenaar. Zij bindt de belastingrechter niet; de belastingrechter kan heel goed tot een andere kostenveroordeling komen dan die, welke uit de beleidsregel voortvloeit.
Hof Amsterdam heeft op grond van de toelichting op het Besluit proceskosten bestuursrecht geoordeeld dat de toepassing van de wegingsfactoren steeds in overeenstemming moet zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (Hof Amsterdam 15 augustus 2008, nr. 07/00181, LJN: BF0084, vng-2768 (Zeist)). Het hof wijst het standpunt dat staat in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (2 maart 2006, nrs. 04/6299 en 04/6354, LJN: AV3988) af, namelijk dat een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie ‘gemiddeld’, tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. Degene die zich op de afwijking beroept moet dat onderbouwen. In dat geval wordt er echter ten onrechte geen rekening gehouden met gecompliceerdheid en daarmee verband houdende werkbelasting, aldus het hof.
Door gebruik van het begrip ‘in beginsel’ biedt de beleidsregel een nuttig handvat voor standaardzaken, maar ook voldoende ruimte voor bijzondere gevallen. Als bezwaarschriften op basis van no-cure-no-pay worden ingediend is er bij de belanghebbende die rechtsbijstand inroept geen economische afweging of en in welke mate rechtsbijstand wordt ingeroepen. De kosten die dan worden gedeclareerd moeten zeer kritisch worden bezien. De werkbelasting van de rechtsbijstandverlener wordt beoordeeld op basis van het ingediende bezwaarschrift en eventueel de overige werkzaamheden.