Aanhef
De raad van Beek,
gelezen het advies van B en W,
besluit:
1De nota "activeren en afschrijving 2019" intrekken per 25 maart 2024;
2De nota "activeren en afschrijven 2024" vast te stellen per 25 maart 2024.
Bijlage 1: Artikelen BBV
Hieronder worden de artikelen uit het BBV, die relevant zijn voor deze nota, weergegeven.
Artikel BBV
Tekst
13
De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille en geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend en de financieringsbehoefte.
30
In de balans worden naast de cijfers per balansdatum tevens cijfers van de balans van het vorige begrotingsjaar opgenomen.
31
Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van de provincie onderscheidenlijk gemeente al dan niet duurzaam te dienen.
33
Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa.
34
In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
b.kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief;
c.bijdragen aan activa in eigendom van derden.
35
1In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.investeringen met een economisch nut;
b.investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
c.investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
2Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.
36
In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kapitaalverstrekkingen aan:
1deelnemingen;
2gemeenschappelijke regelingen;
3overige verbonden partijen;
b.leningen aan:
1openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden;
2woningbouwcorporaties;
3deelnemingen;
4overige verbonden partijen;
c.overige langlopende leningen;
d.uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
e.uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
f.overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
37
Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar, de liquide middelen en de overlopende activa.
44
1Voorzieningen worden gevormd wegens:
a.verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;
b.op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
c.kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;
d.de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.
2Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.
3Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
51
In de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke methoden de afschrijvingen worden berekend.
52
1In de toelichting op de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.gronden en terreinen;
b.woonruimten;
c.bedrijfsgebouwen;
d.grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
e.vervoermiddelen;
f.machines, apparaten en installaties;
g.overige materiële vaste activa.
2In de toelichting op de balans wordt het verloop van de activa, als bedoeld in het eerste lid, gedurende het begrotingsjaar, in een sluitend overzicht weergegeven. Daaruit blijken, voor zover van toepassing:
a.de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b.de investeringen of desinvesteringen;
c.de afschrijvingen;
d.bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief;
e.afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen;
f.de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar.
52b
De aard en omvang van de aangebrachte dan wel geraamde waardeverminderingen van de leningen en vorderingen, bedoeld in artikel 63, achtste lid, van de vaste activa, bedoeld in artikel 65, eerste lid, en van de deelnemingen en voorraden, bedoeld in artikel 65, tweede lid, worden in de toelichting op de balans opgenomen.
54
1In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke reserve en de toevoegingen en onttrekkingen daaraan toegelicht.
2Per reserve wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:
a.het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b.de toevoegingen of onttrekkingen uit hoofde van het voorgaande boekjaar;
c.de toevoegingen of onttrekkingen bij het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening;
d.de verminderingen in verband met afschrijvingen op activa waarvoor een specifieke bestemmingsreserve is gevormd;
e.het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
55
1In de toelichting op de balans worden de aard en reden van de voorzieningen, bedoeld in artikel 44 en de wijzigingen daarin toegelicht.
2Per voorziening wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:
a.het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;
b.de toevoegingen;
c.ten gunste van de rekening van baten en lasten vrijgevallen bedragen;
d.de aanwendingen;
e.saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
59
1Alle investeringen worden geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
60
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien:
a.het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
b.de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
c.het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
d.de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
61
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
a.er sprake is van een investering door een derde;
b.de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c.de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en;
d.de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
62
1Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden de bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief op de waardering daarvan in mindering gebracht.
3In afwijking van het eerste lid moeten de voorzieningen, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, in mindering gebracht worden op de investeringen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.
63
1Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
2De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.
3De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.
4Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
5Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen.
6In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele waarde toegestaan voor de activa van de Nazorgfondsen bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer.
7Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd.
8Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend.
64
1De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
2Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
3Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
4In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
5In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar.
6Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.
65
1Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
2Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
3Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.
In artikel 63 lid 6 wordt verwezen naar artikel 15.47 van de Wet milieubeheer.
Milieubeheer
Tekst
15.47
1Gedeputeerde staten van een provincie richten voor hun provincie een fonds op, bestemd voor de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen.
2In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten van verschillende provincies gezamenlijk voor hun provincies een fonds als bedoeld in het eerste lid oprichten.
3Een fonds is rechtspersoon.
4Gedeputeerde staten van de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies zijn belast met het beheer van het in hun provincie, onderscheidenlijk provincies werkzame fonds.
5Een fonds ontvangt jaarlijks:
a.de opbrengst van de in artikel 15.44 bedoelde heffing, verminderd met het bedrag ter bestrijding van de kosten in verband met de in artikel 15.44, eerste lid, onder c, bedoelde handelingen en met het gedeelte van de heffingen, bedoeld in artikel 15.48, tweede lid;
b.de bedragen die ingevolge artikel 15.46, derde lid, worden verhaald;
c.rentebaten en beleggingsopbrengsten die via het fonds zijn verkregen;
d.het batig saldo van de laatstelijk afgesloten rekening van het fonds.
6Een fonds is gerechtigd ook andere bedragen, bestemd voor de in artikel 8.49 bedoelde zorg, dan die, bedoeld in het vijfde lid, in ontvangst te nemen.
7Uit het fonds worden uitsluitend bestreden de kosten die:
a.worden gemaakt in verband met de uitvoering van de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot gesloten stortplaatsen in de betrokken provincie of provincies;
b.zijn verbonden aan de werkzaamheden van het fonds dat in de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies werkzaam is;
c.worden gemaakt ter dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 176, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, doch slechts voor zover de in artikel 15.44 bedoelde heffing mede op deze kosten betrekking heeft.
8Onder de kosten, bedoeld in het zevende lid, worden niet begrepen de kosten die in verband met de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen door de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies worden gemaakt ten behoeve van haar bestuurlijk apparaat.
Bijlage 2: Begrippenlijst
Begrip
Omschrijving
(Dis)agio
(Dis)agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd.
Activeren
Het als bezitting/vermogensobject op de balans opnemen van aangeschafte of vervaardigde zaken die langer dan een jaar tot de beschikking van de organisatie staan.
Afschrijven
Het op een methodische wijze in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een actief (vermogensobject) over een bepaalde periode.
Afschrijvingstermijn
De periode waarover een investering wordt afgewaardeerd.
Annuïtair afschrijven
Toepassing van de annuïteitenmethode leidt ertoe dat de afschrijvingsbedragen in de eerste jaren van de economische gebruiksduur lager zijn dan in de laatste jaren. Bij de annuïteitenmethode is de som van de afschrijving en de rente elk jaar gelijk; het afschrijvingsbedrag wordt bepaald door de annuïteit te verminderen met het rentebedrag.
Baten en lasten stelsel
In een baten- en lasten stelsel worden uitgaven en ontvangsten toegerekend aan het tijdvak waarin het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt en de baten c.q. lasten ontstaan.
BBV
Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten.
BCF
BTW-compensatiefonds.
Bestemmingsreserve
Een bestemmingsreserve is een reserve waar de raad een bepaalde bestemming aan heeft gegeven.
Boekwaarde
De waarde van een geactiveerde investering op enig moment is de historische kostprijs verminderd met de cumulatieve afschrijvingen.
Bruto-methode
Er wordt gesproken van de bruto-methode indien de bijdragen en onttrekkingen uit de reserves niet op de verkrijging-/ vervaardigingprijs in mindering worden gebracht.
Componentenbenadering
De componentenbenadering wordt toegepast indien de totale uitgaven voor de verkrijging of vervaardiging van een materieel vast actief worden toegewezen aan de samenstellende delen ervan, die vervolgens ieder afzonderlijk worden verwerkt.
Contante waarde
Het bedrag dat op dit moment nodig is om in de toekomst een of meer betalingen te kunnen verrichten, waarbij rekening is gehouden met rente.
Economische levensduur
In bedrijfskundige zin de maximale periode waarin een productiemiddel (bijvoorbeeld een machine) economisch verantwoord kan worden gebruikt. Door storingen, slijtage, ouderdom kunnen de onderhoudskosten te hoog worden. Ook als gevolg van technologisch ontwikkeling kan de economische levensduur verstreken zijn.
Economisch nut
Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of indien ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen.
Financiële vaste activa
Financiële vaste activa is een groep van activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen (bijvoorbeeld deelnemingen en aandelen).
Immateriële vaste activa
Immateriële vaste activa zijn uitgaven waar geen gemeentelijke bezittingen tegenover staan. Dit zijn die activa die niet stoffelijk van aard zijn en die niet onder de financiële vaste activa worden begrepen (bijvoorbeeld kosten sluiten geldleningen). Onder deze rubricering vallen ook de bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Investeren
Investeren is het verwerven c.q. produceren van vermogensobjecten, ofwel het doen van uitgaven voor een goed of ter bereiking van een doel, waaraan een nuttigheid kan worden toegerekend die langer duurt dan één jaar.
Kapitaallasten
Het totaal van de afschrijvings-en de rentelasten.
Krediet
Kredieten zijn te activeren investeringsbedragen, waarbij het college expliciet in een raadsbesluit toestemming heeft gekregen om verplichtingen aan te gaan tot een bepaald bedrag (autorisatiefunctie).
Lineair afschrijven
Afschrijven volgens een vast percentage van de aanschafprijs. Uitsluitend het tijdsverloop is bepalend voor de waardevermindering van het actief. Het jaarlijkse afschrijvingsbedrag is gelijk.
Maatschappelijke functie
Activa met een economisch nut kunnen een maatschappelijke functie vervullen. Bijvoorbeeld een gemeentehuis, bibliotheek, sportaccommodaties.
Maatschappelijk nut
Deze activa leveren geen middelen in bedrijfseconomische zin op en/of er is geen markt voor. Deze activa leveren gedurende meerdere jaren wel een bijdrage aan het maatschappelijke nut. Voorbeelden daarvan zijn wegen, pleinen en parken.
Materiële vaste activa
Materiële vaste activa zijn investeringsuitgaven waar tegenover bezittingen staan, waarvan de gebruiksduur gedurende meerdere jaren kan worden toegepast.
Nominale waarde
Waarde zoals die staat aangegeven op een waardepapier.
Technische levensduur
De periode dat een product functioneert. Het is aan het einde van de technische levensduur versleten, vergaan of kapot. Als van een product de technische levensduur langer is dan de economische levensduur ontstaat na verloop van tijd de situatie dat het nog wel functioneert (technisch), maar dat het voordeliger (economisch) is het te vervangen door iets moderners met bijvoorbeeld lagere gebruiks-/onderhoudskosten.
Voorziening
Een voorziening is een passiefpost in de balans, die een schatting geeft van de voorzienbare lasten in verband met risico's en verplichtingen, waarvan de omvang en/of het tijdstip van optreden per de balansdatum min of meer onzeker zijn, en die oorzakelijk samenhangen met de periode voorafgaande aan die datum.
Waarderen
Het toekennen van een bepaalde prijs (waarde) aan een object, op basis van ervaring en/of marktgegevens.
Bijlage 3: Tabel Afschrijvingstermijn
In onderstaande tabel is per type actief een standaard afschrijvingstermijn opgenomen. Indien bij de aanschaf van een actief blijkt dat de verwachte levensduur afwijkt van die in de tabel, dan kan via het raadsvoorstel om een afwijkende afschrijvingstermijn worden gevraagd.
Omschrijving type actief
Afschrijvingstermijn
Immateriële vaste activa
Kosten geldleningen
Maximaal gelijk aan looptijd lening
Agio en disagio
Maximaal gelijk aan looptijd lening
Onderzoek & ontwikkeling (=haalbaarheidsonderzoek)
Maximaal 5 jaar
Bijdragen in eigendom van derden
Gelijk aan afschrijvingstermijn bij derden
Materiele vaste activa
a.Gronden en terreinen
Niet afschrijven, tenzij onderdeel van wegen
b.Woonruimten
Zie bedrijfsgebouwen
c.Bedrijfsgebouwen
Nieuwbouw
50jaar en restwaarde 15%
Bestaande bouw
25-50 jaar en restwaarde 15%
Verbouwing
25jaar
Tijdelijk, bijv. losse units
Verwachte levensduur
d.Grond-, weg- & waterbouwkundige werken
Begraafplaats (groen en paden)
30jaar
Bushalte
25jaar
Kunstgrasvelden en sportvelden
30jaar
Riolering en bergbezinkbassin
40jaar o.b.v. kostendekkingsplan riolen (juni 2017)
Riolering mechanisch-elektrische delen gemalen
15jaar
Wegen, pleinen en fietspaden
25jaar inclusief onderliggende grond
e.Vervoermiddelen
5jaar
f.Machines, apparaten en installaties
Installaties
15jaar
Verkeersregelinstallaties
15jaar
g.Overige materiële activa
AED
7jaar
Archief
15jaar
Bebording
10jaar
Columbarium
20jaar
Meubilair
10jaar
ICT: ontwikkeling
5jaar
ICT: devices
3jaar
ICT: hardware
5jaar
Speeltuinen
10-15 jaar
Financiële vaste activa
Afschrijving niet van toepassing
Bijlage 4: Beleidskaders
Beleidskader 1 Activeringsdrempel
1Investeringen vanaf € 25.000 worden geactiveerd;
2Identieke investeringen/goederen die afzonderlijk beneden de activagrens liggen en in één boekjaar worden aangeschaft en gezamenlijk als totaal boven de activagrens liggen worden als één investering geactiveerd.
Beleidskader 2 Kosten van afsluiten van geldleningen en (dis-)agio
Kosten voor het afsluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio worden geactiveerd voor maximaal de duur van de looptijd.
Beleidskader 3 Kosten van onderzoek en ontwikkeling (Haalbaarheidsonderzoek)
Indien de kosten van onderzoek en ontwikkeling aan de gestelde voorwaarden voldoen, geldt een maximale afschrijvingstermijn van vijf jaar (art. 64 lid 5). Als niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan dan moeten deze kosten in één keer ten laste van de exploitatie worden gebracht. De afschrijving start in het jaar volgend op het go-besluit (einde haalbaarheidsfase). Indien een no-go besluit wordt genomen worden de kosten ineens afgeboekt in het jaar waarin het no-go besluit is genomen.
Beleidskader 4 Activa in eigendom van derden
Artikel 64 lid 6 BBV geeft aan dat voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden de afschrijvingsduur maximaal gelijk is aan die van de activa waarvoor de bijdrage wordt verstrekt.
Beleidskader 5 Reserve dekking kapitaallasten (activa reserve)
De raad zal de bestemmingsreserve voor gehele of gedeeltelijke dekking van kapitaallasten aanhouden. De reserve wordt niet op de investering in mindering gebracht, maar valt jaarlijks vrij conform de afschrijvingstermijn van het actief (bruto waarderingsmethode).
Beleidskader 6 Toerekening loonkosten en overhead aan investeringen
Bij nieuwe investeringen zal worden bekeken welke loonkosten (voorbereiding, administratie en toezicht) en indirecte kosten (overwegend overhead) worden toegerekend in de investering.
Beleidskader 7 Componentenbenadering
Met uitzondering van de component grond wordt in Beek geen gebruik gemaakt van de componentenbenadering.
Beleidskader 8 Gronden en terreinen
Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. Kosten van grondaankopen ten behoeve van investeringen met maatschappelijk nut (wegen, riolering, etc.) worden tot de kosten van de specifieke investering gerekend.
Beleidskader 9 Koop en lease
Er wordt grotendeels overgegaan van lease naar koop. Daarbij zal de aanschaf van ICT zoveel mogelijk onder drie onderdelen jaarlijks worden geactiveerd en afgeschreven, te weten devices, hardware en (eenmalige aanschaf) software.
Beleidskader 10 Sloopkosten
Sloopkosten gerelateerd aan nieuwbouw worden niet geactiveerd en behoren daarmee niet tot de vervaardigingsprijs van een actief. De raad kan op voorstel van het college besluiten om hiervan af te wijken en de sloopkosten wel te activeren.
Beleidskader 11 Verwerking duurzame waardevermindering
In het geval er sprake is van een duurzame waardevermindering bij vastgoed wordt hiervoor een ver-liesvoorziening gevormd.
Beleidskader 12 Restwaarde
Bij afschrijving van gebouwen wordt rekening gehouden met een restwaarde van 15%. Voor de overige activa wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.
Beleidskader 13 Afschrijvingsmethode
a.Op activa wordt afgeschreven op basis van de lineaire methode.
b.In afwijking van het bepaalde onder a. kan de raad op voorstel van het college besluiten om op basis van de annuïtaire methode af te schrijven
Beleidskader 14 Afschrijvingstermijn
a.Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel die in de bijlage is opgenomen in deze nota.
b.Het college kan aan de Raad voorstellen om in afwijking van de afschrijvingstabel een andere afschrijvingstermijn te hanteren gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
c.Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in de tabel worden bij de autorisatie van de betreffende investeringskredieten vastgesteld.
Beleidskader 15 Moment start afschrijving
De afschrijving vangt bij alle investeringen aan met ingang van het jaar volgend op de ingebruikneming/ oplevering. Bij een haalbaarheidsonderzoek start de afschrijving in het jaar volgend op het go-besluit (einde haalbaarheidsfase). Indien er een no-go besluit wordt genomen worden de kosten ineens afgeboekt in het jaar waarin het no-go besluit is genomen.
Beleidskader 16 Omslagrente
Bij totaal financiering vindt toerekening van rente over vaste activa naar de taakvelden plaats via de methode van omslagrente.
Alleen een positief rente-omslagpercentage wordt toegerekend aan de taakvelden.
Beleidskader 17 Rente-omslag afronding
Het rente-omslagpercentage dat voor de eerste keer wordt berekend naar boven afronden op een veelvoud van 0,5%. In de jaren daarna het rente-omslagpercentage alleen aanpassen als het oude afgeronde rente-omslagpercentage niet binnen de nieuwe bandbreedte valt. Het nieuwe rente-omslagpercentage wordt wederom op een veelvoud van 0,5% naar boven afgerond.
Het rente-omslagpercentage voor de kapitaallasten wordt jaarlijks vastgesteld bij de uitgangspunten van de (meerjaren)begroting. De rente wordt berekend over de boekwaarde van de vaste activa per 1 januari van het betreffende jaar.
Beleidskader 18 Werkelijke rentelasten
De werkelijke rentelasten die aan de taakvelden worden doorbelast, worden eveneens afgerond op een veelvoud van 0,5%.
Beleidskader 19 Klein en groot onderhoud
Lasten van klein onderhoud mogen niet worden geactiveerd, maar dienen in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie te worden gebracht.
Lasten van klein onderhoud mogen niet ten laste van een vooraf gevormde voorziening gebracht worden.
Lasten van groot onderhoud mogen niet worden geactiveerd en kunnen op twee wijzen worden verwerkt in de begroting/jaarrekening:
•Lasten in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen.
•Lasten in het jaar van uitvoering ten laste van een vooraf gevormde voorziening brengen.
Beleidskader 20 Investeringen worden geautoriseerd door de raad
Kredieten zijn voor investeringen beschikbaar gestelde budgetten (votering), waarbij het college expliciet in een raadsbesluit toestemming heeft gekregen om verplichtingen aan te gaan tot een bepaald bedrag (autorisatiefunctie).
Beleidskader 21 Overschrijden van een investeringsbudget
Bij een kredietoverschrijding tussen € 10.000 en € 25.000 is een B&W-voorstel afdoende. Bij een overschrijding boven de € 25.000 dient een raadsvoorstel te worden gemaakt. Als vooraf bekend is dat het krediet zal worden overschreden MOET voordat er krediet-overschrijdende uitgaven volgen een aanvullende kredietvotering worden aangevraagd. Mocht deze overschrijding onverhoopt autonoom zijn (bijvoorbeeld asbest in gemeentelijk gebouw dat direct moet worden verwijderd), dan kan dit achteraf aan B&W en/of Raad worden meegedeeld om een onrechtmatigheid te voorkomen.