Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Wmo Gemeente Beek 2026

Gemeente Beek · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

Inleiding

Om uitvoering te geven aan de wettelijke opdracht voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van alle inwoners met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen stelt de gemeente de Verordening Wmo en Besluit Wmo vast op het gebied van deze maatschappelijke ondersteuning. De gemeente heeft de wettelijke taak om ervoor te zorgen dat iedereen met een beperking of psychische problemen zo goed mogelijk mee kan doen in de samenleving (participatie). En zoveel mogelijk zelfredzaam is. Daarom heeft de gemeente regels gemaakt voor maatschappelijke ondersteuning. Dit is in de Verordening Wmo en Besluit Wmo vastgelegd.

Deze Beleidsregels zijn de uitwerking van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), de huidige gemeentelijke Verordening Wmo en het Besluit nadere regels Wmo.

Het doel van het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie is dat inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. We omarmen hierbij het gedachtengoed van Positieve Gezondheid. Positieve Gezondheid legt het accent niet op de aandoening/ziekte, maar op de persoon zelf, op hun veerkracht en op wat hun leven betekenisvol maakt. Deze meer dynamische benadering doet meer recht aan inwoners en aan wat voor hen betekenisvol is om zelfstandig te blijven meedoen in de eigen leefomgeving. Met andere woorden, hoe kunnen we inwoners leren om met hun fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Én om zo veel mogelijk eigen regie hierin te voeren.

Daarnaast voorziet de gemeente ook in de behoefte aan een veilige woonomgeving voor inwoners met psychische of psychosociale problemen en/of voor inwoners die de thuissituatie hebben verlaten vanwege huiselijk geweld of veiligheidsrisico’s.

In deze beleidsregels staat wat het college een inwoner kan bieden ten behoeve van zijn zelfredzaamheid en participatie. Dit geldt voor inwoners die niet voldoende zelfredzaam zijn of in staat zijn tot participatie vanwege een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen en dit niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het eigen netwerk kunnen oplossen.

Hoofdstuk 2. Procedure maatschappelijke ondersteuning

2.2 Melding

2.2.1 De melding

Als een inwoner een hulpvraag heeft op het gebied van zijn zelfredzaamheid of participatie kan hij bij de gemeente terecht voor informatie, advies en/of ondersteuning. Dit geldt als hij niet in staat is om voor de hulpvraag op eigen kracht of met eigen netwerk een oplossing te vinden.

De inwoner kan zijn hulpvraag op verschillende manieren melden, dit is vormvrij. Hij kan dit persoonlijk doen, maar ook telefonisch, schriftelijk of per e-mail.

2.2.2 Persoonlijk plan (keuze voor inwoner)

De inwoner ontvangt een schriftelijke bevestiging van de melding, waarin staat dat de inwoner de mogelijkheid heeft om vóór het gesprek, maar uiterlijk binnen zeven dagen na melding, zoals vermeld in artikel 4 van de vigerende Verordening, een persoonlijk plan te overhandigen waarin gemotiveerd is welke doelen hij wil bereiken en welke ondersteuning volgens de inwoner nodig is om die doelen te bereiken. Dit persoonlijk plan is overigens niet verplicht.

2.2.3 Meedenkers Beek (onafhankelijke clientondersteuning)

De inwoner wordt gewezen op de mogelijkheid om het gesprek niet alleen te voeren, maar samen met een mantelzorger of een persoon uit zijn sociaal netwerk. Ook ontvangt hij uitleg over de mogelijkheid om een gratis meedenker in te schakelen (onafhankelijke cliëntondersteuning), om kortdurend mee te denken bij het organiseren van zorg en ondersteuning. Deze persoon denkt mee over passende hulp, kan meegaan naar een gesprek of kan dit samen met de inwoner voorbereiden. Afhankelijk van de vraag kan beroep gedaan worden op een vrijwilliger of een beroepsmatige meedenker. Een meedenker is geen zorgverlener en is onafhankelijk van zorgorganisaties. Meedenkers Beek is een initiatief van de Gemeente Beek, KBO Beek, Knooppunt Informele Zorg / Partners in Welzijn en Mee Zuid-Limburg. De meedenkers zijn bereikbaar via een vast telefoonnummer en emailadres.

2.3 Het onderzoek

2.3.1 Vooronderzoek

Voorafgaand aan het gesprek onderzoekt de casemanager Wmo welke gegevens al bekend zijn bij de gemeente over de inwoner in relatie tot een melding Wmo, zodat al bekende gegevens niet opnieuw gevraagd hoeven te worden. De casemanager Wmo controleert met de inwoner of deze informatie nog juist is.

2.3.2 Het gesprek

-De locatie van het gesprek (ook wel keukentafelgesprek genoemd) is in beginsel bij de inwoner thuis. Als er gegronde redenen zijn om dit niet te doen, kan het gesprek ook ergens anders zijn of telefonisch.

-In het gesprek is onder andere aandacht voor de factoren zoals genoemd in artikel 5 van de Verordening en de verplichte onderwerpen zoals genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wet en in het Stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRVB 21-3-2018ECLI:NL:CRVB:2018:1189).

-Ook wordt de bescherming van de privacy van de inwoner besproken. Er wordt aan de inwoner gevraagd om toestemming te geven om bijzondere persoonsgegevens te verstrekken aan een (medisch en/of ergonomisch) adviseur als dat nodig is. De inwoner tekent hiervoor een toestemmingsverklaring. Het verwerken van deze bijzondere persoonsgegevens door de gemeente is geregeld in de Wet in hoofdstuk 5 Gegevensverwerking, artikel 5.1.1 en verder.

-Als de inwoner een persoonlijk plan heeft aangeleverd, wordt dit besproken tijdens het gesprek.

-In het gesprek worden alle leefgebieden met de inwoner besproken.

2.3.3 Vervolgonderzoek

Indien noodzakelijk heeft de casemanager Wmo extra informatie nodig, op basis van de gegevens uit het gesprek, om te bepalen of de inwoner een Wmo-maatwerkvoorziening of -dienst nodig heeft. Met vervolgonderzoek wordt deze extra informatie verzameld voor het onderzoek. Dit kan nodig zijn voor:

-Onder andere voor passing van een voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel), een bouwkundig onderzoek, een medische advisering, een (rij)vaardigheidstraining het inmeten of een offerte opmaken kan ook onderdeel uitmaken van het onderzoek.

-OOpvragen van een plan voor een persoonsgebonden budget (pgb-budgetplan; zie hoofdstuk 5).

-Het voeren van een pgb-vaardigheidsgesprek (zie hoofdstuk 5).

2.3.4 Advisering

Het aanvragen van een medisch en/of ergonomisch advies -bij het door de gemeente gecontracteerde bureau voor sociaal medisch advies- kan onderdeel uitmaken van het onderzoek.

Redenen om een extern advies in te winnen zijn onder andere:

-er is onvoldoende informatie op het gebied van de medische en/of ergonomische en/of psychosociale situatie van de inwoner om een aanvraag voor een maatwerkvoorziening te kunnen vaststellen;

-om de noodzaak voor een maatwerkvoorziening vast te stellen;

-inzet van eigen kracht, eigen netwerk en eigen mogelijkheden. Het is onduidelijk of het probleem is op te lossen op eigen kracht, met eigen netwerk of andere regelingen of algemene voorzieningen. Een advies kan meer duidelijkheid geven met meer verdieping en concrete aanknopingspunten;

-om vast te stellen of een maatwerkvoorziening anti-revaliderend werkt voor de inwoner;

-om uitsluitsel te geven over de vraag of sprake is van een langdurige noodzaak.

Het aanvragen van een bouwkundig advies kan onderdeel uitmaken van het onderzoek om de bouwkundige haalbaarheid van een oplossing te beoordelen.

2.3.5 Verslag

-Het gespreksverslag is de laatste stap in het onderzoek. In het verslag staat een samenvatting van het gesprek, de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en de daarbij horende gemaakte afspraken (o.a. monitoring en evaluatie).

-De inwoner mag correcties en aanvullingen aanbrengen in het verslag. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag, maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd en komen samen met het oorspronkelijke verslag in het dossier.

Hoofdstuk 3. Beoordelingskader van maatwerkvoorzieningen

3.1 Algemeen beoordelingskader

3.1.1 Ingezetene

Een belangrijk uitgangspunt met betrekking tot het vaststellen van de doelgroep heeft te maken met het begrip ingezetene. Een gemeente is voor wat betreft zelfredzaamheid en participatie namelijk alleen verantwoordelijk als een inwoner ingezetene is van de betreffende gemeente. In de Verordening staat: een ingezetene is een inwoner die het hoofdverblijf heeft in de gemeente Beek. Bij verschillende producten van beschermd wonen en opvang geldt niet dat de inwoner ingezetene moet zijn omdat daar sprake is van landelijke toegankelijkheid.

Hoofdverblijf

Een voorwaarde om voor ondersteuning door de gemeente in aanmerking te komen, is dat de betreffende inwoner zijn hoofdverblijf in de gemeente Beek heeft. De inwoner moet ingeschreven staan in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente Beek. Hoofdverblijf betekent volgens jurisprudentie meer dan alleen ingeschreven staan in de BRP; de inwoner moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven. Als de inwoner kan aantonen dat hij op korte termijn in de gemeente komt wonen, kan -als hij nog niet in staat is geweest om zich in te schrijven in de BRP de melding in behandeling worden genomen. Er wordt dan wel een termijn afgesproken waar binnen de inschrijving in de BRP- geregeld moet zijn. Een uitzondering hierop is het bezoekbaar maken van een woning. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar hoofdstuk 14.12 van deze beleidsregels.

3.3 Algemene toegangsvoorwaarden

3.3.1 Noodzakelijkheid

Om in aanmerking te kunnen komen voor een maatwerkvoorziening moet er sprake zijn van beperkingen op gebied van zelfredzaamheid of participatie. Er moet worden vastgesteld dat sprake is van (medische, psychische of psychosociale) beperkingen waardoor de inwoner niet, dan wel onvoldoende kan participeren of zelfredzaam is. Als de (medische, psychische of psychosociale) noodzaak niet zonder meer kan worden vastgesteld kan een (medisch) advies worden opgevraagd om de ‘langdurige’ noodzaak vast te stellen. Een voorziening wordt alleen verstrekt als duidelijk is dat de voorziening noodzakelijk is om de ervaren beperkingen op te lossen, dan wel te verminderen.

Als iemand beperkingen heeft die nog kunnen verbeteren met een passende behandeling, moet eerst behandeling via de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden geregeld. In dat geval kan er geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo worden toegekend.

(Langdurig) noodzakelijk

Er zijn twee begrenzingen met betrekking tot het verstrekken van voorzieningen, te weten een begrenzing in tijd en in noodzakelijkheid. Voor het criterium ‘langdurig noodzakelijk’ is ook gekozen vanwege het nadrukkelijkere beroep op de inwoner om problemen zelf of met het netwerk op te lossen, zeker als die problemen kortdurend worden ingeschat.

Onder ‘langdurig’ wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden.

Begrenzing in tijd

Het gewenste resultaat wordt uitgedrukt in de termijn (in maanden of jaren) waarin dat resultaat wordt bereikt of waarin de maatwerkvoorziening nodig is.

Wanneer resultaat op korte termijn haalbaar is: 3 tot 6 maanden

Wanneer resultaat op langere termijn inzet vergt: minimaal 1 jaar

Begrenzing in noodzakelijkheid

Wat langdurig noodzakelijk is, hangt ook af van de concrete situatie. De grens wordt bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend, is sprake van ontwikkelingspotentieel (positief of negatief) of niet. Kenmerkend voor een blijvend probleem is dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de inwoner. Bij een wisselend ziektebeeld, waarbij verbetering in de toestand opgevolgd wordt door periodes van terugval, wordt uitgegaan van een langdurige medische noodzaak.

Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Als de verwachting is dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan.

3.3.2 Uitzondering

•Er bestaat, voor zover beschikbaar, de mogelijkheid om kortdurend hulp bij het huishouden of collectief vervoer in te zetten bijvoorbeeld tijdens een herstelperiode.

•Intensieve kortdurende ondersteuning is mogelijk om de zelfredzaamheid en participatie van een inwoner te bevorderen of escalaties te voorkomen.

•Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase (levensduur van maximaal 3 maanden) verstaan.

3.5 Maatwerkvoorzieningen

3.5.1 Collectieve maatwerkvoorzieningen

Collectieve maatwerkvoorzieningen zijn maatwerkvoorzieningen die individueel worden verstrekt, maar die door meerdere personen tegelijk gebruikt kunnen worden. Deze voorzieningen worden speciaal georganiseerd voor mensen met beperkingen én zijn bedoeld voor “gemeenschappelijk gebruik”. Tot nu toe is het collectief vervoer het meest duidelijke voorbeeld van een collectieve voorziening.

3.5.2 Goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening

Maatwerkvoorzieningen dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening te zijn. De verstrekking is altijd gebaseerd op deze uitgangspunten. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen. Als belanghebbende een duurdere voorziening wil (die eveneens compenserend is), komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. In dergelijke situaties vindt de verstrekking in beginsel plaats in de vorm van een pgb (persoonsgebonden budget) gebaseerd op de goedkoopst compenserende natura voorziening

3.5.3 Eerder verstrekte voorziening

Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte voorziening in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling én de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken.

Een uitzondering kan worden gemaakt als de eerder verstrekte voorziening niet meer voldoet of verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen. Het is eveneens redelijk te achten dat de inwoner als een ander dan hijzelf schade heeft veroorzaakt – diegene aansprakelijk stelt.

3.5.4 Normale afschrijvingstermijn

Het college verstaat onder de normale afschrijvingsduur de technische afschrijvingsduur. Dit houdt in dat het college niet gehouden is een economisch afgeschreven voorziening, die nog in goede staat is en passend voor de inwoner, in te nemen en een nieuwe maatwerkvoorziening te verstrekken.

Voor roerende voorzieningen wordt uitgegaan van de economische afschrijvingstermijn zoals vermeld in het contract met de aanbieder.

Hoofdstuk 4. Eigen kracht, Gebruikelijke hulp, Algemeen gebruikelijk, Algemene voorziening

4.1 Eigen - kracht sociaal netwerk – mantelzorg

4.1.1 Inleiding

Het college beoordeelt de volgende elementen met betrekking tot de eigen kracht, het inzetten van het sociaal netwerk en mantelzorg op basis van onderstaande criteria:

-het hebben van huisgenoten (wie zijn zorgverlenend en wie zijn zorgbehoeftig?);

-of sprake is van (boven)gebruikelijke hulp en hoe dit wordt vastgesteld;

-het hebben van een sociaal netwerk en de bereidheid van dit netwerk om te helpen;

-in hoeverre mantelzorg de nodige hulp en ondersteuning kan bieden;

-vaardigheden en mogelijkheden om de hulp te bieden;

-beschikbaarheid om de hulp te bieden (bijvoorbeeld door werk);

-mate van planbaarheid van de benodigde zorg;

-het ontstaan van overbelasting;

-het relevante normenkader (bijvoorbeeld het HHM-protocol);

-overige individuele omstandigheden die worden ingebracht.

4.1.2 Eigen kracht en eigen mogelijkheden

In de wet wordt uitgegaan van het versterken van de eigen kracht van inwoner. De eigen verantwoordelijkheid van de inwoner is een belangrijke pijler van de wet. De wet is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem zelf, of met hulp van mantelzorgers, huisgenoten en personen uit het sociale netwerk op te lossen. De inwoner wordt gestimuleerd zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Hierbij behoort ook dat hij een beroep doet op onder andere familie en vrienden – zijn eigen sociale netwerk – voordat hij bij de gemeente komt voor hulp.

Uitgangspunt is dat iedere inwoner eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving met en voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Oplossingen die je van een inwoner redelijkerwijs mag verwachten en die de inwoner zelf kan realiseren gaan vóór op de verstrekking van een maatwerkvoorziening.

Eigen mogelijkheden zijn onder andere:

-de aanschaf en het gebruik van algemeen verkrijgbare producten;

-het geschikt houden van de eigen woning;

-een particuliere huishoudelijke hulp;

-een glazenwasser;

-een tuinman;

-opvang- en oppas van kinderen: kinderopvang, naschoolse opvang;

-kindzorg na echtscheiding door ex partner;

-een andere indeling van de dag;

-een andere werkwijze;

-een andere taakvolgorde;

-afstemming met huisgenoten;

-het aanschaffen van strijkvrije kleding.

4.1.3 Sociaal netwerk

Een ondersteuningsvraag kan mogelijk ook worden opgelost door ondersteuning van familie of personen uit het sociaal netwerk. Het sociaal netwerk bestaat uit personen uit de huiselijke kring (familieleden, huisgenoten, de (voormalig) echtgenoot en mantelzorgers) en andere personen met wie de inwoner een sociale relatie heeft.

Door de inwoner tijdens het gesprek te wijzen op zijn eigen mogelijkheden wordt hij gestimuleerd om mogelijkheden te zien en in te zetten om ondersteuningsvragen op te lossen.

Waar nodig kunnen inwoners ook verzocht worden om deel te nemen aan netwerkbijeenkomsten, waarbij professionals en inwoners (gebruikers van de Wmo, mantelzorgers en anderen) samenkomen om de ondersteuningsvraag te bespreken, het netwerk te vergroten en gezamenlijk oplossingen te vinden, bijvoorbeeld binnen het sociaal netwerk. Deze bijeenkomsten worden georganiseerd door organisaties zoals MEE.

4.1.4 Mantelzorg

Ondersteuning geboden vanuit het sociale netwerk wordt in sommige gevallen mantelzorg genoemd. Mantelzorg is vrijwillig (dus niet verplicht)

1Ze Rechtbank Midden-Nederland 09-01-2017, nr. UTR 16/2644 en CRvB 3-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3108).

, onbetaalde ondersteuning die mensen langdurig aan iemand verlenen, vanuit de (persoonlijke) band die mantelzorgers hebben met degene die zij ondersteunen. Mantelzorg en gebruikelijke hulp (zie 4.2) zijn aansluitende begrippen. Mantelzorg begint waar gebruikelijke hulp eindigt. Bij mantelzorg gaat het om meer dan gebruikelijke hulp. De hulp overstijgt qua zwaarte, duur en/of intensiteit het normale.

Een huisgenoot kan zowel gebruikelijke hulp als mantelzorg verlenen. De ondersteuning die hij verleent, overstijgt dan gedeeltelijk het gebruikelijke. Het onderdeel van de ondersteuning die het gebruikelijke overstijgt is dan mantelzorg.

Als sprake is van overbelasting van de mantelzorger kan de gemeente ondersteuning bieden. Van belang hierbij is de balans tussen draagkracht en draaglast. Zie hiervoor de hoofdstukken met betrekking tot het onderwerp waar de aanvraag op ziet.

4.2 Gebruikelijke hulp

4.2.1 Inleiding

Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. (Artikel 1.1.1 van de Wet)

De inwoner is niet aangewezen op een maatwerkvoorziening voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde zorg bieden. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot de aanspraak op gemeentelijke maatwerkondersteuning. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving en persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.

Werk (of vrijwilligerswerk), opleiding, drukke werkzaamheden en/of lange werktijden van partners, ouders of inwonende kinderen zijn geen reden om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen.

Gebruikelijke hulp moet passend zijn binnen de normale verantwoordelijkheden. De zwaarte van de gebruikelijke hulp hangt af van de intensiteit van de ondersteuning en ondersteuning die van medebewoners huisgenoten verwacht mag worden als normale ondersteuning binnen een huishouden. Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de inwoner huisgenoten heeft die in staat zijn hulp te bieden bij bijvoorbeeld het voeren van een gestructureerd huishouden of het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL).

Pas op het moment dat gebruikelijke hulp ontoereikend is of ontbreekt, dan kan een passende maatwerkvoorziening worden verstrekt. Hiervan kan sprake zijn:

1Voor zover de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van de inwoner uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht.

2Voor zover een huisgenoot overbelast is wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht totdat deze overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende:

-Wanneer voor de volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden of andere oplossingen zijn om de overbelasting op te heffen, dienen deze hiertoe te worden aangewend. Als er sprake is van overbelasting vanwege het zelf leveren van ondersteuning, dient men die overbelasting op te heffen door deze ondersteuning door een ander, zoals een particuliere hulp, uit te laten voeren.

-Voor zover de overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.

Bij de beoordeling of er sprake is van gebruikelijk hulp dienen de huisgenoten medewerking te verlenen aan het (her)onderzoek als het college daarom vraagt (artikel 2.3.9 van de wet).

4.2.2 Wanneer is geen sprake van gebruikelijke hulp

In de volgende situaties is geen sprake van gebruikelijke hulp:

-(Medische) beperkingen huisgenoot

Als uit (medisch) onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, dan is gebruikelijke hulp niet van toepassing en moet verder onderzocht worden of sprake is van (dreigende) overbelasting.

-Overbelasting

Wanneer partner of huisgenoot door de combinatie van een (volledige) baan of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast is, wordt door de casemanager Wmo als nodig medisch advies opgevraagd om de overbelasting te onderzoeken. Wanneer de overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een maatwerkvoorziening toe te kennen.

Factoren die van invloed kunnen zijn op de draagkracht zijn bijvoorbeeld de mate waarin sprake is van (on)planbare zorg, het ziektebeeld en de prognose, bijkomende problemen van sociale, emotionele of relationele aard, de lichamelijke en/of geestelijke conditie van de partner of huisgenoot maar ook het sociale netwerk en de manier van omgaan met problemen.

-Fysieke afwezigheid van een aaneengesloten periode van tenminste zeven etmalen

Met een huisgenoot van de zorgvrager die door werk fysiek niet aanwezig is, wordt bij het indiceren uitsluitend rekening gehouden, als het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat.

De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland.

Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is en geen andere meerderjarige huisgenoten aanwezig zijn, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan geen gebruikelijke zorg worden geleverd.

Als de fysieke afwezigheid van de huisgenoot minder dan zeven etmalen is, moet altijd onderzocht worden of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van de zorg.

-Huisgenoten zijn niet meer leerbaar

Als de aanwezige huisgenoten niet (meer) leerbaar zijn. Dit is een individuele beoordeling en hiervoor kan het nodig zijn om een medisch advies op te vragen.

Hoofdstuk 5. Verstrekkingsvorm

5.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

5.3.1 Verstrekking van een pgb

Een pgb wordt verstrekt onder de voorwaarden en bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de vigerende Verordening, het vigerende besluit en/of het programma van eisen voor de maatwerkvoorziening uit de beschikking.

Overwegende bezwaren voor verstrekking van een pgb zijn er als er een ernstig vermoeden is dat de budgethouder/ inwoner problemen krijgt met het beheren van een pgb. De situaties waarbij het risico groot is dat het pgb niet besteed wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn als:

-de inwoner handelingsonbekwaam is;

-de inwoner heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap, ernstige psychische problemen of overige cognitieve beperkingen onvoldoende inzicht in de eigen situatie;

-er sprake is van verslavingsproblematiek of hier in het verleden sprake van was;

-er eerder misbruik gemaakt is van het pgb of sprake van fraude;

-de inwoner schulden heeft;

-de inwoner in een schuldhulpverleningstraject zit.

Bovenstaande opsomming is niet volledig. Er zijn andere situaties waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is.

Om een pgb af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er een feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. Dit kan een medische onderbouwing zijn, maar ook het aantonen van schulden of eerder misbruik van een pgb. De onderbouwing staat in de beschikking.

Als een pgb niet besteed wordt aan dat waarvoor het bedoeld is, vindt uitbetaling niet plaats c.q. wordt teruggevorderd zoals staat in de vigerende verordening.

5.3.2 Pgb: budgetplan en onderzoek

Pgb-budgetplan

De inwoner dient voor het pgb een budgetplan in voor de maatwerkvoorzieningen Begeleiding en/of Huishoudelijke ondersteuning. Hierin onderbouwt de inwoner hoe het pgb wordt besteed en hoe met de gestelde eisen aan een pgb wordt omgegaan.

De inwoner dient zich gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld budgetplan, op het standpunt te stellen dat hij een maatwerkvoorziening als pgb wenst. De casemanager Wmo beoordeelt of dit budgetplan voldoet. Door het opstellen van een budgetplan wordt de inwoner gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren en ook het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren.

Pgb-onderzoek

Als de noodzaak (en de aard en omvang) van een maatwerkvoorziening is vastgesteld, volgt het pgb-onderzoek. Hierbij is de zorgverlener niet aanwezig. In het gesprek bespreekt de casemanager Wmo of de inwoner (al dan niet met hulp van een vertegenwoordiger) voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb. Tijdens het onderzoek wordt ook gekeken of er sprake is van belangenverstrengeling. Een voorbeeld hiervan is als het verlenen van de ondersteuning en het beheren van het budget plaatsvindt door dezelfde persoon.

In het onderzoek worden in ieder geval de volgende 2 aspecten beoordeeld:

1pgb-vaardigheid van de inwoner en/of de eventuele vertegenwoordiger;

2de kwaliteit van de in te kopen maatwerkvoorziening.

Ad 1 Pgb-vaardigheid van de inwoner en/of de eventuele vertegenwoordiger

Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner naar het oordeel van het college in staat is om, eventueel met behulp van derden, het pgb doeltreffend te besteden en de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. De pgb-vaardigheden van een inwoner worden onder andere door middel van het budgetplan en de pgb-vaardigheidsgesprek getoetst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het ’10 punten pgb-vaardigheden’ middel van het ministerie van VWS. De inwoner wordt getoetst op pgb-vaardigheid om aan te tonen dat het pgb goed beheerd kan worden.

De toetsing gebeurt aan de hand van onderstaande 10 punten.

1De inwoner heeft een duidelijk beeld van de eigen zorgvraag.

2De inwoner is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of hij/zij weet die zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden. Hij/wij weet welke regels er horen bij een pgb.

3De inwoner is in staat om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden, waardoor hij/zij inzicht heeft in de bestedingen van het pgb.

4De inwoner is voldoende vaardig om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners.

5De inwoner is in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen.

6De inwoner is in staat om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb.

7De inwoner kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is.

8De inwoner kan de inzet van zorgverleners coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte.

9De inwoner is in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren.

10De inwoner heeft voldoende (juridische) kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden.

Ad 2. De kwaliteit van de in te kopen maatwerkvoorziening

De kwaliteit van de maatwerkvoorziening die ingezet wordt door een pgb moet van overeenkomstige kwaliteit zijn als de maatwerkvoorziening in zorg in natura. Als van toepassing moet gemotiveerd in het budgetplan beschreven worden op welke wijze deze kwaliteit (veilig, doeltreffend en op de persoon gericht) geborgd is. Het college toetst periodiek de voortgang en de mate waarin de resultaten worden bereikt.

Bijlage 1 bevat kwaliteitseisen voor zowel zorg in natura als pgb aanbieders.

5.3.3 Overeenkomst tussen inwoner, dienstverlener en gemeente (derdenbeding)

Bij toekenning van een indicatie in de vorm van een pgb dient de inwoner samen met zijn dienstverlener een overeenkomst op te stellen. Om te kunnen declareren moet sprake zijn van een goedgekeurde overeenkomst door zowel de gemeente als de SVB.

Aanvullend hierop heeft de SVB de zorgovereenkomsten aangepast met een zogenaamd derdenbeding. Hiermee wordt geborgd dat ook een dienstverlener aangesproken kan worden op de geleverde dienst.

5.3.4 Inzetten van informele hulp

In het budgetplan kan de inwoner aangeven informele hulp in te willen zetten. In navolging van de regering is de gemeente van mening dat de beloning van de informele hulp in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld).

Er is sprake van informele hulp als hulp wordt verleend door:

-een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de inwoner;

-iemand die niet werkt bij een professionele instelling voor de uitvoering van de indicatie;

-iemand die niet als zzp’er staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor de uitvoering van de indicatie;

-alle overige personen, dus ook personen uit het sociaal netwerk.

Als met het pgb iemand uit het informele netwerk wordt ingekocht, ligt in het onderzoek extra de nadruk op de thema’s:

1de relatie met de draagkracht/gebruikelijke zorg/ondersteuning vanuit ouders/familie/sociaal netwerk (belastbaarheid).

2Beoordelen van de kwaliteit van de zorgverlener.

5.3.5 Eigen verantwoordelijkheden van de budgethouder

De inwoner/vertegenwoordiger is als budgethouder zelf verantwoordelijk voor het (in)kopen van de maatwerkvoorziening. Daarnaast voor het onderhoud, de reparaties en de verzekering als de maatwerkvoorziening een hulpmiddel betreft.

5.3.6 Beschikking pgb

In de beschikking wordt duidelijk aangegeven wat met het pgb moet worden aangeschaft en aan welke vereisten de maatwerkvoorziening moet voldoen. Hiervoor voegen we zo nauwkeurig mogelijk omschreven voorwaarden of een programma van eisen bij de beschikking.

5.3.7 Verrekening

Als de inwoner een omzetting van pgb (persoonsgebonden budget) naar ZIN (zorg in natura) vraagt, wordt gekeken welk gedeelte van het budget de inwoner al besteed heeft voor zijn begeleiding of huishoudelijke ondersteuning. ZIN kan, bij ongewijzigde indicatiestelling, ingaan vanaf het moment dat het pgb nog niet gebruikt is.

5.3.8 Vroegtijdige vervanging

Als sprake is van een hulpmiddel en de inwoner wil voor het verstrijken van de afschrijvingstermijn een nieuwe voorziening in pgb hebben, zonder dat er een medische noodzaak is, wordt bij de volgende verstrekking het bedrag van de resterende afschrijving in mindering gebracht. Dit wordt berekend volgens de formule pgb bedrag van het te vervangen hulpmiddel: het verstrekte pgb-bedrag gedeeld door 84 maanden en vermenigvuldigd met het aantal maanden dat van de zeven jaar resteert.

Als de inwoner voortijdig kiest voor verstrekking van een nieuw hulpmiddel voor hetzelfde doel maar zonder dat er een medische noodzaak is, in ZIN, wordt het geldbedrag van de resterende afschrijvingstermijn teruggevorderd.

5.3.9 Pgb controle

Periodiek of steekproefsgewijs onderzoekt het college uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid of het pgb juist is besteed.

5.3.10 Trekkingsrecht

Het trekkingsrecht in de Wet is een manier om pgb's te beheren. In plaats van dat het geld direct naar de budgethouder wordt overgemaakt, wordt het beheerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en via declaraties of facturen aan de zorgverlener betaald. Dit betekent dat de budgethouder geen geld op zijn eigen rekening ontvangt, maar de SVB betaalt de zorgverlener namens de budgethouder.

De niet bestede pgb-bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.

Hoofdstuk 7. Huishoudelijke Ondersteuning

7.3 Gebruikelijke hulp bij Huishoudelijke ondersteuning

7.3.1 Inleiding

In hoofdstuk 4 wordt gebruikelijke hulp in algemene zin beschreven. In dit hoofdstuk beperken we ons tot de gebruikelijke hulp in het kader van de huishoudelijke ondersteuning.

7.3.2 Leefeenheid

Onder een leefeenheid wordt verstaan “een eenheid die bestaat uit gehuwden of met een of meer andere personen duurzaam een huishouden voeren”. Als tot de leefeenheid, waar de inwoner deel van uitmaakt, een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten, komt men niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. We spreken dan van gebruikelijke hulp.

Het uitgangspunt is dat de leefeenheid van de inwoner, samen met de inwoner, verantwoordelijk is om, verdeeld over de week, zelfstandig het huishouden te voeren. Dit met inbegrip van het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Er kan een hulpvraag bij het voeren van een gestructureerd huishouden ontstaan doordat degene die gewend is voor het huishouden te zorgen, dit al dan niet tijdelijk, niet meer kan doen. Er wordt dan naar de leefeenheid van de inwoner gekeken .

Bij het onderzoek naar de mogelijkheden die er zijn in de betreffende leefeenheid wordt de gebruikelijke hulp altijd in het onderzoek meegenomen. In elk individuele situatie moet bekeken worden of ook in die situatie het redelijk is gebruikelijke zorg te veronderstellen.

7.3.3 Bijdrage van kinderen aan het huishouden

Als de leefeenheid van de inwoner ook bestaat uit kinderen, dan wordt in het gesprek doorgenomen wat het kind zelf kan bijdragen. Hierbij kan, afhankelijk van de leeftijd, gedacht worden aan lichte huishoudelijke taken zoals opruimen van eigen spullen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen en kleding in de wasmand gooien.

Kinderen vanaf 16 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze een gedeelte van de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.

Van kinderen vanaf 18 mag verwacht worden dat zij huishoudelijke hulp als gebruikelijke zorg verlenen, ondanks dat zij studeren, een druk sociaal leven en een bijbaan hebben. Het is niet onredelijk om van meerderjarige kinderen te verwachten dat zij vanaf 18 jaar in verband met studie op kamers kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden kunnen draaien en dat zij vanaf 23 jaar worden verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. De uren van een eenpersoonshuishouden worden daarom in mindering gebracht op de totale indicatie voor het gezin.

Daarnaast dient gekeken te worden naar specifieke omstandigheden en het vermogen van het kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties.

Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.

Een daginvulling met opleiding en/of bijbaantjes heeft in principe geen invloed op bovenstaande.

7.3.4 Specifieke woonsituaties

In de volgende situaties is geen sprake van een leefeenheid, die een gezamenlijk huishouden voert:

-Bij kamerverhuur (op basis van een huurovereenkomst)

Als sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. Van huurders kan niet verwacht worden dat zij de huishoudelijke taken overnemen. Er moet wel een huurovereenkomst zijn. Als meerdere mensen in een woning wonen en er gemeenschappelijke ruimten zijn, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de leden wordt overgenomen door de andere leden.

-Bewoners van een kloostergemeenschap of andere gemeenschappelijke woonvorm

Bij een kloostergemeenschap is wel sprake van een leefeenheid, maar is er over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situaties kan wel een indicatie gesteld worden voor het schoonmaken van de eigen woon/slaapkamer en badkamer als men dit zelf niet meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend zijn voor kloosters kunnen niet worden meegenomen in de indicatie (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.

-Bijzondere woonvormen

Naast reguliere woonvormen kennen we een aantal bijzondere woonvormen. Dit zijn vormen van begeleid wonen, al dan niet in een groepsvorm, ten behoeve van mensen met bijvoorbeeld een verstandelijke beperking of een (psycho)geriatrische, psychosociale of psychiatrische aandoening. Het gaat vaak om kleinschalige woonvormen op basis van een particulier initiatief of een samenwerkingsverband tussen een zorgaanbieder en woningbouwcorporatie.

7.3.5 Wanneer is geen sprake van gebruikelijke hulp

-Terminale situaties (levensverwachting minder dan 3 maanden)

In terminale situaties is het ontlasten van de meerderjarige huisgenoot/huisgenoten in de vorm van huishoudelijke ondersteuning niet ongebruikelijk.

-Plotseling overlijden van een van de ouders

Bij het plotseling overlijden van een van de ouders met als gevolg dat de achterblijvende ouder wordt belast met de opvoeding en verzorging van minderjarige kinderen in combinatie met werk. Ook in deze situatie kan tijdelijk (maximaal 3 maanden) huishoudelijke ondersteuning worden ingezet om de ouder de kans te geven op zoek te gaan naar andere oplossingen.

-Overbelasting

In geval de leden van een leefeenheid overbelast zijn door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden gerekend. De indicatie is dan van korte duur (max. 3 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen of een andere oplossing te zoeken. Denk hierbij aan het inkopen van particuliere huishoudelijke ondersteuning.

-Voorkomen van crisis en ontwrichting bij verzorging en opvang van gezonde kinderen

Als opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is, heeft de inzet van een algemeen gebruikelijke voorziening (kinderopvang en voor- en naschoolse opvang) een verplichtend karakter. Als de algemeen gebruikelijke voorziening niet beschikbaar is, kan tijdelijke inzet van huishoudelijke ondersteuning in de vorm van kindzorg noodzakelijk zijn voor maximaal 3 maanden en maximaal 40 uur per week om de ouder(s) de kans te geven op zoek te gaan naar andere oplossingen

-Kindzorg na echtscheiding door ex-partner

Na verhuizing van een huisgenoot bijvoorbeeld na echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke zorg voor het huishouden door de ex-echtgenoot/partner. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de verzorgende ouder wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van verzorging van de kinderen door de niet-thuiswonende ouder door met deze ouder in overleg te gaan en te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten. Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende -uitgevallen- ouder zijn, kan er dan een indicatie voor verzorging zijn. Als de zorgplicht door de niet-thuiswonende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een éénoudergezin.

7.6 De maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning

7.6.1 Wanneer is Huishoudelijke ondersteuning aan de orde?

Huishoudelijke ondersteuning is aan de orde als er beperkingen zijn bij het verdeeld over de week behouden van een schoon en leefbaar huis, de was, boodschappen, maaltijden, regie, organisatie van het huishouden, advies-instructie-voorlichting (hierna: AIV) en kindzorg. De beperkingen kunnen een gevolg zijn van aandoeningen van somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aard dan wel het gevolg van een verstandelijke, lichamelijke, cognitieve of zintuiglijke handicap.

Wanneer bepaalde aandoeningen de oorzaak zijn voor het niet geheel of gedeeltelijk kunnen uitvoeren van de huishoudelijke taken en er naar de mening van de medisch adviseur nog behandelmogelijkheden zijn, kan in de regel geen huishoudelijke ondersteuning worden toegekend. Huishoudelijke ondersteuning kan in een dergelijke situatie immers anti-revaliderend werken.

Als tijdelijke ondersteuning in het huishouden een positieve bijdrage levert bij het herstel, wordt de huishoudelijke ondersteuning voor korte duur afgegeven, hierbij wordt aangesloten bij de duur van het behandel- of revalidatietraject.

7.6.2 De verschillende resultaten van Huishoudelijke ondersteuning

De noodzakelijke ondersteuning bij het uitvoeren van huishoudelijke taken is vertaald in de onderstaande categorieën. Deze categorieën omvatten diverse concrete activiteiten die hieronder nader zijn uitgewerkt.

Resultaat 1: schoon en leefbaar huis

Bij dit resultaat bestaat géén structureel basisniveau van een schoon en leefbaar huis, in sommige uitzonderlijke gevallen is zelfs een hoger niveau van hygiëne gewenst.

Het basisniveau van een schoon en leefbaar huis omvat een schoon, opgeruimd en georganiseerd huishouden. Denk voor specifieke huishoudelijke taken aan bijvoorbeeld het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van vloeren en sanitair.

Een hoger niveau van hygiëne kan nodig zijn door medische beperkingen waaruit een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is. Ook kan dit van toepassing zijn als aantoonbare medische beperkingen leiden tot een snellere vervuiling van het huis.

Bij het inzetten van huishoudelijke ondersteuning kan de grootte van het huis(houden) of de aanwezigheid van dieren incidenteel leiden tot een hogere intensiteit.

Resultaat 2: Wasverzorging

Als er een algemene voorziening is in de regio waarvan gebruik gemaakt kan worden, is dit voorliggend op een individuele indicatie voor wasverzorging.

Wasverzorging vanuit de Wmo is alleen mogelijk wanneer een algemene voorziening voor de wasverzorging niet mogelijk is en als iemand niet staat is om zelf om met hulp vanuit het netwerk, verdeeld over de week, de was in het uit de wasmachine en droger te halen.

Met betrekking tot het strijken van wasgoed heeft de CRvB een uitspraak gedaan dat dit niet geindiceerd hoeft te worden (CRvB 2-4-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:601).

Resultaat 3: Boodschappen

Het laten bezorgen van de boodschappen door een boodschappenservice wordt gezien als algemeen gebruikelijk. Er zijn diverse supermarkten die deze dienst aanbieden. In veel gevallen kan een inwoner (eventueel met behulp van een vervoershulpmiddel als een rollator of een scootmobiel) zelf de kleine boodschappen doen, als nodig meerdere keren per week. De zware boodschappen kunnen dan worden opgespaard en met een boodschappenservice besteld worden of ze kunnen eventueel worden gedaan door bijvoorbeeld het sociaal netwerk of een vrijwilliger. Het afgeven van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de boodschappen behoort om bovenstaande redenen tot de strikte uitzonderingssituaties (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3690).

Resultaat 4: Regie, organisatie en advies/instructie/voorlichting (AIV)

Het kan zijn dat een inwoner niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Of dat niet meer verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt als er psychogeriatrische en psychische problemen zijn of disfunctioneren dreigt. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de inwoner extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor 30 minuten per week structureel extra worden geindiceerd. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een inwoner de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk.

AIV kan ook betrekking hebben op het, op tijdelijke basis, aanleren van praktische vaardigheden in het huishouden van een inwoner. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de inwoner. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een inwoner zelf in staat geacht wordt om te kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van begeleiding.

Resultaat 5: Maaltijden

Er wordt hierbij uitgegaan van het één keer per dag klaarzetten van twee broodmaaltijden en/of het opwarmen van één warme maaltijd. Het eten geven en het toezicht houden op het eten valt onder de verantwoordelijkheid van de Zvw. Als er sprake is van problemen met het bereiden van de broodmaaltijden, dan is er over het algemeen sprake van een grote zorgafhankelijkheid. In deze situaties is er vaak al zorg van familie en persoonlijke verzorging vanuit de Zvw aanwezig. Daarnaast kunnen inwoners gebruik maken van kant-en-klaar maaltijden of bijvoorbeeld Tafeltje-dekje, een algemene voorziening. De inzet van de maatwerkvoorziening op dit resultaatgebied wordt daarom alleen in uitzonderlijke situaties toegekend.

Resultaat 6: Thuis zorgen voor kinderen tot en met 8 jaar

Tot het voeren van een gestructureerd huishouden behoort ook het verzorgen van minderjarige kinderen. De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is primair een taak van de ouders. Als ouders ondersteuning bij de zorg voor hun kind nodig hebben vanwege beperkingen van het kind en daardoor vastlopen in het opvoeden, moet gekeken worden naar ondersteuningsmogelijkheden vanuit de Jeugdwet.

Werkende ouders moeten ervoor zorgen dat er opvang voor de kinderen is op tijden dat zij beiden werken. Bijvoorbeeld door grootouders, een oppas aan huis in te huren of kinderopvang. Al deze vormen van invulling en oplossingen vallen onder de eigen kracht.

Wanneer één van de ouders niet in de zorg voor inwonende kinderen kan voorzien, is het uitgangspunt dat de andere ouder dit overneemt. Wanneer de ouders samen één huishouden vormen, wordt dit bovendien gezien als gebruikelijke hulp. Aanvullend op de eigen mogelijkheden (het is nooit ter volledige vervanging) kan voor de zorg voor inwonende kinderen tot de leeftijd tot en met 8 jaar extra huishoudelijke ondersteuning in de vorm van kindzorg voor de duur van maximaal 3 maanden worden geïndiceerd. Dit kan alleen als sprake is van een onvoorziene, acute situatie én de ondersteuningsvraag niet geheel op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen kan worden opgelost.

De ondersteuning beperkt zich tot niet uitstelbare taken zoals het helpen met aankleden bij kinderen tot en met 8 jaar (zie onderstaand kader voor normtijden, welke zijn overgenomen uit het CIZ indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden uit 2006) en heeft als doel ouders in staat te stellen een duurzame oplossing te treffen. Van hen wordt daarom verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden.

Normtijden van kindzorg zijn:

-Naar bed brengen: 10 minuten per keer per kind

-Uit bed halen: 10 minuten per keer per kind

-Wassen en kleden: 30 minuten per kind

-Eten/en of drinken geven: 20 minuten per broodmaaltijd/25 minuten per warme maaltijd

-Babyvoeding (fles geven):10 minuten per keer per kind

-Luier verschonen: 10 minuten per keer per kind

-Naar school/kinderdagverblijf of peuterspeelzaal brengen: 15 minuten per keer per gezin

Het is hierbij mogelijk om taken te combineren bijvoorbeeld meerdere kinderen tegelijkertijd naar bed te brengen. Bovenstaande tijden gelden tot een maximum van 40 uur per week voor een maximum van drie maanden en zoveel korter als mogelijk. In deze periode heeft de inwoner de mogelijkheid te zoeken naar een eigen oplossing. Als deze eigen oplossing, aantoonbaar niet beschikbaar is, kan de inzet van kindzorg verlengd worden.

Van kinderen vanaf 9 jaar wordt verwacht dat zij bovenstaande taken, voor zover van toepassing, zelfstandig, dan wel met aansturing/toezicht kunnen uitvoeren. Als het kind op basis van diagnostiek niet in staat is om deze taken (zelfstandig) uit te voeren, kan de leeftijdsgrens voor dit kind hoger vastgesteld worden. Wat betreft het brengen naar en halen van school, zal individueel bekeken worden of en welke ondersteuning hierbij benodigd is. Onder andere worden hierbij de afstand naar de betreffende school, de verkeerssituatie en het verkeersinzicht van het kind betrokken.

7.7 Normenkader en normtijden

7.7.1 Normenkader HO (HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2025)

Per inwoner wordt beoordeeld welke indicatie (= minuten per week of per twee weken) noodzakelijk is om de resultaten te bereiken. Om de indicatie zo goed en objectief mogelijk vast te stellen, wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (Bureau HHM); hierna Normenkader HO. Deze beleidsregels zijn gebaseerd op het onlosmakelijk verbonden Normenkader HO. Het Normenkader is leidend omdat deze op basis van onderzoek bij en met vele inwoners en in afstemming met diverse deskundigen tot stand is gekomen.

Normenkader als richtlijn

De doelen van het Normenkader HO zijn om zowel uniformiteit als maatwerk in de toekenning van huishoudelijke ondersteuning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, waarbij deze is gebaseerd op volledige overname van het huishouden door een professional. Iedere individuele situatie wordt apart onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend.

Gemiddelde inwonersituatie

Het Normenkader HO gaat uit van een gemiddelde inwonersituatie (= basis-inwonersituatie) Daarmee krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Uit het HHM-onderzoek blijkt dat onder een gemiddelde situatie wordt verstaan:

-een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

-wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

-er zijn geen huisdieren die extra inzet van ondersteuning vragen;

-de inwoner kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

-de inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

-er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

-er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de inwoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

-de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

Individuele situaties

Er zijn factoren die ervoor zorgen dat een situatie niet-gemiddeld is. Hier is dan een andere inzet en/of frequentie van activiteiten of een andere tijdsbesteding nodig. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee krijgt iedere inwoner maatwerk.

Kenmerken inwoner

1Mogelijkheden inwoner zelf: de fysieke mogelijkheden van de inwoner om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de inwoner mee.

2Beperkingen en belemmeringen van de inwoner, die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Dit kan op twee manieren uitwerken:

a.Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremors, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur).

b.Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de inwoner voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD.

3Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers: de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de inwoner en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.

Kenmerken huishouden

1Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk, gebruikelijke hulp). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.

2Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan incidenteel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (bijvoorbeeld een niet verharende hond.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de inwoner moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen.

Kenmerken woning

1Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de inwoner nodig zijn over wie wat doet in het huishouden.

2Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.

3Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

7.7.2 Normtijden Huishoudelijke ondersteuning

Als een inwoner een melding maakt om in aanmerking te komen voor een indicatie Huishoudelijke ondersteuning start de casemanager Wmo een onderzoek en gaat in gesprek met de inwoner.

De casemanager Wmo onderzoekt eerst welke ondersteuning de inwoner naar aard en omvang (bruto) nodig heeft.

Vervolgens wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn vanuit eigen kracht, het sociaal netwerk of andere voorliggende opties/ voorzieningen om invulling te geven aan deze ondersteuningsvraag.

Daaruit volgt welke (netto) ondersteuning vanuit de Wet nodig is, in de vorm van een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij het huishouden.

De casemanager Wmo gebruikt dit normenkader als hulpmiddel, als leidraad, om te komen tot een professionele afweging over de benodigde ondersteuning op maat van de individuele inwoner. Dit wordt per sub-resultaat (schoon en leefbaar huis, wasverzorging, etc.) bekeken en daarna opgeteld tot de totaal te indiceren tijd. Hierbij wordt de situatie van de inwoner vergeleken met de ‘gemiddelde inwonersituatie’ ofwel de ‘ijk-cliënt’. Dit leidt tot dezelfde of ‘meer’ of ‘minder’ inzet van ondersteuning dan de volledige overname die voor de ijk-cliënt aan de orde is. Het resultaat is ondersteuning op maat van de individuele inwoner, die wordt vastgelegd in de indicatie (besluit).

Huishoudelijke ondersteuning één keer in de twee weken

Het HHM normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2025 onderbouwt dat bij een indicatie van een keer in de twee weken niet de wekelijkse indicaties opgeteld hoeven te worden, maar een lagere indicatie mogelijk is. Bij de basismodule van 125 minuten per week hoort een basismodule van 150 minuten per twee weken. Niet alles hoeft immers dubbel schoongemaakt te worden; ook al is een vloer na twee weken wat vuiler, dan nog is 1x stofzuigen voldoende.

Tweewekelijks schoonmaken kan geïndiceerd worden als het passend is en is uiteraard alleen mogelijk als frequentere schoonmaak niet noodzakelijk is, zoals bijvoorbeeld bij COPD of vatbaarheid voor infecties.

Hoofdstuk 8 (Groeps-)Begeleiding

8.8 Maatwerkvoorziening Groepsbegeleiding

8.8.1 Omvang van indicatie

Bij groepsbegeleiding is het belangrijk dat goed gekeken wordt welke activiteiten verdeeld over de week de inwoner al heeft. Groepsbegeleiding wordt ingezet om te werken aan doelen en is niet als puur recreatieve activiteit bedoeld.

Als uitgangspunt geldt dat groepsbegeleiding voorgaat op individuele begeleiding, tenzij ingeschat wordt dat dit onvoldoende passend is. Met passend wordt o.a. bedoeld groepsdynamiek – inzet van ervaringsmedewerkers.

Voor groepsbegeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen een ontwikkelgerichte of behoud gerichte indicatie. In verband met het verschil in tarief (als gevolg van verschillende eisen aan personeel) wordt bij groepsbegeleiding met een behoudsindicatie onderscheid gemaakt naar de doelgroep psychogeriatrie en de doelgroep overig.

Daarnaast wordt per dag, als de inwoner niet in staat is op eigen kracht en met eigen mogelijkheden de locatie te bereiken, een toeslag voor “vervoer gewoon” of “vervoer rolstoel” toegekend .

Omvang van indicatie

ONTWIKKELGERICHT

BEHOUDGERICHT

1t/m 4 dagdelen p/w

Ontwikkelgericht 1 (DBO-1)

Doel: Ontwikkelen van vaardigheden van de inwoner.

Behoudgericht 1 (DBB-1)

Doel: Behouden van vaardigheden, ontlasten van de mantelzorg

5t/m 9 dagdelen p/w

Ontwikkelgericht 2 (DBO-2)

Doel: Ontwikkelen van vaardigheden van de inwoner

Behoudgericht 2 (DBB-2)

Doel:

Behouden van vaardigheden, ontlasten van de mantelzorg

Bron: Normenkader HHM Wmo-Begeleiding en groepsbegeleiding 2020

Als een indicatie voor 6 of meer dagdelen aan de orde is, wordt onderzocht of Wlz aan de orde is.

8.8.2 Afwijzingsgronden

Er is geen sprake van groepsbegeleiding wanneer:

-Het hoofddoel het ontmoeten van anderen is in het kader van bestrijding van eenzaamheid of het bevorderen van sociale zelfredzaamheid;

-Het hoofddoel het leveren van vrijwilligerswerk is;

-De inwoner in aanmerking komt voor zorg uit de Wlz;

-De activiteiten als vrijetijdsbesteding kunnen worden getypeerd;

-Er sprake is van therapie vanuit behandeling.

De casemanager Wmo kijkt dan samen met de inwoner en zijn/haar netwerk wat een passend aanbod is in de wijk (voorliggend veld) waaraan hij zelf of eventueel met behulp van eigen netwerk, vrijwilligers of aangestuurd door een ambulant begeleider kan meedoen.

Hoofdstuk 9 Kortdurend verblijf

9.6 Maatwerkvoorziening Kortdurend verblijf

9.6.1 Doel

Het doel van de inzet van kortdurend verblijf is de mantelzorger te ontlasten zodat deze de zorg langer vol kan houden. Zo wordt gestreefd om de inwoner met een beperking zo lang mogelijk thuis te laten wonen.

Kortdurend verblijf, vanuit de Wmo 2015 geïndiceerd, wordt in beginsel voor maximaal drie etmalen per week toegekend, afhankelijk van de specifieke situatie van de betreffende inwoner. De inwoner en diens mantelzorger kunnen deze etmalen naar eigen inzicht inzetten wanneer behoefte is aan ontlasten. Dat kan de ene week meer zijn dan in de andere week.

Een uitzondering op het maximum van drie etmalen per week kan worden gemaakt om incidenteel een kortdurend verblijf van één of twee weken toe te kennen zodat de mantelzorger op vakantie kan.

Als langere periode van ontlasten van de mantelzorger nodig is, is het mogelijk om de maximale etmalen per maand/ kwartaal/ half jaar/ jaar aansluitend op te nemen.

9.6.2 Indicatieduur

De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf kan voor maximaal twaalf maanden worden toegekend. Als deze periode van twaalf maanden verlopen is en verlening van de inzet van kortdurend verblijf nodig is, vindt een nieuw gesprek plaats.

9.6.3 Locatie en verantwoordelijkheden

De instelling waar de inwoner kortdurend verblijft, is niet verantwoordelijk voor de levering van persoonlijke verzorging als dit nodig is. Verpleging en persoonlijke verzorging valt buiten de reikwijdte van de Wet. Als verpleging en persoonlijke verzorging nodig is, moet hiervoor apart een indicatie op grond van de Zvw worden aangevraagd. Bij een al bestaande indicatie vanuit de Zvw wordt verpleging of de persoonlijke verzorging op locatie van de instelling van het kortdurend verblijf geregeld .

Begeleiding hoort niet tot de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf. Ook hiervoor geldt dat dit vanuit de aparte indicatie vanuit de Wet ingezet wordt.

9.6.4 Vervoer

De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Dit kan door middel van eigen vervoer, met hulp vanuit het eigen netwerk of door gebruik te maken van de Wensbus of de collectieve vervoersvoorziening (CVV).

Hoofdstuk 10 Beschermd Wonen

10.4 Maatwerkvoorziening Begeleiding + Bereikbaarheid en Beschikbaarheid + Intramuraal Wonen

10.4.1 Begeleiding

Op woonlocatie wordt individuele begeleiding gegeven voor het werken aan individuele doelen. De inzet van deze begeleiding wordt individueel vastgesteld.

10.4.2 Bereikbaarheid en beschikbaarheid intensief

Bereikbaarheid en beschikbaarheid intensief (slapende of wakende wacht) is bedoeld voor inwoners die 24/7 verblijf nodig hebben. De begeleider is fysiek aanwezig en direct bereikbaar.

Deze bereikbaarheid en beschikbaarheid is gericht op de veiligheid van mensen die het risico lopen op (zelf) verwaarlozing of een gevaar voor zichzelf of anderen vormen. Er wordt een snelle interventie geboden bij incidenten en calamiteiten en/of de inwoner kan 24 uur per dag terugvallen op deskundig en bekwame medewerkers.

De begeleider moet binnen 10 minuten op de plek van vraag aanwezig zijn.

De begeleider ondersteunt in het dag- en nachtritme, bij acute problemen en kan direct reageren op situaties die het dagelijks leven van inwoners verstoren. Hier gaat het om de onplanbare momenten van ondersteuning.

10.4.3 Bereikbaarheid en beschikbaarheid basis

Bereikbaarheid en beschikbaarheid basis in combinatie met intramuraal wonen is bedoeld voor inwoners met psychische of psychosociale problemen met een begeleidingsvraag waarbij 12 uur per dag toezicht en nabijheid noodzakelijk is. Naast deze 12 uur toezicht en nabijheid is er 24 uur bereikbaarheid beschikbaar voor wanneer het de inwoner niet lukt om zijn zorgvraag uit te stellen tot de eerstvolgende dag. Kan de begeleider de vraag niet telefonisch afhandelen, dan moet de begeleider binnen 30 minuten op locatie aanwezig zijn.

Hier gaat het om bereikbaarheid op afstand voor de inwoner om acute problemen te bespreken en eventueel op afstand begeleiding te kunnen leveren, dan wel begeleiding bieden om de betreffende hulpvraag te kunnen uitstellen.

Dat betekent dat begeleiding niet op locatie aanwezig hoeft te zijn, maar (telefonisch) bereikbaar is. Als inwoner op afstand niet geholpen kan worden, moet de zorgaanbieder binnen 30 minuten ter plaatse zijn.

10.4.4 Activiteiten intramuraal wonen

Het schoonhouden van de woonruimte is inbegrepen, maar de woonruimte wordt in principe samen met de inwoner schoongehouden. Dit geldt ook voor het bereiden van maaltijden.

Onderdeel van het Wonen zijn ook activiteiten die in het kader van welzijn worden geboden. Te denken valt aan gezamenlijke momenten voor bijvoorbeeld ontmoeting, het creëren van een dagstructuur, het aanbieden van activiteiten in de eigen omgeving met betrekking tot het vergroten van de zelfredzaamheid. Ook uitstapjes om een invulling te geven aan het weekeinde zijn onderdeel van het intramuraal wonen.

De inwoner verblijft op een locatie waarbij de nadruk ligt op het stabiliseren van de situatie met als doel toewerken naar uitstroom naar zelfstandig wonen.

Binnen het product intramuraal Wonen zijn inbegrepen:

Wonen

-schoonmaak (eigen en algemene ruimten);

-voeding (incl. voedingssupplementen, mag ook voedingsbudget zijn) te weten 3 maaltijden per dag, voldoende drinken (koffie, thee en frisdranken) fruit en tussendoortjes;

-mogelijkheid om kleding te wassen;

-algemene ruimte waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten;

-welzijn en recreatie;

-inrichting (bed, kast, tafel, stoel, lampen, vloerbedekking en gordijnen, matras, beddengoed en handdoeken);

-verzekeringen(opstal en inboedelverzekering van de woonruimte);

-gemeentelijke lasten en overige heffingen zoals rioolheffing, afvalstoffenheffing, onroerende zaak belasting zowel t.a.v. eigendom als gebruik, omslagen van het Waterschap;

-televisieaansluiting; internet/ wifi/ glasvezel/ tv abonnement;

-gas, water en elektra kosten zowel vaste als variabele kosten; waaronder energieheffingen. (eigen ruimte, algemene ruimten);

-huurders- alsmede eigenaarsonderhoud van de onroerende zaak; de gemeenschappelijke ruimten en het onderhoud van een eventuele gemeenschappelijke tuin;

-kosten van beheer.

Woonbegeleiding (dagelijks van 7:00-20:00uur)

-Signalering, toezicht, bereikbaarheid en beschikbaarheid;

-Onplanbare begeleiding;

-Begeleiding bij behalen van de volgende resultaten o.a. o gezond dag- nachtritme;

•passende dagstructuur;

•zelfverzorging en gezondheid (waaronder voeding);

•overige, eventueel in groepsverband op locatie.

10.4.5 Toegang

De uitvoering van het indicatie traject wordt door de Coördinerende gemeente Sittard-Geleen uitgevoerd. Dit geldt zowel voor de besluitvoering (indicatiestelling) als voor het volledig uitvoeren van de indicatie voor regio Westelijke Mijnstreek. Hierbij stelt de gemeente Sittard-Geleen voor alle Westelijke Mijnstreek gemeenten (Sittard-Geleen, Beek en Stein) de indicaties vast voor Begeleiding Individueel, Bereikbaarheid en Beschikbaarheid (intensief) en Intramuraal Wonen. Daar waar (optioneel) dagbesteding nodig is, zal de gemeente Sittard-Geleen een advies voor de gemeente Beek opstellen.

10.5 Maatwerkvoorziening Begeleiding + Bereikbaarheid en Beschikbaarheid basis (zonder verblijf, Beschermd Thuis)

10.5.1 Begeleiding

Begeleiding is gericht op het vergroten/ontwikkelen van de zelfredzaamheid & participatie van de inwoners samen met zijn netwerk. Begeleiding is niet bedoeld ter vervanging van behandeling op basis van de Zorgverzekeringswet en/of ter overbrugging wanneer een inwoners op de wachtlijst staat voor behandeling op basis van de Zorgverzekeringswet.

10.5.2 Bereikbaarheid en beschikbaarheid basis

Bereikbaarheid en beschikbaarheid basis is bedoeld voor inwoners met psychische of psychosociale problemen met een begeleidingsvraag waarbij bereikbaarheid op afstand noodzakelijk is.

Hier gaat het om bereikbaarheid op afstand voor de inwoner om acute problemen te bespreken en eventueel op afstand begeleiding te kunnen leveren, dan wel begeleiding bieden om de betreffende hulpvraag te kunnen uitstellen. Dat betekent dat begeleiding niet fysiek aanwezig hoeft te zijn, maar (telefonisch) bereikbaar is. Als de inwoner op afstand niet geholpen kan worden, moet de aanbieder binnen 30 minuten ter plaatse zijn.

10.5.3 Toegang

De toegang van de gemeente Sittard-Geleen voert het onderzoek uit en stelt een advies op voor de gemeente Beek. Hierbij gaat het om een combinatie van minimaal begeleiding en bereikbaarheid en beschikbaarheid. De gemeente Beek neemt vervolgens zelfstandig een besluit (indicatiestelling) op basis van het advies.

Hoofdstuk 11 Safehouse

11.4 Indicatie

11.4.1 toegang

De uitvoering van het indicatie traject wordt door de Coördinerende gemeente Sittard-Geleen uitgevoerd. Dit geldt zowel voor de besluitvoering (indicatiestelling) als voor het volledig uitvoeren van de indicatie voor regio Westelijke Mijnstreek. Hierbij stelt de gemeente Sittard-Geleen voor alle Westelijke Mijnstreek gemeenten (Sittard-Geleen, Beek en Stein) de indicaties vast voor Safehouses.

Hoofdstuk 12 Rolstoelvoorzieningen

12.6 Maatwerkvoorziening rolstoel

12.6.1 Categorieën en indicatiestelling

Er zijn verschillende categorieën rolstoelen. De gemeente bepaalt welke categorie rolstoel wordt ingezet. In het vigerende Besluit zijn de categorieën met rolstoelen vermeld.

Bij de indicatiestelling stelt het college een functioneel programma van eisen (pve) op inclusief de rolstoelcategorie. De leverancier van de rolstoel kiest vervolgens welk merk en type het meest passend is bij het functioneel pve en levert deze rolstoel (selectie). De gemeente kan de keuze van de leverancier controleren zodat de medische situatie en de beperkingen ook altijd in lijn zijn met de gekozen en gerealiseerde rolstoel. Als dat laatste niet het geval is verzoekt de gemeente de leverancier om de gerealiseerde voorziening in lijn te brengen met de medische situatie en de geobjectiveerde beperkingen.

De meeste rolstoelen worden tegenwoordig in standaarduitvoeringen geleverd. Bij de keuze van de rolstoel wordt gezocht naar een rolstoel die in een standaarduitvoering zo passend mogelijk is en ook zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de voor de inwoner noodzakelijke specificaties. Toch zullen in een aantal gevallen meer individuele aanpassingen noodzakelijk zijn. Vanuit de Wet zal altijd de keuze voor een goedkoopst compenserende uitvoering leidend zijn. Soms bestaat het aanpassen van de rolstoel uit het toevoegen van standaard rolstoelonderdelen. In andere gevallen moet een aanpassing individueel en op maat gemaakt worden.

De inwoner moet goed met de rolstoel omgaan. Hiervoor wordt een gebruikersovereenkomst afgesloten met de gemeente, de leverancier en de inwoner (gebruiker). In de gebruikersovereenkomst staan rechten en plichten van de inwoner over het correct gebruik door de inwoner van het hulpmiddel.

12.6.2 Accessoires

Ook kunnen accessoires op de rolstoel nodig zijn om de rolstoel tot een passend hulpmiddel te maken. Zowel de aanpassingen als de accessoires moeten medisch noodzakelijk zijn. Daarnaast moeten de aanpassingen en accessoires tot doel hebben om de rolstoel een passende voorziening te maken om de rolstoelgebruiker buitenshuis en/of binnenshuis adequaat te laten verplaatsen.

Accessoires die niet medisch noodzakelijk zijn, worden doorgaans als algemeen gebruikelijk beschouwd en daarom niet vergoed. Denk bijvoorbeeld aan:

-boodschappenmand of bagagetas

-extra spiegel op de rolstoel

-regenpakken

-winterbekleding, been/ voetzak

-accessoires als niet-doorzichtige spaakbeschermers met prints.

Fabrikanten voorzien sommige rolstoelen standaard van algemeen gebruikelijke accessoires. Deze accessoires zitten dan automatisch op de rolstoelen bij verstrekking. Maar hier kunnen geen rechten aan ontleend worden bij vervanging van de rolstoel.

12.6.3 Rijlessen

Binnen het contract Hulpmiddelen is met de leveranciers afgesproken dat bij passing en/of aflevering van het hulpmiddel met elektrische (hulp)aandrijving een rijles van een half uur verplicht is. De leverancier geeft een schriftelijke terugkoppeling van deze rijles.

Als de rijlessen ter beoordeling van de rijvaardigheid of het leren omgaan van een hulpmiddel met elektrische (hulp)aandrijving zijn en meer dan een half uur bedragen, wordt hiervoor een ergotherapeut ingeschakeld (vergoeding vanuit de Regeling Extramurale Eerstelijns Ergotherapie).

Als uit de rijlessen blijkt dat de inwoner niet rijvaardig wordt geacht, wordt het hulpmiddel niet verstrekt of wordt het hulpmiddel ingenomen. Er wordt dan op basis van het verplaatsingsdoel en de verplaatsingsbehoefte gekeken of een andere voorziening ingezet moet en kan worden.

Hoofdstuk 13 Vervoersvoorzieningen

13.8 Individuele maatwerkvoorzieningen vervoer

13.8.1 Accessoires

Ook kunnen accessoires op de rolstoel nodig zijn om de vervoersvoorziening tot een passend hulpmiddel te maken. Zowel de aanpassingen als de accessoires moeten medisch noodzakelijk zijn. Daarnaast moeten de aanpassingen en accessoires tot doel hebben om de rolstoel een passende voorziening te maken om de rolstoelgebruiker buitenshuis en/of binnenshuis adequaat te laten verplaatsen.

Accessoires die niet medisch noodzakelijk zijn, worden doorgaans als algemeen gebruikelijk beschouwd en daarom niet vergoed. Denk bijvoorbeeld aan:

-boodschappenmand of bagagetas;

-extra spiegel op de rolstoel;

-regenpakken;

-winterbekleding, been/ voetzak;

-accessoires als niet-doorzichtige spaakbeschermers met prints.

Fabrikanten voorzien sommige vervoersvoorzieningen standaard van algemeen gebruikelijke accessoires. Deze accessoires zitten dan automatisch op de rolstoelen bij verstrekking. Maar hier kunnen geen rechten aan ontleend worden bij vervanging van de voorziening.

13.8.2 Verstrekkingsvorm en procedure

Vervoersvoorziening in natura (ZIN)

Een vervoersvoorziening in natura wordt gehuurd van de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten. De leverancier levert de vervoersvoorziening en de leverancier is ook verantwoordelijk voor het afsluiten van een verzekering en verzorgt het onderhoud en reparatie van de vervoersvoorziening. De leverancier stelt als voorwaarde aan de inwoner dat hij de vervoervoorziening “als een goed huisvader” gebruikt. De gebruiker van het hulpmiddel sluit met de leverancier een bruikleenovereenkomst af. De gemeente betaalt huur aan de leverancier voor de geleverde voorzieningen.

Persoonsgebonden budget (pgb)

Zie ook hoofdstuk 5 Verstrekkingsvormen.

Een pgb is een geldbedrag om zelf een voorziening mee aan te schaffen. De inwoner is naast de aanschaf van de voorziening, ook zelf verantwoordelijk voor verzekering, onderhoud en reparatie, deze kosten maken onderdeel uit van het pgb-bedrag. Bij een pgb is de voorziening die de inwoner als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de maximale hoogte van het bedrag.

Een pgb voor een vervoersvoorziening wordt in principe één keer in de zeven jaar verstrekt. Het kan voorkomen dat door een veranderde (medische) situatie van deze termijn wordt afgeweken. Het door de gemeente opgestelde eisenpakket voor de voorziening blijft leidend. Het door de klant zelf aangeschafte middel moet aan het eisenpakket te voldoen.

13.8.3 Rijlessen

Binnen het kader van de Wet zijn er voor diverse vervoersvoorzieningen rijlessen mogelijk. We onderscheiden binnen de Wet twee mogelijkheden.

-Rijles bij aflevering van de voorziening. Dit gebeurt door de leverancier. Hierin gaat de leverancier samen met de inwoner kijken hoe met de vervoersvoorziening omgegaan moet worden. Hieronder valt ook gedurende één uur het geven van een gewenning les.

-Rijvaardigheids- en gewenning lessen. Deze rijlessen worden voornamelijk extramuraal ingezet bij een ergotherapeut (vergoeding vanuit Regeling Extramurale Eerstelijns Ergotherapie).

-Als uit de rijlessen blijkt dat de inwoner niet rijvaardig wordt geacht, kan niet overgegaan worden tot verstrekking van dit hulpmiddel of zal het hulpmiddel ingenomen worden. Er zal dan op basis van het verplaatsingsdoel en de verplaatsingsbehoefte gekeken worden of er een andere voorziening ingezet moet en kan worden.

Hoofdstuk 14 Woonvoorzieningen

14.12 Bijzondere situaties

14.12.1 Doelgroepengebouw en algemene ruimte

Bij aanpassingen aan doelgroepengebouwen (b.v. appartementen bedoeld voor senioren) zal, als een voorziening wordt gevraagd voor de openbare ruimten (toegang gebouw, toegang berging e.d.), eerst overleg worden gevoerd met de eigenaar van het gebouw of met de Vereniging van eigenaren (VVE) om te bekijken wat hun mogelijkheden zijn om aanpassingen te doen.

Voorzieningen die in gemeenschappelijke ruimten getroffen kunnen worden, zijn automatische deuropeners, drempelhulpen, hellingbanen en/of een tweede trapleuning. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten mogen nooit een belemmering vormen voor de andere bewoners en moeten voldoen aan de gangbare brand- en veiligheidsvoorschriften.

BAT methodiek

Om de toegankelijkheid van woningen te classificeren, hebben de woningcorporaties alle woningen in hun bestand ingedeeld volgens de BAT-methodiek (Bouw Advies Toegankelijkheid). Door deze methodiek te gebruiken is het voor de casemanager Wmo duidelijk of een woning geschikt is voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Woningen die behoren tot de intramurale zorg vallen buiten de wetgeving van de Wet.

De BAT-methodiek kent de volgende scores:

BAT-score 0: Niet geschikt voor wonen met een mobiliteitsbeperking, (géén bijzondere toegankelijkheid).

BAT-score 1: Wandelstokgeschikt. Gelijkvloerse woning.

BAT-score 2: Rollator bewoonbaar.

BAT-score 3: Rolstoel bewoonbaar.

BAT-score 4: Geschikt voor verpleegzorg thuis. Extra ruime rolstoelwoning.

De rolstoel- en rollator bewoonbare woningen (BAT 2 en 3) zijn standaard voorzien van:

-een douchevloer op afschot;

-deuropeners bij de toegangsdeuren en

-drempelhulpen (of afwezigheid van dorpels) naar alle kamers.

Deze aanpassingen zijn al door de woningcorporaties aangebracht of meegenomen in de bouw c.q. renovatie en worden bij deze woningen niet vanuit de Wet betaald. Specifieke Wmo aanpassingen, zoals een onderrijdbare keuken of stomawastafel worden bij BAT 2 en 3 woningen wel vanuit de Wet gerealiseerd en betaald.

Bij de BAT-methodiek is de bereikbaarheid of toegankelijkheid van het balkon of de tuin niet meegenomen. In de Wmo is opgenomen dat toegang tot het balkon of de tuin wel mogelijk moet zijn. In voorkomende gevallen wordt maatwerk toegepast.

14.12.2 (Pre-)Mantelzorgwoning

Als sprake is van een aanvraag voor maatwerkvoorzieningen in een (pre-)mantelzorgwoning gaat de gemeente uit van de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner voor het hebben van een woning . Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Hierbij is het uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde had voor de situatie van de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen kan een mantelzorgwoning gehuurd worden. Ook kunnen deze middelen besteed worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen.

14.12.3 Bezoekbaar maken

Als de inwoner in een Wlz-instelling woont binnen onze gemeente, kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt, dan wel minder dan 18 dagen per jaar logeert, (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang tot de woning, de woonkamer en het toilet heeft. Er worden dan geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.

Als een inwoner van onze gemeente in een Wlz-instelling woont in een andere gemeente, en de intentie heeft om in onze gemeente in een woning meer dan 18 dagen per jaar te logeren (bijvoorbeeld bij ouders), kan deze woning aangepast worden, zodat logeren mogelijk wordt.

14.12.4 Overige bijzondere situaties

In bepaalde situaties kan een vergoeding voor verhuizen worden toegekend wanneer de inwoner een aangepaste woning, op verzoek van de gemeente verlaat. Denk hierbij aan een verhuizing van een partner na overlijden van de inwoner waarvoor de aanpassing noodzakelijk was.

Ook kan een vergoeding worden verstrekt voor tijdelijke dubbele woonlasten (in beginsel 3 maanden) bijvoorbeeld wanneer de inwoner gedurende de uitvoering van de woningaanpassing niet in de eigen woning kan wonen.

Als sprake is van tijdelijke huisvesting tijdens het uitvoeren van de woningaanpassing kan in bijzondere situaties overwogen worden om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken. Deze afweging is afhankelijk van de individuele situatie van de inwoner, de duur van de tijdelijke huisvesting en de noodzakelijke maatwerkvoorziening.

Bijlage 1 Begrippenlijst

Algemeen gebruikelijk

Een voorziening die niet speciaal voor mensen met een beperking is bedoeld, maar ook voor iedereen zonder beperking verkrijgbaar en betaalbaar is binnen het inkomen op minimumniveau.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Een voorziening die:

-niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

-daadwerkelijk beschikbaar is;

-een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;

-financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau

Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL)

Verrichtingen die de basishandelingen omvatten die mensen dagelijks uitvoeren, zoals wassen, aankleden, eten, drinken, toiletteren en zich verplaatsen.

Algemene voorzieningen

Het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning

Gebruikelijke hulp

Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

Gebruikelijke kosten

Kosten die gemaakt worden voor gebruikelijke hulp of voor gebruikelijke apparaten en/of hulpmiddelen.

Gebruikelijke voorziening

Een product of dienst die niet specifiek voor mensen met een beperking bedoeld is, in de reguliere handel verkrijgbaar is, en vergelijkbaar geprijsd is met vergelijkbare producten. Hieronder vallen gebruikelijke apparaten en/of hulmiddelen.

IJk-cliënt

De hoeveel tijd per week die nodig is van een professional voor volledige overname van het huishouden in een ‘gemiddelde cliëntsituatie’ ofwel de ‘ijk-cliënt’. (In HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2025)

Gestructureerd huishouden

Een huis dat schoon, leefbaar en georganiseerd is, en dat er wordt voorzien in de primaire levensbehoeften zoals schoon linnengoed, schone kleding, en voldoende voedsel. Dit omvat ook de dagelijkse organisatie van huishoudelijke activiteiten zoals schoonmaken, koken, en het onderhouden van de woning, waarbij de inwoner (of de groep die het huishouden voert) de regie heeft over de uitvoering.

Informele hulp

Er is sprake van informele hulp als hulp wordt verleend door:

-een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de inwoner;

-iemand die niet werkt bij een professionele instelling voor de uitvoering van de indicatie;

-iemand die niet als zzp’er staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor de uitvoering van de indicatie;

-alle overige personen, dus ook personen uit het sociaal netwerk.

Intramuraal wonen

Een vorm van beschermd wonen met verblijf in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Leefeenheid

Een groep mensen die samen een duurzaam huishouden vormen op één adres. Het kan gaan om gehuwden, ongehuwden samenwonenden, of een alleenstaande meerderjarige met minderjarige kinderen, zolang ze duurzaam een huishouden voeren en voor elkaar zorgen, zoals het samen beheren van de financiën of elkaar verzorgen bij ziekte.

Medisch adviseur

Een arts die medische dossiers beoordeelt om advies te geven aan bijvoorbeeld een Wmo consulent, een verzekeraar, een arbodienst of een letselschadeadvocaat.

Ondersteunend vermogen

De vaardigheid en de bereidheid om anderen te helpen, te ondersteunen en te begeleiden bij het bereiken van hun doelen of het overwinnen van problemen.

Ondersteuningsplan

Een document dat afspraken over zorg en ondersteuning vastlegt.

Persoonlijk plan

Een document dat de persoonlijke situatie, doelen en behoeften van een individu beschrijft en waarin gemotiveerd is welke doelen de inwoner wil bereiken en welke ondersteuning volgens de inwoner nodig is om die doelen te bereiken.

Persoonsgeboden budget (pgb)

Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; het bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een inwoner van derden heeft betrokken.

Pgb-budgetplan

Een document waarin de inwoner onderbouwt hoe het pgb wordt besteed en hoe met de gestelde eisen aan een pgb wordt omgegaan.

Pgb-vaardigheid

De inwoner is in staat om zelf de taken en verantwoordelijkheden die bij een persoonsgebonden budget (pgb) horen, te beheren.

Positieve gezondheid

Een benadering waarbij gezondheid wordt gedefinieerd als het vermogen van mensen om zich aan te passen en regie te voeren in het licht van fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen.

Primaat (Omnibuzz en verhuizen)

Het principe dat een verhuiskostenvergoeding voorrang heeft op een woningaanpassing vanuit de Wet. Voor collectief vervoer heeft de Omnibuzz voorrang op een individuele vervoersvoorziening.

Reactieformulier

Een formulier waarin de inwoner een reactie op een gespreksverslag kan vermelden.

Safehouse

Een veilige woonomgeving waar gemotiveerde inwoners met verslavingsproblematiek kunnen werken aan hun herstel. In het safehouse krijgen inwoners herstelgerichte ondersteuning die hen helpt in hun proces.

Sociaal netwerk

Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt.

Terminale situaties

Omstandigheden waarbij de levensverwachting van de inwoner minder dan 3 maanden is.

Vigerend (beleid)

Geldend (beleid)

Voorzienbaarheid

Van inwoners mag worden verwacht dat zij zelf of samen met het eigen netwerk oplossingen zoeken voor ervaren of toekomstig te verwachten belemmeringen.

Zelfredzaamheid

De inwoner is in staat tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Zelfzorg

Het geheel van activiteiten en handelingen die iemand onderneemt om gezond te worden, gezond te blijven en het welzijn te bevorderen. Dit omvat zowel fysieke zorg (zoals gezonde voeding, beweging en rust) als mentale en emotionele zorg (zoals rust nemen, hobby's en sociale contacten).

Zinvolle daginvulling

Een structurele invulling van de dag, ter vervanging van school of werk, met activiteiten die aansluiten bij persoonlijke wensen en capaciteiten.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.