Gemeentelijke regelgeving

Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening

Gemeente Barendrecht · geldt sinds 29 juni 2012

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders stellen de volgende regeling vast.

2. Procedure

2.1 Toetsing verzoek

Een verzoek om vrijstelling kan al dan niet gepaard gaan met een verzoek om bouwvergunning.

De toetsing van een verzoek om vrijstelling vindt plaats aan de hand van algemene en specifieke

toetsingscriteria. De algemene criteria gelden voor alle vrijstellingsverzoeken. De specifieke criteria

zijn alleen van toepassing voor bepaalde soorten of categorieën bouwwerken of gebieden.

De algemene en specifieke toetsingscriteria worden beschreven in respectievelijk paragraaf 3 en 4

van deze nota.

2.2. Keuze van de (lichtste) procedure en het doorlopen hiervan

Indien de gemeente wenst mee te werken aan een vrijstellingsverzoek, wordt bepaald welke

vrijstellingsprocedure gevolgd moet worden. Hierbij geldt dat omwille van efficiency altijd wordt

gekozen voor de minst zware procedure aan de hand van het onderstaande schema:

Vrijstellingsverzoeken Vrijstellingsverzoeken

Permanent Tijdelijk

(meer dan 5 jaar) ( minder dan 5 jaar)

Artikel 17 WRO

Binnenplanse

Artikel 15 WRO

Artikel 19 lid 3 WRO

In gevallen conform

art. 20 BRO

Artikel 19 lid 2 WRO

In gevallen conform

algemene/specifieke

verklaring van geen

bezwaar

Artikel 11 WRO

(Indien)

Wijzigingsmogelijkheid

binnen het

bestemmingsplan

Artikel 19 lid 1 WRO

Na de keuze voor de te volgen procedure kan deze worden gestart. De procedures zijn wettelijk

vastgelegd in:

•het bestemmingsplan – o.g.v. art. 11 en 15 WRO

•de Wet op de Ruimtelijke Ordening - art. 17, 18 19.1, 19.2, 19.3 en 19a WRO

4. Specifieke toetsingscriteria

4.1 Balkons en Dakterrassen

Het komt steeds vaker voor dat een dakvlak geschikt gemaakt wordt voor het gebruik als dakterras of

balkon. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaat hier bezwaar tegen voor zover de belijning van de

architectuur van de gebouwen verstoord wordt. Medewerking aan verzoeken om vrijstelling voor een

balkon/dakterras wordt slechts verleend indien en slechts voor zover dit al in de bestaande

architectuur van het pand en/of bouwblok aanwezig is en/of tijdens de bouw als optie is

aangeboden. Tevens zal altijd rekening gehouden worden met burenrechtelijke bepalingen uit het

Burgerlijk Wetboek.

4.2 Zendmasten

De aanwezigheid van zendmasten voor UMTS en GSM zorgt in veel gevallen voor de nodige

maatschappelijke onrust. Voor een deel vloeit deze voort uit het gebrekkige inzicht dat op dit

moment bestaat in de lange termijneffecten van GSM/UMTS zendmasten op de gezondheid.

Daarnaast bestaan er ook stedenbouwkundige en welstandsbezwaren tegen dergelijke masten. Om

deze reden wordt geen medewerking verleend aan een verzoek om vrijstelling ten behoeve van een

GSM-/UMTS zendmast

4.3 Beroep of bedrijf aan huis

Thuiswerken wordt steeds populairder. Het aantal bedrijfjes dat in woningen gevestigd is neemt toe.

Thuiswerken kan een woonomgeving verlevendigen. Maar het uitoefenen van een beroep of een

bedrijf in een woning kan ook ongewenste situaties met zich meebrengen. Voor het starten van een

bedrijf aan huis is vaak meer nodig dan een vrijstelling van een bestemmingsplan. Voor wat betreft

vrijstellingen wordt alleen medewerking verleend aan verzoeken indien wordt voldaan aan de

volgende voorwaarden:

1het pand blijft het uiterlijk van een woning houden;

2maximaal 30% van de oppervlakte van de woning wordt gebruikt ten behoeve van het bedrijf

of beroep aan huis, met een maximum van 40m²;

3er vinden geen detailhandelsactiviteiten plaats;

4er worden uitsluitend activiteiten uitgevoerd die vallen onder milieucategorie 1 uit de VNG-

brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 2 worden

toegestaan indien dit naar aard en omvang gelijk te stellen is met een bedrijfsactiviteit uit

milieucategorie 1.

5de parkeerdruk of de verkeersbelasting in het openbare gebied zal niet onevenredig

toenemen.

4.4 Aanbouwen; algemene voorwaarden

Een aanbouw architectonisch ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Daarnaast is een aanbouw ook in

bouwkundig opzicht aan het hoofdgebouw verbonden. De aanbouw kan vanuit het hoofdgebouw

worden bereikt.

Om voor vrijstelling in aanmerkingen te komen moet een aanbouw voldoen aan de volgende

algemene voorwaarden:

1De aanbouw is qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

2De aanbouw is plat afgedekt of heeft een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, helling-

en nokrichting.

3De goot- en/of bouwhoogte is niet hoger dan de eerste volledige bouwlaag boven vloerpeil

van het hoofdgebouw met een maximum van 4 meter, gemeten boven vloerpeil.

4Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 50 m² indien het

totale perceelsoppervlakte gelijk of minder is dan 250 m².

5Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 65 m² indien het

totale perceelsoppervlakte groter is dan 250 m².

6Het perceelsgedeelte achter de voorgevelrooilijn, de oppervlakte van het hoofdgebouw niet

meegerekend, mag in totaal voor niet meer dan 50% worden bebouwd.

7Indien de aanbouw plaatsvindt achter de voorgevelrooilijn met het enkele doel om de

woning levensloopbestendig te maken dan wel gebeurt op basis van een indicatie, als

bedoeld in de Wet voorzieningen gehandicapten, dan kan worden afgeweken van de in deze

beleidsregels genoemd maten. Het perceel, het hoofdgebouw niet meegerekend, mag echter

nooit meer dan 50% worden bebouwd.

4.4.1 Aanbouwen binnen de bebouwde kom

Meewerking aan vrijstellingsverzoeken wordt slechts verleend voor aanbouwen achter de

voorgevelrooilijn. Deze kunnen aan de achterzijde van de woning worden geplaatst of aan de zijkant,

zoals hieronder is afgebeeld. Vrijstelling voor dergelijke aanbouwen is verder slechts mogelijk indien

voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1De voorgevel van de aanbouw ligt op een afstand van tenminste 3 meter achter de

voorgevelrooilijn indien sprake is van een geschakelde woning en 5 meter indien het een

vrijstaande woning betreft.

2De breedte van aanbouwen aan de zijgevel van de woning bedraagt maximaal 75% van de

breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw met een maximum van 5 meter.

3De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij een aanbouw aan de zijgevel

minimaal 2 meter indien deze grenst aan de openbare weg of openbaar groen. In overige

gevallen bedraagt deze afstand minimaal 1 meter.

4De diepte van de aanbouw bedraagt niet meer dan de diepte van het hoofdgebouw.

=3 of

=5 m

Hoofdgebouw

Max. 75%

en =5m

=1 of

=2 m

=

=3 of

=5 m

Hoofdgebouw

Max. 75%

en =5m

=1 of

=2 m

=

4.4.2 Aanbouwen buiten de bebouwde kom

Vrijstelling kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

1Voor aanbouwen aan de zijgevel geldt dat deze ten minste 5 meter achter de voorgevel

liggen

2De afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 meter

4.4.2.1 Specifieke voorwaarden bij aanbouwen voor de voorgevelrooilijn

Medewerking aan bouwen voor de voorgevelrooilijn wordt zeer beperkt toegestaan omdat dit in de

regel de stedenbouwkundige en architectonische opzet van het bouwwerk en de omgeving

verstoord. Vrijstelling wordt daarom slechts verleend indien de aanbouw voldoet aan de volgende

voorwaarden:

1De overschrijding van de voorgevelrooilijn bedraagt niet meer dan 1,5 meter, gemeten vanuit

de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw.

2De breedte bedraagt niet meer dan 50% van de breedte van de gevel van het woongebouw

3De oppervlakte van de uitbouw bedraagt maximaal 6 m²

4De afstand van de aanbouw tot de openbare weg bedraagt minimaal 10 meter.

5De zijkant van de aanbouw staat op minimaal 50 cm afstand tot het hart van de bouwmuur

of is gekoppeld aan de aanbouw van de buren.

50%

=50 cm

=1,5 m

=10 m

Hoofdgebouw

voorgevelrooilijn

4.5 Bijgebouwen; Algemene voorwaarden

1Medewerking aan vrijstelling wordt slechts verleend voor bijgebouwen achter

de voorgevelrooilijn.

2Het bijgebouw is qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het

hoofdgebouw.

3Het bijgebouw is plat afgedekt of heeft een van het hoofdgebouw afgeleide

kapvorm, helling- en nokrichting.

4De goot- en/of bouwhoogte is niet hoger dan de eerste volledige bouwlaag

boven vloerpeil van het hoofdgebouw met een maximum van 4 meter,

gemeten boven vloerpeil.

5De functie van het bijgebouw mag niet detailhandel en/of wonen zijn.

4.5.1 Bijgebouwen binnen de bebouwde kom

1Het perceelsgedeelte achter de voorgevelrooilijn, de oppervlakte van het hoofdgebouw niet

meegerekend, mag in totaal voor niet meer dan 50% worden bebouwd.

2Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 50 m² indien het

totale perceelsoppervlakte gelijk of minder is dan 250 m².

3Het totale oppervlak van alle aan- en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 65 m² indien het

totale perceelsoppervlakte groter is dan 250 m²

4De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van bijgebouwen aan de zijgevel van het

hoofdgebouw bedraagt minimaal 1 meter indien de zijdelingse perceelsgrens grenst aan de

openbare weg of het openbaar groen

5De afstand tot de voorgevelrooilijn bedraagt 3 meter indien het een geschakelde woning

betreft en 5 meter in geval van een vrijstaande woning.

=3 of

=5 m

Hoofdgebouw

Max.

75%

en = 5m

=1

4.5.2. Bijgebouwen buiten de bebouwde kom

1Het perceelsgedeelte mag, het hoofdgebouw niet meegerekend in totaal voor niet meer dan

50% worden bebouwd, met een maximum van 65 m².

2Indien bestaande bijgebouwen worden vervangen door nieuwe bijgebouwen mag een

oppervlakte bebouwd worden die bestaat uit:

De oppervlakte van de bestaande bijgebouwen – (de oppervlakte van de bestaande

bijgebouwen - 65 m²)/2

3De afstand tot de voorgevelrooilijn bedraagt minmaal 5 m.

4De afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 1 m.

4.6 Dakkapellen op achterdak- en zijdakvlakken (niet gericht naar openbare weg en het openbare groen) van woningen.

Sinds 2003 kunnen dakkapellen op achterdakvlakken en zijvlakken die niet zijn gericht naar de

openbare weg of het openbare groen, onder bepaalde voorwaarden vergunningsvrij worden

geplaatst. Eén van de randvoorwaarden is dat de afstand van de onderzijde van de dakkapel tot aan

de dakvoet maximaal één meter mag bedragen. Bij woningen met dakoverstekken is, omdat deze

maat veelal wordt overschreden, een bouwvergunning noodzakelijk. Deze aanvragen zijn in strijd met

het bestemmingsplan omdat hier vaak een maximale breedte is gedefinieerd die minder ver gaat dan

vergunningvrij mogelijk is. Woningen zonder dakoverstek hebben hier geen last van en er ontstaat

een onlogische inperking van bouwmogelijkheden voor burgers die toevallig een woning met

dakoverstek bezitten.

Meewerking aan vrijstelling voor dakkapellen wordt slechts verleend bij bouwaanvragen voor

dakkapellen die voldoen aan de randvoorwaarden voor vergunningsvrij bouwen behoudens de

bovengenoemde 1 metermaat en de overschrijding van de 1 metermaat is een gevolg van een

dakoverstek.

4.7 Vlaggenmasten, baniermasten, reclamezuilen en hekwerken op

voor- en zij-erven van bedrijfsgebouwen op bedrijventerreinen

Op bedrijventerreinen laten de bestemmingsplannen op voor- en zijerven veelal geen bebouwing in

enige vorm toe. Uit de praktijk blijkt dat op deze erven behoefte is aan het plaatsen van

vlaggenmasten, banieren, reclamezuilen en hekwerken (ter beveiliging). Dit soort elementen is, mits

de architectuur en stedenbouwkundige situatie wordt gerespecteerd, aanvaardbaar. Om deze reden

wordt in dergelijke gevallen medewerking aan een vrijstellingsprocedure verleend onder de volgende

voorwaarden:

Vlaggenmasten en baniermasten:

1Maximaal één mast per 10 meter gevellengte van de gevels van het bedrijfsgebouw die

zijn georiënteerd naar de openbare weg;

2Minimale afstand tot gevel van bedrijfsgebouw bedraagt 5 meter;

3Maximale hoogte 8 meter.

Reclamezuilen:

1Afstand tot gevel van bedrijfsgebouw minimaal drie meter;

2Maximale breedte 1 meter;

3Maximale hoogte 3 meter.

Hekwerken:

1Maximale hoogte 2,2 meter;

2Op hekwerk geen hogere elementen in de vorm van lampen, prikkeldraad e.d.;

3Hekwerk in transparante vorm (bv. spijlenhekwerk);

4Hekwerk in donkere kleur (bv. donkergrijs, antraciet, donkergroen).

Bijlage 1: Begrippen

Aanbouw

Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe

verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in

architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Bijgebouw

Een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat doorde vorm onderscheiden kan worden

van het hoofdgebouw,waarmee het niet in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht

ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Rooilijn

De lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg

afgekeerde zijde niet mag worden overschreden.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.