3. Activeren
3.2 Immateriële vaste activa
3.2.1 Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio
Het BBV biedt de mogelijkheid om deze kosten van meerjarige geldleningen, gedurende de looptijd van de lening, af te schrijven. Het BBV beveelt echter aan deze kosten niet af te schrijven, maar direct als last in de exploitatie te nemen. Wij volgen dit advies en activeren deze lasten alleen, na een raadsbesluit, bij uitzondering.
3.2.2 Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief
Artikel 60 van het BBV geeft aan onder welke voorwaarde de kosten van onderzoek en ontwikkeling geactiveerd mogen worden:
a.het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
b.de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
c.het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
d.de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
Volgens deze voorwaarden is er al sprake van een redelijk omlijnd en technisch uitvoerbaar plan tot investering en dat deze investering zelf ook activeerbaar is. Voor het overige laat dit artikel de spelregels redelijk open. Wel is duidelijk dat activering niet is toegestaan als nog niet duidelijk is wat er gerealiseerd gaat worden. Ook de voorbereiding van vervangingsinvesteringen behoort niet tot deze categorie; deze lasten moeten worden geactiveerd als onderdeel van het materieel vast actief.
Als de investering tot stand komt, worden de kosten van onderzoek en ontwikkeling, zoals voorgeschreven in het BBV, in maximaal vijf jaren afgeschreven. Wordt besloten de investering niet uit te voeren, dan worden de reeds geactiveerde uitgaven afgeboekt en ten laste van de exploitatie van het lopende begrotingsjaar gebracht. Voor deze uitgaven dient dan dekking te worden gezocht.
Het onderscheid tussen kosten van onderzoek en ontwikkeling en kosten van voorbereiding van een investering is niet nader omschreven. Als scheidslijn stelt Deloitte Accountants voor het moment van besteksgereed maken en aanbesteden. Alles wat daarvoor ligt zien wij als kosten van onderzoek en ontwikkeling en mogen worden geactiveerd onder de immateriële vaste activa. Alles daarna, en daarmee na een positieve investeringsbeslissing, wordt gezien als voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend en moeten als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd onder de materiële vaste activa.
3.2.3 Bijdragen aan activa in eigendom van derden
Bijdragen in activa in eigendom van derden kunnen volgens artikel 61 van het BBV worden geactiveerd, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a.er sprake is van een investering door een derde;
b.de investering bijdraagt aan de publieke taak;.
c.de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en;
d.de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Het activeren van deze bedragen draagt niet altijd bij aan een correct inzicht in de vermogenspositie van de gemeente. De gemeente Barendrecht activeert daarom alleen, na een raadsbesluit, bij uitzondering.
Het BBV schrijft voor dat de afschrijvingstermijn maximaal gelijk wordt gesteld aan de afschrijvingsduur die door de betreffende derde wordt gehanteerd voor dit activum. In geval de termijn waarop de gemeente een dergelijke investering zelf zou afschrijven korter is, kiezen we voor de afschrijvingsduur zoals genoemd in bijlage C.
3.3 Materiële vaste activa
3.3.1 Investeringen met een economisch nut
Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Met andere woorden: de investering kan worden verkocht en er is een markt voor. Voorbeelden hiervan zijn bedrijfswagens, inventarissen of gebouwen.
Ook software behoort tot deze categorie, waarbij wel een uitzondering wordt gemaakt voor cloudtoepassingen (Software as a Service, ofwel SaaS). De gemeente sluit daarbij een overeenkomst of abonnement met de dienstverlener en schaft de software zelf niet aan. De gemeente beschikt dan niet over het juridisch of economisch eigendom. De kosten van deze overeenkomst mogen daarom niet worden geactiveerd, maar moeten worden opgenomen als exploitatielast. Dat geldt ook voor de bijbehorende implementatielasten. Er is immers geen sprake van een verkrijgingsprijs, waardoor deze lasten niet kunnen worden gekwalificeerd als bijkomende kosten.
3.3.2 Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Deze investeringen zijn feitelijk identiek aan bovenstaande categorie met de toevoeging dat een (publiekrechtelijke) bestemmingsheffing kan worden geheven ter bestrijding van de kosten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan investeringen ten behoeve van de afvalinzameling, een begraafplaats of ten behoeve van de weekmarkt.
De categorie is in het leven geroepen om de kostentoerekening aan gemeentelijke taken waarvoor een gebonden heffing kan worden gevraagd, zoals de afvalstoffenheffing, inzichtelijk te houden. Onjuiste onderbouwing van deze kostentoerekening kan juridische consequenties hebben.
De bedoelde heffing betreft ook rechten die op grond van artikel 229 lid 1a en b van de Gemeentewet geheven kunnen worden. Dit zijn rechten die maximaal kostendekkend mogen zijn, alleen besteed mogen worden aan het doel waarvoor de rechten zijn geheven en die ook een spaarbedrag voor vervanging van de betrokken activa mogen bevatten.
3.3.3 Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut
Voor deze investeringen geldt dat er geen markt voor is en ze dus niet of nauwelijks verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn wegen, fietspaden of bruggen.
In artikel 59 lid 1 van het BBV is bepaald dat alle investeringen worden geactiveerd. Dit artikel is op deze wijze pas vanaf 2017 van toepassing. Voor investeringen met een maatschappelijk nut van voor 2017 gelden de ‘oude’ regels. De Commissie BBV schrijft voor dat in het verloopoverzicht in de toelichting op de balans aangeven dient te worden welk bedrag volgens de nieuwe systematiek is verantwoord en welk deel volgens de oude systematiek.
3.3.4 Erfpacht
In lid 2 van artikel 35 BBV is opgenomen dat (afzonderlijk) wordt aangegeven welke materiële vaste activa in erfpacht zijn uitgegeven. Dit moet tot uitdrukking worden gebracht en toegelicht in de balans. Deze materiële vaste activa staan niet meer volledig ter beschikking van de gemeente; door de vestiging van een zakelijk recht zijn deze (grotendeels) vervreemd.
De Commissie BBV constateert dat in toenemende mate ook met betrekking tot gebouwen (opstallen) zakelijke rechten (zoals erfpacht) worden gevestigd. Ook in deze gevallen is artikel 35 lid 2 van toepassing.
3.3.5 Bruto-netto activeren
In artikel 62 BBV is beschreven op welke wijze de bedragen van de investeringen moeten worden geactiveerd.
Alle investeringen worden op basis van het volledige investeringsbedrag (excl. compensabele of verrekenbare btw) geactiveerd (bruto-methode). Daarop worden de bijdragen van derden die in directe relatie tot dit vaste actief staan op het investeringsbedrag in mindering gebracht (netto-methode). Een door de raad ingestelde bestemmingsreserve kan niet in mindering worden gebracht op de investering, maar wordt gebruikt ter dekking van de jaarlijkse, met de investering verband houdende afschrijvingslasten.
De wettelijke mogelijkheid bestaat om via de riool- of afvalstoffenheffing bedragen op te nemen voor toekomstige vervangingsinvesteringen. Deze bedragen moeten op grond van artikel 44 lid 1d BBV aan een voorziening worden toegevoegd. Op deze bedragen rust een verplichting en zij staan niet ter vrije beschikking van de raad. In het jaar dat de daadwerkelijke vervangingsinvestering plaatsvindt, wordt de investering geactiveerd en de vervangingsbijdrage uit de voorziening direct in mindering gebracht op de vervangingsinvestering (artikel 62 lid 3 BBV).
3.3.6 Totaalbenadering of componentenbenadering
Het BBV geeft gemeentes de mogelijkheid om bij het activeren van complexe, samengestelde investeringen te kiezen voor de totaalbenadering of de componentenbenadering.
Bij een investering in vastgoed bestaat het activum uit meerdere onderdelen, zoals de grond, het gebouw, de inventaris en de inrichting. Elk onderdeel heeft een eigen economische of technische levensduur. Als gekozen wordt voor de totaalbenadering wordt het actief als één geheel geactiveerd op de balans en geldt één afschrijvingstermijn. Grond vormt hierop een uitzondering. Omdat hierop niet mag worden afgeschreven, wordt grond buiten de totaalbenadering gelaten en apart geactiveerd.
Activeren volgens de totaalbenadering leidt ertoe dat sommige onderdelen langer worden afgeschreven dan de geschatte levensduur. De onderdelen die een kortere gebruiksduur hebben dan de vooraf bepaalde gebruiksduur van het gehele actief, en dus eerder vervangen moeten worden, vallen onder het groot onderhoud. Via het vormen van een onderhoudsvoorziening kunnen de kosten van toekomstig groot onderhoud gelijkmatig gespreid worden in de tijd.
In Barendrecht kiezen we voor de componentenbenadering, tenzij anders aangegeven in de bijgevoegde tabel met afschrijvingstermijnen. De componentenbenadering houdt in dat de verschillende samenstellende delen afzonderlijk worden geactiveerd en afgeschreven conform de levensduur van het betreffende activum. Deze methode leidt er wel toe dat het aantal activa in de administratie toeneemt. Om deze toename beheersbaar te houden, kiezen we ervoor om de opsplitsing in componenten te bepalen aan de hand van de tabel met afschrijvingstermijnen die als bijlage bij deze nota is opgenomen.
De Commissie BBV heeft in de notitie materiële vaste activa bepaald dat een gemeente die de componentenbenadering voor een bepaalde categorie kapitaalgoederen wil (gaan) gebruiken dit consequent voor deze categorie moet toepassen en de keuze (en ingangsdatum) vastlegt in de financiële verordening. In de vigerende financiële verordening van de gemeente Barendrecht verwijzen we naar deze nota activabeleid.
5. Afschrijven
5.3 Methodes van afschrijving
5.3.1 Lineair
Bij de lineaire afschrijvingsmethode wordt jaarlijks een vast percentage van de aanschafwaarde afgeschreven. Hierdoor daalt de boekwaarde van het actief ieder jaar met hetzelfde bedrag en dalen de toegerekende rentelasten door de afnemende boekwaarde. De totale kapitaallasten (afschrijving en toegerekende rente) nemen hierdoor dus jaarlijks af.
5.3.2 Annuïtair
Bij de annuïtaire afschrijvingsmethode blijven de kapitaallasten jaarlijks gelijk (annuïteit). Deze annuïteit bestaat uit rente en afschrijving. Doordat de rente wordt berekend over de actuele boekwaarde, nemen de rentekosten per jaar af en de afschrijvingskosten per jaar toe. Bij deze methode zijn de afschrijvingen aan het begin laag en aan het einde hoog.
De gemeente Barendrecht past standaard de lineaire methode toe. Bij uitzondering kan, middels een expliciet raadsbesluit, gekozen worden voor toepassing van de annuïtaire methode.
5.4 Starten met afschrijven
Ook in het kiezen voor het startmoment van afschrijven laat het BBV de gemeente vrij. De gemaakte keuze geldt wel voor alle investeringen; afwijken per categorie is niet toegestaan.
Het BBV stelt de volgende mogelijkheden voor:
•vanaf het begin van het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving); of
•medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een half jaar afschrijving); of
•vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt; of
•vanaf het moment van ingebruikname.
De gemeente Barendrecht kiest er voor om af te schrijven vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt of in gebruik wordt genomen.
Een belangrijke voorwaarde is dat de gereedmelding tijdig plaatsvindt en dat de afschrijvingsperiode de economische of technische levensduur niet gaat overschrijden doordat de uitvoering over meerdere jaren wordt verdeeld. Dat laatste kan het geval zijn bij een langdurig investeringsproject.
5.5 Afschrijvingstermijnen per (sub)categorie
5.5.1 Uitzonderingen
Voor enkele typen activa noemt het BBV wel een verplichte afschrijvingstermijn, waarvan niet mag worden afgeweken. Het betreft hier:
1Grond
Grond is niet aan slijtage onderhevig en wordt daarom niet afgeschreven. Dit geldt ook voor grond die in erfpacht is uitgegeven.
Op grond onder een weg wordt wel afgeschreven. In dit geval wordt de grond gezien als onderdeel van de weg en niet als zelfstandig object. De investering die gepaard gaat met de aanleg van de weg wordt, inclusief de aankoopkosten van de grond, over de levensduur van de weg afgeschreven.
2Immateriële vaste activa
In lid 4 t/m 6 van artikel 64 BBV zijn de bepalingen rondom het afschrijven op de verschillende soorten immateriële vaste activa opgenomen.
Lid 4: De afschrijvingstermijn op kosten van het sluiten van geldleningen is maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
Lid 5: Op kosten van onderzoek en ontwikkeling bedraagt de afschrijvingstermijn ten hoogste vijf jaar.
Lid 6: Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan de afschrijvingsduur van de activa die door de betreffende derden wordt gehanteerd.
3Financiële vaste activa
Op financiële vaste activa wordt, gezien hun aard, niet afgeschreven. Wel kan de waarde wijzigen doordat bijvoorbeeld op de leningen wordt afgelost.
5.9 Stelsel- en schattingswijzigingen
5.9.1 Stelselwijziging
Een stelselwijziging betreft een wijziging van de gekozen waardering- en/of activeringsgrondslagen. Het wijzigen van het aanvangsmoment van afschrijven is een voorbeeld van een stelselwijziging.
5.9.2 Schattingswijziging
Afschrijving op de vaste activa vindt jaarlijks plaats op basis van een vooraf bepaalde gebruiksduur en afschrijvingsmethode, zoals opgenomen in bijlage C. Als, bij nader inzien, blijkt dat de verwachte gebruiksduur afwijkt van de feitelijke gebruiksduur, kan de afschrijvingstermijn of –methode worden aangepast. Het wijzigen van de toekomstig verwachte gebruiksduur, en daarmee de afschrijvingstermijn, of het wijzigen van de afschrijvingsmethode (lineair of annuïtair) is een schattingswijziging.
Beide wijzigingen moeten door de raad worden vastgesteld en moeten (op grond van het stelselmatigheidsbeginsel) worden onderbouwd. Omdat de financiële gevolgen van de wijziging in de begroting moet worden verwerkt, dient het besluit tot een stelsel- of schattingswijziging voor het einde van het betreffende begrotingsjaar door de raad te zijn genomen.
Wettelijk verplichte stelselwijziging dienen in de begroting verwerkt te worden. Er is dan geen sprake van een (raads)keuze, maar een dwingende reden. Een dergelijke stelselwijziging leidt in de regel ook tot aanpassing van de financiële verordening en/of de nota activabeleid.
6. Onderhoud
6.3 Soorten onderhoud
6.3.1 Klein onderhoud
De kosten van klein onderhoud worden in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht. Het gaat hierbij om alledaagse reparaties om het actief in goede en werkende staat te houden, zoals een onderhoudsbeurt van een CV-installatie of het vervangen van een kapotte ruit.
6.3.2 Groot onderhoud
De Commissie BBV hanteert de volgende definitie van groot onderhoud: Uitvoering van correctieve maatregelen, als gevolg van slijtage na een langere periode van gebruik, om een object in goede staat (op een vooraf bepaald kwaliteitsniveau) te houden of te brengen. Groot onderhoud dient zich in de regel aan, is daarom vaak gepland, is veelal ingrijpend van aard en betreft een groot of belangrijk deel van het object.
Lasten van groot onderhoud kunnen in het jaar van ontstaan ten laste van een vooraf gevormde voorziening worden gebracht (artikel 44 lid 1c BBV). Deze voorziening wordt door de raad gevormd om de lasten van groot onderhoud over meerdere begrotingsjaren te egaliseren. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een recent beheerplan (niet ouder dan vijf jaar) en dat de voorziening systematisch gevoed wordt, zodanig dat de voorziening over de gehele looptijd voldoende is voor de bekostiging van de onderhoudslasten.
6.3.3 Achterstallig onderhoud
In het BBV wordt voor achterstallig onderhoud een uitzondering gemaakt. We spreken van achterstallig onderhoud als het onderhoud niet op tijd is uitgevoerd, waardoor een onderhoudsrichtlijn is overschreden en niet (meer) wordt voldaan aan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau.
Achterstallig onderhoud kan leiden tot schade en/of onveilige situaties, en daarmee tot hogere herstelkosten. In dat geval is er een zodanig slechte onderhoudstoestand dat de waarde, het gebruik en/of de levensduur van het investeringsgoed wordt aangetast (kapitaalvernietiging).
Wanneer er sprake is van achterstallig onderhoud moet dit zo spoedig mogelijk (maar wel binnen een redelijke termijn) hersteld worden. Dit herstel wordt aangemerkt als een verplichting waarvan de omvang, door middel van een inventarisatie en een financiële vertaling van het achterstallig onderhoud, redelijkerwijs in te schatten is. Op basis van artikel 44 lid 1a BBV wordt daartoe een voorziening gevormd. Het achterstallig onderhoud wordt vervolgens ten laste van deze voorziening gebracht.
Bijlage A: Stellige uitspraken van de Commissie BBV
In de notitie materiële vaste activa (2020) heeft de Commissie BBV de volgende stellige uitspraken opgenomen:
•Software als afzonderlijk actief valt onder de materiële vaste activa, als bedoeld in artikel 35 lid 1a BBV (investeringen met een economisch nut);
•Licenties op software voor onbepaalde duur, die in één keer in rekening worden gebracht vallen onder de materiële vaste activa als bedoeld in artikel 35, lid 1a BBV (investeringen met een economisch nut);
•Voor vastgoed met een economische functie is – ingeval van een duurzame waardevermindering - afwaardering verplicht en wordt de toets met behulp van de
•directe opbrengstwaarde voorgeschreven;
•Een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur c.q. gebruiksintensiteit is een schattingswijziging. De bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven.;
•Een wijziging van de ‘vrij te kiezen’ waarderingsgrondslagen is een stelselwijziging. Bij een stelselwijziging worden bestaande (rest)boekwaarden niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte gebruiksduur afgeschreven;
•Uit hoofde van rechtmatigheid kunnen besluiten tot een stelsel- of schattingswijziging met betrekking tot materiële vaste activa uiterlijk tot het einde (31 december) van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen door de raad;
•Klein en groot onderhoud houdt of brengt een object in goede, oorspronkelijke staat en is dus niet van invloed op de bepaalde gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object en mag daarom niet worden geactiveerd;
•Voorzieningen die vooraf worden gevormd om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen over meerdere begrotingsjaren, kunnen alleen met instemming van de raad ingesteld en gevoed worden op basis van een recent beheerplan;
•Onder recent beheerplan wordt een beheerplan verstaan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagleggingsjaar. Deze vijf jaar dient te worden gehanteerd als richttermijn waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een gemotiveerde afwijking houdt in dat deze motivatie is geautoriseerd door de raad en verantwoord is in de paragraaf ‘onderhoud kapitaalgoederen’ van de begroting en de jaarstukken;
•Tussentijdse bijstelling van het beheerplan binnen de vijf jaar is verplicht indien een belangrijke afwijking is opgetreden in de staat van het onderhoud;
•In geval van achterstallig onderhoud waarbij sprake is van kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties wordt er op basis van artikel 44 lid 1a BBV een voorziening gevormd.
Bijlage B: Relevante wetsartikelen uit het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV)
Artikel 33
Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa.
Artikel 34
In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
b.kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief;
c.bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Artikel 35
1In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.investeringen met een economisch nut;
b.investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
c.investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
2Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.
Artikel 36
In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kapitaalverstrekkingen aan:
1deelnemingen;
2gemeenschappelijke regelingen;
3overige verbonden partijen;
b.leningen aan:
1openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden;
2woningbouwcorporaties;
3deelnemingen;
4overige verbonden partijen;
c.overige langlopende leningen;
d.uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
e.uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
f.overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
Artikel 37
Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar, de liquide middelen en de overlopende activa.
Artikel 44
1Voorzieningen worden gevormd wegens:
a.verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;
b.op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
c.kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;
d.de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.
2Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.
3Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
Artikel 51
In de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke methoden de afschrijvingen worden berekend.
Artikel 52
1In de toelichting op de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.gronden en terreinen;
b.woonruimten;
c.bedrijfsgebouwen;
d.grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
e.vervoermiddelen;
f.machines, apparaten en installaties;
g.overige materiële vaste activa.
2In de toelichting op de balans wordt het verloop van de activa, als bedoeld in het eerste lid, gedurende het begrotingsjaar, in een sluitend overzicht weergegeven. Daaruit blijken, voor zover van toepassing:
a.de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b.de investeringen of desinvesteringen;
c.de afschrijvingen;
d.bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief;
e.afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen;
f.de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 59
1Alle investeringen worden geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
Artikel 60
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien:
a.het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
b.de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
c.c. het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
d.d. de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
Artikel 61
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
a.er sprake is van een investering door een derde;
b.de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c.de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en;
d.de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Artikel 62
1Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden de bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief op de waardering daarvan in mindering gebracht.
3In afwijking van het eerste lid moeten de voorzieningen, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, in mindering gebracht worden op de investeringen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.
Artikel 63
1Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
2De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.
3De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.
4Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
5Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen.
6In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele waarde toegestaan voor de activa van de Nazorgfondsen bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer.
7Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd.
8Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend.
Artikel 64
1De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
2Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
3Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
4In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
5In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar.
6Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.
Artikel 65
1Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
2Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
3Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.
Bijlage C: Afschrijvingstermijnen per categorie
L=Lineair, A=Annuïtair; T=Totaalbenadering, C= Componentenbenadering
Immateriële vaste activa
L/A
T/C
Termijn in jaren
Geldleningen
Kosten van afsluiting
L
C
5
Saldo agio disagio
L
C
max. looptijd lening
Onderzoek en ontwikkeling
L
C
5
Bijdrage aan activa in eigendom van derden
L
C
max. termijn bij derde
Materiële vaste activa
Gronden en terreinen
Gronden en terreinen
nvt
C
0
Terreininrichting
L
C
20
Bedrijfsgebouwen
Nieuwbouw / Aankoop / Uitbreiding
L
C
40
Onderwijsgebouwen (juridisch eigendom bij schoolbestuur)
L
T
40
Woonwagens
L
C
25
Semipermante gebouwen
L
C
20
Noodgebouwen
L
C
10
Restauratie gebouwen / gemeentelijke monumenten
L
C
25
Bouwtechnische installaties en bouwkundige voorzieningen:
Warmwatervoorziening, regelapparatuur, verlichting
L
C
10
Klimaatregelapparatuur, energiebesparende maatregelen, zonnepanelen, verwarming- en luchtbehandelingsinstallaties
L
C
15
Ventilatie, sanitair, zonwering
L
C
20
Dakisolatie
L
C
30
Overige bouwtechnische installaties en bouwkundige voorzieningen (w.o. nieuwbouw)
L
C
10- 20
Inrichtingskosten, meubilair, inventarissen, stoffering
L
C
10
Aanpassingen ten behoeve gebruiksvergunning
L
C
15
Grond-, weg- en waterbouwkundige werken
Civieltechnische werken (bruggen, viaducten, duikers):
Aanleg bruggen, viaducten en tunnels (wegen)
L
C
60
Mechanisme bruggen en viaducten
L
C
25
Technische haveninstallaties
L
C
15
Kunstwerken (bruggen, viaducten en duikers in parken etc.)
L
C
20
Aanleg duikers (wegen)
L
C
20
Metalen bolders
L
C
30
Overige civieltechnische werken
L
C
20
Openbare verlichting (aanleg, lantaarnpalen, lichtmasten, kabelnet, armaturen)
L
C
20
Aanleg beschoeiingen
L
C
15
Speeltuinen en -weiden en parken:
L/A
T/C
Termijn in jaren
Aanleg (reguliere) ondergronden inclusief speeltoestellen
L
C
12
Sport buiten:
Aanleg en renovatie velden
L
C
20
Kunstgrasveld - aanleg toplaag
L
C
10
Kunstgrasveld - aanleg onder- en middenlaag
L
C
20
Wegen (aanleg, fiets- wandelpaden en overige wegen, reconstructies en rehabilitatie, aanleg parkeerplaatsen)
L
C
30
Rijwielstallingen
L
C
15
Bushaltes, abri's, straatmeubilair
L
C
10
Grond-, weg- en waterbouwkundige werken waarvoor ter bestrijding van de kosten heffing kan worden geheven
Aanleg, herinrichting en renovatie begraafplaatsen (w.o. ruimen graven)
L
C
30
Riolering
voorziening
Aanleg waterwegen
L
C
20
Millieuparken
L
C
15
Vervoermiddelen
Bedrijfswagens, vrachtwagens, etc.
L
C
8
Onderhoudsmaterieel
L
C
5
Machines, apparaten en installaties
Automatisering, apparatuur en programmatuur
L
C
4- 5
Audiovisuele middelen
L
C
4
Communicatiemiddelen, telefooncentrale (exclusief mobiele telefoons)
L
C
5
Installaties:
Liften, filterinstallaties, beregenings- en drainageapparatuur
L
C
15
Overige installaties, w.o beveiliging en alarm
L
C
10
Machines:
Stemmachines
L
C
10
Borstelmachines, sneeuwschuivers, sneeuwblazers en overige machines
L
C
10
Vuilniswagen, veegwagen
L
C
8
Opzetstrooiers
L
C
10
Trekker, heftruck
L
C
15
Mechanische afvalinzameling
L
C
20
Technische installaties afvalinzameling
L
C
10
Liftinstallatie begraafplaats
L
C
5
Overige materiële vaste activa
Gereedschappen, instrumenten, materialen e.d.
L
C
5- 10
Onderwijsleerpakketten, gymnastiekmateriaal
L
C
10
Sportvloeren (sporthal of gymzaal)
L
C
15
Hekwerken, terreinafrastering
L
C
15
Verkeer:
Bewegwijzeringsborden
L
C
10
Controlemiddelen/signaleringsborden
L
C
5
Lichteninstallaties
L
C
12
Telapparatuur
L
C
5
(mini-)Containers en ondergrondse containers
L
C
15
Elektronische voorzieningen containers (b.v. toegangscontrole)
L
C
10
Financiële vaste activa
L/A
T/C
Termijn in jaren
Kapitaalverstrekking en deelnemingen
L/A
nvt
looptijd lening
Aandelenkapitaal
nvt
nvt
0
Kapitaalverstrekking aan deelnemingen, GR en verbonden partijen
L/A
nvt
looptijd lening
Bijlage D: Wijzigingen ten opzichte van vorige nota
D.1 Vergelijking uitgangspunten
Vergelijking nieuwe uitgangspunten t.o.v. vorige nota
Nieuwe nota
Vorige nota
1.
De ondergrens voor activering is gesteld op € 25.000, tenzij de raad in voorkomende gevallen anders besluit.
Ondergrens was € 10.000. Zie punt 2 vorige nota. Keuze om af te wijken van de grens toegevoegd.
2.
Investeringen in gronden, terreinen en financiële vaste activa worden altijd geactiveerd, onafhankelijk van het bedrag.
Nieuw t.o.v. vorige nota. Wettelijke verplichting.
3.
Er is sprake van onderhoud wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief. Deze mogen niet worden geactiveerd.
Conform vorige nota punt 3.
4.
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio activeren wij alleen als de raad hier expliciet toe besluit.
In vorige nota niet als uitgangspunt opgenomen
5.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden activeren wij alleen als de raad hier expliciet toe besluit.
In vorige nota niet als uitgangspunt opgenomen
6.
Bijdragen van derden die in directe relatie tot een vast actief staan worden op het investeringsbedrag in mindering gebracht.
Conform vorige nota punt 16.
7.
Wij passen de componentenbenadering toe, tenzij anders aangegeven in de bijgevoegde tabel met afschrijvingstermijnen
Conform vorige nota punt 17.
8.
Kosten welke rechtstreeks aan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs kunnen worden toegerekend, moeten worden geactiveerd. Daaronder vallen ook de interne en externe salarislasten.
Gewijzigd t.o.v. vorige nota. Bij punt 6 is daar aangegeven dat interne uren niet worden toegerekend, tenzij de raad anders beslist. Toerekenen van uren is echter door het BBV verplicht.
9.
Kosten van overhead worden geactiveerd middels een opslag voor indirecte kosten op het geldende uurtarief. Rentekosten worden niet separaat geactiveerd.
Niet opgenomen in vorige nota. Voorgestelde systematiek in de nieuwe versie is in lijn met de huidige werkwijze van toerekenen van uren.
10.
Jaarlijks toetsen wij bij het opstellen van de jaarrekening de waarde van het vastgoed met een economische functie aan de hand van de indirecte opbrengstwaarde.
Nieuw t.o.v. vorige nota. Toetsing is een wettelijke verplichting.
11.
Wij passen standaard de lineaire afschrijvingsmethode toe. Bij uitzondering kan, middels een expliciet raadsbesluit, gekozen worden voor toepassing van de annuïtaire methode.
Conform vorige nota punt 7.
12.
De afschrijving start vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt of in gebruik wordt genomen.
Conform vorige nota punt 18.
13.
De afschrijvingsmethoden en -termijnen zijn vastgelegd in de bij deze nota bijgevoegde afschrijvingstabel met een indeling in (sub)categorieën. Indien er bij een voorgenomen investering sprake is van een nieuwe (sub)categorie en/of afwijkende afschrijvingstermijn wordt dit in het betreffende raadsvoorstel expliciet benoemd en gemotiveerd.
Conform vorige nota punt 4.
14.
De restwaarde van het vaste actief wordt op nihil gesteld.
In vorige nota niet als uitgangspunt opgenomen
15
Het omslagpercentage ten behoeve van het toerekenen van rente aan de taakvelden, wordt voor het nieuwe begrotingsjaar bepaald bij de vaststelling van de begroting.
Gewijzigd t.o.v. vorige nota punt 9. In de nieuwe versie is gekozen voor vaststelling bij de begroting i.p.v. bij de voorjaarsnota.
16.
De raad autoriseert bij de vaststelling van de begroting de budgetten voor de investeringen van het begrotingsjaar.
Conform vorige nota punt 1.
17.
Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college een voorstel voor het vaststellen van een investeringsbudget aan de raad voor.
Conform vorige nota punt 1.
18
Investeringsbudgetten waarvan de uitvoering met een jaar is opgeschoven kunnen, na toestemming van de raad, eenmalig worden verschoven naar een volgend jaar
Conform vorige nota punt 5 en 11.
Vervallen uitgangspunten vorige nota
Nieuwe nota
Vorige nota
8
De rente wordt gebaseerd op de boekwaarde van de activa per 1 januari, ongeacht of het actief wel of niet gereed is en wordt ten laste van de exploitatie gebracht.
Dit is het BBV voorgeschreven werkwijze, geen uitgangspunt. Wordt verder toegelicht in de nieuwe nota.
10
Het afsluiten of het omzetten van een krediet in een ander krediet is niet toegestaan zonder besluit van de Raad.
Geen uitgangspunt, toekennen, wijzigen en afsluiten van investeringsbudgetten is geen bevoegdheid van het college, maar van de raad. Wordt in de nieuwe nota ook genoemd.
12
De kosten van onderzoek en/of voorbereidend werk (exclusief eigen ureninzet) worden bij de investering geraamd indien aan de voorwaarden is voldaan.
Vervallen. BBV schrijft voor dat uren altijd dienen te worden toegerekend.
13
Investeringen met een maatschappelijk nut worden geactiveerd. De minimum waarde van een investering met een maatschappelijk nut bedraagt € 25.000.
Geen onderscheid meer tussen activeringsgrenzen economisch en maatschappelijk nut. In lijn met aanpassing BBV 2017 (zie punt 1 nieuwe nota).
14
Er vindt geen jaarlijkse controle op de juistheid van de waarde van alle activa plaats.
Deels onjuist, zie punt 10 nieuwe nota. Verdere toelichting over waardeverminderingen staan genoemd in de nieuwe nota.
15
Alle volledig afgeschreven activa worden, zolang zij nog niet zijn afgestoten, in de activa administratie aangehouden.
Standaard werkwijze, niet als uitgangspunt opgenomen.
D.2 Wijzigingen afschrijvingstabel
Activum
Termijn
Wijziging
Opmerking
Overige bouwtechnische installaties en bouwkundige voorzieningen (w.o. nieuwbouw)
10- 20
Nieuw
Aanleg bruggen, viaducten en tunnels (wegen)
60
Nieuw
Het gaat hier om functionele werken, geen kunstwerken
Mechanisme bruggen en viaducten
25
Nieuw
Aanleg duikers (wegen)
20
Nieuw
Het gaat hier om functionele werken, geen kunstwerken
Metalen bolders
30
Nieuw
Overige civieltechnische werken
20
Nieuw
Wegen (aanleg, fiets- wandelpaden en overige wegen, reconstructies en rehabilitatie, aanleg parkeerplaatsen)
30
Was 20 jaar
Aanleg waterwegen
20
Was 25 jaar
Opzetstrooiers
10
Nieuw
Gereedschappen, instrumenten, materialen e.d.
5- 10
Nieuw
Gereedschappen was 10 jaar, keuze toegevoegd
Controlemiddelen/signaleringsborden
5
Nieuw
Telapparatuur
5
Nieuw
Elektronische voorzieningen containers (b.v. toegangscontrole)
10
Nieuw
Kapitaalverstrekking en deelnemingen
looptijd lening
Nieuw
cf.BBV
Aandelenkapitaal
0
Nieuw
cf.BBV
Kapitaalverstrekking aan deelnemingen, GR en verbonden partijen
looptijd lening
Nieuw
cf.BBV