Gemeentelijke regelgeving

Minimabeleid en Plan Schuldhulpverlening Barendrecht 2021 - 2024

Gemeente Barendrecht · geldt sinds 29 juli 2022

2 Cijfers

2.1 Minimavoorzieningen uit de armoedemonitor 2018

2.1.1 Wat valt op in gemeente Barendrecht?

Het aantal huishoudens met een laag inkomen is gestegen maar is niet hoger dan het landelijk gemiddelde. Dat geldt ook voor het aantal kinderen in een gezin met een laag inkomen. Het percentage is lager dan het landelijk gemiddelde. Er zijn ook veel minima die langdurig een laag inkomen hebben, landelijk ligt dit percentage iets lager. Het aantal minimakinderen met een indicatie voor jeugdzorg is hoger dan het landelijk gemiddelde. We zien dat dit bij veel gemeenten een punt van zorg is.

Als we kijken naar het bereik van de minimavoorzieningen scoren we goed met de regeling Meedoen voor minima. In andere gemeenten is het bereik van een vergelijkbare regeling vaak lager. De inzet op de communicatie en de inzet van de partners is hier debet aan. Ook het bereik van de Zorgpolis voor minima is goed en zelfs gestegen ten opzichte van vorig jaar.

De zwemregeling ABC-diploma is in oktober 2017 van start gegaan. Het aantal kinderen dat via deze regeling zwemles krijgt is 87, een mooi resultaat. Opvallend is wel dat 95% van de kinderen die zwemmen via deze regeling van allochtone afkomst zijn.

Het aantal kwijtscheldingen gemeentelijke belastingen is nagenoeg gelijk gebleven, het bereik van de doelgroep is hoog.

We zien dat in Barendrecht het aantal AOW-gerechtigden met een laag inkomen aan het stijgen is. De grootste groep minima vinden we in de leeftijd van 45 tot de AOW-leeftijd (44%). Een groep die niet zo makkelijk werk vindt. Bij de verschillende huishoudtypen zien we de meeste minima bij de ‘alleenstaanden’ (47%).

2.2 Schuldhulpverlening

2.2.1 Wat valt op in gemeente Barendrecht?

Vanaf 2016 is een dalende lijn te zien in het aantal dossiers. Het aantal nieuwe dossiers blijft ongeveer hetzelfde; het aantal afgesloten dossiers ligt hoger dan het aantal nieuwe dossiers.

In hoofdstuk 3 gaan we verder in op deze resultaten en de gevolgen voor het beleid in de komende vier jaar.

3 Wat hebben we bereikt en wat gaan we doen?

3.1 Minima-voorzieningen

3.1.1 De minimavoorzieningen zijn te verdelen in 2 groepen:

1Wettelijke regelingen die we moeten uitvoeren zoals de bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag en individuele studiekostentoeslag.

2Regelingen die niet verplicht zijn maar gewenst zoals Meedoen voor minima (inclusief kindpakket), zorgpolis voor minima en gratis openbaar vervoer minima.

Het bereik van de meeste regelingen is goed en zelfs beter dan het landelijk gemiddelde. Dit is het resultaat van inzetten op een goede communicatie en het betrekken van partners en vrijwilligers. In 2019 is de folder voor minima weer in het leven geroepen en verspreid onder de minima. Hier gaan we mee door, we houden de schriftelijke informatie actueel en blijven ons netwerk betrekken bij het vinden van de minima. Voor de groep laaggeletterden en mensen met een verstandelijke beperking hebben we tot op heden onvoldoende aandacht gehad. Deze groep heeft moeite met het aanvragen van een regeling en het voldoen aan de gestelde eisen. Deze geluiden zijn tot ons gekomen vanuit de adviesraden en de vrijwilligers die deze mensen tegenkomen. Het herkennen van deze doelgroep is lastig en vraagt om specifieke competenties van de klantmanagers. We moeten onze toegang tot de minimaregelingen bezien vanuit het oogpunt van deze mensen. Het aanvraagproces hierop aanpassen met behulp van de doelgroep zelf.

1) Wettelijke regelingen vanuit de Participatiewet

Bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag

De bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag zijn regelingen die goed lopen en kunnen worden voortgezet. In samenwerking met participatie (uitstroom) streven we naar minder langdurige minima (3 jaar of langer een minimuminkomen hebben). De beleidsregels bijzondere bijstand zijn in 2019 geactualiseerd.

Individuele studietoeslag

De individuele studietoeslag, die in 2015 de studieregeling in de Wajong verving, geldt als inkomensaanvulling voor studenten die door hun handicap niet in staat zijn om naast hun studie nog wat bij te verdienen. De hoogte van de individuele studietoeslag en de criteria om ervoor in aanmerking te komen zijn gemeentelijk te bepalen in een verordening.

Het gebruik van de individuele studietoeslag is niet hoog in onze gemeente. Dat is gebleken uit onze gemeentelijke managementcijfers en verklaard door een landelijk onderzoek

5Inspectie SZW-rapport evaluatie individuele studietoeslag november 2018

vanuit het ministerie. Er zijn weinig aanvragen en toekenningen. Dit beeld is ook landelijk te zien. Mede hierdoor wordt In 2020 de wettekst in de Participatiewet gewijzigd op dit onderdeel. De hoogte van de toeslag zal in de wet worden opgenomen zodat er geen verschil meer is per gemeente. De toegangseisen worden ook verduidelijkt in de wet. Het is onze uitdaging een beter aanvraagproces in te richten en meer klantondersteuning te bieden bij een aanvraag zodat studenten met een beperking meer gebruik gaan maken van deze regeling.

2) Niet wettelijke regelingen

Meedoen voor minima

De afgelopen vier jaar hebben vooral in het teken gestaan van het ‘kindpakket’. Dat heeft geleid tot de regeling Meedoen voor minima.

Deze regeling blijft bestaan. De regeling Meedoen voor minima voor kinderen bestaat uit een geldbedrag voor volwassenen en kinderen waar diverse kosten van betaald kunnen worden. Ook is er een schoolkostenregeling voortgezet onderwijs in natura en een zwemdiplomaregeling ABC in natura. De verordening Meedoen voor minima zal worden aangepast in 2020. De huidige verordening is ingericht op een controle van inkomen en besteding achteraf. Dit blijkt niet te werken en gaan we veranderen naar controle bij aanvraag. Het zelf moeten bepalen van het recht op deze regeling is ingewikkeld en niet klantvriendelijk.

Zie ook over dit onderwerp hoofdstuk 3.1.2. Ter aanvulling op het huidige kindpakket in Meedoen voor minima wordt een kindpakket in natura ontwikkeld dat zal starten in het eerste kwartaal 2020.

Zorgpolis minima

De zorgpolis voor minima is in 2019 aanbesteed via een Open House aanbesteding. Alle partijen die dat willen kunnen een aanbod doen aan onze burgers. Alleen de huidige partners CZ en DSW hebben zich ingeschreven zodat de continuïteit voor onze klanten blijft bestaan. Zorgverzekeraars maken een terugtrekkende beweging bij gemeenten, de doelgroep zorgt voor een negatieve financiële positie, aldus de verzekeraars. We zijn daarom blij met de inschrijving van ons huidige partners CZ en DSW.

Goede medische zorg is de basis voor het welzijn van de burger en het functioneren in werk en gezin. Via de Zorgpolis voor minima bieden we een basisverzekering en twee aanvullende verzekeringen. Afhankelijk van de te maken zorgkosten kan de burger kiezen voor een passende aanvullende verzekering. Bij de hoogste aanvullende verzekering zijn er veel zorgkosten en is het aannemelijk dat het wettelijk eigen risico geheel in rekening wordt gebracht. Daarom schieten wij dit voor in de hoogste aanvullende verzekering zodat er minder sprake is van betalingsproblemen of ‘zorgmijding’. Vanuit de uitvoering en via partners ontvangen we positieve berichten over deze mogelijkheid.

Wat willen we verbeteren bij deze voorziening?

Bijzondere aandacht willen we gaan geven aan de verzekerden met betalingsachterstanden. Enerzijds kan een betalingsachterstand leiden tot hogere kosten (hogere premie en boete), anderzijds wordt het doel van deze voorziening te niet gedaan als door betalingsachterstanden de aanvullende verzekering wordt stopgezet. Via vroegsignalering en het maken van afspraken met CZ en DSW kunnen we inzetten op het voorkomen en oplossen van betalingsachterstanden. Ons doel is dat alle verzekerden via de Zorgpolis voor minima aanvullend verzekerd zijn en blijven en niet in een kostbare bestuursrechtelijke procedure terecht komen.

3.1.2 Motie ‘Uitvoering ondersteuning in natura voor kinderen die opgroeien met armoedeproblematiek’ (2019-030).

In deze motie, vastgesteld door de raad op 9 juli 2019, wordt het college gevraagd om:

1Te komen met een plan, in het najaar 2019, hoe voor 1 december 2019, met een budget van 40.000 euro, een keuzepakket in natura kan worden aangeboden aan ca. 800 kinderen in Barendrecht die opgroeien met armoedeproblematiek;

2In dit plan voor elke leeftijdsgroep verschillende keuzemogelijkheden te bieden per leeftijdsgroep in natura. Denk hierbij aan kleding/schoeisel, speelgoed, recreatieve mogelijkheden, culturele uitjes, persoonlijke- of schoolbenodigdheden;

3De maatschappelijke organisaties die in Barendrecht te maken hebben met kinderen die opgroeien in armoede te betrekken bij de uitvoering. Denk aan de Voedselbank, stichting Kleurrijk, stichting Present etc. etc.

4Ondernemers in Barendrecht te betrekken bij de uitvoering;

5Bij de behandeling van de begroting 2020 aan de raad een structureel “kindpakket in natura” te presenteren dat per 1 januari 2020 in werking treedt;

6Hiervoor de beschikbare Klijnsmagelden van 143.987 per jaar te gebruiken;

7De dekkingsvoorstellen van zowel de eenmalige uitgaven in 2019 van 40.000 euro als de structurele uitgaven vanaf 2020 ad 143.897 euro te gebruiken uit de amendementen bij de Turap 2019 en VJN 2020.

Deze motie wordt uitgewerkt en komt apart van dit beleidskader in de raad ter besluitvorming.

3.1.3 Motie werkende armen

3.1.4 Landelijk fond Kinderhulp

Medio 2017 zijn we gaan samenwerken met het landelijk fond Kinderhulp. Dit fonds biedt financiële mogelijkheden aan kinderen ongeacht het inkomen of vermogen van de ouders. Wel is er een advies nodig van een professional. Het is vooral ondersteunend voor gezinnen die net te veel middelen hebben om in aanmerking te komen voor de reguliere minimaregelingen, of voor gezinnen die naast de gemeentelijke regelingen toch iets extra nodig hebben. De gemeentelijke opties zoals Meedoen voor minima en de bijzondere bijstand worden altijd eerst beoordeeld en kunnen ook tegelijkertijd worden aangevraagd.

3.1.5 Noodfonds

Vanaf 2018 heeft de gemeente nauw samengewerkt met de kerken voor het opzetten van een noodfonds op initiatief van de kerken. In de zomer van 2019 is er een stichting opgericht. De verdere samenwerking moet nog worden vormgegeven.

3.1.6 Communicatie

Voor een betere vindbaarheid van de regelingen is de website vernieuwd in samenwerking met de adviserende platforms uit de BAR-gemeenten. Ook is er in 2018 een folder ontworpen voor minima die jaarlijks wordt vernieuwd. In 2019 is een Nibudkrant beschikbaar gesteld voor de inwoner om informatie te geven en de schuldhulpverlening vindbaar te laten zijn.

Voor de komende jaren wordt ingezet op het actueel houden van de communicatie over de minimaregelingen. Hieronder valt onder andere het bijhouden van de informatie op de gemeentelijke website en het up-to-date houden van de minimafolder. De website is uitgebreid met een film over de minimaregelingen. We hopen dat op deze manier een bredere doelgroep wordt bereikt. Visuele informatie is ook van belang voor laaggeletterden.

3.2 Schuldhulpverlening

3.2.1 Uitgangspunten schuldhulpverlening

De uitgangspunten in de schuldhulpverlening betreffen:

•Integrale aanpak: er wordt naast de financiële problematiek, ook gekeken naar de omstandigheden die van invloed zijn op de financiële problemen. Het is van belang dat de oorzaak van de problematiek duidelijk is. Er is een verbinding met andere hulpverleners, en het schuldenprobleem wordt aangepakt in samenwerking met de partners.

•Maatwerk: welke vorm van hulp ingezet wordt en welke partners daarbij betrokken worden, is afhankelijk van de situatie waarin de inwoner zich bevindt en welke problemen aan de situatie ten grondslag liggen.

•Geen zelfredzaamheid: we mogen er niet van uitgaan dat iedere inwoner zelfredzaam is. Uit steeds meer bronnen blijkt dat stress een grote factor is in het gedrag, ook zo bij iemand die schulden heeft. Het doel is dan ook de zelfredzaamheid van de inwoner te vergroten. Hiervoor is maatwerk en een integrale aanpak nodig.

3.2.2 Vorm van dienstverlening

3.2.2.1 Advies en informatie

De inwoner wenst financieel advies dan wel informatie. Dit betreft geen aanmelding in de zin van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). De inwoner heeft mogelijk genoeg aan een paar gesprekken dan wel handvatten.

3.2.2.2(Problematische) schuldensituatie

De inwoner heeft problematische schulden. In dat geval betreft het een aanmelding en voeren wij een screeningsgesprek met de inwoner, waarna duidelijk zal zijn wat het plan van aanpak zal worden. We streven er naar het gesprek binnen uiterlijk 2 weken na aanmelding, doch binnen 4 weken plaats te laten vinden. De klantmanager neemt contact op met de inwoner om kort te inventariseren of er sprake is van advies/informatie dan wel een (problematische) schuldensituatie. Een afspraak wordt gemaakt en per brief bevestigd. In geval van problematische schulden wordt het dossier na screening overgedragen aan onze uitvoerder. De uitvoerder pakt het dossier op vanaf intake en voert de stabilisatie, bemiddeling, toeleiding naar minnelijk en wettelijk traject uit, alsmede nazorg. De gemeente behoudt de regisserende rol over het dossier. De klantmanager schuldhulpverlening heeft gedurende het schuldhulpverleningstraject in samenwerking met de uitvoerder contact met de inwoner en alle partners over de voortgang van het traject. De inwoner krijgt op een persoonlijke wijze advies en informatie van de klantmanager.

De reguliere schuldhulpverlening, die voor particulieren beschikbaar is, kan niet voor zelfstandigen worden ingezet zolang de onderneming nog bestaat.

In een dergelijke situatie is de inkomenssituatie vaak complex, terwijl ook de aard van de schulden vaak van een andere orde zijn dan bij particulieren. Het gaat vaak om aanzienlijk hogere bedragen, er zijn vaak belastingvorderingen en vorderingen van toeleveranciers. Daarbij is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de onderneming kan blijven voortbestaan.

De schuldhulpverlening aan zelfstandigen vraagt daarom om een bijzondere expertise. Wij vinden het van groot belang dat ook zelfstandigen worden geholpen wanneer zij financiële problemen hebben. Daarom is deze schuldhulpverlening ingekocht bij een gespecialiseerde dienstverlener.

De schuldhulpverlening wordt waar mogelijk in combinatie met een Bbz-traject (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004) uitgevoerd. Dat wil zeggen, dat met ondersteuning via het Bbz de onderneming in stand wordt gehouden. Dit kan door middel van een tijdelijke uitkering levensonderhoud en/of een krediet. Hierdoor ontstaat geen kapitaalverlies en kan de zelfstandige nog inkomen genereren uit zijn onderneming.

3.2.2.3 Crisissituatie

Hiernaast kan er ook sprake zijn van een crisissituatie. Dit betreft een woningontruiming/ afsluiting van energie of water. Binnen 3 dagen wordt er een gesprek gevoerd met de inwoner.

3.2.3 Borging kwaliteit

Voor de borging van de kwaliteit is het ten eerste van belang dat wij beschikken over voldoende en betrouwbare cijfers

7Zie bijlage 2.

. Dit kan en mag beter. Het is noodzakelijk om beter te signaleren, sturen en uitvoering van de dagelijkse werkzaamheden. Wij gaan ons hierop oriënteren en mogelijk over op een ander systeem.

Wij voeren ieder kwartaal op beleidsniveau overleg om te bespreken of de dienstverlening aan de inwoner goed gaat, of aangescherpt dan wel bijgestuurd dient te worden. Wij ontvangen maandelijks gegevens van de uitvoerder en jaarlijks ontvangen wij jaarverslagen. Daarin wordt een verantwoording gegeven van de verstrekte dienstverlening.

Ook is er dagelijks contact met elkaar over casuïstiek. Ook gaan wij in samenwerking met de uitvoerder gesprekken voeren met de inwoner. Vorenstaande draagt bij aan de kwaliteit van dienstverlening aan de inwoner, alsmede controle op de overeenkomst met de uitvoerder.

In 2018 hebben wij een klanttevredenheidsonderzoek uitgevoerd. Wij gaan op een meer structurele wijze de tevredenheid meten. Het laatste klanttevredenheidsonderzoek betrof een enquête gedurende een korte periode, waarbij de tevredenheid werd gemeten na afloop van het traject. Wij willen de periode van onderzoek verlengen, dat wil zeggen over een langere periode meten. Daarnaast willen we de tevredenheid meten na een bepaald onderdeel, bijvoorbeeld na de intake etc. Dit willen we ook op een meer persoonlijke wijze gaan aanpakken.

3.2.4 Positionering preventie en vroegsignalering in verhouding tot curatie

3.2.4.1Curatie

Wij hebben de groep die zich in curatie bevindt, in beeld. Dit zijn de inwoners die zichzelf bij ons melden én die schulden hebben. Deze inwoners helpen wij met advies dan wel een toeleiding naar een schuldhulpverleningstraject. Dit is spreekwoordelijk het topje van de ijsberg.

Schulden staan zelden op zichzelf. Het zelfstandig gaan wonen, een echtscheiding, het verlies van werk, ziekte en overlijden zijn life-events en hebben grote impact op iemands leven. Daarom zetten wij meer in op het signaleren van financiële problemen door onze partners zoals het wijkteam. Het is belangrijk dat de professionals van het wijkteam meer bekend zijn met de inhoud van schuldhulpverlening. We gaan meer inzetten op de toegang tot onze dienstverlening. Dit gaan we doen door standaard te kijken of er sprake is van een financieel probleem bij iemand die zich meldt bij het wijkteam. Als er sprake is van een financieel probleem wordt de inwoner daar verder mee geholpen. Ook gaan we meer hulp bieden aan de inwoner in samenwerking met onze uitvoerder gedurende een schuldhulpverleningstraject. Dit ter voorkoming van uitval en recidive.

Doordat we meer gaan samenwerken, zorgen we ervoor dat de inwoner niet meerdere malen onnodig op gesprek zal moeten verschijnen.

3.2.4.2Vroegsignalering

Onder de curatieve doelgroep bevindt zich een groep die zichtbaar is, maar minder goed zichtbaar. Het betreft een groep die betalingsachterstanden heeft. Deze groep meldt zich niet zelf bij de gemeente. Over deze groep ontvangen wij signalen dat zij betalingsachterstanden hebben. Wij ontvangen signalen van derde partijen zoals woningbouwverenigingen, leveranciers van energie en water, en zorgverzekeraars. Wij sturen vervolgens de inwoner een brief met daarin de mogelijkheid contact op te nemen. Wij ontvangen vele meldingen van meerdere aanbieders, in diverse formats op diverse tijdstippen. Wij weten ook dat de inwoner de brieven niet leest. De huidige aanpak vraagt om verandering.

We gaan onderzoeken of het project ‘vroeg er op’ af dan wel ‘vindplaats schulden’ van BKR een werkwijze is die ook voor onze gemeente een goede aanpak is. Beide projecten combineren een persoonlijke aanpak met de signalen. Hiervoor is nodig dat onze partners willen meewerken, er voldoende financiële middelen zijn en er capaciteit is. In deze aanpak is een rol weggelegd voor de klantmanagers schuldhulpverlening alsmede de professionals van het wijkteam.

3.2.4.3Preventie

Daaronder bevindt zich een grote groep die voor de gemeente onzichtbaar is. Deze groep heeft nog geen schulden en ook geen betalingsachterstanden, mogelijk speelt er al wel een probleem waarvan het gevolg nog niet zichtbaar is. Wij weten niet welk individu het betreft en om die reden is het ingewikkeld om preventief actie te ondernemen. Daarnaast kan het zo zijn dat de inwoner nog niet voor hulp open staat. Het geven van voorlichting is een manier om een groep te bereiken en hen tegelijkertijd informatie te verschaffen. De voorlichting is gericht op onze schuldhulpverlening en het gebruik van de minima-voorzieningen. Het is belangrijk dat de inwoner gebruik maakt van de aanwezige voorzieningen. Dit draagt bij aan de financiële situatie van het gezin. De NIBUD-krant die wij als gemeente hebben verspreid via een huis-aan-huisblad en die bij onze partners liggen, is daar een mooi voorbeeld van. We gaan de krant ook gebruiken om het gesprek met de inwoner aan te gaan.

Uit ervaring weten we dat jongeren die 18 jaar worden, niet goed weten wat hun financiële rechten en plichten zijn. Hier gaan wij meer op inzetten door jongeren actief voor te lichten voordat zij 18 jaar worden.

Uit onderzoek is gebleken dat 18% van de bevolking laaggeletterd is. Bij mensen met financiële problemen, is dit percentage hoger, namelijk 50%.

8Keizer, Lezen ≠ begrijpen. Eindrapport, de invloed van beperkte leesvaardigheid op de omgang met financiële problemen, p.9: 2019.

9De algemene rekenkamer (2016 Aanpak van Laaggeletterdheid) geeft aan dat er 2,5 miljoen mensen laaggeletterd zijn tussen 18 en 65 jaar.

Er is ook onderzoek gedaan naar de oorzaken van laaggeletterdheid vanuit het perspectief van de klant. Daaruit is gebleken dat de mensen beperkt inzicht hebben in de administratie, er sprake is van misbruik van vertrouwen, financiële hulp aan familie; er sprake is van laag inkomen. Laaggeletterdheid heeft een aandeel in het beperkte inzicht in de administratie en het misbruik van vertrouwen.

10Ecorys; laaggeletterdheid en schulden. Verkenning van de invloed van laaggeletterdheid op schulden. Rotterdam: 2018.

De komende periode willen we eerst meer bewustzijn creëren bij de klantmanagers rondom dit onderwerp. Dit is van belang om te kunnen signaleren en doorverwijzen naar het aanbod waaronder van de bibliotheek. We gaan met hen in gesprek over hoe wij beter kunnen signaleren en kunnen doorverwijzen. Bij de klantcontacten wordt hier aandacht aan gegeven door de klantmanagers.

Bijlage 1 Wetgeving en beleidsstukken

Minimawetgeving

•Participatiewet: verplichte regels bijzondere bijstand, individuele studie en inkomenstoeslag en de optie voor een collectieve regeling zorgverzekering (niet verplicht);

•Gemeentewet: grondslag voor buitenwettelijk beleid zoals gemeentelijke minimaregelingen zoals Meedoen voor minima en kindpakket.

Huidige verordeningen en beleid minima

•Kaders (armoede) minimabeleid; bevoegdheid gemeenteraad, niet verplicht;

•Verordening individuele studie- en inkomenstoeslag: bevoegdheid gemeenteraad;

•Beleidsregels bijzondere bijstand en/of uitvoeringsregels: bevoegdheid van het college;

•Verordening Meedoen; bevoegdheid gemeenteraad.

Schuldhulpverlening wetgeving

•Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

Huidige beleid schuldhulpverlening

•Kaders meerjarig beleid: verplicht, bevoegdheid gemeenteraad.

Bijlage 2: wat meten we in de schuldhulpverlening?

A) Aanmelding en screening

Frequentie

•Het aantal aanmeldingen dat wij via de screening afhandelen;

Het aantal intakes dat bij de uitvoerder plaatsvindt;

•Het aantal advies en informatie-gesprekken.

Maand

B) Schuldhulpverleningstraject inclusief nazorg

Frequentie

•Het aantal stabilisatietrajecten;

•Het aantal gestarte schuldbemiddelingen, alsmede de geslaagde bemiddelingen;

•Het aantal 100%-regelingen;

•Het aantal ingediende verzoekschriften dwangakkoord, alsmede de geslaagde verzoekschriften;

•Het aantal tot stand gekomen regelingen;

•Het aantal geslaagde regelingen;

•Het aantal voortijdig gestopte regelingen;

•Het aantal inwoners in budgetbeer naar zwaarte;

•Het aantal gegeven budgetbegeleiding;

•Het aantal ingediende verzoekschriften;

•Het aantal tot de WSNP toegelaten klanten;

•Het aantal benaderde inwoners voor nazorg (onderscheiding tussen MSNP en WSNP).

Jaarlijks

C) Overige cijfers

Frequentie

•Het aantal uitgevoerde crisisinterventie;

•Het aantal verzoekschriften moratoria, alsmede de toegekende moratoria;

•Het aantal verzoekschriften wettelijk brede moratoria, alsmede de toegekende moratoria;

•Slagingspercentage alsmede uitval;

•Persoonskenmerken zoals leeftijd, type inkomen, schuldhoogte etc.

•Het aantal dossiers in behandeling, nieuwe dossiers en afgesloten dossiers per maand.

Maandelijks

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.