Gemeentelijke regelgeving

Verordening verblijfsbelasting gemeente Asten 2026

Gemeente Asten · geldt sinds 20 december 2025

Aanhef

De raad van de gemeente Asten;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025;

gehoord het advies van de commissie Samenleving en Bestuur van 27 november 2025;

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

besluit:

vast te stellen de Verordening verblijfsbelasting gemeente Asten 2026.

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, niet-zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans;

2mobiele kampeeronderkomens: tenten, vouwwagens, kampeerauto’s, toercaravans, en soortgelijke onderkomens dan wel soortgelijke voertuigen;

3toeristische plaats: terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor het gedurende een jaar of seizoen plaatsen van steeds wisselende mobiele kampeeronderkomens;

4kampeerterrein: terrein of terreingedeelte, geheel of gedeeltelijk ingericht, en volgens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van mobiele onderkomens, stacaravans en/of vakantieonderkomens geheel of nagenoeg geheel ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

5georganiseerde jeugdbeweging: een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard. Hieronder worden mede scholen begrepen;

6parkeerterrein: een al dan niet afgesloten terrein bestemd voor het parkeren van voertuigen;

7arrangement: periodes in het belastingjaar, zoals weergegeven in artikel 6, tweede en derde lid;

8maand: een aaneengesloten tijdvak van 30 dagen.

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam 'verblijfsbelasting' wordt een directe belasting geheven:

a.voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven; en

b.voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden verrichten voor of in opdracht van anderen.

Artikel 3. Belastingplicht

1Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2.

2De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

3Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt.

4De belastingplichtige die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2, in hem daartoe ter beschikking staande ruimten, dan wel ter beschikking staande terreinen kan ter zake van elk van die ruimten en/of terreinen afzonderlijk in de heffing worden betrokken.

Artikel 4. Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:

1van degene die verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders.

2onder verantwoordelijkheid van een georganiseerde jeugdbeweging.

3van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8 letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet en voor zover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 1, van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers;

4op een parkeerterrein.

Artikel 5. Maatstaf van heffing

1De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten, dat zij verblijf houden.

2In afwijking van het eerste lid, wordt met toepassing van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, de belasting geheven naar een vast bedrag per arrangement.

3Op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedaan verzoek wordt de maatstaf van heffing als bedoeld in het tweede lid vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen als bedoeld in het eerste lid, als blijkt dat dit resulteert in een lager aanslagbedrag.

Artikel 6. Belastingtarief

1Het tarief bedraagt per persoon, per overnachting: € 2,50.

2In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief indien in hoofdzaak sprake is van verblijf van personen op een kampeerterrein, in een groepsaccommodatie of in een kampeerboerderij, per persoon, per overnachting: € 1,90.

3In afwijking van het eerste en het tweede lid kan voor de belasting voor het houden van verblijf in mobiele kampeeronderkomens, stacaravans en/of vakantieonderkomens op een kampeerterrein die gedurende de gehele arrangementsperiode geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt door dezelfde persoon of personen, bij de aangifte gebruik worden gemaakt van de in het vierde lid opgenomen tarieven per arrangement.

4Het tarief bedraagt, per arrangement:

a.voor één maand: € 60,00;

b.voor drie maanden: € 100,00;

c.voor zes maanden: € 150,00; en

d.voor twaalf maanden: € 200,00.

5De arrangementen in het vierde lid kunnen indien van toepassing per afzonderlijke plaats op het (kampeer)terrein worden gecombineerd.

Artikel 7. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van belastingheffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Aanslaggrens

Een belastingaanslag wordt niet opgelegd indien het aantal overnachtingen, waartoe gelegenheid wordt of is gegeven, gedurende het belastingjaar minder dan tien heeft belopen.

Artikel 10. Termijnen van betaling

1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en de tweede termijn twee maanden later.

2Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

3Indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden afgeschreven, moet(en) de overige aanslag(en) en de bestuurlijke boete(s) worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

4In afwijking van het derde lid is betaling via automatische incasso alleen mogelijk voor zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen en bestuurlijke boetes minder is dan € 5.000,00.

5De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11. Kwijtschelding van belastingen

Bij de invordering van verblijfsbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12. Aanmeldingsplicht

1De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het College van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdelen a en c, van de Gemeentewet.

2De verplichting als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de aangifte-/belastingplichtige die met betrekking tot het belastingjaar voorafgaand aan het betrokken belastingjaar zich heeft aangemeld.

Artikel 13. Registratieplicht

1De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden verblijfhoudenden te registreren in een daarvoor bestemd nachtverblijfregister zoals bedoeld in artikel 438 Wetboek van Strafrecht.

2De vorm van het nachtverblijfregister is vrij, maar bevat tenminste met betrekking tot een ieder aan wie gelegenheid tot overnachten wordt verschaft, de volgende gegevens:

a.naam, adres en woonplaats van de (hoofd)persoon die overnacht;

b.het aantal van het gezin of de groep met wie de (hoofd)persoon reist;

c.de datum van aankomst en de datum van vertrek; en

d.het aantal overnachtingen ter zake waarvan belasting is verschuldigd.

3De verplichting als bedoeld in de voorgaande leden geldt niet voor zover de belastingplichtige gebruik maakt van de vaste tarieven van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 6, derde lid, van deze verordening. In dit geval is de in het eerste lid genoemde verplichting beperkt tot de in het tweede lid, onder a en c, genoemde gegevens tezamen met de aanduiding (naam of nummer) van de standplaats waar wordt overnacht.

4Voor zover op grond van andere wet- of regelgeving geen langere termijn geldt, geldt voor het nachtverblijfregister een bewaartermijn van vijf jaar.

5De verplichting, genoemd in het eerste lid, vervalt indien de belastingplichtige een soortgelijk nachtverblijfregister voert dat is geaccepteerd door een krachtens artikel 232, vierde lid, onderdelen a en c, van de Gemeentewet aangewezen ambtenaar.

Artikel 14. Aangifteplicht

1De belastingplichtige, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, indien hij niet binnen vier weken na afloop van het belastingjaar een uitnodiging heeft ontvangen tot het doen van aangifte, binnen twee weken na afloop van deze termijn schriftelijk aan de aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, tot een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.

2De aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet behoudt zich te allen tijde het recht voor alsnog een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzenden, dan wel, bij gebrek aan een (tijdige) aangifte door belastingplichtige, de grondslag voor de berekening van de verblijfsbelasting te schatten en middels ambtshalve aanslag op te leggen.

Artikel 15. Nadere regels door het Dagelijks bestuur

Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van verblijfsbelasting.

Artikel 16. Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel

1De "Verordening verblijfsbelasting gemeente Asten 2025" van 10 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

4Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verblijfsbelasting gemeente Asten 2026.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.