Gemeentelijke regelgeving

Nota bodembeheer gemeente Asten 2022

Gemeente Asten · geldt sinds 5 juli 2022

Aanhef

Samenvatting

Voor u ligt de Nota bodembeheer van de gemeente Asten. Door middel van deze Nota bodembeheer worden concrete richtlijnen gegeven voor een duurzaam beheer van de bodem. De nota is grotendeels gebaseerd op wettelijk landelijk (generiek) voorgeschreven beleid. Op een aantal onderdelen is eigen (gebiedsspecifiek) beleid geformuleerd.

De Nota bodembeheer wordt vastgesteld voor een periode van 10 jaar. De bodemkwaliteitskaart wordt voor een periode van maximaal 5 jaar vastgesteld.

Ten grondslag aan de Nota bodembeheer liggen een nieuwe bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart en de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant.

Bodemfunctieklassenkaart

Het grondgebied van de gemeente is op basis van het huidig of toekomstig bodemgebruik ingedeeld in de bodemfunctieklassen Industrie, Wonen en Landbouw/Natuur. De bodemfunctieklasse bepaalt (mede) de kwaliteitseisen voor grond die binnen een gebied wordt toegepast en de terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen.

Bodemkwaliteitskaart

In de bodemkwaliteitskaart is een gemeente, op basis van bij de gemeente bekende onderzoeksgegevens, ingedeeld in zones met een gelijke bodemkwaliteit. Voor elke zone is zo de te verwachten kwaliteitsklasse (industrie / wonen / achtergrondwaarde) vastgesteld. Locaties verdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging vallen niet onder de bodemkwaliteitskaart. Onder het generieke beleid bepaalt de bodemkwaliteitsklasse mede de kwaliteitseisen die gelden voor grond die binnen een gebied wordt toegepast.

Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodemkwaliteit in de gemeente Asten grotendeels voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’ (schone grond). PFAS is niet verhoogd ten opzichte van de landelijke normen voor Landbouw/Natuur.

Nota bodembeheer

Grondverzet

Het hergebruiken van grond moet 5 werkdagen voor het daadwerkelijk toepassen gemeld worden bij het landelijk meldpunt bodemkwaliteit. In hoofdstuk 3 van de nota zijn de regels en voorwaarden voor grondverzet binnen de gemeente Asten beschreven (bodembeheer). De gemeente is hiervoor bevoegd gezag. De regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Om de hergebruiksmogelijkheden van binnen de gemeente vrijkomende grond te vergroten is ook gebiedsspecifiek beleid opgesteld.

Generiek (landelijk) beleid

Conform het generieke beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit dient toe te passen grond geschikt te zijn voor de beoogde functie van de locatie en mag door het toepassen van de grond de kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren ('standstill-principe'). Hiertoe dient een dubbele toets te worden uitgevoerd. De kwaliteit van de toe te passen grond moet zowel voldoen aan de functieklasse (conform de bodemfunctieklassenkaart) als aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (die volgt uit de bodemkwaliteitskaart). Dit generieke beleid is van toepassing voor grond die afkomstig is van buiten degemeente Asten en binnen de gemeente Asten wordt toegepast.

Van grond afkomstig van buiten de gemeente dient de kwaliteit van de grond te worden aangetoond door middel van een partijkeuring (AP04) of ander erkend bewijsmiddel. Grond welke voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’ (schone grond) is overal binnen de gemeente toepasbaar.

Gebiedsspecifiek (lokaal) beleid

Voor grond die vrijkomt binnen de gemeente Asten en ook weer binnen de gemeente Asten wordt hergebruikt geldt het gebiedsspecifiek beleid. Hierbij wordt de kwaliteit van de toe te passen grond deels getoetst aan de functieklasse (conform de bodemfunctieklassenkaart). Hierdoor worden meer afzetmogelijkheden gecreëerd voor partijen licht verontreinigde grond en baggerspecie die niet voldoen aan de strenge toepassingseisen volgens het generieke toetsingskader. Door het generieke beleid te beperken tot hergebruik van grond die vrijkomt uit de gemeente zelf, wordt nog steeds voldaan aan het standstill-principe.

De bodemkwaliteitskaart kan, in combinatie met een vooronderzoek waaruit blijkt dat er sprake is van een voor bodemverontreiniging onverdachte locatie, gebruikt worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit (milieuhygiënische verklaring) van binnen de gemeente vrijkomende grond, zodat deze grond in veel gevallen niet meer hoeft te worden onderzocht middels een relatief kostbare partijkeuring. Grond met kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is toepasbaar binnen alle gebieden met een bodemfunctieklasse ‘Industrie’ en ter plaatse van met asfaltverharde wegen inclusief bermen. Grond met kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is enkel toepasbaar ter plaatse van met asfaltverharde wegen inclusief bermen.

Daarnaast is specifiek beleid opgesteld ten aanzien van de tijdelijke opslag van partijen grond en met betrekking tot het percentage bodemvreemd materiaal in binnen de gemeente toe te passen grond.

Bodembeleid

In hoofdstuk 4 van de nota is het gemeentelijk beleid weergegeven ten aanzien van bodemonderzoek in het kader van de omgevingsvergunning bouwen of milieu en ruimtelijke plannen, waar de onderzoeken aan dienen te voldoen en hoe de gegevens worden getoetst.

Om bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan, dient bij aanvraag om een omgevingsvergunning in principe altijd een bodemonderzoeksrapport te worden overlegd, tenzij hiervoor door de gemeente vrijstelling wordt verleend.

In een bestemmingsplan moet rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Voor qua bodemverontreiniging onverdachte locaties dient wel een vooronderzoek te worden uitgevoerd, maar hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd en kan worden uitgegaan van de verwachte bodemkwaliteit volgens de bodemkwaliteitskaart.

Bij een omgevingsvergunning activiteit milieu kan, indien sprake is van bodembedreigende activiteiten, het uitvoeren van een nulsituatie-bodemonderzoek worden voorgeschreven. Indien de omvang van de bodembedreigende activiteiten echter zeer gering is, er geen sprake is van het gebruik van mobiele stoffen of als er al afdoende voorzieningen worden getroffen om verontreiniging te voorkomen, kan in sommige gevallen worden afgezien van een verplicht nulsituatie-bodemonderzoek. In de nota is aangegeven wanneer hier sprake van is.

In de nota zijn ten slotte in hoofdstuk 5 de kaders weergegeven met betrekking tot bodemsanering. Als terugsaneerwaarden bij door de gemeente of derden uit te voeren bodemsaneringen gelden veelal de in bodemfunctieklassenkaart vastgelegde functieklassen en daarmee samenhangende toegestane gehalten aan verontreinigende stoffen in de bodem.

3 Voorwaarden voor grondverzet

3.1 Generiek (landelijk) toetsingskader

3.1.1 Bijzondere toetsingskaders

Voor de volgende toepassingen gelden bijzondere regels welke afwijken van het generieke toetsingskader. Het betreft overigens wel landelijk beleid.

Grootschalige toepassingen

Onder grootschalige toepassingen wordt volstaan bouw- en wegconstructies (o.a. wegen, spoorwegen en geluidswallen), afdeklagen van saneringslocaties of stortplaatsen, ophogingen in waterbouwkundige constructies.

Bij grootschalige toepassingen hoeft er niet getoetst te worden aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. Hierdoor ontstaan er meer mogelijkheden voor het hergebruiken van licht verontreinigde grond.

Om het milieu in voldoende mate te beschermen gelden de volgende specifieke kwaliteitseisen en toepassingsvoorwaarden:

■ de grootschalige toepassing heeft een minimaal volume van 5.000 m3;

■ de grootschalige toepassing heeft een minimale toepassingshoogte van 2,0 meter (voor (spoor)wegen 0,5 meter);

■ de grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van minimaal 0,5 meter en de kwaliteit van de leeflaag moet aansluiten bij de bodemkwaliteit uit de omgeving (toepassingskaart). Uitzonderingen hierop vormen:

•grootschalige toepassingen onder wegen (deze worden afgedekt met een verhardings-constructie);

•grootschalige toepassingen in bermen en taluds bij rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen (tot maximaal 10 m uit de weg mag grond/baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast als afdeklaag);

■ de grootschalige toepassing moet voor uitloging voldoen aan de geldende emissie(toets)waarden zoals opgenomen bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit [2].

Omdat het niet is toegestaan dat de grootschalige bodemtoepassing definitief onderdeel gaat uitmaken van de bodem, kan bijvoorbeeld bij ophogingen van industrieterreinen en woningbouwlocaties niet worden gekozen voor het toetsingskader van een grootschalige bodemtoepassing. De toepassing moet blijvend worden beheerd. Dit betekent dat er een aanwijsbare beheerder moet zijn die de toepassing in stand houdt in de vorm en hoeveelheid waarin deze is toegepast en staat geregistreerd.

Verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen

Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder toetsingskader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Keur van waterschappen [17].

Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:

■ voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel zoals opgenomen bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit [2] geldt de ontvangstplicht;

■ de baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid;

■ er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem;

■ de verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.

Het toetsingskader geldt niet voor verspreiding van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riool overstorten. Deze worden als puntbronnen aangemerkt en vallen buiten de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit.

Toepassingen in oppervlaktewater

Voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater wordt alleen getoetst aan de actuele waterbodemkwaliteit en niet aan de bodemfunctie. Tevens geldt er voor de waterbodem een andere normstelling en kwaliteitsklassenindeling. Het bevoegd gezag voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap Aa en Maas).

Het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater valt buiten de reikwijdte van deze nota bodembeheer.

Toepassingen aanvulgrond saneringslocaties

Voor het toepassen van grond op saneringslocaties als aanvulgrond in een saneringsput wordt alleen getoetst aan de bodemfunctie en niet aan de kwaliteit van de omliggende bodem.

Tijdelijke opslag

Het Besluit bodemkwaliteit maakt onderscheid tussen verschillende vormen van tijdelijke opslag, die vooraf gaan aan een definitieve toepassing. De verschillende vormen en de bijbehorende voorwaarden zijn weergegeven in tabel 3.2.

Tabel 3.2:Voorwaarden met betrekking tot opslagduur, kwaliteitseisen en meldingsplicht.

Vorm van tijdelijke opslag

Voorwaarden van het Besluit

Maximale duur van de opslag

Kwaliteitseisen

Meldingsplicht

Kortdurende opslag

6maanden

-

Ja

Tijdelijke opslag op landbodem

3jaar

Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem

Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Tijdelijke opslag in oppervlaktewaterlichaam

10jaar

Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem

Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Weilanddepot

(opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel)

3jaar

Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen

Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Opslag bij tijdelijke uitname

Looptijd van de werkzaamheden

-

Nee

Wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan, is alsnog een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist.

Verder moet de opslag mogelijk zijn vanuit andere wet- en regelgeving (onder andere Wet ruimtelijke ordening of provinciale verordening), passen binnen het bestemmingsplan en moet rekening worden gehouden met de zorgplicht.

Tijdelijke uitname

In het Besluit bodemkwaliteit is tijdelijke uitname van grond en baggerspecie toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd of een functietoets is gedaan en een melding is verricht (art. 36, derde lid). Enige voorwaarde is dat er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt en dat de grond of baggerspecie op of nabij dezelfde plaats onder dezelfde condities weer wordt toegepast (ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond). De zorgplicht (art. 13 Wbb) is altijd van toepassing.

Bovenstaande geldt in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bij tijdelijke uitname is het in het kader van de CROW400 en de Wet bodembescherming wel nodig om vooraf inzicht te verkrijgen in de verwachte bodemkwaliteit. Hiervoor dient minimaal een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 te worden uitgevoerd.

In de nota van toelichting van het Besluit bodemkwaliteit [3] zijn een aantal randvoorwaarden gegeven voor het gebruik van de uitzondering van art. 36, derde lid uit het Besluit bodemkwaliteit. In het Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie [18] zijn deze regels verduidelijkt.

Toelichting begrip ‘tussentijdse bewerking’:

In het Besluit bodemkwaliteit is geen definitie opgenomen van het begrip bewerken. De toelichting van het Besluit bodemkwaliteit geeft voor tijdelijke uitname aan welke voorbeelden wel of niet onder het begrip bewerken vallen.

De volgende voorbeelden worden gezien als bewerken (hierbij kan dus geen gebruik gemaakt worden van de uitzondering uit artikel 36, Bbk):

■ het rijpen van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is;

■ het ontwateren van baggerspecie, voor zover de tijdelijke verplaatsing hierop gericht is;

■ zandscheiding.

De volgende voorbeelden vallen volgens de toelichting niet onder het begrip bewerken (hierbij kan dus wel gebruik gemaakt worden van de uitzondering uit artikel 36, Bbk):

■ het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen *);

■ louter natuurlijke, niet gestimuleerde processen of omstandigheden, zoals verdamping, microbiële afbraak, natuurlijke oxidatie en reductie;

■ wijziging van de structuur van de grond of baggerspecie, zoals ten gevolge van graafwerkzaamheden of het ploegen van landbouwgronden.

*) Let op: het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen gericht op een milieuhygiënische kwaliteitsverbetering (bijvoorbeeld het uitzeven van asbesthoudende materialen) valt niet onder deze uitzondering. Dit wordt gezien als een bewerking (reinigen van verontreinigde grond). Voor dergelijke werkzaamheden is bovendien een erkenning voor de BRL 7500 [19] op grond van het Besluit bodemkwaliteit vereist.

Toelichting begrip ‘toepassen onder dezelfde condities’:

Toetsing aan kwaliteit en functie kan achterwege blijven omdat de betreffende handelingen ter plaatse niet tot (extra) aantasting van de bodem(functie) leiden. Om dit te waarborgen spreekt het artikel daarnaast over toepassen onder dezelfde condities. Van belang is dat samenstelling en emissie (uitloging) van de grond niet wijzigt.

In de toelichting van het Bbk staan de volgende voorbeelden genoemd die niet aan de voorwaarde onder dezelfde condities voldoen:

■ het toepassen van (niet gerijpte) baggerspecie op landbodem (natte toepassing wordt droge toepassing);

■ het toepassen van grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal als afdeklaag van respectievelijk het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag).

Met het oog op de controleerbaarheid moet de grond of baggerspecie ook in dezelfde toepassing worden teruggebracht. In artikel 36 Bbk alsmede in de toelichting worden de woorden “dezelfde toepassing” expliciet genoemd.

Toelichting begrip ‘op of nabij dezelfde plaats’:

De term ‘op of nabij’ geeft enige speelruimte. Indien sprake is van dezelfde toepassing en aan de andere voorwaarden wordt voldaan, dan hoeft de grond of baggerspecie niet precies weer op de plaats van uitname te worden aangebracht. Hierbij kunnen de volgende voorbeelden worden gegeven:

•het in het kader van de (spoor)wegenbouw of –reconstructie wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact zelfde plaats);

•bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem).

Samenvoegen van (kleine) partijen grond of baggerspecie

Samenvoegen tot partij > 25 m3

Het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie tot een partij die groter is dan 25 m3 is uitsluitend toegestaan door een BRL 9335 [20] of BRL7500 [19] gecertificeerd persoon of instelling (Art. 4.3.2 Regeling bodemkwaliteit).

Samenvoegen tot partij < 25 m3

Het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie van verschillende herkomst is uitsluitend toegestaan tot een hoeveelheid van 25 m3. Deze partij moet vervolgens worden afgevoerd naar een inrichting die erkend is voor de BRL 9335.

Deze laatste uitzondering is gemaakt omdat het in de praktijk gebleken is, dat het voor veel hoveniers-bedrijven, gemeentewerven en kleine aannemers vanuit economisch oogpunt niet haalbaar is om een erkenning voor de BRL 9335 te behalen.

3.2 Gebiedsspecifiek (lokaal) toetsingskader gemeente Asten

3.2.1 Toepassen van grond en baggerspecie afkomstig uit het bodembeheergebied van de gemeente Asten

Het gebiedsspecifieke bodembeleid zoals beschreven in deze paragraaf, is alleen van toepassing bij hergebruik van grond en baggerspecie afkomstig uit het bodembeheergebied van de gemeente Asten. Dit is van belang in verband met het stand-still-principe als beleidsuitgangspunt. Op lokaal niveau is een geringe verslechtering van de kwaliteit toegestaan, maar de gemiddelde kwaliteit van de grond binnen het totale bodembeheergebied wordt niet slechter.

Het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit stelt dat de kwaliteit van een toe te passen partij grond of baggerspecie moet passen bij zowel de kwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. Om na te kunnen gaan of en welke knelpunten het generieke beleid voor de gemeente Asten oplevert, zijn de bodemkwaliteitskaarten vergeleken met de bodemfunctieklassenkaart. Hieruit volgt dat het generieke toepassingskader tot een aantal problemen kan leiden:

1) Partijen grond (of baggerspecie) die vrijkomen op verdachte locaties moeten voor hergebruik worden gekeurd. Als hieruit blijkt dat het grond betreft van bodemkwaliteitsklasse wonen of industrie, dan is de partij door een gebrek aan afzetmogelijkheden veelal niet herbruikbaar binnen de gemeente Asten. Hierdoor moeten er hogere kosten gemaakt worden voor het afvoeren van de grond.

2) Een groot deel van de gemeente Asten heeft een algemene bodemkwaliteit die voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (AW-2000). De toe te passen grond op deze locaties dient ook te voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (AW-2000), terwijl er op basis van de bodemfunctie licht verontreinigde grond (klasse Wonen of Industrie) zou kunnen worden toegepast. Met het aanvoeren van grond met kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (AW-2000) zijn hogere kosten gemoeid, dan met het aanvoeren van grond van de klasse Wonen of Industrie.

3) De milieubelasting van het verkeer vormt een bron van bodemvervuiling. Bij wegen vindt beïnvloeding van de bodemkwaliteit plaats door infiltrerend, afstromend en verstoven wegwater en door belasting via de lucht. Daarnaast werd in het verleden veelal gebruik gemaakt van teerhoudend asfalt. Het is daarom niet altijd zinvol schone grond (AW-2000) te gebruiken bij de aanleg van wegen inclusief bermen, wetende dat de bodem in een aantal jaren (licht) vervuild zal raken.

Om extra ruimte te creëren voor grondverzet kiest de gemeente Asten op grond van artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit voor gebiedsspecifiek beleid.

De gemeente Asten kiest ervoor om bij het toepassen van grond en baggerspecie afkomstig uit het bodembeheergebied van de gemeente Asten de bodemfunctie deels leidend te maken bij de beoordeling of een partij grond of baggerspecie mag worden toegepast.

Op (nieuw aan te leggen) bedrijventerreinen mag grond en baggerspecie worden toegepast van de kwaliteitsklasse Wonen (of beter), mits deze uit de gemeente Asten zelf afkomstig is. Daarnaast mag binnen met asfalt verharde wegen incl. bermen grond en baggerspecie worden toegepast van de kwaliteitsklasse Industrie (of beter), mits deze uit de gemeente Asten zelf afkomstig is.

De kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem wordt dus voor bedrijventerreinen deels en met asfalt verharde wegen incl. bermen geheel buiten beschouwing gelaten. Er vindt voor deze locaties geen dubbele toets plaats; de kwaliteit hoeft alleen te passen bij de functie die de bodem heeft (dus alleen toetsing aan bodemfunctieklassenkaart) met voor bedrijventerreinen wel een beperking tot grond en baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse Wonen. De gemeente Asten creëert hierdoor meer afzetmogelijkheden voor partijen grond en baggerspecie die niet voldoen aan de toepassingseisen volgens het generieke toetsingskader.

Het Besluit bodemkwaliteit schrijft het uitvoeren van een risicobeoordeling voor bij het vaststellen van lokale Maximale Waarden. Voordeel van het deels aansluiten bij de maximale waarden voor de standaard bodemfunctieklassen is dat een risicobeoordeling niet meer noodzakelijk is. Deze normwaarden leiden namelijk per definitie niet tot onaanvaardbare risico’s voor mens, dier en plant. Deze zijn namelijk reeds door de rijksoverheid op basis van een risicobeoordeling afgestemd op de meest gevoelige bodemfunctie; er kunnen dus geen gebruiksrisico’s ontstaan.

In tabel 3.3 zijn de mogelijkheden voor grondverzet op basis van het gebiedsspecifiek kader van het Besluit bodemkwaliteit in de gemeente Asten weergeven.

Tabel 3.3:Mogelijkheden grondverzet Asten (Gebiedsspecifiek toetsingskader Besluit bodemkwaliteit)

Bodemkwaliteitszone / locatie

Ontgravingskaart

Functieklasse2

Maximale toepassingswaarden3

Bovengrond

Ondergrond4

B1/O1. Bebouwde gebied wonen

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Wonen

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

B2/O2. Bebouwde gebied industrie

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Industrie

Wonen

B3/O3. Buitengebied

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Overig (landbouw/natuur)

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Uitgesloten locaties1,5

N.v.t.

N.v.t.

Overig (landbouw/natuur)

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Wonen

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Industrie

Wonen

Met asfalt verharde wegen incl. bermen,5

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Landbouw/Natuur

(AW-2000)

Industrie

Industrie

N.v.t.

N.v.t.

Industrie

Industrie

1) Op deze locaties wordt een slechtere bodemkwaliteit verwacht dan in de omgeving.

2) Binnen een bodemkwaliteitszone kunnen meerdere bodemfunctieklassen voorkomen (zie § 2.1). In deze tabel is de hoofdfunctie weergegeven. Industrieterreinen welke bijvoorbeeld liggen in zone B1, hebben conform § 2.1 ook de functie Industrie, waardoor op basis van gebiedsspecifiek beleid het toegestaan is om grond met kwaliteitsklasse Wonen toe te passen.

3). De maximale toepassingswaarden gelden alleen voor grond en baggerspecie afkomstig uit de gemeente Asten (gebiedsspecifiek beleid).

4) De ontgravingskaart van de ondergrond wordt tevens representatief geacht voor grond afkomstig uit diepere bodemlagen dan 2 m-mv. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaart ook als bewijsmiddel van vrijkomende grond uit grotere diepten mag worden gebruikt.

5) Een met asfalt verharde weg incl. bermen kan een onderdeel zijn van de verschillende bodemkwaliteitszones, maar kan ook een uitgesloten locatie zijn. Indien een met asfalt verharde weg een uitgesloten locatie betreft mag hier op basis van het gebiedspecifiek beleid wel grond met kwaliteitsklasse industrie toegepast worden (indien afkomstig uit de gemeente Asten).

3.2.2 Tijdelijke opslag

Eén van de wettelijke voorschriften voor de tijdelijke opslag van grond of baggerspecie is dat de kwaliteit ervan beter moet zijn dan de kwaliteitsklasse van de onderliggende bodem indien de opslag langer duurt dan zes maanden.

Bij grondverzet volgens het gebiedsspecifiek beleid van de gemeente Asten, leidt dit mogelijk tot problemen. Er kan zich namelijk een situatie voordoen waarin de ontvangende bodem bijvoorbeeld voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (AW-2000 / Achtergrondwaarde), maar waar wel partijen grond van de kwaliteitsklasse Wonen mogen worden toegepast op grond van het gebiedsspecifieke toetsingskader. Diezelfde partijen grond zouden daar dan niet tijdelijk mogen worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing".

Gezien deze discrepantie is door de gemeente Asten het volgende besloten:

■ Partijen grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen op een bepaalde locatie binnen de gemeente mogen worden toepast, mogen eveneens - voorafgaand aan de definitieve toepassing – tijdelijk op deze toepassingslocatie worden opgeslagen.

■ De andere voorwaarden voor de tijdelijke opslag uit het Besluit bodemkwaliteit blijven onveranderd van kracht.

3.2.3 Bijmengingen bodemvreemde materialen in grond en baggerspecie

Het Besluit bodemkwaliteit stelt in artikel 34 dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal (steenachtig materiaal of hout) mag bevatten, anders mag het niet als grond of baggerspecie worden toegepast. Alle andere bodemvreemde materialen (glas, metaal, plastic, piepschuim, ect.) mogen hoogstens sporadisch in de partij voorkomen.

De gemeente Asten vindt het maximale percentage van 20 % in vele gevallen te hoog. Indien 20 % bodemvreemd materiaal zonder meer wordt toegestaan, ontstaat ook een verslechtering in bijvoorbeeld de fysische en cultuurtechnische eigenschappen. Bovendien kan verdergaande verwering van bodemvreemde materialen later alsnog leiden tot ongewenste bodembelasting met verontreinigende stoffen.

Op grond van artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit wordt daarom bepaald dat binnen de gemeente Asten, met uitzondering van grootschalige bodemtoepassingen (exclusief leeflaag), alleen grond en baggerspecie mag worden toegepast met een maximaal percentage bodemvreemd materieel (steenachtig materiaal of hout) van 5 gewichtsprocent. Bovendien mag de toe te passen grond in de gemeente Asten geen visueel herkenbare asbesthoudende materialen bevatten. Alle andere bodemvreemde materialen (glas, metaal, plastic, piepschuim, ect.) mogen hoogstens sporadisch in de partij voorkomen.

3.2.4 Invasieve exoten in de wegberm en overige terreinen

Bij o.a. het verlagen (roven) van wegbermen in het kader van de verkeersveiligheid zal door de gemeente het te verlagen gedeelte worden bekeken (quickscan) op de aanwezigheid van exoten zoals de Japanse duizendknoop en de knolcyperus. Niet alleen grond uit een berm kan dit soort exoten bevatten, in principe geldt dat alle grond die sporen kan bevatten van invasieve exoten niet in aanmerking komt voor hergebruik. Een plantensoort die voorkomt op Unielijst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit dient bestreden te worden. Deze lijst is dynamisch zodat er soorten aan kunnen worden toegevoegd als dat noodzakelijk wordt geacht en is onderdeel van de Europese Verordening ‘Invasieve Uitheemse Soorten (3 augustus 2016)’.

Hergebruik van onbehandelde grond waarin invasieve exoten zijn aangetroffen is niet toegestaan. De bermgrond dient in het uiterste geval te worden gereinigd via thermische reiniging/verbranding (het uitzeven van worteldelen behoort voor sommige soorten tot de mogelijkheden) en mag daarom ook niet worden aangeboden aan een BRL 9335 erkende inrichting en dus alleen aan een erkende inrichting die deze afvalstoffen mag innemen om verspreiding tegen te gaan.

De gemeente zal daarom ook inzicht moeten hebben in de verspreiding van exotische en woekerende plantensoorten voordat wordt overgegaan tot bermverlaging.

3.3 Bewijsmiddelen

3.3.1 Bodemkwaliteitskaart

Bij het hergebruik van binnen de gemeente Asten vrijkomende grond mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit. Voorwaarde hierbij is dat de actuele bodemkwaliteit op de betreffende herkomstlocatie (naar verwachting) overeenkomt met de bodemkwaliteit in de betreffende bodemkwaliteitszone. Er mag dus geen sprake zijn van een uitgesloten locatie (zie hieronder).

Als de grond ook is voorzien van een geldig ander bewijsmiddel (partijkeuring, erkende kwaliteits-verklaring), dan geldt dat andere bewijsmiddel als milieuhygiënische verklaring, omdat deze een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond of bagger dan de bodemkwaliteitskaart.

3.3.2 Uitgesloten locaties en gebieden

Om gebruik te kunnen maken van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel moet de herkomstlocatie 'onverdacht' zijn ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging c.q. een bodemkwaliteit hebben die naar verwachting niet afwijkt van de lokale bodemkwaliteitsklasse. Gelet hierop zijn de volgende verdachte locaties en gebieden uitgesloten:

■ (voormalige) stortplaatsen;

■ (voormalige) saneringslocaties;

■ locaties waar bodemverontreiniging boven de interventiewaarde is aangetoond;

■ locaties waar potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden of vinden;

■ locaties waar brand is geweest;

■ locaties waar bij calamiteiten mogelijk bodemvreemde stoffen op of in de bodem zijn gelekt;

■ locaties die zijn opgehoogd met materiaal van onbekende aard en/of samenstelling;

■ Rijkswegen en provinciale wegen inclusief de onverharde bermen;

■ Gemeentelijke gebiedsontsluitingswegen inclusief de onverharde wegbermen;

■ Defensieterreinen;

■ (Voormalige) zinkassenwegen en zinkassenerven;

■ Opritten aansluitend op (voormalige) zinkassenerven;

■ Waterbodems.

Deze verdachte locaties en gebieden zijn uitgesloten van het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel. De kwaliteitsklasse dient in dat geval op een andere wijze aangetoond te worden.

Ook als in de grond bodemvreemd materiaal of andere zintuiglijke waarnemingen worden aangetroffen die duiden op een plaatselijke bodemverontreiniging (bijv. verontreinigd puin, koolas, sintels, asbest, olie-, oplosmiddelen- of andere afwijkende geur, niet-natuurlijke verkleuringen, etc.), dan dient de grond als verdacht te worden beschouwd.

Toets herkomst

Om te bepalen of een locatie onverdacht is, dient minimaal een bodemtoets uitgevoerd te worden. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van het formulier 'toets herkomst'. Bij gebruik van de bodem-kwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel, dient dit formulier volledig ingevuld bij de melding te worden toegevoegd. Het formulier is opgenomen in bijlage 11.

3.3.3 Overige erkende bewijsmiddelen

Wanneer de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie op een andere wijze te worden aangetoond:

■ Partijkeuring (AP04, SIKB BRL1000, protocol 1001 [21]);

■ erkende kwaliteitsverklaring;

■ fabrikant-eigenverklaring;

■ bodemonderzoek mits dat voldoet aan een van de volgende de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740;

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);

•onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);

•onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

■ waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 [22].

Andere onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 kunnen niet gebruikt worden erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de grond. Deze bodemonderzoeken kunnen enkel in combinatie gebruikt worden met formulier toets herkomst en de bodemkwaliteitskaart.

Voor het toepassen van grond of baggerspecie op uitgesloten locaties en gebieden dient de kwaliteit van de ontvangende bodem vastgesteld te worden. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:

■ onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV);

■ onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);

■ onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB);

■ onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);

■ onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);

■ onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

Bij de bovenstaande onderzoeksstrategieën kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, die zich bevindt op 0,5 m-mv en dieper, achterwege blijven.

3.3.4 Bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten en waterschappen

Vooralsnog zijn nog geen bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten geaccepteerd, zodat de kwaliteit van grond afkomstig uit andere gemeenten op dit moment moet zijn vastgesteld via een ander erkend bewijsmiddel (zie § 3.3.3).

De gemeente Asten wil de mogelijkheid open houden om in de toekomst bodemkwaliteitskaarten van omliggende gemeenten en waterschappen te accepteren als milieuhygiënische verklaring. Hiervoor zou dan het generiek (landelijk) toetsingskader van toepassing zijn (zie § 3.1).

De acceptatie van deze kaarten kan in dat geval door het college worden vastgesteld en hoeft niet nogmaals door de gemeenteraad te worden goedgekeurd. Met het vaststellen van voorliggende nota bodembeheer vindt automatisch delegatie plaats van de gemeenteraad naar het college van Burgemeester en Wethouders om voornoemde bodemkwaliteitskaarten te accepteren als milieuhygiënische kwaliteits-verklaring.

3.3.5 Werken in en met verontreinigde bodem (CROW400)

De bodemkwaliteitskaart in deze nota bodembeheer kan gebruikt worden om een veiligheidsklasse volgens de CROW-publicatie 400 [23] af te leiden voor (graaf)werkzaamheden in de bodem.

Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart is enkel toegestaan indien een vooronderzoek conform de NEN 5725 [24] is uitgevoerd. Hieruit moet dan blijken dat de bodemkwaliteit op de locatie niet afwijkt van de gebiedskwaliteit zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart (onverdachte locatie).

Op basis van de bodemkwaliteitskaart in combinatie met de nota bodembeheer kan aan de hand van de percentielwaarde van minimaal P80 vastgesteld worden of een veiligheidsklasse van toepassing is (zie bijlage 4). Op basis van de bodemkwaliteitskaart van gemeente Asten is voor alle zones vooralsnog geen sprake van een veiligheidsklasse. Wel is altijd sprake van de ‘basishygiëne’.

De veiligheidskundige zal uiteindelijk de veiligheidsklassen definitief moeten vaststellen en de bijbehorende veiligheidsmaatregelen voorschrijven.

4 Bodembeleid

4.4 Wet milieubeheer en activiteitenbesluit

4.4.1 Omgevingsvergunning milieu

De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit milieu wordt ten aanzien van preventieve bodembescherming getoetst aan de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) [36]. Op basis van de NRB voert aanvrager een bodemrisicoanalyse uit om zo de aard en de mate van bodembedreigende activiteiten te bepalen. Als sprake is van bodembedreigende activiteiten, dan is in het merendeel van de gevallen het uitvoeren van een bodemonderzoek verplicht. In de vergunning dienen zowel voorschriften voor het vastleggen van de nulsituatie als voor het uitvoeren van de eindsituatie te worden opgenomen. Bij actualisatie van omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kan om een nulsituatiebodemonderzoek worden gevraagd als er binnen de inrichting nieuwe bodembedreigende activiteiten plaatsvinden.

In de vergunning kan daarnaast worden opgenomen dat periodiek een herhalingsbodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Het herhalingsonderzoek maakt vroegtijdig ingrijpen door de - dan nog - actieve inrichting mogelijk bij onverhoopte verontreiniging van de bodem. De locatie (bodemtype), de mobiliteit van de bodembedreigende stoffen en het verspreidingsrisico spelen een rol bij de keuze voor een herhalingsfrequentie. Per geval wordt beoordeeld of het nodig is om een herhalingsbodemonderzoek voor te schrijven in de omgevingsvergunning.

4.4.2 Melding Activiteitenbesluit milieubeheer

Bij bedrijven, die onder het Activiteitenbesluit vallen, wordt in een aantal voorschriften van het besluit specifiek aandacht besteed aan bodemaspecten. Op grond van artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit zijn er een drietal momenten dat bodemonderzoek verplicht is:

1Wanneer een inrichting wordt opgericht en binnen die inrichting bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd. De resultaten van het nulsituatiebodemonderzoek worden binnen drie maanden na oprichting van de inrichting toegezonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 1). Een uitzondering hierop is dat een IPPC-installatie op grond van artikel 4.3 lid 1 van de Ministeriele regeling omgevingsrecht (MOR) [30] een onderzoeksrapport moet aanleveren voor de start van de activiteiten.

2Wanneer een inrichting of activiteit binnen een inrichting zodanig wijzigt dat het nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit. Het bevoegd gezag stelt dit met een ‘maatwerkvoorschrift’ vast, zijnde een besluit (art. 2.11, lid 2).

3Wanneer een dergelijke inrichting wordt beëindigd, of de IPPC-installatie, of na beëindiging van het opslaan van een vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse tank. De resultaten van het eindsituatiebodemonderzoek worden binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of de beëindiging van opslag in een ondergrondse tank verzonden aan het bevoegd gezag (art. 2.11, lid 3).

4.4.3 Nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek

Hoewel conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) bij bodembedreigende activiteiten altijd een nulsituatiebodemonderzoek moet worden uitgevoerd, blijkt uit diverse jurisprudentie van de Raad van State, dat bij een bedrijf met een verwaarloosbaar bodemrisico geen nulsituatiebodemonderzoek verlangd mag worden zonder een deugdelijke motivering.

Voor de mogelijke mate van bodemverontreiniging speelt naast de omvang ook de aard van de gebruikte stoffen een belangrijke rol. Het risico op bodemverontreiniging alsmede de ernst en omvang hiervan is in grote mate gerelateerd aan de mobiliteit van de stof.

Gelet op het voorgaande, zal de gemeente Asten het al dan niet verlangen van een nulsituatie bodemonderzoek af laten hangen van zowel de omvang van de betreffende activiteit, alsmede de aard van de verontreinigende stof, overeenkomstig tabel 4.5. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen agrarische en niet-agrarische bedrijven.

Tabel 4.5:noodzaak nulsituatiebodemonderzoek in relatie tot omvang activiteit en aard stoffen

Aard

Omvang

NRB

Voorziening

0-sit.*)

Immobiel: t/m 200 l of kg

mobiel: t/m 100 l of kg

zeer mobiel: t/m 25 l of kg

Zeer gering

Blijft buiten beschouwing

Waar nodig beperkte voorschriften ter bescherming van de bodem

Nee

Immobiel: onbeperkt

mobiel: t/m 5.000 l of kg

zeer mobiel: t/m 1.000 l of kg

Gering

Verwaarloosbaar bodemrisico

Vloeistofkerende voorziening

Nee

Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening

Nee

Immobiel: n.v.t.

mobiel: > 5.000 l of kg

zeer mobiel: > 1.000 l of kg

Aanzienlijk

Verwaarloosbaar bodemrisico

Vloeistofkerende voorziening

Ja

Gecertificeerde vloeistofdichte voorziening

Nee

*) 0-sit.: nulsituatie bodemonderzoek.

Eisen nul- en eindsituatiebodemonderzoek

Het nulsituatiebodemonderzoek dient te voldoen aan de NEN 5740 [15] en uitgevoerd te worden conform de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige belasting (NUL) of de onderzoeksstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige ondergrondse opslagtank(s) (NUL-OO).

Een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek wordt uitgevoerd volgens dezelfde strategie en op dezelfde plaats als het voorgaande nulsituatie bodemonderzoek. Indien geen nulsituatiebodemonderzoek beschikbaar is kan een revisie- of eindsituatiebodemonderzoek plaatsvinden volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijk bodembelasting met duidelijke verontreinigings-kern (VEP) of volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met één of meer ondergrondse opslagtank(s) (VEP-OO).

Het onderzoek richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en op de plaatsen waar bodem-bedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden (art. 2.11, lid 8, Activiteitenbesluit). Een aanwezige vloeistofdichte vloer of verharding wordt ten behoeve van het onderzoek niet doorboord of anderszins aangetast (art. 2.11, lid 9, Activiteitenbesluit). Er kan in dat geval worden volstaan met onderzoek van het grondwater aan de stroomafwaartse zijde zo dicht mogelijk bij de bron.

Voor het bepalen van de benodigde analyses kan gebruik gemaakt worden van het overzicht kritische paramaters, zie bijlage 9.

4.4.4 Herstelplicht

Indien uit het eindsituatiebodemonderzoek blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van dat rapport aan het bevoegd gezag de bodemkwaliteit is hersteld tot:

1de situatie bij oprichting of verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd in een rapport van een nulsituatie bodemonderzoek;

2de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit indien er geen rapport van een nulsituatie bodemonderzoek beschikbaar is.

Gelet op dit laatste kan het dus in het belang van de drijver van de inrichting zijn om wel een nulsituatie-bodemonderzoek uit te voeren om te voorkomen dat deze verantwoordelijk kan worden gesteld voor de sanering van al aanwezige verontreinigingen.

Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is, door een persoon of instantie die een erkenning bezit op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Degene die de inrichting drijft meldt de aanvang en de afronding van de werkzaamheden direct aan het bevoegd gezag.

5 Het saneren van een bodemverontreiniging

5.1 Historische bodemverontreiniging

5.1.1 Geval van ernstige bodemverontreiniging

Indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, is de ODZOB namens de provincie Noord-Brabant bevoegd gezag Wet bodembescherming.

Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor ten minste één stof het gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van een grondverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. Er kunnen gevallen zijn waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden en er toch sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Ook in het geval van verontreinigingen met stoffen waarvoor geen interventiewaarde is afgeleid kan sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging.

Voor asbest is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien het gehalte aan asbest (gewogen) in de grond de interventiewaarde 100 mg/kg ds overschrijdt. In tegenstelling tot andere stoffen geldt voor asbest geen volumecriterium.

Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld, dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Er dient dan te worden bepaald of er sprake is van onaanvaardbare risico’s bij het huidige of toekomstig gebruik, in welk geval er spoedig moet worden gesaneerd. De spoedeisendheid wordt bepaald door middel van de uitvoering van een risicobeoordeling, waarbij vastgesteld wordt of sprake is van onaanvaardbare actuele humane, ecologische of verspreidings-risico’s.

De volgende gevallen van kunnen zich voordoen:

■ Geval van ernstige bodemverontreiniging dat met spoed gesaneerd dient te worden (spoedlocatie). De ODZOB zal een saneringsverplichting opleggen, met een termijn waarbinnen de bodemsanering uitgevoerd zal moeten worden (veelal binnen 4 jaar na het afgeven van de beschikking ‘ernst en spoed’).

■ Geval van ernstige bodemverontreiniging dat niet met spoed gesaneerd dient te worden. Het is niet noodzakelijk om deze bodemverontreiniging direct te saneren. Het saneren kan plaatsvinden op een ‘natuurlijk’ moment, zoals bij (her)ontwikkeling of graafwerkzaamheden op een locatie.

Indien een geval van (mogelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt aangetroffen binnen de gemeente, dan meldt de gemeente dit bij het bevoegd gezag (Art. 41, Wbb).

Een groot deel van de saneringen wordt uitgevoerd onder het Besluit Uniform Saneren (BUS), waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. Het BUS is een landelijke uniforme regeling voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd middels diverse standaardaanpakken kunnen worden afgerond.

De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor, waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld.

Indien een bodemsanering wordt uitgevoerd, moet de bodem ten minste geschikt gemaakt worden voor de functie die de locatie krijgt na sanering, waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarnaast moet het risico voor verspreiding en de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem (de nazorg) zo veel mogelijk beperkt worden (art. 38 Wbb).

Bovenstaande geldt niet voor een BUS-melding tijdelijk uitplaatsen (BUS-TUP). Hierbij blijft de verontreinigingssituatie ongewijzigd. Wel moet een melding BUS-TUP worden ingediend om te waarborgen dat civieltechnische werkzaamheden op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden uitgevoerd.

De terugsaneerwaarden voor immobiele verontreinigingen dient bij voorkeur aan te sluiten bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart. Hiervan mag bij een saneringsplan gemotiveerd worden afgeweken (bij BUS-melding is afwijken niet mogelijk).

Het aanvullen van een saneringsput valt onder het Besluit bodemkwaliteit, de aanvulgrond moet daardoor voldoen aan de gemeentelijke kwaliteitseisen (zie hoofdstuk 2 en 3). Bij een saneringsplan kan ook hier gemotiveerd van worden afgeweken.

De sanering van mobiele verontreinigingen moet leiden tot een kwaliteit van grond en grondwater die het gewenste gebruik van de boven- en ondergrond mogelijk maakt, de risico’s van de verspreiding van (rest)verontreinigingen na sanering zo veel mogelijk beperkt en zo min mogelijk nazorg vereist. Dit kan worden beschouwd als een ‘stabiele, milieuhygiënisch acceptabele eindsituatie’. De precieze invulling hiervan hangt af van de kosteneffectiviteit van de sanering (afweging van onder andere kosten, technische mogelijkheden en eventuele nazorg voor de verontreiniging die achterblijft).

Indieningsvereisten

Om een bodemverontreiniging te saneren dient een saneringsplan of een melding Besluit Uniforme Sanering (BUS-melding) [8,9] ter beoordeling ingediend te worden bij de ODZOB.

De standaard beoordelingstermijn voor een saneringsplan is 15 weken en voor een BUS-melding afhankelijk van het type melding 5 werkdagen (alleen voor categorie tijdelijk uitplaatsen waarvoor geen milieukundige begeleiding is vereist) of 5 weken (alle overige gevallen).

De bodemsanering dient uitgevoerd te worden door een SIKB-BRL7000 [42] gecertificeerde aannemer en (in de meeste gevallen) begeleidt te worden door een SIKB-BRL 6000 [43] milieukundige begeleider.

Na afronding van de bodemsanering dient binnen 8 weken een saneringsverslag of BUS-evaluatieformulier ingediend te worden bij de ODZOB.

Namens de provincie Noord-Brabant beoordeelt de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) de saneringsplannen en saneringsevaluaties. Voor de juiste wijze van indienen wordt verwezen naar de website van de ODZOB (www.odzob.nl).

Omgevingswet

Bij het ingaan van de Omgevingswet zal er een bevoegdheidsverschuiving plaatsvinden. De gemeente Asten wordt dan bevoegd gezag voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging met uitzondering van de gevallen waarvoor al een beschikking is genomen dat spoedige sanering noodzakelijk is of waarvoor al een saneringsplan of BUS-melding is ingediend en voor grondwaterverontreinigingen.

5.1.2 Geval van niet-ernstige bodemverontreiniging

Indien sprake is van een geval van niet-ernstige bodemverontreiniging, kan de gemeente op grond van het Besluit bodemkwaliteit voorwaarden voorschrijven om deze niet-ernstige gevallen te verwijderen zodat voldaan wordt aan de gebiedskwaliteit.

De gemeente Asten wil voorkomen dat sterk verontreinigde grond (met gehalte boven de interventiewaarde) vergraven wordt, dan wel elders wordt toegepast waardoor de lokale bodemkwaliteit kan verslechteren.

Indien een initiatiefnemer graafwerkzaamheden wil uitvoeren in sterk verontreinigde grond, dan dient dit gemeld te worden bij de gemeente door middel van het indienen van een plan van aanpak. De terugsaneerwaarden dienen aan te sluiten bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassen-kaart. Het plan van aanpak dient 4 weken voor aanvang van de graafwerkzaamheden ter beoordeling te zijn ingediend bij de gemeente.

De bodemsanering van niet-ernstige gevallen valt formeel niet onder de Kwalibo-regelgeving. De aannemer en de milieukundige begeleider hoeven niet gecertificeerd te zijn volgens de SIKB-BRL 7000 en de SIKB-BRL 6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen.

Na afloop van de graafwerkzaamheden dient binnen een termijn van 4 weken een saneringsverslag te worden aangeleverd. De gemeente heeft 4 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.

Het plan van aanpak en de evaluatie kunnen ingediend worden via gemeente@asten.nl.

5.2 Nieuwe bodemverontreinigingen (zorgplicht)

5.2.1 Nieuwe bodemverontreinigingen buiten Wm-inrichtingen

De veroorzaker van bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 buiten Wm-inrichtingen, is verplicht om verdere aantasting van de bodem te voorkomen en de aantasting zo veel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging is ontstaan als gevolg van een calamiteit (ongewoon voorval) dienen de maatregelen direct genomen (zonder uitstel) te worden om verdere verspreiding te voorkomen. Dit heeft alleen zin als de verontreiniging kort geleden is ontstaan en het eenvoudig is op te ruimen door middel van ontgraving.

Degene die de bodemverontreiniging veroorzaakt of opmerkt meldt dit aan het bevoegd gezag (ODZOB) en geeft aan welke maatregelen worden genomen om de verontreiniging ongedaan te maken (art. 27 Wbb). De melding kan gedaan worden via bodemloket@odzob.nl.

In het geval van een calamiteit (ongewoon voorval) moet de veroorzaker in de gelegenheid gesteld worden om de benodigde maatregelen te nemen om de verontreiniging ongedaan te maken. Als de geboden spoed zich hiertegen verzet, kan het bevoegd gezag acties (laten) uitvoeren en deze later in rekening brengen bij de veroorzaker. Er is sprake van rauwelijkse bestuursdwang (art 5.24 Algemene wet bestuursrecht) [6]. De veroorzaker moet wel zo spoedig mogelijk schriftelijk aansprakelijk worden gesteld.

De ODZOB is het bevoegde gezag voor het beoordelen en handhaven van deze nieuwe bodemverontreinigingen.

Indieningsvereisten

Om een nieuwe bodemverontreiniging te saneren dient een plan van aanpak ter beoordeling ingediend te worden bij de ODZOB. In geval van een calamiteit kan direct gestart worden met de sanering en is een melding voldoende.

De bodemsanering zal uitgevoerd moeten worden door een SIKB-BRL7000 gecertificeerde aannemer en begeleidt dienen te worden door een SIKB-BRL 6000 milieukundige begeleider. Uitzondering hierop vormen situaties waarin direct handelen is vereist (calamiteiten). In deze situatie hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn volgens SIKB-BRL7000 (bereddering), de milieukundige begeleider bepaald de ontgravingsgrenzen en verzorgt de eindbemonstering.

Na afloop van de graafwerkzaamheden zal binnen een termijn van 8 weken een saneringsevaluatie ter beoordeling aangeleverd moeten bij de ODZOB.

De meldingen, het plan van aanpak en de saneringsevaluatie kunnen ingediend worden via bodemloket@odzob.nl.

Regeling verwijdering calamiteuze stoffen (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, 23-12-2019)

De “Regeling Verwijdering Calamiteuze Stoffen” (hierna RVCS) [45] is bedoeld om op een verantwoorde wijze gevaarlijke stoffen, onbekende stoffen en lege verpakkingen van gevaarlijke stoffen, die vrijkomen bij een calamiteit of onbeheerd worden aangetroffen of gedumpt (niet zijnde in een gebouw), af te voeren. Tevens is de RVCS bedoeld om de gevolgen van deze calamiteit of dumping voor de bodem ongedaan te maken.

De gemeente Asten heeft de RVCS vastgesteld waarmee regionaal dezelfde werkwijze wordt gehanteerd bij het aantreffen van calamiteuze stoffen (voornamelijk drugsafval). Indien er een calamiteit heeft plaats gevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt, zal in overleg met de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant direct gestart worden met de bodemsanering.

De milieukundig begeleider stelt binnen één week na ontvangst van de analyseresultaten een briefrapport op over de uitvoering van de bodemsanering en stuurt dat ter beoordeling naar bodemloket@odzob.nl.

Voor een nadere toelichting over de werkwijze bij het aantreffen van calamiteuze stoffen wordt verwezen naar de RVCS.

5.2.2 Nieuwe bodemverontreinigingen binnen Wm-inrichtingen

De veroorzaker van bodemverontreinigingen welke ontstaan zijn ná 1 januari 1987 en voor asbest ná 1 juli 1993 binnen Wm-inrichtingen, is verplicht om verdere aantasting van de bodem te voorkomen en de aantasting zo veel mogelijk ongedaan te maken (art. 1.1a Wm en art. 2.11 Activiteitenbesluit) [40]. Indien de verontreiniging is ontstaan als gevolg van een calamiteit (ongewoon voorval) dienen de maatregelen direct genomen (zonder uitstel) te worden om verdere verspreiding te voorkomen (art. 17.1 Wm). Dit heeft alleen zin als de verontreiniging kort geleden is ontstaan en het eenvoudig is op te ruimen door middel van ontgraving. Bij een calamiteit wordt hiervan melding gemaakt bij het bevoegd gezag (de gemeente of bij provinciale inrichtingen de OMWB, zie § 5.2) (art. 17.2 Wm).

Indien het uit een (eindsituatie) bodemonderzoek blijkt dat er door de activiteiten van de inrichting de bodemkwaliteit is aangetast, dan zorgt de drijver van de inrichting dat de bodemkwaliteit hersteld wordt en er binnen 6 maanden een evaluatie is ingediend bij het bevoegde gezag (art. 2.11 Activiteitenbesluit). Bij geen directe spoed zal voor aanvang een plan van aanpak ter beoordeling ingediend moeten worden bij het bevoegd gezag (art. 2.9a, Activiteitenbesluit). Zie ook §4.4.4.

Indieningsvereisten

Om een nieuwe bodemverontreiniging te saneren binnen een inrichting dient een plan van aanpak ter beoordeling ingediend te worden bij de gemeente (of OMWB bij provinciale inrichtingen). In geval van een calamiteit kan direct gestart worden met de sanering en is een melding voldoende.

De bodemsanering zal uitgevoerd moeten worden door een SIKB-BRL7000 gecertificeerde aannemer en begeleidt dienen te worden door een SIKB-BRL 6000 milieukundige begeleider. Uitzondering hierop vormen situaties waarin direct handelen is vereist (calamiteiten). In deze situatie hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn volgens SIKB-BRL7000 (bereddering), de milieukundige begeleider bepaald de ontgravingsgrenzen en verzorgt de eindbemonstering.

Na afloop van de graafwerkzaamheden zal binnen een termijn van 8 weken een saneringsevaluatie ter beoordeling aangeleverd moeten bij de gemeente (of OMWB bij provinciale inrichtingen).

De meldingen, het plan van aanpak en de saneringsevaluatie kunnen ingediend worden via gemeente@asten.nl. Voor provinciale inrichtingen dient contact opgenomen te worden met de Omgevingsdienst Midden en West-Brabant (OMWB)

Bijlage 1 Referenties

1Besluit bodemkwaliteit, 22 november 2007;

2Regeling bodemkwaliteit, 13 december 2007;

3Nota van toelichting op het Besluit bodemkwaliteit;

4Nota van toelichting op de Regeling bodemkwaliteit;

5Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;

6Algemene Wet bestuursrecht;

7Bodemkwaliteitskaart en grondwaterkwaliteitskaart Gemeente Asten (WSP Nederland B.V., kenmerk: SOB016557.RAP001, d.d.: 23 november 2021);

8Besluit uniforme saneringen;

9Regeling uniforme saneringen;

10Bestemmingsplannen;

11Wegcategorisering Gemeente Asten;

12Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009);

13Bodemkwaliteitskaart PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant (Anteagroup, kenmerk: 0462683.100, d.d.: 28-10-2020);

14Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, VROM & Ministerie van Verkeer en Waterstaat;

15NEN 5740. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond;

16Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (Geactualiseerde versie 2 juli 2020);

17Keur Waterschap Aa en Maas 2015;

18Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie (Agentschap NL, kenmerk: mca/201004004, d.d.: 7 juli 2010);

19BRL SIKB 7500. Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie;

20BRL 9335. Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond;

21BRL SIKB 1000. Beoordelingsrichtlijn Monsterneming voor partijkeuringen, Protocol 1001 – Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie;

22NEN 5720. Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie.

23CROW 400: Werken in en met verontreinigde bodem, richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risico gestuurd werken (Kennisplatform CROW, tweede gewijzigde druk, december 2017)

24NEN 5725. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek;

25Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;

26Besluit Ruimtelijke Ordening;

27NEN 5707. Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond;

28NTA 5755. Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging;

29Wet bodembescherming;

30Ministeriële regeling omgevingsrecht;

31Bouwverordening Gemeente Asten 2012, 14e serie wijzigingen;

32Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering;

33Besluit Omgevingsrecht;

34Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

35Woningwet;

36Nederlandse Richtlijn bodembescherming 2012 (NRB), Agentschap NL, maart 2012;

37Beleidsregel gebiedswaarden de Kempen Noord-Brabant, 10 juli 2015;

38Omgaan met regionaal verhoogde concentraties van zware metalen in grondwater in Noord-Brabant” (Platform bodembeheer Brabant, 1 november 2011);

39Wet Milieubeheer;

40Activiteitenbesluit Milieubeheer;

41Circulaire bodemsanering 2013;

42BRL SIKB 7000. Beoordelingsrichtlijn Uitvoering (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem;

43BRL 6000. Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg.

44Grondwaterplan in de Kempen – Actieplan cadmium en zink, Actief Bodembeheer de Kempen, kenmerk 3101082, vastgesteld juni 2013.

45Regeling verwijdering calamiteuze stoffen (Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, d.d.: 23-12-2019).

Bijlage 2 Begrippenlijst

Achtergrondwaarden

Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.

Baggerspecie

Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, evenals van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.

Bodembeheergebied

Aaneengesloten, afgebakend deel van de oppervlakte van één of meer gemeenten of het beheergebied van één of meer waterkwaliteitsbeheerders.

Bodemfunctie

Gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, zoals overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling.

Bodemfunctieklasse

Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties:

■ Industrie;

■ Wonen;

■ Overig (landbouw/natuur).

Bodemfunctieklassenkaart

Kaart waarop de bodemfunctieklassen staan aangegeven.

Bodemkwaliteit

De bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten in een gebied. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).

Bodemkwaliteitskaart

Kaart waarop zones met gelijke chemische bodemkwaliteit staan aangegeven.

Bodemkwaliteitsklasse

In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:

■ klasse AW2000: de gemiddelde gehalten van de toe te passen grond/baggerspecie voldoen aan de achtergrondwaarden;

■ klasse Wonen: de gemiddelde gehalten van de toe te passen grond/baggerspecie voldoen aan de maximale waarde van de bodemfunctie Wonen;

■ klasse Industrie: de gemiddelde gehalten van de toe te passen grond/baggerspecie voldoen aan de maximale waarde van de bodemfunctie Industrie.

Bodemkwaliteitszone

Aaneengesloten deel of meerdere niet aaneengesloten delen van een beheersgebied met een gelijke ontstaans- en gebruiksgeschiedenis, als gevolg waarvan sprake is van een vergelijkbare actuele kwaliteit van de bodem. Een bodemkwaliteitszone is ook in verticale richting begrensd.

Erkende kwaliteitsverklaring

Schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die afkomstig is van een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens het besluit bodemkwaliteit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de verklaring aangegeven wijze.

Fabrikant-eigenverklaring

Schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een bouwstof, grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit de verklaring blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen. Een overzicht van fabrikant-eigenverklaringen wordt gepubliceerd op de site van Bodem+ (www.bodemplus.nl).

Functionele en nuttige toepassing

Partijen grond en baggerspecie mogen alleen worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen andere regels.

Nuttig toepassen betekent ook dat niet meer materiaal mag worden toegepast dan nuttig of nodig is. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om een geluidswal aan te leggen in een gebied waar dit niet nodig is, of die hoger is dan nodig om het geluid te weren.

De onderstaande toepassingen van grond en baggerspecie worden beoordeeld als nuttige, functionele toepassingen:

a) Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.

b) Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouwen natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid.

c) Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier door contact met het onderliggende materiaal.

d) Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.

e) Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d.

f) Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen.

g) Verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame vervulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment.

h) Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in oppervlaktewater.

i) Tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

Gesaneerde locatie

Locatie waarop de sanering van een aanwezige ernstige bodemverontreiniging is afgerond en goedgekeurd middels een beschikking op het evaluatierapport (en eventueel nazorgplan) door het bevoegd gezag Wet bodembescherming.

Grond

Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.

Grootschalige (bodem)toepassing

Een bijzonder toepassingskader binnen het Besluit bodemkwaliteit (zie § 3.1.1).

Interventiewaarden

Bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet Bodembescherming. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).

Milieuhygiënische verklaring

a) voor bouwstoffen, grond of baggerspecie: partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende kwaliteitsverklaring, en

b) voor grond, baggerspecie of de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast: verklaring omtrent de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de bodem.

Ontgravingskaart

De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de te verwachten gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De kaart doet dus alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden indien afkomstig van een onverdachte locatie. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingskwaliteit kan vallen in één van de vier onderscheiden klassen:

•Klasse Landbouw/Natuur (AW-2000 / achtergrondwaarden).

•Klasse Wonen.

•Klasse Industrie.

•Klasse Niet toepasbaar.

Ontvangende bodem

Bodem waarop of waarin grond wordt hergebruikt of toegepast.

Ontvangstplicht

In artikel 5.23 van de Waterwet is een verplichting opgenomen voor rechthebbenden van gronden, gelegen aan of in een oppervlaktewaterlichaam, om baggerspecie en maaisel te ontvangen, die in het kader van regulier onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd. Deze gedoogplicht geldt voor onderhoud door of onder toezicht van de beheerder van het oppervlaktewater. Tevens dienen zij onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan waterstaatswerken te gedogen. De beheerder stelt de rechthebbenden ten minste achtenveertig uur van tevoren schriftelijk in kennis van de voorgenomen werkzaamheden. In het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) zijn de milieuhygiënische randvoorwaarden voor het verspreiden van baggerspecie opgenomen.

Partij

Een partij is een identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast. Daarom geldt het volgende: Bodem en waterbodem (in-situ) resp. grond en baggerspecie (depots – dus na ontgraving) mogen worden aangemerkt als één partij (tot een maximum van 10.000 ton), als:

■ sprake is van een eenduidige en gelijke textuur, bepaald overeenkomstig NEN 5706, en

■ sprake is van aaneengesloten percelen of depots, en

■ de aangetroffen bijmengingen van de individuele partijen, qua samenstelling en percentage, bepaald conform protocol 2001, vergelijkbaar zijn, en

■ sprake is van een gelijke milieuhygiënische kwaliteitsklasse (vastgesteld aan de hand van een indicatieve partijkeuring zoals bedoeld in BRL 9335 en BRL 7500, verkennend bodemonderzoek, bodemverwachtingenkaart (waterbodem), historisch bodemonderzoek en/of vastgestelde bodem-kwaliteitskaart van gemeente of waterkwaliteitsbeheerder).

Partijkeuring

Schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het Besluit kan worden toegepast en hoe dit is vastgesteld. Partijkeuringen grond kunnen zowel in-situ als ex-situ worden uitgevoerd. Met een partijkeuring grond wordt de kwaliteit van de gehele partij grond vastgesteld.

Percentiel(waarde)

Waarde waar beneden een bepaald percentage van de waarnemingen gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de waarnemingen ligt beneden deze waarde.

Richtlijn bodemkwaliteitskaarten

De landelijke Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is voorgeschreven als een gemeente of waterschap een bodemkwaliteitskaart opstelt die wordt gebruikt voor hergebruik van grond en baggerspecie onder het Besluit. Met deze Richtlijn zijn tevens een aantal andere procedures geregeld, waaronder de te hanteren normwaarden, omgaan met uitbijters, vergelijkbaarheid, omgaan met ‘bijzondere omstandigheden’ en het in een kaart weergeven van de bodemkwaliteit en mogelijkheden tot grond- en baggerverzet.

Sterk verontreinigde grond

Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden overschrijden. Indien sprake is van een bodemvolume van minimaal 25 m3 sterk verontreinigde grond spreekt met van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Sterk verontreinigde grond komt niet in aanmerking voor hergebruik.

De zorgplicht houdt in, dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast (bijvoorbeeld door het toepassen of opslaan van een bouwstof, grond of baggerspecie, die niet voldoet aan de daarvoor geldende eisen), verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde de verontreiniging of aantasting en de directe gevolgen daarvan te voorkomen, te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Bijlage 4 Bodemkwaliteitskaarten boven- en ondergrond

■ Ligging bodemkwaliteitszones;

■ Ontgravingskaarten;

■ Toepassingskaarten (generiek kader Besluit bodemkwaliteit);

■ Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem).

Bijlage 6 Grondwaterkwaliteitskaarten

■ Kaarten voor arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink;

■ Statistische parameters grondwaterkwaliteit.

Bijlage 8 Bodemnormen

Bodemnormen (in mg/kg ds) voor een standaardbodem (humus 10% en lutum 25%)

Circulaire bodemsanering 2013

Regeling bodemkwaliteit

Regeling uniforme saneringen (De Kempen)

AW

T

I

AW

MW-W

MW-I

MW-V 1)

M-emissie

Emissie-TW

ABdK-M

ABdK-S

Zware metalen

Arseen (As)

20

48

76

20

27

76

X

0,61

42

55

55

Barium (Ba)

-

-

9203)

-

-

-

X

-

-

-

-

Cadmium (Cd)

0,6

6,8

13

0,6

1,2

4,3

X en 7,5

0,051

4,3

3,7

12

Chroom (Cr)

55

117,5 (Cr III), 66,5 (Cr VI)

180(Cr III), 78 (Cr VI)

55

62

180

X

0,17

180

62

62

Kobalt (Co)

15

102,5

190

15

35

190

X

0,24

130

35

35

Koper (Cu)

40

115

190

40

54

190

X

0,24

113

190

190

Kwik (Hg)

0,15

18,1

36

0,15

0,83

4,8

X

0,49

4,8

0,83

0,83

Lood (Pb)

50

290

530

50

210

530

X

15

308

85

276

Molybdeen (Mo)

1,5

95,8

190

1,5

88

190

X

0,48

105

88

88

Nikkel (Ni)

35

67,5

100

35

39

100

X

0,21

100

39

39

Zink (Zn)

140

430

720

140

200

720

X

2,1

430

720

720

Minerale olie

Minerale olie (GC)

190

2595

5000

190

190

500

3000

-

-

190

190

PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen)

PAK’s totaal (som 10)

1,5

20,8

40

1,5

6,8

40

-2)

-

-

6,8

6,8

PCB (polychloorbifenylen)

PCB’s (som 7)

0,02

0,51

1

0,02

0,02

0,5

-2)

-

-

0,02

0,02

legenda

AW:

achtergrondwaarde

T:

tussenwaarde

I:

interventiewaarde

MW-W:

maximale waarde klasse wonen

MW-I:

maximale waarde klasse industrie

MW-V:

maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel 1) 2)

M-emissie:

maximale emissiewaarden

Emissie-TW:

emissietoetswaarde

ABdK-M:

maximale waarde klasse wonen met moestuin

ABdK-S:

maximale waarde klasse wonen met siertuin

1) De msPAF wordt berekend voor de met X aangeduide stoffen. Indien geen waarde wordt ingevuld (bijvoorbeeld omdat de stof niet gemeten wordt) wordt gerekend met 0,7 * bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid).

De baggerspecie voldoet aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel indien:

–de gehalten van de gemeten stoffen lager zijn dan de Interventiewaarde bodem, niet zijnde de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, en;

–voor organische stoffen: msPAF < 20%, en;

–voor metalen: msPAF < 50%, waarbij voor cadmium een maximum gehalte geldt.

Voor gemeten stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF-berekening geldt de achtergrondwaarde (met uitzondering van somparameters waarbij de individuele parameters onderdeel uitmaken van de msPAF-berekening; deze uitzondering geldt niet voor dioxine (som TEQ) waarvan PCB118 onderdeel uitmaakt). Minerale olie maakt geen deel uit van de msPAF-berekening. In plaats van de Achtergrondwaarde geldt voor deze stof de waarde, die vermeld is in de kolom ‘Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel’. Voor toetsing aan de Achtergrondwaarden worden de toetsingsregels van de Achtergrondwaarden toegepast. Uit vloeit voort dat naast de msPAF toetsing ook een toets moet plaatsvinden aan de Interventiewaarden bodem. Voor metalen waarvoor geen Interventiewaarden bodem zijn vastgesteld, dienen de Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie te worden gehanteerd.

2) Voor de individuele PAK’s en PCB’s geldt: X.

3) De norm voor barium is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarden voor de meeste andere metalen en is voor barium inclusief een natuurlijk achtergrondgehalte van 190 mg/kg d.s.

Bijlage 9 Overzicht kritische parameters nulsituatie bodemonderzoek

Overzicht kritische parameters vanaf 18 juni 2018 (geactualiseerd, bruikbaar voor alle inrichtingen in de provincie Noord-Brabant)

Activiteit (*)

Subactiviteit

Kritische parameter

Analyse grond (** en ***)

Analyse grondwater (** en ***)

Asbest opslag

Asbest

Asbest

n.v.t.

Bestrijdingsmiddelen

OCB's, PCB's

OCB's, PCB's

OCB's, PCB's

Brandstoffen

Benzine

Minerale olie (incl.vluchtig), BTEXN

Minerale olie en minerale olie vluchtig (C6-C10 (steekbus))

Minerale olie, minerale olie vluchtig (C6-C10), BTEXN

benzine vanaf 1988

Minerale olie (incl.vluchtig), BTEXN, MTBE en ETBE

Minerale olie en minerale olie vluchtig (C6-C10 (steekbus))

Minerale olie, minerale olie vluchtig (C6-C10), BTEXN, MTBE en ETBE

Diesel

Minerale olie

Minerale olie

Minerale olie

Compostering (gft, groenafval -> geen snoeihout)

CZV, N-Kjeldahl, sulfaten, fosfaten, chloride en metalen

STAP-grond

STAP-grondwater, CZV, N-Kjeldahl, sulfaten, fosfaten en chloride

Flessenglas (container)

Macroparameters (CZV, N-Kjeldahl)

-

CZV, N-Kjeldahl

Houtopslag (geshredderd B-hout en (on)geshredderd C-hout)

Fenolen en chloorfenolen, PAK, glycolen, BTEXN en zware metalen

STAP-grond, fenolen, chloorfenolen (géén fenolindex), glycolen + As, Cr

STAP-grondwater, fenolen, chloorfenolen (géén fenolindex), glycolen, PAK + As, Cr

Electronicamaterialen, opslag

Metalen (soldeerverbindingen)

Sn, Pb, Ag, Cd

Sn, Pb, Ag, Cd

Kabelopslag

Metalen, minerale olie, PAK's, bitumen

STAP-grond

STAP-grondwater

Opslag Klein Gevaarlijk Afval (KGA)

Inzameling/ Milieustraten

STAP, antimoon, barium, vanadium, zilver, diverse (niet) vluchtige organische componenten

STAP-grond, antimoon, vanadium, zilver, GC/MS-niet vluchtig (= PAK, OCB, PCB, ONB, OPB, niet vluchtige chloorbenzenen) + As, Cr

STAP-grondwater, antimoon, vanadium, zilver, GC/MS-vluchtig (= BTEXN, BTEXN uitgebreid, VOH, VOH uitgebreid, vluchtige chloorbenzenen), GC/MS-niet vluchtig (= PAK, OCB, PCB, ONB, OPB, niet vluchtige chloorbenzenen) + As, Cr

Opslag op inrichtingen

STAP-grond

STAP-grondwater

Koelvloeistoffen (autobranche)

Glycolen

Glycolen

Glycolen

Metalenopslag (zoals ongesorteerd schroot, draaisels)

Exclusief aluminium, ijzer en roestvrijstaal, mits er geen sprake is van aanhangende olie

Metalen, minerale olie

Metalen, minerale olie

Metalen, minerale olie

Olieopslag

Diesel, huisbrandolie

Minerale olie

Minerale olie

Minerale olie

motorolie, stookolie

Minerale olie

Minerale olie

Minerale olie

Afgewerkte olie (vat)

Minerale olie en PAK

Minerale olie en PAK

Minerale olie en PAK

Olieafscheider

Autodemontage, tankstation

Minerale olie, brandstoffen

Minerale olie

Minerale olie, BTEXN

o.a. Metaalbewerking:

minerale olie

Minerale olie

Minerale olie

Onbewerkte autowrakken

STAP, methanol, ethanol, isopropylalcohol, monoethyleenglycol, glycolen

STAP-grond, methanol, ethanol, isopropylalcohol, glycolen (incl. monoethyleenglycol)

STAP-grondwater, methanol, ethanol, isopropylalcohol, glycolen (incl. monoethyleenglycol)

Opslag grond (verontreinigde grond, onbekende samenstelling)

exclusief opslag grond t/m klasse industrie

STAP, Sb, CN-tot, CN-vr, F, SO4, asbest

STAP-grond + As, Cr

STAP-grondwater, Sb, CN-tot, CN-vrij, F, SO4 + As, Cr

Opslag grond of baggerspecie (klasse wonen en industrie)

formeel geen nulsituatie nodig, maatwerk in relatie tot ontvangende bodem

STAP

STAP-grond

STAP-grondwater

Plantaardige oliën en vetten, opslag

minerale olie en vetten

minerale olie en vetten

minerale olie en vetten

Puinopslag / Bouw- en Sloopafval (BSA) / zeefzand

exclusief schoon puin

STAP, Sb, CN-tot, CN-vr, F, SO4

STAP-grond + As, Cr

STAP-grondwater, Sb, CN-tot, CN-vrij, F, SO4 + As, Cr

Ruitensproeiervloeistoffen (autobranche)

Methanol, ethanol, isopropylalcohol, glycolen

Alcoholen (methanol, ethanol, isopropylalcohol), glycolen

Alcoholen (methanol, ethanol, isopropylalcohol), glycolen

Teerhoudend asfalt

Minerale olie, PAK

Minerale olie, PAK

Minerale olie, PAK

Verfopslag en verwerking

Oplosmiddelen, metalen, minerale olie

Metalen

STAP-grondwater, Alcoholen, Acetaten

Wasplaats / reinigingsmiddelen

Detergenten, metalen en minerale olie

STAP-grond

STAP-grondwater, detergenten (an-, kat- en non-ionische)

Zoutopslag

Chloride, cyaniden, metalen

STAP-grond, chloride, CN-tot, CN-vrij

STAP-grondwater, chloride, CN-tot, CN-vrij

Zuren en basen opslag

Metalen, zuurgraad

Metalen en pH

Metalen

* De lijst is niet volledig. Het zijn activiteiten die regelmatig voorkomen binnen inrichtingen in de Provincie Noord-Brabant.

** Per activiteit, maatwerk m.b.t. het analysepakket. Indien er aanwijzigingen/zintuiglijke waarnemingen zijn dat andere parameters als kritisch aangemerkt dienen te worden, dan opnemen in het te onderzoeken parameterpakket.

*** Het is vaak goedkoper om analyses uit te voeren op het standaard NEN5740+A1-grond en/of grondwaterpakket (STAP), dan aparte analyses (individuele parameters).

STAP = standaardpakket NEN5740+A1

minerale olie = C10-C40

Bijlage 10 Betrokkenen en verantwoordelijkheden grondverzet

Betrokkenen en verantwoordelijkheden grondverzet

Onderstaande tabel toont de verantwoordelijkheden van verschillende betrokken actoren in het kader van de nota bodembeheer. Naast de ondergenoemde actoren zijn ook gespecialiseerde instellingen betrokken, waaronder adviesbureaus (partijkeuringen) en grondbanken (leverancier en/of toepasser van de grond).

Overzicht betrokken actoren en verantwoordelijkheden bij grondverzet

Betrokken actoren

verantwoordelijkheden

Gemeente (algemeen)

■ verstrekken van inlichtingen over o.a. de bodemkwaliteit;

■ voeren van vooroverleg met de initiatiefnemer;

■ bevoegde gezag Besluit bodemkwaliteit (Bbk).

Provincie

■ grondverzet ter plaatse van beschermingsgebieden.

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB)

■ namens de provincie controle en handhaving van gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging en bij verplaatsen van verontreinigde grond op grond van art. 28 van de Wet bodembescherming;

■ namens de gemeente uitvoeren taken Bbk waaronder in ontvangst nemen, registreren, archiveren, beoordelen en toetsen van de melding voor het toepassen van grond en/of baggerspecie;

■ namens de gemeente handhaving van de Bbk-melding (administratief en in het veld).

Partij die de grond toepast

(Een opdrachtgever kan deze verantwoordelijkheid ook neerleggen bij een aannemer. Beide zijn dan verantwoordelijk dat voldaan wordt aan deze verplichtingen)

■ conform het Besluit [1] melden bij het centrale meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl;

■ nagaan of vanuit andere wetgeving voorwaarden worden gesteld en deze navolgen;

■ bewijsmiddelen van schone grond moeten gedurende een periode van minimaal 1 jaar bewaard blijven als om die reden geen melding is gedaan;

■ in overleg met de leverancier van de grond levert de partij die de grond toepast het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de toe te passen grond.

Leverancier (ontdoener van de grond)

■ het afgeven van een bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te leveren grond/baggerspecie en zorgen dat de (erkende) transporteur de doorslagen van de volledig ingevulde begeleidingsbrief krijgt;

■ registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.

Transporteur

■ beschikken over een volledig ingevulde begeleidingsbrief met afvalstroom-nummer tijdens het transport;

■ overhandigen begeleidingsbrief op aanvraag van de handhaver (politie, gemeente/ODZOB);

■ registratie van de gegevens gedurende 5 jaar;

■ in overleg met de leverancier van de grond levert de transporteur van de grond het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te transporteren grond.

Inspectie Leefomgeving en Transport (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)

■ adviserende rol bij het verlenen van erkenningen;

■ toezicht uitoefenen op intermediairs;

■ aanpak van overtredingen en misstanden (schorsen of intrekken van erkenningen);

■ wegnemen van belemmeringen bij de sanering van bodemverontreiniging;

■ regierol bij de ketenhandhaving bodembeheer en afstemming met de belangrijkste handhavingspartners.

Politie

controle en handhaving (strafrechtelijk).

Waterkwaliteitsbeheerder

als gemeente maar dan bij het toepassen of verspreiden van grond/baggerspecie in oppervlaktewater.

Bijlage 11 Formulier toets herkomst grondverzet

Het formulier toets herkomst dient te worden ingevuld door de toepasser van de grond en te worden toegevoegd aan de melding toepassen grond of baggerspecie, waarbij de door de gemeente vastgestelde bodemkwaliteitskaart wordt gebruikt als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de grond.

De vragen hebben betrekking op de locatie waar de grond is/wordt ontgraven.

Formulier toets herkomst

Ten behoeve van grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart

Formulier toevoegen bij melding toepassen grond of baggerspecie, waarbij de door de gemeente Asten vastgestelde bodemkwaliteitskaart wordt gebruikt als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de grond of baggerspecie. De vragen hebben betrekking op de locatie waar de grond is/wordt ontgraven.

GEGEVENS HERKOMSTLOCATIE

Adres

Postcode en plaats

Kadastrale gegevens

Gemeente:

Sectie:

Nummer(s) :

Hoeveelheid te ontgraven en elders toe te passen grond

m3

Diepte ontgraving

m-mv

Kwaliteitsklasse volgens bodemkwaliteitskaart

☐ AW2000

☐ Wonen

☐ Industrie

Type vrijkomende grond

☐ zand ☐ zwarte grond ☐ klei ☐ veen

☐ anders, namelijk:

Bijmengingen met bodemvreemde materialen aanwezig?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

☐ puin ☐ bakstenen ☐ slakken/sintels ☐ plastic ☐ glas

☐ anders, namelijk:

Percentage %

Visueel asbest waargenomen?

☐ Nee

☐ Ja

Zijn er invasieve exoten, zoals de Japanse duizendknoop aanwezig?

☐ Nee

☐ Ja

Heeft de grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

Is de grond afkomstig uit een wegberm/wegcunet van een verharde weg?

☐ Nee

☐ Ja, er kan sprake zijn van een uitgesloten locatie waardoor een partijkeuring noodzakelijk kan zijn (zie § 3.3.2).

Is de grond afkomstig uit een uitgesloten gebied? (zie § 3.1.1)

☐ Nee

☐ Ja, grondverzet o.b.v. de bodemkwaliteitskaart is niet toegestaan.

HISTORISCHE GEGEVENS HERKOMSTLOCATIE

Wat is het huidige gebruik van de locatie?

Wat is het voormalige gebruik van de locatie?

Is het bodeminformatiesysteem van de gemeente geraadpleegd?

https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/

☐ Nee, uw melding wordt niet in behandeling genomen.

☐ Ja, beantwoord de 3 onderstaande vragen aan de hand van de gegevens uit het bodeminformatiesysteem

Zijn er op de locatie in het verleden bodemonderzoeken uitgevoerd?

☐ Nee

☐ Ja

Zijn er op historische (verdachte) activiteiten bekend vanuit het Historisch bodembestand (HBB)?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

Is op of nabij de herkomstlocatie sprake van een (vermoedelijk geval van) bodemverontreiniging?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

Is er op de locatie een bedrijf gevestigd (geweest)?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

Zijn er op de locatie gedempte sloten aanwezig?

☐ Nee

☐ Ja (aangeven op locatietekening)

Zijn er opslagtanks en/of leidingen voor vloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?

De locatie(s) aangeven op locatietekening.

☐ Nee

☐ Ja, nog aanwezig namelijk:

☐ Ja, gesaneerd (KIWA-certificaat toevoegen)

☐ Ja, gesaneerd (geen KIWA-certificaat aanwezig)

Hebben er calamiteiten, morsingen of lekkages van vloeistoffen plaatsgevonden?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

Is de locatie in het verleden opgehoogd?

☐ Nee

☐ Ja, met:

Is er op de locatie asbest gebruikt?*

☐ Nee

☐ Ja, waar/wat:

Is op de locatie een verharding aanwezig?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk (aangeven op locatietekening):

☐ tegels/klinkers ☐ beton ☐ asfalt ☐ puin

☐ slakken/sintels ☐ anders, namelijk:

Is er op de locatie sprake (geweest) van verharding met zinkassen?

☐ Nee

☐ Ja (aangegeven op locatietekening)

Vinden/vonden er op naastgelegen percelen activiteiten plaats die tot bodemverontreiniging op de herkomstlocatie kunnen leiden?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

Is er andere informatie beschikbaar met betrekking tot mogelijke bodemverontreiniging?

☐ Nee

☐ Ja, namelijk:

* Bedrijven die asbesthoudende producten, apparaten of voorwerpen vervaardigen, asbestbewerkingen (zagen, slijpen, opslag), asbestwegen en erven, aebouwen, boerderijen, schuren, loodsen met asbesthoudende bouwmaterialen (golfplaten ect.), alastuinbouw (kassen), asbestbrand (calamiteiten) en beschoeiingen naast watergangen/volkstuinen.

Bijlagen: ☐ Bodemonderzoeken ☐ Locatietekening ☐ Foto’s herkomstlocatie

Eventuele opmerking(en)

________________________________________________________________________________________________________

Ondertekening melder

Voorletter(s):

Achternaam:

Bedrijf:

Telefoonnummer:

Naar waarheid ingevuld

Datum:

Handtekening:

Door ondertekening van dit formulier stemt u in met het gebruik van uw persoonsgegevens door de gemeente Asten en de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

Bijlage 12 Nota bodembeheer PFAS

Nota bodembeheer PFAS

Voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant

1Inleiding

1.1Algemeen

Binnen de provincie Noord-Brabant zijn meerdere nota’s bodembeheer van kracht. Verschillende gemeenten dan wel regio’s hanteren hun eigen lokale bodembeleid. In de Nota bodembeheer zijn de spelregels opgenomen voor het hergebruik van grond en baggerspecie. Als wettelijke basis voor de Nota geldt het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.

Recentelijk is een bodemkwaliteitskaart ten behoeve van PFAS voor de provincie Noord-Brabant opgesteld (Bodemkwaliteitskaart PFAS, kenmerk 0462683, d.d. oktober 2020, door Antea Group). Het doel van de bodemkwaliteitskaart PFAS en onderhavige Nota is om het grondverzet binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten te vereenvoudigen. In onderhavige Nota bodembeheer wordt invulling gegeven aan het lokaal beleid voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant.

De gemeenten Tilburg, Eindhoven, Waalwijk, Helmond en Son en Breugel hebben reeds hun eigen bodembeleid met betrekking tot PFAS in de bodem opgesteld en nemen derhalve niet deel aan deze beleidsnota.

1.2Aanleiding

PFAS is een stofgroep die, sinds de zomer van 2019 verplicht onderzocht dient te worden wanneer sprake is van grondverzet. Op 8 juli 2019 is door het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat een brief en bijbehorend Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie aan de Tweede kamer aangeboden (8 juli 2019, kenmerk: IENW/BSK-2019/131399). Hierin staat beschreven dat bij het verwerken en aanbieden van grond inzichtelijk dient te zijn in welke mate deze PFAS-houdend is. Op 2 juli 2020 is de meest recente wijziging op het Tijdelijk Handelingskader gepubliceerd (kenmerk: IENW/BSK-2020/125444). Het definitieve handelingskader wordt later in 2020 verwacht.

Het op 8 juli 2019 gepubliceerde Tijdelijk Handelingskader PFAS (kenmerk: IENW/BSK-2019/131399) geeft adviezen over de invulling van de zorgplicht door bevoegde gezagen, bijvoorbeeld over de noodzaak tot onderzoek naar PFAS bij hergebruik van grond en baggerspecie en het opstellen van gebiedsspecifiek beleid. Voor het hanteren van het gebiedsspecifiek beleid met verhoogde toepassingswaarden voor PFAS ten opzichte van het geactualiseerde Tijdelijk Handelingskader dienen de aangepaste achtergrondwaarden van PFAS door het bevoegd gezag (de deelnemende gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant) te worden vastgesteld. Hierdoor wordt het grondverzet binnen de beheergebieden geoptimaliseerd en tevens gevrijwaard voor verdere verslechtering van de bestaande bodemkwaliteit als gevolg van import van partijen grond van elders.

1.3Vaststellingsprocedure

De bodemkwaliteitskaart voor PFAS voor de deelnemende gemeenten in de provincie Noord-Brabant wordt gelijktijdig met onderhavig document aangeboden. In de wijziging van het Besluit bodemkwaliteit van 13 december 2019, kenmerk stb-2019-491, is bepaald dat ten behoeve van het versnellen van de totstandkomingsprocedure voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid voor PFAS-verbindingen, deze vaststelling uitgevoerd kan worden door het college van burgemeester en wethouders in plaats van de gemeenteraad. Ook kan de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10) achterwege blijven. Na bestuurlijke vaststelling van het rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS door de individuele gemeenten kan gebruik worden gemaakt van de uitgangspunten zoals verwoord in de bodemkwaliteitskaart PFAS (kenmerk 0462683, d.d. oktober 2020) en dit document.

2Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS

2.1Algemeen

Het Besluit bodemkwaliteit biedt de mogelijkheid om in het kader van gebiedsspecifiek beleid afwijkende lokale maximale waarden vast te stellen. Deze kunnen zowel strenger als minder streng zijn. Er worden enkele eisen gesteld aan het vaststellen van lokale maximale waarden.

2.2Toepassingsnormen PFAS

Aangezien PFAS vooralsnog niet zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit, wordt in onderstaande tabel schematisch weergegeven hoe de kwaliteit en de functie van het gebied de toepassingskwaliteit bepalen.

Tabel 1: Toe te passen kwaliteit op basis van functie en ontvangende/actuele bodemkwaliteit

Bodemfunctie (op kaart)

Actuele bodemkwaliteit voor PFAS

Welke kwaliteit voor PFAS maximaal toepassen**

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen/ Industrie*

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Wonen/ Industrie *

Wonen/ Industrie

Industrie

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Wonen/ Industrie*

Wonen/ Industrie

*: Deze situatie is niet van toepassing binnen het beheergebied van de gemeenten die deelnemen aan de Bodemkwaliteitskaart PFAS van de provincie Noord-Brabant

**: Dit is afhankelijk van het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente waar de grond wordt toegepast

Middels het uitvoeren van een onderzoek conform de NEN 5740 kan de kwaliteit van de ontvangende bodem worden bepaald. Hiermee wordt invulling gegeven aan de dubbele toets. De toe te passen grond wordt vergeleken met de kwaliteit van de toepassingslocatie. Echter voor het toepassen van grond is het lokale beleid van toepassing. Dit kan betekenen, in het geval van gebiedsspecifiek beleid, dat afwijkende regels kunnen gelden voor het toepassen van grond.

Voor het toepassen van grond dient naast de toetsing op PFAS, separaat getoetst te worden aan de lokaal vastgestelde reguliere bodemkwaliteitskaart. Uit de bodemkwaliteitskaart PFAS voor het beheergebied van de deelnemende gemeenten blijkt dat in het gehele beheergebied de ontgravingsklasse Landbouw/natuur voor PFAS van toepassing is. Daarom kunnen situaties waarin de actuele bodemkwaliteit voor PFAS aan de klasse Wonen/Industrie voldoet, niet voorkomen. Van zowel de bovengrond als de ondergrond voldoet de kwaliteit aan de klasse Landbouw/natuur. Om deze reden mag zowel bovengrond in de ondergrond worden toegepast en vice versa, mits dit is toegestaan binnen de kaders van het lokaal vigerende bodembeleid. Regels die reeds aanwezig zijn in de lokaal vastgestelde Nota bodembeheer blijven van kracht.

Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS (kenmerk 0462683, d.d. oktober 2020, Antea Group) blijkt dat alle gemeten waarden (P80) van PFOA, GenX en de overige PFAS lager zijn dan de normen voor de klasse Landbouw/natuur uit het Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020. De deelnemende gemeenten aan de PFAS-bodemkwaliteitskaart hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse Landbouw/natuur als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond. De huidig geldende toepassingsnormen zijn aangegeven in tabel 2. Deze zijn overgenomen uit het Tijdelijk handelingskader voor PFAS van juli 2020. Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen worden gepubliceerd, dan wel in een nieuw Tijdelijk handelingskader, dan wel als onderdeel van het Besluit Bodemkwaliteit, worden deze toepassingsnormen gehanteerd.

De te hanteren maximale toepassingsnormen voor de klasse Landbouw/natuur conform het Tijdelijk handelingskader van 2 juli 2020 zijn opgenomen in tabel 2. Er wordt geen onderscheid in toepassingsnormen voor bovengrond of ondergrond.

Tabel 2: Maximale toepassingsnormen voor PFAS in µg/kg d.s. boven en onder grondwaterniveau en buiten grondwaterbeschermingsgebieden, conform het Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020.*

Kwaliteitsklasse

PFOA

Overige PFAS

Grond en baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau

Landbouw / natuur

1,9

1,4

Wonen

7,0

3,0

Industrie

7,0

3,0

* Indien op een later tijdstip nieuwe toepassingsnormen voor Landbouw/natuur worden gepubliceerd in een nieuw Tijdelijk of definitief handelingskader of in het Besluit bodemkwaliteit, dan worden deze nieuwe normen gehanteerd.

Voor het toepassen van grond en baggerspecie binnen grondwaterbeschermingsgebieden gelden niet de normen zoals aangegeven in de tabel 2. Hiertoe dient de geldende omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gehanteerd te worden.

2.3Beheergebied

Het beheergebied betreft het grondgebied van de deelnemende gemeenten. Voor de begrenzing van het gebied worden de gemeentegrenzen van de deelnemende gemeenten gehanteerd. Binnen dit gebied is grondverzet op basis van de Bodemkwaliteitskaart PFAS, in combinatie met de lokaal vastgestelde reguliere bodemkwaliteitskaart mogelijk, indien aan de voorwaarden voldaan wordt, zie paragraaf 2.4.

2.4Toepassingseisen en bewijsmiddelen

Van partijen grond die worden toegepast binnen het beheergebied dient het PFAS-gehalte bepaald te zijn. Naast de lokaal geldende regels opgenomen in de geldende bodembeheernota omtrent verplaatsing van grond en baggerspecie, zijn de hieronder genoemde aanvullende regels van toepasing.

Toepassen van grond en baggerspecie binnen het beheergebied, is mogelijk na een melding bij het meldpunt bodemkwaliteit in combinatie met de vastgestelde bodemkwaliteitskaart voor PFAS (kenmerk 0462683, d.d. oktober 2020, Antea Group). De bodemkwaliteitskaart voor PFAS kan uitsluitend worden gebruikt in combinatie met een historische toets (“Toets herkomst”) dan wel een historisch bodemonderzoek conform de NEN 5725 waaruit blijkt de ontgravingslocatie niet verdacht is op het voorkomen van PFAS-verbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteiten op of nabij de locatie. Een lijst met activiteiten die als verdacht op de verspreiding van PFAS in het milieu worden beschouwd, kan worden geraadpleegd via tabel 1 en bijgaande tekst in het Handelingskader voor PFAS van Expertisecentrum PFAS (ISBN/EAN 978-90-815703-0-5, d.d. 25 juni 2018). Indien een gemeente reeds gebruik maakt van een formulier “Toets herkomst”, dient dit formulier te worden aangevuld met vragen omtrent PFAS-verdachte activiteiten.

Wanneer de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieu-hygiënische kwaliteit met betrekking tot PFAS van de toe te passen grond of baggerspecie op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor zijn de volgende bewijsmiddelen erkend:

➢ Erkende kwaliteitsverklaring;

➢ Fabrikant-eigenverklaring;

➢ Een partijkeuring met analyse op PFAS (AP04, SIKB BRL1000, protocol 1001);

➢ Een bodemonderzoek naar PFAS, conform de NEN 5740, mits een van de volgende onderzoeksstrategieën is gehanteerd (conform artikel 4.3.4 sub 2 van de Regeling Bodemkwaliteit):

o de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);

o de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);

o de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

➢ Een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720.

Andere onderzoeksstrategiën uit de NEN 5740 kunnen niet gebruikt worden als erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de grond. Deze bodemonderzoeken kunnen enkel in combinatie gebruikt worden met het formulier Toets herkomst (indien van toepassing) en de bodemkwaliteitskaart.

Voor het toepassen van grond of baggerspecie op uitgesloten locaties en gebieden dient de kwaliteit van de ontvangende bodem vastgesteld te worden. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als

milieu-hygiënische verklaring voor de kwaliteit:

➢ onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV);

➢ onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);

➢ onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB);

➢ onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);

➢ onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);

➢ onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

Bij de bovenstaande onderzoeksstrategieën kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, die zich bevindt op 0,5 m-mv en dieper, achterwege blijven.

Vrijkomende grond, uit een deelnemende gemeente, die elders binnen het gebied van de deelnemende gemeenten wordt toegepast, moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden voor PFAS zoals aangegeven in tabel 2. Indien uit historisch bodemonderzoek blijkt dat de grond verdacht is op het voorkomen van PFAS door een bronlocatie, kan de bodemkwaliteitskaart niet als erkend bewijsmiddel gehanteerd worden en dient de partij middels een bodemonderzoek of partijkeuring op de aanwezigheid van PFAS en eventueel GenX onderzocht te worden. Blijkt de concentratie van één van de PFAS de waarden uit tabel 2 te overschrijden, dan kan de grond niet worden toegepast binnen het gebied van de deelnemende gemeenten.

Grond afkomstig van buiten het beheergebied van de deelnemende gemeenten, moet voldoen aan de lokale maximale waarden zoals aangegeven in tabel 2. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van een van de hierboven genoemde bewijsmiddelen.

2.5Grondwaterbeschermingsgebieden

Binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten is grondverzet mogelijk op basis van maximale waarden voor PFAS, zoals opgenomen in tabel 2. Voor het toepassen van grond en baggerspecie binnen grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden gelden niet de normen zoals aangegeven in tabel 2. Hiertoe dient de geldende (interim) omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant gehanteerd te worden. Voor het grondwaterbeschermingsgebied wordt de definitie gehanteerd van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. De grondwaterbeschermingsgebieden zijn ook opgenomen in de tekeningen 0462683.100-BG-TK en 0462683.100-OG-TK van de Bodemkwaliteitskaart PFAS.

3Samenvatting

In deze Nota bodembeheer PFAS is bepaald hoe omgegaan dient te worden met PFAS-houdende grond en baggerspecie voor de deelnemende gemeente. De normering opgenomen in deze Nota bodembeheer PFAS komt overeen met de normering uit het Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020. Door vaststelling van deze Nota bodembeheer PFAS door de gemeenten maakt het onderdeel uit van het lokale bodembeleid en beschikken de deelnemende gemeenten over gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Doordat het merendeel van de gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant deelneemt, vereenvoudigt dit de mogelijkheden voor het toepassen van PFAS-houdende grond binnen de grenzen van deelnemende gemeenten binnen de provincie Noord-Brabant.

Binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten is grondverzet op basis van de Bodemkwaliteitskaart PFAS én in combinatie met de lokaal vastgestelde bodemkwaliteitskaart voor reguliere kwaliteit mogelijk, zolang aan de voorwaarden in paragraaf 2.4 wordt voldaan. Bij vragen of specifieke wensen omtrent de toepassing van PFAS-verontreinigde grond dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, namens de deelnemende gemeenten de omgevingsdiensten.

Naar verwachting worden in de loop van 2020 de toepassingsnormen uit het Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020 opgenomen in het Definitieve Handelingskader PFAS. Later worden deze normen dan verankerd in het Besluit bodemkwaliteit.

De gemeenten Tilburg, Eindhoven, Waalwijk, Helmond en Son en Breugel verzorgen zelf het beleid rondom PFAS in de bodem. Andere gemeenten binnen de Provincie, welke niet de onderhavige Nota vaststellen, verzorgen mogelijk ook zelf het lokale PFAS-beleid. De gemeenten hebben de keuze om eigen beleid op te stellen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.