Gemeentelijke regelgeving

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2026

Gemeente Assen · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

Besluit van de raad van de gemeente Assen tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2026 (Verordening parkeerbelastingen 2026)

De raad van de gemeente Assen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025

gelet op de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 225 van de Gemeentewet, de Parkeerverordening 2009 en het Aanwijzingsbesluit parkeren gemeente Assen 2024.

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

b.motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990;

c.houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven;

d.parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

e.centrale computer: computer van bedrijven waarmee de gemeente Assen een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of een ander communicatiemiddel;

f.autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan een huishouden

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

a.een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b.een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3. Belastingplicht

1De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

2Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

a.degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

b.zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat

i.als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;

ii.als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

3De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

4De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Artikel 4. Vrijstelling

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van gehandicapten die parkeren met gebruikmaking van een geldige gehandicaptenparkeerkaart.

Artikel 5. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 6. Wijze van heffing

1De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.

2De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

3Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven.

Artikel 7. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.

2De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

3Indien de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een jaartarief betreft en de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel volle maanden als er na het ontstaan van de belastingplicht in het jaar overblijven. Eindigt de belastingplicht van een jaartarief in de loop van het belastingjaar dan wordt ontheffing verleend over het aantal volle maanden dat in het jaar resteert na de beëindiging van de belastingplicht.

4Voor de ontheffing genoemd in het derde lid geldt dat geen teruggave plaatsvindt bij bedragen minder dan € 50,-.

Artikel 8 Termijnen van betaling

1De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

2In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.

3De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

4Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Artikel 9 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

Artikel 10. Kosten

De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 82,00 te verhogen met één uur gederfde belastinginkomsten volgens het geldende uurtarief voor parkeren op de betreffende locatie ter zake waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd.

Artikel 11. Kwijtschelding

Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12. Intrekking en overgangsrecht

De “Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025” van 19 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 13. Inwerkingtreding

1Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

2De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 14. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening parkeerbelastingen 2026”.

Tarieventabel parkeerbelastingen gemeente Assen 2026

Tarieventabel

Behorende bij de Verordening parkeerbelastingen Gemeente Assen 2026

1Algemene bepalingen

a.

Voor de begripsomschrijving van de in dit artikel genoemde Zones wordt verwezen naar artikel 1, aanhef en onder sub e tot en met m van de Verordening parkeerbelastingen 2026.

b.

Onder bewoner van een in dit artikel genoemde zone wordt verstaan een natuurlijke persoon die volgens de Basisregistratie Personen (BRP) in het gebied van deze zone is ingeschreven.

2Parkeren bij parkeerapparatuur

2025

2026

Het tarief voor het parkeren als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Verordening parkeerbelastingen 2026 bedraagt bij parkeerapparatuur gelegen op:

a.

het parkeerterrein/weggedeelte op, in of aan: Veemarktplein en de Industrieweg (tussen het Kanaal en het Abel Tasmanplein) per 10 minuten:

€ 0,30

€ 0,30

met een maximum dagtarief van:

€ 6,00

€ 6,00

b.

op alle overige parkeerterreinen/weggedeelten, per 12 minuten:

€ 0,50

€ 0,50

3Parkeren bij parkeerapparatuur in garages

Voor alle parkeergarages geldt een tarief:

a.

per 15 minuten:

€ 0,50

€ 0,50

b.

met een maximum dagtarief van:

€ 8,00

€ 8,00

met dien verstande dat het maximale dagtarief uitsluitend van toepassing is bij aaneengesloten uren op een dag.

4Parkeerabonnementen voor parkeergarages

Het tarief voor een parkeerabonnement in de parkeergarages bedraagt:

a.

voor een bewoner woonachtig in de gemeente Assen gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 37,50

€ 37,50

b.

7x24, op kenteken voor een werker werkzaam in de buurt van de parkeergarage, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 68,50

€ 68,50

c.

7x24, op kenteken voor een persoon niet woonachtig in de gemeente Assen alsmede een persoon die niet werkzaam voor of eigenaar is van een bedrijf gevestigd in de gemeente Assen gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 80,00

€ 80,00

d.

6x24, op kenteken voor een werker werkzaam in de buurt van de parkeergarage, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 59,00

€ 59,00

e.

5x24, op kenteken voor een werker werkzaam in de buurt van de parkeergarage, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 49,00

€ 49,00

f.

4x24, op kenteken voor een werker werkzaam in de buurt van de parkeergarage, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 39,50

€ 39,50

g.

3x24, op kenteken voor een werker werkzaam in de buurt van de parkeergarage, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 29,50

€ 29,50

h.

2x24, op kenteken voor een werker werkzaam in de buurt van de parkeergarage, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, per maand:

€ 19,50

€ 19,50

5Parkeervergunningen bij parkeerapparatuur aan de straat

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Verordening parkeerbelastingen 2026 bij parkeerapparatuurplaatsen, bedraagt:

a.

voor een bewoner woonachtig in het gebied waar betaald parkeren geldt, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, bedraagt per maand:

€ 15,48

€ 15,48

b.

voor een bewoner woonachtig in het gebied waar betaald parkeren geldt, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, bedraagt per half jaar:

€ 92,88

€ 92,88

c.

voor een bewoner woonachtig in het gebied waar betaald parkeren geldt, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, bedraagt per jaar:

€ 180,60

€ 180,60

d.

5x24, op kenteken, voor een werker werkzaam in het gebied waar betaald parkeren geldt, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, bedraagt per maand:

€ 36,12

€ 36,12

e.

6x24, op kenteken, voor een werker werkzaam in het gebied waar betaald parkeren geldt, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning is verleend, bedraagt per maand:

€ 43,86

€ 43,86

f.

5x24, op bedrijfsnaam, voor bedrijven gevestigd in of binnen het gebied waar betaald parkeren geldt, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning wordt verleend, bedraagt per maand:

€ 41,28

€ 41,28

g.

6x24, op bedrijfsnaam, voor bedrijven gevestigd in of binnen het gebied waar betaald parkeren geldt, gedurende het tijdvak waarvoor de vergunning wordt verleend, bedraagt per maand:

€ 49,02

€ 49,02

h.

voor één dag met een voor die dag onbeperkte parkeerduur (incidentele vergunning):

€ 5,68

€ 5,68

i.

voor vijf opeenvolgende werkdagen met per dag een onbeperkte parkeerduur (incidentele vergunning):

€ 22,70

€ 22,70

j.

voor eenentwintig opeenvolgende werkdagen met per dag een onbeperkte parkeerduur (incidentele vergunning):

€ 69,66

€ 69,66

Parkeervergunning anders dan bij parkeerapparatuur

6Bewonersvergunningen

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Verordening parkeerbelastingen 2026 anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen, bedraagt voor bewoners in:

a.

Zone Oost per jaar:

€ 49,54

€ 49,54

b.

Zone Oost per half jaar:

€ 29,93

€ 29,93

c.

Zone Oost per kwartaal:

€ 23,22

€ 23,22

d.

Zone Oost per maand:

€ 14,96

€ 14,96

e.

Zone Oost per week:

€ 11,35

€ 11,35

f.

één van de Zones 01 tot en met 08 per jaar:

€ 65,02

€ 65,02

g.

één van de Zones 01 tot en met 08 per halfjaar:

€ 41,28

€ 41,28

h.

één van de Zones 01 tot en met 08 per kwartaal:

€ 25,80

€ 25,80

i.

één van de Zones 01 tot en met 08 per maand:

€ 17,54

€ 17,54

j.

één van de Zones 01 tot en met 08 per week:

€ 11,35

€ 11,35

7Bezoekersvergunningen

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Verordening parkeerbelastingen 2026 anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen, bedraagt per jaar voor bezoekers aan bewoners in:

-

Zone Oost:

€ 11,35

€ 11,35

-

één van de Zones 01 tot en met 08:

€ 16,51

€ 16,51

8Bedrijfs-/ werknemersvergunningen

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Verordening parkeerbelastingen 2026 anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen, bedraagt per jaar en per zone voor bedrijven of instellingen of werknemers hiervan, gevestigd in de:

-

Zones 01 tot en met 08:

€ 98,04

€ 98,04

-

Zone Oost:

€ 49,54

€ 49,54

9Bezoekersvergunningen (bedrijven)

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Verordening parkeerbelastingen 2026 anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen, bedraagt per jaar en per zone voor bezoekers aan bedrijven of instellingen of werknemers hiervan, gevestigd in:

-

Zones 01 tot en met 08:

€ 98,04

€ 98,04

-

Zone Oost:

€ 11,35

€ 11,35

10Overige parkeervergunningen

Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Verordening parkeerbelastingen 2026 anders dan bij parkeerapparatuurplaatsen, bedraagt in:

-

alle overige gevallen:

€ 57,00

€ 57,00

11Parkeervergunningen Zorgverleners en andere bedrijven

Overall vergunning voor zorgverleners en andere bedrijven (voor alle parkeerplaatsen in het betaald- en vergunningparkeren gebied met uitzondering van de parkeergarages) bedraagt:

a.

op kenteken, voor zorgverleners, op individueel niveau, per jaar:

€ 77,40

€ 77,40

b.

op kenteken, voor bedrijven, per jaar:

€ 345,72

€ 345,72

12Kosten naheffingsaanslag parkeerbelastingen

De kosten van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2 onderdeel a van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2026 bedragen:

€ 78,80

€ 82,00

te verhogen met één uur gederfde belastinginkomsten volgens het geldende uurtarief voor parkeren op de betreffende locatie ter zake waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd.

Opbouw kosten naheffingsaanslagen zoals bedoeld in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen:

De voor 2026 geraamde kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelastingen bedragen:

Personeelskosten € 186.819,00

Overheadkosten € 93.410,00

Kosten van afschrijving en interest € 42.598,00

Verwerkingskosten € 23.531,00

Totale kosten naheffingsaanslag € 346.358,00

Het voor 2026 geraamde aantal op te leggen naheffingsaanslagen parkeerbelastingen is 4.000.

De kosten gedeeld door het aantal te verwachten naheffingsaanslagen geeft een bedrag van € 86,59. Het wettelijke maximum is vastgesteld op € 82,00. Het tarief voor 2026 is € 82,00.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.