Gemeentelijke regelgeving

U&H-strategie milieu Drenthe 2026-2029

Gemeente Assen · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

Regionale Uitvoerings- & Handhavingsstrategie voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving milieu

Bijlage 1. Algemene strategieën

Preventiestrategie

Het doel van preventie is de naleving van regels vergroten. Het naleven van regels is niet altijd vanzelfsprekend. Door de inzet van communicatiemiddelen (voorlichting) en ondersteunend optreden (vooroverleg) wordt het gedrag op een positieve manier beïnvloed. Het is belangrijk om duidelijk te maken welke regels er zijn, waarom ze er zijn en hoe erop wordt toegezien.

Met een goede inzet van communicatiemiddelen verbetert het naleefgedrag aanzienlijk. Pas als regels bekend zijn kunnen inwoners, bedrijven en instellingen deze bewust naleven. Natuurlijk blijft het wel primair de verantwoordelijkheid van de inwoner, ondernemer of instelling zelf om op de hoogte te zijn en blijven van regels. Vergunningverleners en toezichthouders zijn een belangrijke schakel tussen overheid, inwoners en bedrijven en spelen een grote rol in de verbetering van het naleefgedrag. Zij hebben rechtstreeks contact met de inwoners en bedrijven en kunnen regels uitleggen en toelichten. Ook de overige medewerkers hebben een belangrijke rol in contacten met inwoners en bedrijven.

Preventie, toezicht en sanctie kunnen zowel na elkaar als naast elkaar worden ingezet om naleefgedrag te bevorderen. Preventieve instrumenten worden eerder ingezet bij welwillend gedrag, maar kunnen ook bij calculerend gedrag bijdragen aan betere naleving. Het monitoren van het effect van inzet van (preventieve) instrumenten blijft nodig, om te zorgen voor een efficiënte uitvoering. OD Drenthe zet voor haar VTH-taken de volgende preventieve instrumenten in:

Eenvoudige en duidelijke regels

Voorschriften in een omgevingsvergunning/maatwerkvoorschrift die OD Drenthe verleent/oplegt zijn zo eenvoudig en begrijpelijk mogelijk opgesteld. Waardoor zo min mogelijk discussie over de interpretatie ontstaat. OD Drenthe probeert de voorschriften zo te formuleren dat deze voor één uitleg vatbaar zijn.

Stimuleren vooroverleg

Bij initiatieven of plannen voor het ontwikkelen van nieuwe activiteiten wordt bij voorkeur vooroverleg gevoerd. Vooroverleg is een overleg tussen een initiatiefnemer en het bevoegd gezag (OD Drenthe namens bevoegd gezag) die over toestemming voor de initiatieven of plannen gaat. Vooroverleg zorgt ervoor dat vooraf kan worden beoordeeld of een initiatief of plan naar verwachting past binnen kaders en regels en welke voorschriften gaan gelden. De initiatiefnemer kan daar in een vroeg stadium rekening mee houden in zijn planvorming en vergunningaanvraag. Vooroverleg versnelt en stroomlijnt het vergunningenproces. Daarnaast beperkt het ook het aantal vergunningaanvragen dat buiten behandeling moet worden gesteld of geweigerd.

(Integraal) samenwerken

Er wordt zo veel mogelijk gezamenlijk en eenduidig opgetreden door de gemeenten, provincie, OD Drenthe en ketenpartners. Landelijke regels worden uniform toegepast. Lokale regels en voorschriften zijn zoveel mogelijk gelijk en afgestemd. Dit geeft duidelijkheid, rechtsgelijkheid en zorgt voor meer begrip. Indien een aanvraag betrekking heeft op een combinatie van milieu met overige activiteiten, heeft OD Drenthe geen mandaat; in dit geval is samenwerking ook vereist.

Zorgen voor begrip

OD Drenthe laat in gesprekken de reden en achterliggende gedachte van regels weten. Iemand die weet en begrijpt waarom regels er zijn is eerder geneigd deze te accepteren en op te volgen. Vergunningverleners en toezichthouders kennen de regels en de achterliggende gedachte en dragen deze gevraagd en ongevraagd uit.

Handhaafbare regels

Regels zijn zo geformuleerd dat ze handhaafbaar zijn. Ze zijn zo eenvoudig mogelijk te controleren. Bij het opstellen van regels of voorschriften wordt een handhaafbaarheidstoets uitgevoerd door vergunningverlening, toezicht en handhaving bij specifieke (niet-standaard) voorschriften.

Zichtbaarheid toezicht en handhavingsactiviteiten

OD Drenthe laat zien dat er toezicht wordt gehouden en handhaaft als dat nodig is. Er wordt gecommuniceerd over toezicht- en handhavingsprioriteiten en grotere handhavingsprojecten. Het openbaar maken van toezichtresultaten op bedrijfsniveau is ook een preventiemiddel. Dit wordt terughoudend toegepast en eigenlijk alleen als dit wettelijk verplicht is (bijvoorbeeld cross compliance). Toezichthouders van OD Drenthe zijn regelmatig zichtbaar aanwezig in het veld. In jaarprogramma’s en projectplannen worden preventie en communicatie standaard als instrument opgenomen.

Informatie delen

Overheden en OD Drenthe delen onderling zo veel mogelijk informatie. Zo kunnen handhavingspartners risicogericht en informatiegestuurd toezicht houden en handhaven. Maar ook de handhaving efficiënter en effectiever inrichten. Informatie over milieubelastende activiteiten wordt zoveel mogelijk centraal opgeslagen en is raadpleegbaar voor overheden onderling, mits dit wettelijk is toegestaan. Daarnaast is actieve openbaarmaking onder de Wet open overheid (Woo) ook onderdeel van het delen van informatie.

Maatschappelijke controle stimuleren

Buurtpreventie is een mooie vorm van sociale controle die kan bijdragen aan het oppakken van de eigen verantwoordelijkheid. OD Drenthe wil dat de omgeving de regels kent, overtredingen kan signaleren en met elkaar in gesprek gaat hierover. Daarom zijn vergunningen en besluiten zoveel mogelijk digitaal in te zien. Daarnaast vraagt OD Drenthe klagers vooral (ook) om zelf in gesprek te gaan met de overlastgever om aan te geven dat ze overlast hebben. Dit draagt bij aan het onderling bespreekbaar maken van problemen.

Informeren over (nieuwe) regels en processen

OD Drenthe communiceert waar mogelijk over (nieuwe) regels en geeft voorlichting. Als een ondernemer niet bekend is met de regels, dan weet die soms niet dat hij/zij in overtreding is. Dit geldt ook voor belanghebbenden: als omwonenden weten dat bepaalde activiteiten zijn toegestaan, klagen ze minder snel of dienen ze minder snel een handhavingsverzoek in. OD Drenthe houdt rekening met de doelgroep bij de keuze van een communicatiemiddel.

Er kan bijvoorbeeld gekozen worden voor het plaatsen van een bericht op een website, waarmee meer mensen worden bereikt. Ook kan er gekozen worden voor gerichtere communicatie via een geadresseerde brief.

Vergunningstrategie

Om te komen tot een kwalitatief goede beoordeling bij vergunningverlening, het behandelen van meldingen, rapportages in het kader van informatieplicht en adviesverzoeken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

•Initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor het indienen van goede en volledige (conform indieningsvereisten) aanvragen/meldingen/rapportages. OD Drenthe, gemeenten en provincie houden zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel;

•de inhoudelijke beoordeling van vergunning(aanvragen), meldingen en rapportages is risicogericht. Onderzoeksrapporten over milieuthema’s die bij de betreffende branche een grote impact hebben, worden diepgaand beoordeeld. Onderzoeksrapporten over milieuthema’s met geringe impact worden oppervlakkig inhoudelijk beoordeeld.

•omgevingsvergunningen zijn afgestemd op de geldende wet- en regelgeving (landelijk, provinciaal en lokaal) alsmede op lokaal en provinciaal beleid;

•omgevingsvergunningen zijn afgestemd op landelijke standaarden (zoals de Landelijke Redactie voor Standaardteksten voor de Omgevingsvergunning (LRSO), op gangbare en beproefde methodieken en op de eigen standaarden van OD Drenthe;

•omgevingsvergunningen zijn duidelijk leesbaar, uitvoerbaar, naleefbaar en handhaafbaar;

•besluiten op vergunningaanvragen worden tijdig genomen, conform de wettelijke termijnen en conform specifieke afspraken met deelnemers;

•het proces dat wordt doorlopen is voorspelbaar, transparant, juridisch juist en achteraf verifieerbaar;

•advies wordt in ieder geval ingewonnen bij de aanvragen waar een advies van een ketenpartner wettelijk verplicht is;

•bij een meervoudige vergunningaanvraag worden de verschillende aspecten en wetten op samenhangende wijze behandeld;

•er vindt afstemming, coördinatie of contact plaats met het bevoegd gezag en andere bestuurs- of adviesorganen of belanghebbende derden.

Onder vergunningverlening vallen de volgende taken:

•Het voorbereiden van en het verlenen, weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een omgevingsvergunning naar aanleiding van een aanvraag of actualisatieslag, geheel of gedeeltelijk voor de activiteit milieu;

•Het behandelen van een melding of ingediende rapportage in het kader van informatieplicht,

•Het besluiten over maatwerk en/of gelijkwaardigheid;

•Het besluit nemen over het al dan niet vereisen van een MER (project m.e.r.-beoordeling).

•Verlenen van Ontheffing (Verboden, i.h.k.v. route gevaarlijke stoffen)

•Verlenen vergunning en ontheffing ontbranden vuurwerk (Vuurwerkbesluit)

•Verlenen van overbrengingsvergunning, toestemming voor vervoer explosieven voor civiel gebruik;

•Het (integraal) adviseren op vergunningaanvragen in behandeling bij een (ander) bevoegd gezag.

(Integraal) samenwerken

De Omgevingswet verplicht het werken als 1- loket en een integrale, omgevingsgerichte beoordeling van omgevingsvergunningaanvragen, meldingen en rapportages (informatieplicht). Dit blijkt bijvoorbeeld uit de doelstellingen van deze wet en komt terug in wettelijke voorschriften over de coördinatie- en doorzendplichten en de verplichte integrale omgevingsgerichte belangenafweging.

Daarnaast is een van de uitgangspunten in de Omgevingswet het integraal werken en beoordelen. Het vooroverleg (verkennen en begeleiden initiatief) heeft hierin een belangrijke functie. Wel staat het een aanvrager vrij bepaalde vergunningen voor activiteiten los aan te vragen.

Bij de uitvoering worden wetten en besluiten integraal benaderd. Dit betekent dat OD Drenthe plannen en initiatieven zo vroeg mogelijk integraal beoordeelt. En aanvragen die OD Drenthe behandelt, worden ook door andere relevante bevoegde gezagen beoordeeld. De betrokken bevoegde gezagen en OD Drenthe werken gericht met elkaar samen voor een integrale en samenhangende besluitvorming. Het belangrijkste instrument van integraal werken is casemanagement. Dit is een strategisch uitgangspunt en staat los van waar het binnen de verschillende organisaties ondergebracht is.

Risicogericht werken

Bij het inhoudelijk beoordelen van rapportages (informatieplicht), meldingen en (vergunning) aanvragen en hierbij behorende onderzoeksrapporten wordt risicogericht gewerkt. Alle relevante milieuthema’s uit iedere melding, rapportage en (vergunning)aanvraag voor milieubelastende activiteiten worden globaal inhoudelijk beoordeeld door de generieke vergunningverlener. Een diepgaande inhoudelijke beoordeling van meldingen, rapportages en aanvragen vindt door specialisten op basis van milieurisico, risico op ondermijning en maatschappelijk en bestuurlijke impact plaats. Een nadere uitwerking is opgenomen in bijlage 2 voor de locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen en bodem.

Uitvoeren vergunningverlening

De manier waarop invulling wordt gegeven aan vergunningverlening en casemanagement is sterk afhankelijk van het kader waarbinnen aanvragen worden beoordeeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

•Omvang en aard van aangevraagde activiteiten (technische complexiteit);

•De specifieke omgeving waarin de activiteiten worden uitgevoerd (sociaal-maatschappelijke context);

•Daarnaast wordt de aanvrager beoordeeld op naleefgedrag en in sommige gevallen op integriteit volgens het Bibob beleid van de deelnemers.

Zo kan een initiatief technisch inhoudelijk niet complex zijn voor wat betreft milieu-, bouw- en brandveiligheidvoorschriften maar wel complex zijn voor wat betreft de sociale maatschappelijke context omdat er grote bezwaren zijn vanuit de omgeving. Dan speelt casemanagement een grote rol en is extra aandacht nodig voor zorgvuldige communicatie, overleg en/of samenwerking tussen het bevoegd gezag en OD Drenthe.

Technisch-inhoudelijke complexiteit

Elke omgevingsvergunning bestaat uit een mix van standaard- en specifieke voorschriften. Als de technisch inhoudelijke complexiteit van de specifieke situatie (het bedrijf of activiteit in kwestie en/of het gebied waar het bedrijf is gelegen of de activiteit plaatsvindt) klein is, ligt het accent vooral op standaardvoorschriften en minder op specifieke voorschriften. Omgekeerd ligt het accent vooral op specifieke voorschriften en minder op standaardvoorschriften als de technisch-inhoudelijke complexiteit van de situatie (milieubelastende activiteit en/of de locatie) groot is.

Sociaal-maatschappelijke complexiteit

In een omgeving is sprake van objectieve en subjectieve kwetsbaarheid indien op korte afstand sprake is van kwetsbare objecten. Dit is belangrijker naarmate de potentiële impact van een bedrijf groter is. Het gaat hier om de objectieve typering van de omgeving. In het kader van participatie dient een initiatiefnemer te inventariseren of er sprake is van weerstand in de omgeving. Het kan zijn dat er veel milieuklachten zijn of dat er een actiegroep actief is. Hier betreft het de subjectieve typering van de omgeving.

Wanneer de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de omgeving gering is, kan het proces van vergunningverlening zonder bijzonderheden zijn. Als de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de omgeving daarentegen groot is, ligt het vergunningverleningsproces gecompliceerder. Bijvoorbeeld vanwege de initiatiefnemer en diens voorgeschiedenis of economisch belang en/of aanwezige belangenorganisaties die zich roeren.

In dit geval moet er bestuurlijke afwegingsruimte worden ingevuld en is het proces (waaronder participatie door de initiatiefnemer) minstens zo belangrijk als de inhoud. Afstemming, overleg en/of samenwerking is noodzakelijk tussen het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk), OD Drenthe, het bedrijf of initiatiefnemer in kwestie en belanghebbende derden.

De beoordeling op sociaal-maatschappelijke complexiteit wordt bepaald via:

•Internet en andere open bronnen (bedrijf/naam aanvrager);

•Registratie van milieuklachten;

•De accounthouder;

•Personen met gebied specifieke kennis/branche kennis;

•Andere afdeling of overheid.

Basiswerkwijze voor vergunningverlening en afhandeling meldingen en rapportages

Er is een basiswerkwijze voor vergunningverlening en de afhandeling van meldingen en rapportages. Bij de toedeling van gemeentelijke taken is het uitgangspunt dat de frontoffice is ondergebracht bij het bevoegd gezag en voor wat betreft de provinciale taken ligt dit bij OD Drenthe.

De frontoffice is hiermee voor inwoners en bedrijven dé ingang ten aanzien van het omgevingsrecht. In de backoffice bevinden zich de afzonderlijke gemeentelijke of provinciale disciplines en OD Drenthe voor de taken ten aanzien van milieu (omgevingsveiligheid, geluid, energie, lucht, bodem en zorgwekkende stoffen).

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk bij iedere aanvraag, melding en rapportage (informatieplicht) voor:

•De registratie en intake van de klantvraag;

•Het bepalen van bevoegd gezag;

•Het onderzoek welke toestemmingen nodig zijn voor een bepaalde activiteit;

•Het digitaliseren (met ontvangstbevestiging);

•Het casemanagement van meervoudige (méér dan milieu) aanvragen;

•Het uitzetten bij behandelende dienst (ODG of OD Drenthe) en overige interne- en externe adviseurs, evenals bepalen van overlegvorm, zoals omgevingstafel;

•Het publiceren van aanvragen, (ontwerp)beschikkingen en meldingen;

•Het aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;

•Het bewaken van termijnen van procedures bij meervoudige (méér dan milieu) aanvragen;

•De besluitvorming op meervoudige aanvragen en na zienswijzen.

OD Drenthe kan op verzoek van het bevoegd gezag een of meerdere van bovenstaande activiteiten uitvoeren. Zo verzorgt OD Drenthe een groot deel van bovenstaande activiteiten voor de provincie Drenthe.

De taken voor OD Drenthe zijn:

•Het casemanagement van milieuaanvragen;

•Het toetsen van volledigheid en ontvankelijkheid op basis van indieningsvereisten en opstellen advies richting bevoegd gezag bij het buiten behandeling laten;

•Het (vak)inhoudelijk toetsen aan alle relevante beoordelingskaders;

•Het uitvoeren van een handhaafbaarheidstoets;

•De besluitvorming op enkelvoudige (milieu)aanvragen en na zienswijzen;

•Het bijwerken van de gegevens om het locatiebestand volledig te houden;

•Het bewaken van termijnen van procedures bij milieuaanvragen;

•Het opstellen van de (ontwerp)beschikking of het advies aan het bevoegd gezag.

Bij het besluiten op een omgevingsvergunningaanvraag wordt de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure gevolgd, zoals vastgelegd in de Awb (Algemene wet bestuursrecht) en Omgevingswet. Bij het beoordelen of een ingediende melding of rapportage (informatieplicht) volledig is, volgen wij de wettelijke indieningsvereisten als bedoeld in de Omgevingsregeling, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Omgevingsplan.

Op meldingen en rapportages (informatieplicht) volgt geen besluit. Als de melding/rapportage volledig is, ontvangt de melder een bevestigingsbrief. Bij de behandeling wordt ook getoetst of milieuonderzoeken als indieningsvereisten gelden. Indien op de algemeen geldende voorschriften afwijkende, aanvullende of concretiserende voorschriften nodig zijn, worden nadere voorwaarden (in geval van sloop met asbestsanering) of bij besluit maatwerkvoorschriften (in geval van milieu) opgelegd. Dit gebeurt bijvoorbeeld om een knelpunt op te lossen, voor het voorkomen van risico’s en/of voor een betere handhaafbaarheid.

De basiswerkwijze voor het behandelen van een aanvraag/melding/rapportage is vastgelegd in het zaak/registratiesysteem van OD Drenthe, waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. Voor de meest voorkomende correspondentie, (ontwerp)besluiten, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften zijn standaarden (LRSO) beschikbaar. Hierop wordt het vierogen-principe gehanteerd om de kwaliteit te borgen. Voor voorschriften wordt gebruik gemaakt van een standaard voorschriftenpakket. In bepaalde gevallen zijn daarnaast maatwerkvoorschriften mogelijk. Na een verleende vergunning wordt op basis van een risico-inschatting bepaald of een opleveringscontrole moet worden gepland in samenspraak met de toezichthouder die de handhaafbaarheidstoets heeft uitgevoerd.

Ontvankelijkheid/volledigheid

Een goede en inhoudelijk juiste beoordeling van aanvragen is alleen mogelijk, wanneer de vereiste stukken aanwezig zijn. De indieningsvereisten zijn landelijk geüniformeerd en toegeschreven op de verschillende categorieën van activiteiten. Het consequent toetsen op ontvankelijkheid voorkomt dat in het vervolg van het proces de toetsing niet (geheel) kan worden uitgevoerd. Als detailuitwerkingen ontbreken wordt wel alvast een inhoudelijke beoordeling van de overige stukken gedaan. OD Drenthe verricht een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle aanvragen, meldingen en rapportages. Voor de toetsing en beoordeling van vergunningaanvragen, meldingen en rapportages wordt gewerkt met checklists. Als de ontbrekende stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Dat wil zeggen dat de aanvrager een besluit krijgt dat zijn aanvraag buiten behandeling blijft, waartegen bezwaar kan worden ingediend. Bij een melding kan de melder erop gewezen worden dat, als de gegevens niet aangeleverd worden of onvolledig blijven, deze de activiteit niet kan uitvoeren. Tegen het niet óf onvolledig indienen van een rapportage, melding of vergunningaanvraag kan handhavend worden opgetreden als de activiteiten (dan illegaal) al worden uitgevoerd.

Wanneer er een risico bestaat dat door het verlenen van een vergunning strafbare feiten worden gefaciliteerd, of uit strafbare feiten verkregen geld benut gaat worden vindt er door de gemeente of provincie een Bibob-toets plaats. De situaties waarbij een Bibob-toets wordt uitgevoerd, zijn vastgelegd in het Bibob-beleid van het bevoegd gezag.

Actuele vergunningen

Actuele omgevingsvergunningen dragen bij aan verlaging van de druk op de fysieke leefomgeving, bescherming van natuur en verbetering van naleefgedrag. Een actuele omgevingsvergunning met de laatste stand der techniek en kennis erin verwerkt is beter toetsbaar en handhaafbaar.

De Europese Richtlijn Industriële Emissies (RIE) verplicht daarnaast extra actualisatie van vergunningen voor IPPC-installaties.

Een actualisatietoets van een vergunningendossier vindt plaats als:

•Sprake is van nieuwe wet- en regelgeving, waardoor vergunningen binnen een in de wet gestelde termijn aanpassing behoeven. Indien niet alleen binnen de termijn de vergunning aangepast moet worden, maar ook maatregelen genomen moeten zijn, wordt een redelijke termijn in acht genomen voor het doorvoeren van de maatregelen;

•Vergunningen voor IPPC-installaties ten minste eenmaal per vijf jaar en overige vergunningen ten minste eenmaal per tien jaar te toetsen op inhoud, actualiteit van de voorschriften en overzichtelijkheid;

•Als er een nieuwe omgevingsvergunning wordt aangevraagd;

•Als vanuit toezicht is geconstateerd dat de vergunning niet meer actueel is en er sprake is van ernstige overtreding van en tekortkomingen in de vergunning.

Bij de frequentie van toetsing wordt rekening gehouden met de omvang van emissies en aard van de risico’s. In het kader van risicogericht vergunnen wordt een nadere strategie opgesteld met betrekking tot de actualisatietoets van vergunningen.

Intrekken vergunningen

Vergunningen voor activiteiten die niet worden gebruikt, kunnen worden ingetrokken. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen.

Vergunningen kunnen door OD Drenthe worden ingetrokken als:

•De aanvrager erom verzoekt;

•Het gevaar bestaat dat de vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten;

•Van de vergunning drie jaar geen gebruik is gemaakt.

•Het laten voortbestaan van ongebruikte rechten uit vergunningen, is ongewenst omdat:

•Voorkomen moet worden dat (nieuwe) planologische en stedenbouwkundige of andere inzichten over de fysieke leefomgeving doorkruist worden door vergunde, nog te realiseren of te slopen bouwwerken en het gebruik ervan;

•Het vanuit administratief oogpunt gewenst is dat het vergunningenbestand zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie;

•Voorkomen van ongelijkheid in de verplichtingen voor bedrijven als gevolg van verouderde vergunningen en/of voorschriften.

•Het belang van omwonenden. Rechtszekerheid en duidelijkheid voor omwonenden. Opdat zij niet worden verrast met een ontwikkeling of activiteit op basis van een oude/slapende vergunning. Waardoor geen rechtsmiddelen meer open staan.

De Omgevingswet bepaalt deels wanneer een vergunning mag worden ingetrokken en deels is het gebaseerd op jurisprudentie (bijvoorbeeld bij omgevingsvergunningen milieu). OD Drenthe voert een actief intrekkingsbeleid voor de activiteit milieu. Indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, kan de procedure voor het intrekken van de vergunning worden opgestart. Het bevoegd gezag wordt hierover per situatie geïnformeerd. Dit vereist ook van de OD een degelijke registratie van de niet-gebruikmaking.

Het intrekken van een omgevingsvergunning heeft met betrekking tot stikstofemissie zin als ook een voor een locatie verleende vergunning Wet natuurbescherming wordt aangepast aan de gewijzigde situatie. Hiervoor is afstemming nodig tussen provincie Drenthe en OD Drenthe.

Toezichtstrategie

Toezicht wordt gehouden om het ontstaan van risico’s voor de leefomgeving zo klein mogelijk te houden. In gelijke gevallen wordt op dezelfde manier toezicht gehouden.

Hiermee wordt bereikt:

•Transparantie;

•Professionaliteit;

•Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor inwoners, bedrijven en instellingen waarop toezicht wordt gehouden;

•Effectiviteit en efficiency bij uitvoering, om met (voor deelnemers) acceptabele inspanning een zo hoog mogelijk milieurendement te bereiken.

Voorwaarde daarbij is wel dat regels eenduidig, correct, duidelijk en toepasbaar zijn op de (zelfde) situatie(s). De toezichtstrategie gaat over de werkwijze van het vaststellen van het toezichtdeel in het jaarprogramma tot en met het al dan niet constateren van de overtreding. Bij overtredingen reageert OD Drenthe volgens de LHSO. Vaak betekent dit dat OD Drenthe handhaaft om te zorgen dat de overtreding stopt en/of zich niet herhaald.

Wanneer wordt toezicht gehouden?

Het toezicht wordt gericht op de meest risicovolle situaties: waar de kans het grootst is dat het naleefgedrag onvoldoende is en dit leidt (of kan leiden) tot schade aan de leefomgeving, de gezondheid, de veiligheid en natuur (vrije veld controles). Het is namelijk onmogelijk om binnen de beschikbare capaciteit, middelen en tijd alle objecten, activiteiten en locaties op alle punten te controleren. Dit is ook niet nodig, want niet alle situaties zijn even risicovol. Voor de evaluatie van toezicht, registreert OD Drenthe het naleefgedrag van de overtreder en de zwaarte van de overtreding. Zo kan OD Drenthe de productie en effecten daarvan evalueren.

Naast toezicht zijn er ook andere mogelijkheden om het naleefgedrag te verbeteren, bijvoorbeeld door communicatie. Hier staat meer over in de preventiestrategie. Met een probleem- en risicoanalyse worden prioriteiten voor toezicht bepaald.

Wat is toezicht?

De term toezicht wordt vaak zowel in brede als in enge zin gebruikt. In brede zin is het de overkoepelende term voor al het inspectiewerk in combinatie met het woord handhaving. In enge zin bedoelt men het als het concrete werk van een toezichthouder.

Toezicht is het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen. En het daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan ingrijpen.

Speciaal daarvoor aangewezen toezichthouders voeren het toezicht uit. Een toezichthouder is een persoon namens het bevoegd gezag belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Toezicht zorgt voor een belangrijk preventief effect. Bij toezicht wordt een controle uitgevoerd, ook zonder dat een overtreding wordt vermoed. OD Drenthe kan een bezoek aan een activiteit, een bedrijf, een locatie, een bouwwerk of een persoon brengen.

Samengevat: onder toezicht wordt verstaan het controleren of en in hoeverre inwoners, bedrijven of instellingen regels naleven.

Integraal toezicht

OD Drenthe wil voorkomen dat inwoners, bedrijven en instellingen onnodig vaak gecontroleerd worden. Daarom worden toezichtacties zoveel mogelijk afgestemd en voeren verschillende instanties of verschillende onderdelen van instanties controles zoveel mogelijk tegelijkertijd uit. Dan gaat het om gezamenlijk, ofwel integraal toezicht.

Toezichtmethode

OD Drenthe houdt toezicht op de voor de doelgroep meest effectieve en meest efficiënte methode. De keus voor de methode hangt onder andere af van:

•Kennis van regelgeving;

•Kosten en baten;

•Mate van acceptatie;

•Gezagsgetrouwheid doelgroep naar aanleiding van naleefgedrag.

Voor OD Drenthe betekent de toezichtstrategie ook:

•Het krijgen van inzicht in het naleefgedrag en de motieven voor naleving;

•Het krijgen van inzicht door het samenbrengen van specifieke en gezamenlijke gegevens.

Bijvoorbeeld om het effect van toezicht en handhaving te meten of om trends en ontwikkelingen zichtbaar te maken. Met deze gegevens wordt de strategie eventueel aangepast.

Voor de doelgroep betekent dit:

•Heldere communicatie over het naleefgedrag en waar dat onvoldoende is en wat daarvan de consequenties zijn (voor de omgeving, voor doelgroep zelf);

•Inzicht in de mogelijkheden om het gedrag te verbeteren;

•Kennis van algemene preventieve werking en kennis dat OD Drenthe toezicht houdt en overtredingen opmerkt;

•Kennis van wat de consequentie is van voortdurend niet naleven.

•Voor de omgeving betekent dit:

•Vertrouwen dat de veiligheid, gezondheid en leefbaarheid voldoende gewaarborgd zijn.

Op basis van een analyse van de situatie vooraf, wordt bepaald of de controle aangekondigd of onaangekondigd plaatsvindt. Als de omstandigheden dit niet toelaten (bijvoorbeeld als een illegale activiteit wordt geconstateerd en deze plaats direct dient te worden betreden) neemt de toezichthouder zo spoedig mogelijk (al dan niet achteraf) contact op met de rechthebbende op het gebruik van de plaats. De toezichthouder meldt zich in ieder geval altijd bij de op het erf/terrein aanwezige uitvoerder/personen.

Van alle controles worden de resultaten in het dossier opgeslagen.

Preventief of repressief toezicht

OD Drenthe gebruikt 2 hoofdvormen van toezicht:

•Preventief toezicht: dit zijn controles die op basis van de risicomethodiek in de verschillende planningen worden opgenomen. Uit de risicomethodiek volgt de controlefrequentie en eventuele aspecten waarop gecontroleerd wordt. Naast periodiek terugkerende controles zijn dit ook opleveringscontroles bij nieuwe activiteiten. Een preventieve controle is gepland;

•Repressief toezicht: dit zijn controles met een specifieke aanleiding zoals signalen, milieuklachten, handhavingsverzoeken, meldingen maar ook de bevindingen van eerdere controles en gegeven hersteltermijnen (hercontroles).

Bij preventieve en repressieve controles worden verschillende toezichtinstrumenten of combinaties van instrumenten ingezet. De methode bevat de meest voor de hand liggende vorm van toezicht, de prioriteit of het thema. Dit kunnen zowel controles ter plekke zijn (fysiek toezicht) als op afstand (administratief/digitaal toezicht).

Vormen van toezicht:

•Integrale controles op alle relevante aspecten;

•Aspectcontroles (van bijvoorbeeld geur, bodem of geluid) of steekproeven op één thema;

•Administratief toezicht;

•Opleveringscontroles;

•Gebiedsgerichte controles;

•Concerntoezicht (bijvoorbeeld op het compliance-systeem, werken volgens verschillende soorten regelgeving bij een concern met meerdere vestigingen);

•Controles in projectvorm (bijvoorbeeld mobiele dieseltanks bij grootschalig grondverzet of bij mestbassins in het vrije veld);

•Ketentoezicht.

De meest geschikte toezichtvorm (of combinatie hiervan) wordt vastgelegd in het jaarprogramma, in een projectplan, in een samenwerkingsprogramma of in een toezichtplan.

Milieuklachten, handhavingsverzoeken en ongewone voorvallen

In het jaarprogramma worden uren gereserveerd voor niet gepland toezicht. Dit zijn onder meer ongewone voorvallen, handhavingsverzoeken en milieuklachten. Na een ongewoon voorval of handhavingsverzoek wordt, afhankelijk van de ernst, door de toezichthouder contact opgenomen met de veroorzaker. Op basis van dit contact maakt de toezichthouder een keuze of een controle ter plaatse dient plaats te vinden.

Milieuklachten worden risicogericht onderzocht. Alle milieuklachten worden geregistreerd; de klager ontvangt altijd binnen 3 werkdagen een behandelbericht van OD Drenthe. Milieuklachten over activiteiten door particulieren en milieuklachten die anoniem zijn ingediend, worden niet gecontroleerd. Overige milieuklachten worden ingedeeld in urgent en niet urgent.

•Urgente milieuklachten zijn milieuklachten met acuut gevaar (veiligheid en gezondheid); binnen 24 uur voert OD Drenthe hier een controle ter plaatse uit. Dit betreft onder meer de meldingen die via de Meldkamer Noord Nederland bij OD Drenthe binnen komen.

•Niet urgente milieuklachten (zonder acuut gevaar) worden binnen één maand gecontroleerd met een administratieve controle of een controle ter plaatse. Waar mogelijk worden deze milieuklachten gebundeld in één controle. Dit geldt onder meer voor milieuklachten over:

•Installaties zoals warmtepompen en airco’s (Besluit Bouwwerken Leefomgeving) of bijv. lucht: formaldehyde in woningen;

•Geluidsoverlast dieren, knalapparatuur en overige apparaten op agrarische percelen (voorheen) APV;

•Evenementen in de openbare ruimte

•Laag frequent geluid of diffuse bronnen.

Milieuklachten worden door klagers ingediend bij de gemeente of provincie. Door de gemeente wordt beoordeeld of de milieuklacht aan OD Drenthe wordt doorgestuurd. (Spoedeisende) milieuklachten en meldingen worden binnen één werkdag door de gemeente/provincie aangeleverd aan OD Drenthe en hiervan wordt OD Drenthe direct telefonisch geïnformeerd, zodat de behandelaren op de hoogte zijn. OD Drenthe heeft hiervoor een 24/7 bereikbaarheid (piket). Een deel van de milieuklachten wordt niet doorgestuurd en bereikt OD Drenthe niet, waardoor het overzicht onvolledig is. Hierdoor kan de naleefscore niet correct worden berekend (immers, iedere milieuklacht leidt tot een verhoging van de naleefscore). Daarnaast ontvangt OD Drenthe signalen met een vertraging. Voor milieuklachten waarbij milieueffecten direct beperkt dienen te worden (bijv. lekkages en geur- en geluidoverlast), is deze vertraging niet wenselijk. Vanuit de ambitie om (1) negatieve milieueffecten te voorkomen én (2) risicogericht te werken is een meer volledige en snellere klachtafhandeling noodzakelijk.

Ketentoezicht

Een van de voornaamste redenen om landelijk te komen tot een stelsel van omgevingsdiensten is het verkrijgen van zicht en inzicht in complexe ketens van (milieugerelateerde) activiteiten. Het ketentoezicht is als toezichtsinstrument één van de basistaken die door de gemeenten en provincie bij OD Drenthe is belegd. Ketentoezicht is een vorm van toezicht waarbij de hele levenscyclus van producten, grondstoffen en afvalstoffen wordt gevolgd om milieuregels te handhaven. Dit houdt in dat toezicht niet alleen gericht is op individuele bedrijven of activiteiten, maar op de hele keten van productie, transport, gebruik en verwerking. Elk onderdeel van de keten wordt in kaart gebracht en beoordeeld of het voldoet aan de geldende milieuwetten en -regels. Ketentoezicht is vaak een samenwerking tussen verschillende overheden, bedrijven en inspectie-instanties.

De grootste risico’s in ketens worden gezien:

A. bij bedrijven die meerdere schakels (activiteiten) in de keten in huis hebben, al dan niet verspreid over meerdere locaties (beperking administratie door intern transport), met stoffen die relatief gemakkelijk in een andere categorie zijn te brengen;

B. bij activiteiten met veel financieel gewin / bedrijven die een buitensporige groei doormaken;

C. waar met veel verschillende grond- en afvalstoffen wordt gewerkt;

D. waar activiteiten plaatsvinden in afgelegen gebieden, met daardoor een lage pakkans;

E. waar veel maatschappelijke kosten gemaakt worden als bedrijven regels niet naleven;

F. waar activiteiten buiten kantooruren plaatsvinden.

Voor het ketentoezicht gelden de volgende beleidsuitgangspunten:

1In het team ketentoezicht is de kennis en expertise voor het ketentoezicht gebundeld. De capaciteit is voldoende om aan de kwaliteitscriteria te voldoen. Samenwerking met de omgevingsdiensten in Noord-Nederland en Overijssel én ketenpartners in de provincie is bij het ketentoezicht essentieel.

2Inzet van het team ketentoezicht is het meest noodzakelijk in de ketens grond- en afvalstromen. De aanleiding hiervoor is:

a.Deze ketens zijn het meest risicovol, met name omdat activiteiten over de gemeente- en provinciegrenzen heen plaatsvinden;

b.De ketens hebben veel aandacht in de provinciale en landelijke media;

c.Beide zijn landelijke prioriteiten en daardoor zijn landelijke werkgroepen actief;

d.Grond- en afvalstromen worden door vrijwel alle gemeenten en provincie in hun U&H-strategieën hoog geprioriteerd;

e.De meeste ketenonderzoeken zijn door OD Drenthe en andere omgevingsdiensten afgelopen jaren uitgevoerd bij grond- en afvalstromen.

3Na signalen van ketenproblematiek wordt met een strategische en tactische analyse een keten of deel van de keten in beeld gebracht. Jaarlijks wordt minimaal 1 keten verdiept met de Noordelijke OD’s. Overige ketens worden verdiept als er meerdere (gelijke of samenhangende) signalen uit het toezicht door OD Drenthe worden ontvangen, signalen van andere inspectie-organen worden ontvangen of landelijke prioriteiten worden benoemd.

4De analyse beperkt zich niet tot één locatie; ook locaties en activiteiten van branchegenoten worden onderzocht. Het resultaat van ketentoezicht op deze wijze is een rangorde (bijv. Top 50) van te inspecteren locaties of activiteiten: deze patronen, incentives en rangorde waren met alleen reguliere (locatie-gebonden) controles niet boven water gekomen.

De selectie van te analyseren ketens en de resultaten van de ketenanalyses worden door OD Drenthe besproken met de deelnemers.

Toezicht bij gedogen

OD Drenthe houdt actief toezicht op gedoogsituaties. Regelmatig controleert OD Drenthe of de overwegingen van de verklaring om af te zien van handhaving, nog actueel zijn. OD Drenthe kijkt of de verzoeker (waarvoor een gedoogverklaring is afgegeven) de opgelegde beperkingen en voorwaarden naleeft. Zo niet, dan wordt gehandhaafd volgens de sanctiestrategie.

Sanctiestrategie

OD Drenthe hanteert onverkort de meest actuele versie van de LHSO. In aanvulling daarop gelden de volgende bepalingen.

Registratie van LHSO-scores

Bij iedere overtreding wordt een LHSO-score geregistreerd. Deze bestaat uit twee waarden:

•Het gedrag van de overtreder, uitgedrukt in A (goedwillend) tot en met D (notoir/crimineel);

•De zwaarte van de overtreding, uitgedrukt in 1 (vrijwel nihil) tot en met 4 (aanzienlijk en/of onomkeerbaar).

De toezichthouder bepaalt op basis van eigen inzicht en het periodiek delen van kennis de LHSO-score per overtreding. Bij inzet van een handhavingstraject wordt deze score door de handhavingsjurist beoordeeld, waardoor in onderling overleg tot een wijziging van de score kan worden gekomen. De overwegingen na geconstateerde overtredingen en de wijze waarop hierover is gerapporteerd aan het bevoegd gezag en overtreder, worden opgenomen in het dossier.

Begunstigingstermijnen en hoogte van dwangsommen

•Voor besluiten die niet gericht zijn op het voorkomen van herhaling kiest OD Drenthe qua begunstigingstermijn bij voorkeur een termijn conform de landelijke leidraad handhavingsacties en termijnen . Indien de leidraad geen termijn benoemt, onderbouwt OD Drenthe een termijn die zodanig is, dat het praktisch haalbaar is om aan de last te kunnen voldoen. Verder is de te stellen termijn afhankelijk van de aard van de overtreding (er kan in principe met geen of een korte termijn worden volstaan bij gedragsvoorschriften) en mag de termijn niet zodanig lang zijn, dat sprake is van (impliciet) gedogen van de overtreding.

•De hoogte van een dwangsom moet op grond van de Algemene wet bestuursrecht in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het opleggen van de dwangsom. OD Drenthe relateert de hoogte van de dwangsom o.a. aan de aard en ernst van de overtreding, de potentiële schade, het economisch voordeel dat met de overtreding wordt behaald en de kosten die moeten worden gemaakt om de overtreding ongedaan te maken. Daarbij volgt OD Drenthe bij voorkeur de landelijke leidraad handhavingsacties en termijnen.

OD Drenthe voert een registratie van voorgenomen en opgelegde dwangsommen, zodat de hoogte en termijnen van toekomstige dwangsommen in vergelijkbare lijn wordt bepaald.

Inzet van strafrecht

Conform de LHSO wordt bij overtredingen in bepaalde categorieën de inzet van strafrecht overwogen. Afhankelijk van het gedrag van de overtreder en de zwaarte van de overtreding (impact op milieu) wordt door een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) bepaald of strafrechtelijk wordt opgetreden. Het financiële aspect, het zogenaamde wederrechtelijk verkregen voordeel, speelt hierbij een belangrijke rol. BOA’s die een strafbaar feit vermoeden of constateren, kunnen een proces-verbaal (PV) opmaken. Een PV is de basis voor het verdere optreden van het OM dat kan leiden tot sancties.

De strafrechtelijke interventie wordt afgestemd met het Functioneel Parket (FP) van het OM. Ook kan worden gekozen voor de bestuurlijke strafbeschikking milieu (BSBm). De BSBm is een op het strafrecht (artikel 257ba Wetboek van Strafvordering) gebaseerde interventie die daartoe bevoegde handhavingsinstanties zonder tussenkomst van het OM kunnen opleggen. Het gaat om een OM-afdoening aan de directeur van de omgevingsdienst geattribueerde bevoegdheid. Hierbij wordt een geldboete uitgeschreven op basis van het Feitenboekje Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu- en Keurfeiten, die ter afdoening wordt gestuurd aan het Centraal Justitieel Incassobureau. Deze interventie kan los, of in combinatie met op herstel gerichte interventies worden ingezet.

De BSBm is bedoeld voor relatief eenvoudige overtredingen waarbij over de schuldvraag geen twijfel bestaat. Als deze strafbeschikking niet kan worden uitgevaardigd is in veel gevallen overleg met het OM noodzakelijk en wordt PV opgemaakt. Het strafrechtelijk onderzoek en het opmaken van PV’s valt onder de bevoegdheid/verantwoordelijkheid/gezag van het FP/OM.

Bij vermoedens van ondermijnende activiteiten wordt ten aller tijde strafrechtelijk doorgepakt. Bij twijfel over de inzet van strafrechtelijke instrumenten, vindt overleg met het OM plaats. Naast de inzet na constatering van overtredingssituaties door toezichthouders, worden door BOA’s ook eigenstandig constateringen gedaan en voeren BOA’s al dan niet tezamen met toezichthouders controles uit. Gezamenlijke controles kunnen bijvoorbeeld plaatsvinden als de locatiehouder geconstateerde overtredingen niet wenst op te heffen, de toegang tot de locatie geweigerd wordt of als dreigende situaties worden verwacht.

OD Drenthe is een volwaardig strafrechtelijke partner door:

•Het op peil hebben van de BOA-capaciteit (omvang) en benodigde kennis en vaardigheden;

•Actieve samenwerking met handhavingspartners op lokaal, regionaal en landelijk niveau, gericht op kennisdelen, samenwerking en ketentoezicht;

•Het strafrecht integraal onderdeel te laten zijn van de sanctiestrategie;

•Deskundige invulling aan de LHSO en strafrechtelijke opvolging van overtredingen;

•Strafrecht onderdeel te laten uitmaken van de aanpak ketentoezicht.

Gedoogstrategie

Bij gedoogsituaties dient te worden aangesloten bij de huidige jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden gedoogd. Dat kan zich voordoen als sprake is van concreet zicht op legalisatie. Ook kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee gediende belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.’

Het landelijke beleidskader inzake gedogen opgesteld destijds door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en de minister van Verkeer en Waterstaat en de jurisprudentie van de bestuursrechter zijn als uitgangspunt gebruikt bij het opstellen van voorliggende gedoogstrategie.

Het motto vanuit de preventie is: ‘Handhaven is goed, maar preventie is beter.’ Wanneer toezicht echter tot handhaven leidt, is daadwerkelijk handhaven de regel en gedogen de uitzondering. Uitsluitend met zicht op legalisatie en/of opheffen van de strijdigheid kan het middel gedogen onder voorwaarden uitkomst bieden en aanvaardbaar worden ingezet. Op de juiste wijze ingezet, kan gedogen zorgen voor de nodige flexibiliteit die in de sfeer van een bepaald normencomplex noodzakelijk is.

Karakter van de gedoogstrategie

Deze gedoogstrategie heeft het karakter van een beleidsregel (in de betekenis die de Awb daaraan toekent): ’een algemene regel over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van de handhandhavingsbevoegdheden van een bestuursorgaan.’ De Awb bepaalt ook het volgende: ‘Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou kunnen hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.’

Wat is gedogen?

De bevoegdheid om te gedogen kan worden afgeleid uit het discretionaire karakter van handhavingsbevoegdheden. In de jurisprudentie wordt een aantal eisen aan het gedogen gesteld:

•Uitdrukkelijk schriftelijk gedogen;

•Tijdelijk karakter (bij voorkeur vooruitlopend op vergunningverlening);

•Verbonden aan voorwaarden;

•Betrokkenheid van belanghebbenden (hoorplicht van art. 4:7 en 4:8 Awb).

Definitie van gedogen: Het bestuur dat bevoegd is tot handhaving ziet willens en wetens (tijdelijk) af van handhavend optreden.

Verschillende vormen:

•Uitdrukkelijk (vooraf of achteraf);

•Al dan niet vooruitlopend op legalisatie (gekwalificeerd gedogen).

Grensvlak tussen handhaven en gedogen

De overgang tussen handhaven en gedogen is vloeiend. Wanneer houdt handhaving op en begint gedogen? Formeel gezegd: handhaving is het opleggen van een sanctie tegen een overtreding. Als geen sanctie wordt opgelegd, gedoogt het bestuur. En juist hier schijnt enige differentiatie op zijn plaats te zijn. Is het de bedoeling een evenwichtig handhavingsbeleid te voeren (het optreden tegen overtredingen om een adequaat niveau van normbevestiging en naleving te bereiken) dan vraagt dat om een zekere prioriteitstelling.

Wanneer voor bepaalde normovertredingen geen actief handhavingsbeleid wordt gevoerd, dan is er geen sprake van gedogen. Als een bestuursorgaan na een zorgvuldige belangenafweging gedoogt, is er sprake van expliciet gedogen. Komt gedogen voort uit het onvermogen of uit onwil tot handhaven (regelgeving is slecht uitvoerbaar, handhavende instantie is slecht geëquipeerd, weinig capaciteit, etc.), dan is sprake van impliciet gedogen. Gedogen op laatstgenoemde gronden is onaanvaardbaar.

Wanneer de gedoogtermijn is verstreken en de strijdigheid bestaat nog of voorwaarden van een gedoogverklaring worden niet nageleefd, kan er alsnog bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk handhavend worden opgetreden.

Wanneer is gedogen aanvaardbaar?

Mits op de juiste wijze ingezet, kan gedogen zorgen voor de nodige flexibiliteit die in de sfeer van een bepaald normencomplex noodzakelijk is. Het bestuur kan de gevolgen van het gedogen voor een groot deel zelf in de hand houden door:

•Duidelijkheid te verschaffen over wat wordt gedoogd;

•Hoelang zal worden gedoogd;

•Wiens overtreding wordt gedoogd;

•En onder welke condities wordt gedoogd.

Gedogen is slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar en onder de voorwaarde dat de situatie is beperkt in omvang en/of tijd. Gedogen dient expliciet en na zorgvuldige kenbare belangenafweging plaats te vinden en aan controle te zijn onderworpen.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat of als er sprake is van een overmacht- of overgangssituatie. Dit is een situatie waarbij het achterliggende belang beter gediend is met het tijdelijk afzien van handhavend optreden. Hierna worden deze situaties kort toegelicht.

Overmachtssituatie

Bij een dergelijke situatie heeft het handhaven van wettelijke regels ongewenste consequenties uit het oogpunt van het door de overtreden rechtsregel beschermde belang. In dit soort situaties biedt de afweging van belangen weinig ruimte. De situatie dwingt tot het laten prevaleren van een bepaald belang boven de andere betrokken belangen. Het is een onvoorziene situatie waarin de overtreding in beginsel niet voor (tijdelijke) legalisatie in aanmerking komt en het ontstaan van de situatie het resultaat is van omstandigheden die buiten de beschikkingsmacht en schuld van de overtreder liggen.

Overgangssituatie

In overgangssituaties kan gedogen aanvaardbaar zijn als de consequenties van handhaving niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die met (onmiddellijke) handhaving gemoeid zijn. Bij een overgangssituatie kan het bijvoorbeeld gaan om:

•De situatie waarin nieuwe regelgeving in voorbereiding is en redelijkerwijs mag worden verwacht dat daarmee de overtreding ongedaan is gemaakt;

•Situaties waarin een overtreding voortvloeit uit een uitspraak van de bestuursrechter waarbij een verleende vergunning door de bestuursrechter is vernietigd op formele gronden, terwijl de activiteiten redelijkerwijs alsnog (ten volle) vergunbaar moeten worden geacht.

Gedogen kan aanvaardbaar zijn als het achterliggende belang, dat een norm primair beoogt te beschermen, in uitzonderingsgevallen, die de wetgever niet heeft voorzien, beter gediend is met (tijdelijk) al dan niet onder voorwaarden afzien van handhaving. Ook kan een zwaarder wegend belang gedogen soms rechtvaardigen. Rechtsbeginselen kunnen ertoe leiden dat ook andere belangen dan het door de norm te beschermen belang moeten worden meegenomen in de afweging. Voor al deze omstandigheden geldt dat zij slechts in uitzonderingsgevallen en onder zorgvuldige belangenafweging kunnen worden toegepast mits het gedogen zoveel mogelijk in omvang en tijd beperkt is.

Gedogen beperken in omvang en/of tijd

Gedogen is slechts aanvaardbaar zolang en voor zover zich de betreffende uitzonderingssituatie voordoet. Zodra de formele gedoogtermijn is verstreken, of er andere omstandigheden zijn die de gedoogsituatie doen beëindigen, wordt overgegaan tot handhaving. Ook kan de noodzaak om te gedogen worden weggenomen door de situatie te legaliseren. Is (tijdelijke) legalisering van de overtreding mogelijk, dan verdient dit altijd de voorkeur boven gedogen. De situatie mag slechts tijdelijk worden gedoogd. Dit betekent dat er een duidelijke eindtermijn moet worden genoemd. De totale tijdspanne waarna wordt gedoogd, moet zo kort mogelijk zijn.

Gedogen expliciet en na zorgvuldige kenbare belangenafweging

Gedogen moet altijd in de vorm van een schriftelijke beslissing. Een gedoogverklaring dient expliciet en na zorgvuldige kenbare belangenafweging te worden genomen. Alleen als gedoogverklaringen expliciet en dus ook schriftelijk zijn genomen en tevens van een zorgvuldige en kenbare motivering zijn voorzien, zijn ze ook daadwerkelijk onderworpen aan de mogelijkheid van controle. De verklaring zal ook duidelijk moeten zijn over de gedragingen die gedoogd worden en over de (eind)termijnen en voorwaarden die aan het gedogen gesteld worden. Noodzakelijk is ook dat in de verklaring vermeld staat dat de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie voor de strafrechtelijke rechtshandhaving overeind blijft.

Uit de Awb en jurisprudentie volgt dat een verklaring om te gedogen moet berusten op een verzoek van de normadressaat of ambtshalve kan worden opgelegd. De aanvrager moet in zijn gedoogverzoek gemotiveerd ingaan op de bijzondere omstandigheden die naar diens oordeel gedogen in zijn geval rechtvaardigen. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de bijzondere omstandigheden die in het algemeen aanleiding kunnen zijn voor een gedoogsituatie, bijvoorbeeld:

•concreet zicht op legalisatie (ontvankelijke aanvraag is ingediend en een eerste inschatting is ‘vergunbaar’);

•onevenredigheid van handhaving in het licht van de daarmee te dienen belangen;

•andere verantwoorde bescherming van het belang dat de overtreden rechtsregel beoogt te beschermen.

Een gedoogverklaring is geen besluit in de zin van de Awb en wordt niet met een Awb-besluit gelijkgesteld. En daarom kunnen tegen een gedoogverklaring geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden aangewend. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019. Een uitzondering is gemaakt voor gedoogverklaringen voor coffeeshops (13 september 2023).

Gedoogvoorwaarden bevatten de condities waaronder het bevoegde gezag bereid is geen gebruik te maken van ter beschikking staande bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten. Daarbij moet vooral gedacht worden aan beschermende voorwaarden die ervoor zorgen dat het door de overtreden rechtsregel beschermde belang genoegzaam is gewaarborgd en voorkomen wordt dat in zoverre (materieel) gezien een verslechtering optreedt ten opzichte van een legale situatie. Voor zover aan de orde en mogelijk sluiten de gedoogvoorwaarden aan bij de voorschriften die aan een nog te verlenen vergunning zullen worden verbonden. Bij overmacht situaties worden aan de verklaring om te gedogen zodanige voorwaarden verbonden dat de mogelijk nadelige gevolgen voor het door de rechtsregel beschermde belang zoveel mogelijk worden beperkt en geneutraliseerd. In de verklaring kan worden opgenomen dat de gedoogvoorwaarden gedurende de geldigheidsduur van de gedoogverklaring kunnen worden aangevuld of gewijzigd. Als één of meerdere gedoogvoorwaarden niet worden nageleefd maant het bevoegde gezag in de meeste gevallen eerst tot naleving van de gedoogvoorwaarden. Als de situatie daarna niet verandert dan wordt de verklaring tot gedogen ingetrokken en wordt alsnog handhavend opgetreden tegen de overtreding. Dit handhavend optreden wordt uitgevoerd overeenkomstig de LHSO.

Sinds 2022 is er vanuit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een nieuwe lijn ontwikkeld, waaruit blijkt dat het bestuursorgaan niet in alle gevallen verplicht is af te zien van handhaving indien sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dit vergt een belangenafweging.

Gedogen aan controle onderwerpen

Wil de overheid geloofwaardig zijn, dan is het van evident belang dat de gedogende instantie zelf de controle uitoefent. Een actieve houding en extra aandacht zijn dus vereist.

Dat gedoogverklaringen niet moeten worden verward met vergunningen, blijkt vooral wanneer de handhaving van gedoogvoorwaarden aan de orde is. Indien de overtreder zich niet aan de gedoogvoorwaarden houdt, riskeert hij een sanctie. Omdat de overtreding van gedragsvoorwaarden niet kan worden gezien als de overtreding van een wettelijk voorschrift, kan de overtreding van dergelijke voorwaarden geen grondslag vormen voor het nemen van een sanctiebeschikking. Wel kan een dergelijke overtreding de aanleiding vormen voor een sanctie ter zake van de oorspronkelijke overtreding.

Uitgangspunt is dat voorafgaand aan de inzet van bestuurlijke handhavingsinstrumenten een belangenafweging wordt gemaakt. Het feit dat het bestuur een bepaalde overtreding heeft gedoogd, is een factor die op verschillende plaatsen in die belangenafweging een rol speelt waarbij de belangen van de overtreder, van derden en het algemeen belang zorgvuldig dienen te worden afgewogen. Om te voldoen aan de evenredigheidseis kan het echter nodig zijn de overtreder enigszins tegemoet te komen, door bijvoorbeeld een langere termijn te gunnen, feitelijk medewerking te verlenen bij het ongedaan maken van de overtreding.

Afstemming met handhavingspartners

•Interne afstemming: Binnen een handhavende organisatie dient een gedoogverklaring goed afgestemd te worden. Zo vindt er binnen een gemeente veelal overleg plaats tussen milieu, brandweer, ruimtelijke ordening en bouwen. Met als doel het voorkomen van een situatie die vanuit het ene oogpunt wordt gedoogd terwijl dit op andere gebieden niet mogelijk is.

•Externe afstemming: Om een weloverwogen belangenafweging te kunnen maken is het van belang dat ook de handhavingspartners bij het nemen van gedoogverklaringen betrokken worden.

Een afschrift van de gedoogverklaring wordt gezonden aan de betrokken instanties.

Bijlage 2. Specifieke strategieën

In aanvulling op de algemene strategieën in bijlage 1, zijn in voorliggende bijlage de specifieke strategieën voor locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen, bodem en energie opgenomen. Het is een concrete invulling van de werkwijzen die we hanteren in de uitvoering (preventie, vergunningverlening en beoordeling meldingen en rapportages) en handhaving (toezicht). Deze concrete invulling past bij de beschreven prioriteiten, risico’s en doelstellingen. Per saldo verwachten we dat de realisatie van deze werkwijze budgetneutraal kan plaatsvinden (zie ook paragraaf 1.3). De concrete uitwerking in benodigde uren vindt plaats in de jaarprogramma’s.

Locaties met milieuactiviteiten

Doordat jaarlijks de naleefscore opnieuw berekend wordt, wijzigt per jaar de top 10 van SBI-codes met de slechtste naleefscore. De top 10 van slechtste nalevers in 2024 is (met naleefscore erachter):

SBI

2024

1Handel in vrachtauto's (incl. import en reparatie)

4,0

2Grth minerale olieprodukten (excl. brandstoffen)

3,6

3Stookinstallaties>900kW thermisch vermogen: - gas, < 2,5 MW

3,3

4Gasdistributiebedrijven: - gasontvang- en -verdeelstations, cat. D

3,0

5Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren)

3,0

6Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie

3,0

7Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen: - vloeistoffen, o.c. < 100.000 m3

2,9

8Discotheken, muziekcafé's

2,9

9Drukkerijen van dagbladen

2,8

10Fokken en houden van overige dieren: - maden, wormen e.d.

2,7

Figuur 5. Top 10 van SBI-codes met slechtste naleefscore in 2024

Op basis van de beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor milieubelastende activiteiten op locaties de volgende beleidsuitgangspunten:

Uitvoering locaties met milieuactiviteiten

1OD Drenthe is verantwoordelijk voor de volledigheid van het overzicht van locaties met milieubelastende activiteiten (alle locaties in beeld). Om het overzicht van locaties volledig te houden, voert OD Drenthe gevelcontroles uit, worden jaarlijks overzichten van milieuactiviteiten uit registraties van derden vergeleken én houden toezichthouders milieu op weg van/naar een geplande controle de omgeving in het oog.

2OD Drenthe is verantwoordelijk voor de volledigheid van benodigde gegevens van ieder van de locaties (benodigde gegevens van locaties in beeld). Bij het beoordelen van een adviesverzoek, melding of (vergunning)aanvraag en het uitvoeren van controles actualiseert OD Drenthe de gegevens; de gegevens van locaties die langere tijd niet gecontroleerd zijn, zijn daardoor minder actueel dan gegevens van recent gecontroleerde locaties.

3Locaties met een of meerdere melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteiten beschikken over een actuele melding of omgevingsvergunning.

4Alle meldingen, rapportages en aanvragen voor vergunningen voor milieubelastende activiteiten worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten.

5Alle relevante milieuthema’s uit ieder adviesverzoek en iedere melding, rapportage en (vergunning)aanvraag voor milieubelastende activiteiten worden globaal inhoudelijk beoordeeld door de generieke vergunningverlener. Een diepgaande inhoudelijke beoordeling van meldingen, rapportages en aanvragen vindt op basis van milieurisico plaats, waarbij van de standaardaanpak kan worden afgeweken bij (1) kwetsbare objecten in de omgeving en (2) aanwezigheid van specifieke activiteiten.

a.Adviesverzoeken, meldingen en (vergunning)aanvragen worden altijd door de specialist beoordeeld als het milieurisico op het betreffende milieuthema van de activiteit groter of gelijk is aan 4 op een schaal van 1-5. Als voorbeeld: een adviesverzoek, aanvraag of melding voor een vergister wordt altijd diepgaand inhoudelijk getoetst door een specialist Lucht, een specialist Geur en een specialist Externe Veiligheid.

b.Adviesverzoeken, meldingen en (vergunning)aanvragen worden altijd besproken met een specialist als het milieurisico op het betreffende milieuthema van de activiteit tussen 3,5 en 4 is op een schaal van 1-5.

c.Voor milieuthema’s met een risicoscore lager dan 3,5 op een schaal van 1-5 wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van standaard teksten voor de vergunning of reactie op het adviesverzoek of de melding.

Handhaving locaties met milieuactiviteiten

6Het jaarlijks selecteren van locaties met een of meerdere milieubelastende activiteiten die een reguliere controle ontvangen, gebeurt risicogericht. Op basis van risicovariabelen en input van deelnemers bepaalt OD Drenthe jaarlijks welke locaties integraal én welke locaties op specifieke milieuthema’s een controlebezoek ontvangen.

a.Voor de locaties met een IPPC-installatie geldt:

i.de industriële IPPC-locaties worden 1x per jaar gecontroleerd op specifieke milieuthema’s. Hiervoor wordt per locatie met milieuactiviteiten een toezichtplan opgesteld, waarin bepaald wordt welke milieuthema’s in welk jaar gecontroleerd worden. Iedere 5 jaar komen alle milieuthema’s aan bod.

ii.de agrarische IPPC-locaties met een individuele naleefscore groter dan 2 (op een schaal van 1 tot 5), wordt 1x per jaar integraal gecontroleerd op alle milieuthema’s.

iii.de agrarische IPPC-locaties met een individuele naleefscore van 2 of lager (op een schaal van 1 tot 5) worden 1x per 3 jaar integraal gecontroleerd op alle milieuthema’s.

b.Het risico van de locaties zonder IPPC-installatie wordt bepaald door dynamische en statische variabelen.

i.De score van ieder van de SBI-codes op de statische variabelen wordt minimaal 1x per 4 jaar geactualiseerd. Dit gebeurt met inbreng van in ieder geval de gemeenten, provincie en Openbaar Ministerie. Als statische variabelen wordt in ieder geval meegenomen:

A. Milieueffect (factor 1)

B. Ondermijning (factor 0,5)

C. Maatschappelijke en bestuurlijke impact (factor 1)

Afhankelijk van de factor telt de variabele zwaar of licht mee bij het bepalen van het totaalrisico. OD Drenthe actualiseert minimaal 1x per 3 jaar de score op de milieueffecten; bij de eerstvolgende evaluatie wordt bekeken of trillingen en gezondheid kunnen worden meegenomen als milieueffect. OD Drenthe informeert de deelnemers indien variabelen worden toegevoegd, scores van variabelen wijzigen of de factor wijzigt.

ii.De score van ieder van de SBI-codes op de dynamische variabelen wordt 1x per jaar geactualiseerd. Als dynamische variabele wordt in ieder geval meegenomen:

A. Naleefgedrag (factor 2,5). Het naleefgedrag bepaalt daarmee in grote mate het risico van een SBI-code. Indien blijkt dat het naleefgedrag van een SBI-code op korte termijn fors verslechtert, voert OD Drenthe eerst een analyse uit of dit verslechterd naleefgedrag veroorzaakt wordt door een kleine of representatieve groep bedrijven. Indien de groep bedrijven met slecht naleefgedrag niet representatief is, voert OD Drenthe een correctie uit.

a.De dynamische en statische variabelen bepalen jaarlijks het totaalrisico van de SBI-code. Afhankelijk van de score (op een schaal van 1 tot 5) wordt de prioriteit bepaald:

i.Prioriteit 1: SBI-code met een score groter dan 2,5

ii.Prioriteit 2: SBI-code met een score tussen 2,0 en 2,5

iii.Prioriteit 3: SBI-code met een score tussen 1,5 en 2

iv.Prioriteit 4: SBI-code met een score tussen 1,0 en 1,5

v.Prioriteit 5: SBI-code met een score kleiner dan 1,0

b.Voor de locaties zonder IPPC-installatie geldt dat locaties met milieuactiviteiten met een recent en goed naleefgedrag niet regulier worden bezocht. Controles naar aanleiding van milieuklachten en incidenten vinden wel plaats. Het betreft locaties met een naleefscore < 2 én laatste controle niet ouder dan 3 jaar. Voor de overige locaties geldt:

i.Prioriteit 1 en 2: alle locaties met deze SBI-code worden jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alleen die milieuthema’s die op de statische risicovariabele ‘milieueffect’ een risicoscore > 2 hebben.

ii.Prioriteit 3: 10% (steekproef) van de bedrijven in de SBI-code wordt jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alle milieuthema’s (integraal).

iii.Prioriteit 4: 7,5% (steekproef) van de bedrijven in de SBI-code wordt jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alle milieuthema’s (integraal).

iv.Prioriteit 5: 5% (steekproef) van de bedrijven in de SBI-code wordt jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alle milieuthema’s (integraal).

c.De steekproef bij prioriteit 3, 4 en 5 is select. Voor de steekproef wordt een selectie gemaakt van de locaties met milieuactiviteiten die het langst niet gecontroleerd zijn én/of in Inspectieview een vermelding hebben van een of meerdere overtredingen die geconstateerd zijn door ketenpartners. Daarmee houden we, met de beschikbare capaciteit, zo goed mogelijk zicht op de relevante locaties met milieuactiviteiten.

d.Controles worden in principe door de generiek toezichthouder verzorgd. Indien alleen milieuthema’s worden gecontroleerd waarvoor een specialist de controle uitvoert, is aanwezigheid van een generiek toezichthouder niet nodig.

i.Indien het milieurisico op het betreffende milieuthema bij die SBI-code groter of gelijk is aan 4 (op een schaal van 1 tot 5) wordt de generiek toezichthouder bij (in ieder geval een deel van) z’n controle vergezeld door een specialist in dit milieuthema.

ii.Indien het milieurisico op het betreffende milieuthema bij die SBI-code groter of gelijk is aan 3,5 (op een schaal van 1 tot 5) wordt de controle voorbereid met behulp van een specialist in dit milieuthema.

Van bovenstaande kan worden afgeweken bij (1) kwetsbare objecten in de omgeving en (2) aanwezigheid van specifieke activiteiten.

e.Indien het aantal ingebrachte uren te beperkt is om alle geprioriteerde reguliere controles uit te voeren, wordt het percentage in prioriteit 5 verlaagd.

f.Het bevoegd gezag levert binnen 3 maanden na bekendmaking van de te controleren bedrijven door OD Drenthe het milieudossier aan OD Drenthe én geeft eventuele (bestuurlijke) bijzonderheden over de betreffende locaties door. Indien het milieudossier niet tijdig wordt overgedragen, wordt de locatie met milieuactiviteiten voor het opvolgende jaar in het jaarprogramma opgenomen en vindt vermelding hiervan plaats in het jaarverslag van OD Drenthe.

7Op bedrijfsterreinen met een Geluid Productie Plafond geldt in de Omgevingswet een monitoringsplicht die minimaal iedere 5 jaar herhaald moet worden. Deze bedrijfsterreinen met relatief veel bedrijven in SBI-codes met hoge milieueffecten op geluid (> 3) monitort OD Drenthe intensiever; hier vindt monitoring minimaal iedere 3 jaar plaats. Bij de monitoring wordt ook beoordeeld of de aandachtsgebieden of plafonds aangepast moeten worden in verband met gewijzigde vergunningen.

8Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit. Zie het ketentoezicht in de toezichtstrategie van bijlage 1.

Op landelijk niveau vinden gesprekken plaats over de mogelijke verschuiving van bevoegdheden ten aanzien van indirecte lozingen van gemeenten naar waterschappen. De beoordeling van (vergunning)aanvragen en meldingen, evenals het toezicht op de indirecte lozingen, is een bevoegdheid van de gemeenten en provincie. Daarmee is de werkwijze zoals beschreven in deze strategie niet afwijkend ten opzichte van andere milieuthema’s, zoals geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Dit betekent dat bij de activiteiten en branches met een groot milieurisico op water (afvalwater/lozingen) specialisten (in opdracht) van OD Drenthe intensiever beoordelen en toezicht houden dan bij activiteiten en branches met een laag milieurisico op water (afvalwater/lozingen). Een wijziging kan optreden zodra landelijk wordt besloten over een verschuiving van bevoegdheden.

Zorgwekkende stoffen

Op basis van de beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor zorgwekkende stoffen, in aanvulling op de algemene strategieën in bijlage 1, de volgende specifieke strategieën. Daarbij is nu beperkt tot beleidsuitgangspunten voor asbest. Zodra keuzen bij de aanpak van overige zorgwekkende stoffen in beeld zijn, overwegen gemeenten en provincie om hiervoor specifieke beleidsuitgangspunten toe te voegen.

Uitvoering zorgwekkende stoffen

1Alle meldingen voor activiteiten met zorgwekkende stoffen worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten.

2Van de mutatiemeldingen (conform convenant d.d. 21 januari 2019, zie hoofdstuk 4) wordt het asbestinventarisatierapport steekproefsgewijs achteraf gecontroleerd.

a.Voor deze steekproef wordt één keer per jaar een aselecte selectie van 10% van de dossiers geaudit.

b.Als er onjuistheden in het dossier worden geconstateerd wordt contact opgenomen met de inventariseerder, de saneerder en zonodig met de woningcorporatie.

c.Van iedere mutatiemelding ontvangt het bevoegd gezag een memo waarin staat dat de melding is ontvangen. Er volgt geen advies van OD Drenthe.

3Van de reguliere meldingen (niet zijnde mutatiemeldingen) wordt het asbestinventarisatie-rapport in samenhang met de ingediende sloopmelding vóór de start van de sloopwerkzaamheden beoordeeld op basis van de landelijke checklist (ODNL-controlelijst toetsen).

a.De resultaten van de beoordeling worden opgeslagen en aangeboden aan het bevoegde gezag ter archivering.

b.De indiener van de sloopmelding ontvangt een brief waarin staat dat de sloopmelding wordt geaccepteerd of dat de sloopmelding is afgewezen, opnieuw ingediend moet worden of aanvullende informatie moet worden verstrekt.

c.Het bevoegd gezag ontvangt een afschrift van deze brief.

d.Bij sloop van het volledig bouwwerk ontvangt het bevoegd gezag een advies voor wat betreft het asbest. De beoordeling van de constructieve en monumentale aspecten wordt door de gemeente afgehandeld, waarbij het advies van OD Drenthe ten aanzien van asbestregelgeving in acht wordt genomen.

Handhaving zorgwekkende stoffen

4Bij het toezicht op bedrijven waar gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast, wordt altijd de opslag van gewasbestrijdingsmiddelen gecontroleerd. Voor het toezicht op de toepassing van gewasbestrijdingsmiddelen zijn de gemeenten en provincie niet bevoegd.

5OD Drenthe selecteert dagelijks op de ODNL-controlelijst met in uitvoering zijnde sloopwerken waar een toezichthouder asbest naar toe wordt gestuurd. Het toezicht vindt plaats afhankelijk van het type melding én de risicoklasse. Bij het toezicht wordt geen onderscheid gemaakt in sloopwerken met een mutatiemelding of een reguliere melding.

a.Milieuklachten en calamiteiten bij asbestsaneringen zijn urgent en worden daardoor altijd gecontroleerd (zie ook de toezichtstrategie in bijlage 1).

b.Sloopwerken in risicoklasse 2a worden altijd gecontroleerd.

c.Sloopwerken in risicoklasse 2 en 1 worden altijd gecontroleerd als de saneerder:

i.in de afgelopen drie maanden geen of nauwelijks saneringen heeft uitgevoerd in Drenthe.

ii.in het overleg van de drie Noordelijke OD's, OD IJsselland, OD Twente, Arbeidsinspectie en IL&T is benoemd als risicovol.

iii.bij de afgelopen twee inspecties minimaal 1x overtredingen heeft begaan.

d.Overige sloopwerken in risicoklasse 2 worden alleen gecontroleerd indien de werkplanning dit toelaat.

e.Overige sloopwerken in risicoklasse 1 worden sporadisch gecontroleerd.

6Indien een toezichthouder asbest op zijn weg van/naar een geplande controle een niet-gemelde sloopactiviteit op een asbestverdachte locatie constateert, wordt een controle op illegale asbestverwijdering uitgevoerd.

7Indien de saneerder voor een woningcorporatie het convenant overtreedt, wordt de saneerder hierop aangesproken en wordt de woningcorporatie geïnformeerd.

8Jaarlijks worden, verdeeld over de gemeenten, nacontroles uitgevoerd. Bij het uitvoeren van de nacontroles wordt op basis van stortbewijzen achterhaald of de sanering tijdig is gemeld in het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS). Indien van deze asbestverwijdering geen of niet tijdig een melding is ontvangen, worden de eigenaren aangeschreven en vindt handhaving plaats.

9Bij het toezicht tijdens de bouw en sloop hebben ketenpartners (waaronder gemeenten) bijzondere aandacht voor illegale (niet gemelde) saneringen van asbest. Ketenpartners zorgen ook voor bewustwording van het (tijdig) melden.

10Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit (zie het ketentoezicht in de toezichtstrategie van bijlage 1).

Bodem

Op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor bodemactiviteiten de volgende beleidsuitgangspunten:

Uitvoering bodemactiviteiten

1OD Drenthe wordt door deelnemers actief betrokken bij ruimtelijke initiatieven, initiatieven voor bodemsanering en (grootschalig) graven. OD Drenthe ontvangt van deelnemers alle bodemonderzoeken die de deelnemer zelf geïnitieerd heeft, dan wel ontvangen heeft binnen andere projecten/initiatieven. Door vroegtijdig om de tafel te gaan, kunnen kansen en risico’s in beeld worden gebracht.

2OD Drenthe houdt de bodemkwaliteitskaart actueel; bodemonderzoeken die OD Drenthe beschikbaar krijgt, worden inhoudelijk beoordeeld en volledig verwerkt in het bodeminformatiesysteem en zijn daarmee toegankelijk voor deelnemers.

3De meldingen en (vergunning)aanvragen voor locaties met milieuactiviteiten (zie hoofdstuk 3) worden altijd door een bodemspecialist beoordeeld als

a.het milieurisico op het milieuthema bodem bij die SBI-code groter of gelijk is aan 4 (conform punt 5. bij de specifieke strategie voor locaties met milieuactiviteiten) en/of

b.de activiteit op een bodemgevoelige of (verdachte) verontreinigde locatie plaatsvindt.

Bij de beoordeling richt de bodemspecialist zich primair op zorgwekkende stoffen die tot bodemverontreiniging kunnen leiden en andere potentiële verontreinigingen (o.a. indirecte lozingen).

4Alle meldingen en verplicht aangeleverde gegevens voor het opslaan en toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie, graven in grond en saneren van bodem worden beoordeeld op volledigheid op basis van de indieningsvereisten.

5Inhoudelijke beoordeling van meldingen vindt alleen plaats als:

a.sprake is van graven of saneren en/of

b.de melding afkomstig is van een (bij OD Drenthe) onbekend bedrijf en/of

c.het bedrijf de afgelopen twee meldingen een overtreding heeft begaan en/of

d.grond afkomstig is van buiten de provincie Drenthe en/of

e.grond bestemd is voor schone gebieden op de Drentse bodemkwaliteitskaart, waaronder de grondwaterbeschermingsgebieden.

Als gevolg van deze keuze wordt naar verwachting zo’n 50% van de meldingen inhoudelijk beoordeeld. De resultaten van de beoordeling worden opgeslagen (toetsingstabel) en als advies aan het bevoegd gezag gestuurd.

6Om kennis van gewijzigde bodemwetgeving over te brengen én de bewustwording bij initiatiefnemers en vergunningverleners bij gemeenten en provincie te bevorderen, verzorgt OD Drenthe jaarlijks voorlichtingen over nut en noodzaak van bodemonderzoeken.

Handhaving bodemactiviteiten

7De uren die beschikbaar zijn voor bodemtoezicht worden berekend op basis van 50% toezicht op alle meldingen. Bovenstaande leidt tot een begrote bijdrage voor het bodemtoezicht. De inzet van de controles gebeurt risicogericht, waardoor de feitelijke frequentie van het bodemtoezicht afwijkt van de frequentie die is bepaald voor de begroting. Zie hiervoor onderstaande uitwerking.

8OD Drenthe houdt preventief toezicht in het vrije veld op illegale bodemactiviteiten. Hierop wordt 25% van de beschikbare uren voor bodemtoezicht ingezet. Bij het toezicht in het vrije veld worden gebieden geselecteerd op basis van databronnen (waaronder KLIC-meldingen en aanvragen bouwactiviteiten).

9Indien een toezichthouder bodem op zijn weg van/naar een geplande controle een niet-gemelde bodemactiviteit constateert, wordt direct of op een later moment een controle op illegale bodemactiviteiten uitgevoerd.

10De meldingen voor het opslaan en toepassen van bouwstoffen, grond, baggerspecie en mijnsteen worden ingedeeld in twee risicocategorieën op basis van een beoordeling van de milieurisico's én het gedrag van de uitvoerder. Circa 30% van de meldingen wordt ingedeeld in de hoge risicocategorie, 70% in de lage risicocategorie. Grootschalige bodemtoepassing (GBT), risicovolle toepassingen, meldingen van waterschappen en meldingen van slechte nalevers worden altijd in de hoge risicocategorie ingedeeld.

a.De meldingen in de hoge risicocategorie worden allen op locatie gecontroleerd.

b.De meldingen in de lage risicocategorie alleen door een aselecte steekproef (10%). Bij de controles worden alle aspecten uit de melding gecontroleerd.

11De meldingen voor graven of saneren worden allen op locatie op alle aspecten van de melding gecontroleerd. Momenteel kan nog geen onderscheid gemaakt worden in meldingen met grote en kleine risico’s. Zodra dit onderscheid gemaakt kan worden, vindt toezicht op deze meldingen ook risicogericht plaats.

12Meldingen voor aanleg van warmte-koudeopslag (bodemenergiesystemen) worden in 33% van de gevallen gecontroleerd. Op basis van de locatie van het bodemenergiesystemen, de diepte van de opslag en het type systeem (bijv. open versus gesloten en al dan niet gebruik van Glycol) wordt bepaald welke bodemenergiesystemen bezocht worden.

13Bij meldingen van activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden vindt altijd een controle op locatie plaats.

14Bij het verwijderen van oude opslagtanks in de bodem vindt altijd een controle op locatie plaats. Bij bovengrondse tanks vindt alleen een controle plaats indien een verontreiniging is aangetoond of wordt vermoed.

15De saneringslocaties met nazorg worden minimaal 1x per 4 jaar gecontroleerd; het betreft een controle op de nazorgverplichtingen en gebruiksbeperkingen. Bij IBC-nazorglocaties worden jaarlijks de monitoringsgegevens opgevraagd. Monitoringsgegevens van overige nazorglocaties (niet zijnde IBC) worden 1x per 3 jaar opgevraagd, ongeacht hun rapportageverplichting. Indien de termijn van aanlevering wettelijk langer is dan 3 jaar, wordt de wettelijke termijn gehanteerd voor opvragen van de gegevens. De gegevens worden altijd volledig beoordeeld om ontwikkelingen in de ondergrond te signaleren.

16Bij controles op locaties met milieuactiviteiten (zie hoofdstuk 3) wordt de generiek toezichthouder vergezeld door een bodemspecialist als het milieurisico op het milieuthema bodem bij die SBI-code groter of gelijk is aan 4. Indien het milieurisico op het betreffende milieuthema bij die SBI-code groter is dan 3, dan wordt de controle door de specialist mee voorbereid. Bij het toezicht richt de bodemspecialist zich primair op mogelijk voorkomen van bodembedreigende situaties en of voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.

17Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit (zie het ketentoezicht in de toezichtstrategie van bijlage 1).

Energie

Op basis van de beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor energie, in aanvulling op de algemene strategieën in bijlage 1, de volgende specifieke strategieën:

Uitvoering energie

1Op basis van gegevens uit diverse databronnen houdt OD Drenthe een overzicht bij van bedrijven en instellingen die zich naar verwachting iedere 4 jaar moeten melden in het kader van de energiebesparingsplicht.

2Bedrijven en instellingen die zich nog niet gemeld hebben én waarvan OD Drenthe vermoedt dat ze een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik hebben, worden aangeschreven en worden gecontroleerd indien ze zich niet tijdig melden.

3De rapportages energiebesparingsplicht worden bij ontvangst niet inhoudelijk beoordeeld.

4Rapportages over de werkgebonden personenmobiliteit (voor bedrijven met meer dan 100 medewerkers) worden bij ontvangst niet inhoudelijk beoordeeld.

5De onderzoeksrapportages voor energiebesparende maatregelen én rapportages EED-audits worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten. Deze rapportages worden ook volledig inhoudelijk beoordeeld. De inhoudelijke beoordeling wordt bij het dossier opgeslagen.

6Doordat voor energiebesparing een informatieplicht geldt, worden voorschriften over energiebesparing niet opgenomen in besluiten op (vergunning)aanvragen.

Handhaving energie

7Het toezicht energie vindt niet gelijktijdig plaats met een integrale controle bij een milieu-locatie. Het toezicht energie is dusdanig specifiek, dat het combineren met controles op overige thema’s niet efficiënt is.

8Bij iedere controle ter plekke bij de locaties met milieuactiviteiten (zie hoofdstuk 3) wordt door de generiek toezichthouder beoordeeld of aan de verplichting voor rapportage energiebesparing is voldaan. Tevens wordt het feitelijk gebruik van elektriciteit en gas geregistreerd. Daarmee krijgt OD Drenthe zicht op bedrijven of instellingen die niet aan de informatieplicht voldoen, terwijl dit wel nodig was.

9Het jaarlijks selecteren van locaties voor het energietoezicht gebeurt risicogericht. Op basis van risicovariabelen bepaalt OD Drenthe jaarlijks welke locaties door een toezichthouder energie bezocht worden.

a.Bedrijven en instellingen die een rapportage informatieplicht hebben ingediend, met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik, dus een verbruik van meer dan 200.000 kWh of meer dan 75.000 m3 aardgas(equivalent):

i.met rubriceringscode R1 worden allen binnen één jaar na het indienen van de rapportage bezocht. Deze code betekent dat de Erkende Maatregelenlijst (EML)-systematiek wordt gevolgd én dat voor minstens één erkende maatregel de antwoordoptie ‘(Nog) niet uitgevoerd’ is geselecteerd.

ii.met rubriceringscode R2 worden voor minimaal 50% binnen één jaar na indienen van de rapportage bezocht. Het betreft een aselecte steekproef. Deze code betekent dat de EML-systematiek wordt gevolgd én dat voor minstens één erkende maatregel de antwoordoptie ‘Gedeeltelijk uitgevoerd’ is geselecteerd.

b.Overige bedrijven en instellingen die een rapportage informatieplicht hebben ingediend worden aselect bezocht. Het aantal controles hiervoor is afhankelijk van de resterende middelen die beschikbaar zijn voor het uitvoeren van energietoezicht.

10In de voorbereiding van het energietoezicht worden de rapportages informatieplicht inhoudelijk beoordeeld. Indien voor de locatie een onderzoeksplicht en/of EED auditplicht geldt, wordt deze rapportage ook meegenomen in het energietoezicht.

11Op basis van de rapportages informatieplicht en uitgevoerde controles ontstaat per bedrijf/instelling inzicht in het energiebesparingspotentieel. Eind 2026 is er naar verwachting een goed beeld van het totale energiebesparingspotentieel in Drenthe. Begin 2027 bepalen de colleges van B&W en GS na consultatie van OD Drenthe op basis van dit potentieel het energiebesparingsdoel voor het totaal van de bedrijven/instellingen in Drenthe die onder de informatieplicht vallen.

Bijlage 3. Operationalisering doelstellingen

Paragraaf

Nr.

Doelstelling

Indicator

3.3 Locaties met milieuactiviteiten

1

De top 10 SBI-codes met slechtste naleefscore in 2024 (zie figuur 5 in bijlage 2), vertonen in 2029 een naleefscore die gemiddeld gezien tenminste 25% verbeterd is ten opzichte van 2024.

Opgetelde naleefscore van de top 10 SBI-codes met slechtste naleefscore in 2024 in het rapportagejaar. Bron: data uit Digitalechecklisten.nl en het zaaksysteem van OD Drenthe. De naleefscore wordt bepaald door het aantal (vooraankondigingen van) last onder dwangsom, hercontroles en milieuklachten per SBI-code. Daarbij krijgt iedere vooraankondiging/dwangsom 5 punten, iedere hercontrole 2 punten en iedere milieuklacht 0,5 punt. Per SBI-code worden deze punten bij elkaar opgeteld en gedeeld door het totaal aantal zaken bij bedrijven met deze SBI-code. Deze score is vervolgens geschaald (op basis van de hoogste en laagste waardes) op een getal van 1 (goed naleefgedrag) tot 5 (slecht naleefgedrag).

3.3 Locaties met milieuactiviteiten

2

De top 10 SBI-codes met grootste risico’s in 2024 op milieueffecten, ondermijning en maatschappelijk/bestuurlijke impact (zie figuur 4) vertonen in 2029 een verbeterd gedrag bij overtredingen ten opzichte van 2024.

Percentage van het aantal controles die zijn uitgevoerd in het rapportagejaar met overtredingen bij de SBI-codes in de top 10 met grootste risico’s in 2024 op milieueffecten, ondermijning en maatschappelijk / bestuurlijke impact, waarbij de overtreding met het slechtste gedrag calculerend (C) of bewust en structureel/crimineel (D) is. Bron: Digitalechecklisten.nl.

4.3 Zorgwekkende stoffen

3

De uitvoerders van asbestsaneringen in risicoklasse 2a vertonen in 2029 minimaal een gelijkblijvend gedrag bij overtredingen ten opzichte van 2025,

Percentage van het aantal controles die zijn uitgevoerd in het rapportagejaar met overtredingen bij asbestsaneringen in risicoklasse 2a, waarbij de overtreding met het slechtste gedrag calculerend (C) of bewust en structureel/crimineel (D) is. Bron: Digitalechecklisten.nl.

4.3 Zorgwekkende stoffen

4

Het aantal asbestsaneringen dat onterecht zonder melding wordt uitgevoerd neemt af; bij ketentoezicht worden in 2029, met gelijkblijvende inspanning als in 2023, minder overtredingen geconstateerd dan in 2023.

Percentage van het aantal door ketentoezicht gecontroleerde stortbonnen bij de milieustraat in het rapportagejaar voor het storten van asbest, waarbij het afvalstroomnummer in het LAVS niet gekoppeld kan worden aan een asbestinventarisatierapport. Bron: LAVS in combinatie met registratie van stortbonnen.

5.3 Bodem

5

Bij alle bouwactiviteiten, omgevingsplanactiviteiten en gemeentelijke werkzaamheden waarvoor een bodemonderzoek nodig is, wordt een bodemonderzoek door OD Drenthe beoordeeld vóórdat de vergunning wordt verleend of melding wordt geaccepteerd.

Aantal van een steekproef van 10 aanvragen voor bouwactiviteiten, omgevingsplanactiviteiten en gemeentelijke werkzaamheden per gemeente, waarbij een bodemonderzoek nodig was én dit door OD Drenthe is beoordeeld vóórdat de vergunning door de gemeente is verleend of melding is geaccepteerd. Bron: analyse uit steekproef.

5.3 Bodem

6

De uitvoerders van activiteiten op of in de bodem vertonen in 2029 minimaal een gelijkblijvend gedrag bij overtredingen ten opzichte van 2025.

Percentage van het aantal controles die zijn uitgevoerd in het rapportagejaar met overtredingen bij activiteiten in of op de bodem, waarbij de overtreding met het slechtste gedrag calculerend (C) of bewust en structureel/crimineel (D) is. Bron: Digitalechecklisten.nl.

6.3 Energie

7

Bedrijven en instellingen met een zeer groot (Z) energieverbruik voldoen in 2027 allen aan de Onderzoeksplicht.

Percentage van het aantal bedrijven en instellingen waarvan OD Drenthe vermoedt dat ze een zeer groot (Z) energieverbruik hebben, dat in het rapportagejaar of vier jaar hieraan voorafgaand voldoet aan de Onderzoeksplicht. Bron: IPWM database en overzicht van bedrijven met een zeer groot (Z) energieverbruik.

6.3 Energie

8

Alle bedrijven en instellingen met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik voldoen in 2029 aan de Informatieplicht.

Percentage van het aantal bedrijven en instellingen waarvan OD Drenthe weet of vermoedt dat ze een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik hebben, dat zich in het rapportagejaar of vier jaar hieraan voorafgaand heeft gemeld in het kader van de energiebesparingsplicht. Bron: IPWM database en overzicht van bedrijven met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik.

6.3 Energie

9

Bedrijven en instellingen met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik, hebben bij een 2e controle op energiebesparing minimaal 90% van de verplichte energiebesparingsmaatregelen genomen.

Gemiddeld percentage van de verplichte energiebesparingsmaatregelen dat bedrijven en instellingen met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik bij 2e controles (die zijn uitgevoerd in het rapportagejaar) hebben genomen. Bron: IPWM en Digitalechecklisten.nl. Toelichting: na een 1e controle is bij OD Drenthe bekend welke energiebesparingsmaatregelen door het bedrijf/de instelling genomen moeten worden. Zodra het bedrijf/de instelling een 2e keer gecontroleerd wordt (bijv. naar aanleiding van een nieuw ingediende rapportage door het bedrijf/de instelling) kan OD Drenthe bepalen welk percentage van de verplichte energiebesparingsmaatregelen daadwerkelijk gerealiseerd is. Voor deze indicator wordt alleen gekeken naar bedrijven/instellingen met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik die in het betreffende rapportagejaar hun 2e controle energiebesparing hebben gehad en wordt hiervan het gemiddelde genomen van alle percentages die deze bedrijven/instellingen hebben gerealiseerd.

7.1 Kwaliteitsborging

10

Behoud van de juridische kwaliteit van besluiten op aanvragen en handhavingszaken door OD Drenthe ten opzichte van 2023.

Percentage van het aantal beroepszaken dat in het rapportagejaar is afgerond, waarbij de zaak het resultaat heeft ‘beroep gegrond’. Bron: zaaksysteem van OD Drenthe.

7.1 Kwaliteitsborging

11

Het jaarprogramma van de OD is voor 100% gerealiseerd.

Percentage van de geprogrammeerde productie in het jaarprogramma van de OD, dat daadwerkelijk in het rapportagejaar is gerealiseerd. Bron: jaarverslag van OD Drenthe.

7.1 Kwaliteitsborging

12

Beschikbaarheid van voldoende middelen ieder jaar om (1) de geconstateerde risico’s aan te pakken én (2) beleidsdoelen te realiseren.

Percentage van de geprogrammeerde uren in het jaarprogramma van de OD, dat daadwerkelijk in het rapportagejaar is gerealiseerd. Bron: jaarverslag van OD Drenthe.

Figuur 6. Doelstellingen en indicatoren met hun bron. Onder het rapportagejaar verstaan we het jaar waarop het jaarverslag van OD Drenthe betrekking heeft.

Bijlage 4. Relatie U&H-strategie milieu Drenthe met overige (beleids)documenten

De U&H-strategie milieu Drenthe staat niet op zich. Er zijn diverse overige (beleids)documenten die een relatie hebben met de U&H-strategie milieu. In deze notitie wordt de relatie tussen deze (beleids)documenten uitgelegd.

Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht): iedere gemeenteraad en Provinciale Staten van de provincie Drenthe heeft een verordening met deze naam (of van diens voorloper, de Verordening uitvoering en handhaving Omgevingsrecht) vastgesteld. In de verordening staan de eisen die de gemeenteraad en PS stellen aan de VTH-taakuitvoering. De verordeningen zijn (nagenoeg) identiek en moeten dit (volgens de Omgevingswet) voor de basistaken ook zijn. De U&H-strategie milieu Drenthe geeft invulling aan de eisen uit deze verordeningen voor zover het de milieutaken betreft die onder OD Drenthe zijn belegd. Voor de overige VTH-taken dient de gemeente/provincie zelf beleid op te stellen (zie volgende paragraaf).

VTH-beleid ofwel U&H-strategie voor de niet-milieutaken: ieder college van B&W en GS van de provincie Drenthe hebben beleid vastgesteld voor de VTH-taken die niet door alle deelnemers aan OD Drenthe bij de OD zijn belegd. Het gaat dan bijvoorbeeld over VTH-beleid voor de bouwtaken of zwemwaterkwaliteit. Dit beleid blijft ook met de U&H-strategie milieu Drenthe bestaan; het heeft immers betrekking op een ander deel van de VTH-taken. In het VTH-beleid voor de niet-milieutaken kan ieder college keuzen maken die afwijken van keuzen in de regio. Dat is met de U&H-strategie milieu Drenthe niet, omdat deze regionaal identiek worden uitgevoerd. We willen namelijk voorkomen dat OD Drenthe per gemeente anders moet gaan werken.

Jaarprogramma van OD Drenthe: bevat de concrete doorvertaling van de U&H-strategie milieu Drenthe naar taken, de producten en uren die OD Drenthe in één of meerdere jaren uitvoert en de relatie met de zaaktypen en productresultaten. Het is dus een concretisering van de doelstellingen uit de meerjaren U&H-strategie milieu Drenthe.

Tussentijdse rapportages en jaarverslag van OD Drenthe: bevat de verantwoording van de taakuitvoering door OD Drenthe. De tussentijdse rapportages en het jaarverslag geven dus weer welke prestaties zijn geleverd en hoeveel uren zijn geleverd. In het jaarverslag wordt ook gerapporteerd over het doelbereik: van de doelstellingen in de U&H-strategie milieu Drenthe wordt beschreven in hoeverre deze bereikt zijn.

Producten- en Dienstencatalogus (PDC): overzicht van de producten en diensten die OD Drenthe kan leveren. Van de producten en diensten is een omschrijving en afbakening opgenomen, evenals de relatie gelegd met de producten uit de Drentse Maat.

Drentse maat: in maart 2015 als versie 1.0 vastgesteld door de Raad van Opdrachtgevers van OD Drenthe. Het document bevat het uniforme uitvoeringsniveau (producten, frequenties, beoordelingsdiepgang en urenramingen per product) voor een belangrijk deel van de taken die door OD Drenthe worden uitgevoerd. De producten uit de Drentse Maat zijn anders geformuleerd dan de producten in de PDC. De relatie tussen beide wordt in de PDC gelegd.

Op basis van de Drentse maat kentallen en ervaringscijfers van aantallen aanvragen en meldingen en aantal locaties (inrichtingen) wordt jaarlijks een begrote (financiële) bijdrage berekend voor iedere deelnemer van OD Drenthe. Dit wordt gezien als de verantwoorde inzet voor dat jaar. De feitelijke realisatie is voor een belangrijk deel afhankelijk van de vraag naar producten. In 2021 zijn de kentallen herijkt door de kentallen op basis van een benchmark gelijk te trekken met de landelijke gemiddelden. Zodra de U&H-strategie milieu Drenthe is vastgesteld, kan ook de Drentse maat worden geactualiseerd. In de U&H-strategie milieu staan immers wijzigingen van frequenties en beoordelingsdiepgang, waardoor ook kentallen en productbeschrijvingen wijzigen.

Financieringsafspraken: in een begroting of bijdrageregeling van OD Drenthe wordt bepaald op welke wijze de taakuitvoering financieel wordt gedekt. In Drenthe is de Drentse maat voor de totstandkoming van de begroting de basis. Voor de taken die niet in de Drentse maat zijn uitgewerkt worden apart financieringsafspraken gemaakt. Het afrekenen vindt plaats op basis van geleverde producten. In 2024 door het Interbestuurlijk programma (IBP) Versterking VTH vastgestelde Financieringssystematiek omgevingsdiensten wordt voorgesteld daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regionale opgaven en daarmee de regionale U&H-strategie milieu. Een intensievere uitvoering van de VTH-taken dient immers te leiden tot een hogere bijdrage. De keuze hoe OD Drenthe gefinancierd wordt, wordt niet in het kader van de U&H-strategie milieu Drenthe gemaakt. Dit is immers een aparte bevoegdheid van het algemeen bestuur.

Noordelijke Maat: beleidsmatige norm gebruikt door de drie Noordelijke provincies en de Omgevingsdienst Groningen met een risicoanalyse, prioriteiten, ambities en uitvoeringsniveau voor uitvoering van de VTH-taken bij de complexe bedrijven. Dit zijn naast Seveso-inrichtingen (voorheen Brzo) ook RIE4-bedrijven die door aard en omvang grote gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving. Tevens vindt op basis van de Noordelijke Maat een doorrekening van benodigde inzet en kosten plaats. De uitvoering van de VTH-taken bij de complexe bedrijven vindt plaats door Omgevingsdienst Groningen. De complexe bedrijven vallen dus niet binnen de scope van de U&H-strategie milieu Drenthe.

Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht en Landelijke Gedoogstrategie: landelijk vastgestelde strategieën waarin bepaald wordt hoe de VTH-medewerkers hun taken moeten uitvoeren. Dit geldt voor het handhaven (hoe te sanctioneren bij het aantreffen van bepaalde type overtredingen) en het gedogen (wanneer wel/niet te gedogen en hoe te handelen). In de U&H-strategie milieu Drenthe wordt aangegeven dat deze worden toegepast; daarnaast zijn specifieke uitwerkingen (aanvullingen) in de U&H-strategie mogelijk.

Thematisch beleid of omgevingsprogramma’s: bevat voor een specifiek thema de beleidsmatige keuzen die door het college van B&W of GS worden vastgesteld. Voorbeelden zijn Duurzaamheidsbeleid, Milieubeleid, Bodembeleid of een Omgevingsprogramma Natuur. Hierin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd binnen hoeveel jaren bodemsaneringen moeten zijn uitgevoerd of aan welke geluidsnorm bepaalde geluidsbronnen moeten voldoen. Ieder college is bevoegd om eigen thematisch beleid en programma’s vast te stellen. Dergelijke beleid en normstellingen zijn niet opgenomen in de U&H-strategie milieu Drenthe; de U&H-strategie milieu beperkt zich tot de keuzen t.a.v. intensiteit en diepgang van de VTH-taakuitvoering.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.