Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels reclame-uitingen

Gemeente Assen · geldt sinds 27 december 1999

INLEIDING.

TOEPASSELIJKE WET- EN REGELGEVING.

APV.

Artikel 4.2.7.

1Het is de rechthebbende op een onroerende zaak, alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders deze zaak of daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van:

a.opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak;

b.opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid;

c.opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op:

1openbare verkoping, aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

2het beroep, dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak bestemd is, zomede op naamborden, mits deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m2 en geen van alle grotere in een inrichting hebben dan 1,00 m2 en mits deze opschriften en aankondigingen niet verlicht zijn aangebracht op of aan een onroerende zaak;

d.opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de naam van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde werken zelf en niet verlicht zijn, dit voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

e.opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer; indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer;

f.opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits van het aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de rechthebbende op de hoofdgebruiker van de onroerende zaak schriftelijke kennisgeving is gedaan aan het college van burgemeester en wethouders en dit college niet binnen 14 dagen na ontvangst van die kennisgeving van enige bezwaar heeft doen blijken. Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze gedurende meer dan 9 weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.

3Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover de Woningwet, op de Wet Milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening of artikel 2.1.6.1 van toepassing is.

4Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

a.indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;

b.in het belang van de verkeersveiligheid;

c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Parkeren van reclamevoertuigen.

Artikel 5.1.6

1Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel daarmee handelsreclame te maken.

2Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg.

Artikel 2.1.6.1

1Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan.

2Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

a.vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

b.zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

1geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;

2geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt en geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

c.de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden, lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

d.voertuigen;

e.voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

f.standplaatsen als bedoeld in artikel 5.1.3.

3Het is verboden op, in over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang en vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

4Voor de toepassing van het tweede lid onder c wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

5Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

b.indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf , hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;

c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

d.indien het beoogde gebruik een aanvraag om een terrasvergunning betreft, maar deze niet voldoet aan het terrassenbeleid.

6Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer, gebaseerde voorschriften, de Woningwet, het Rijkswegenreglement of het Provinciaal Wegenreglement Drenthe van toepassing zijn.

Het belang van artikel 4.2.7 APV is beperkt, nu in lid 3 is aangegeven dat het verbod op handelsreclame niet geldt voor zover de Woningwet, de voorschriften op grond van de Wet Milieubeheer, de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening of artikel 2.1.6.1 van toepassing is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze kwestie kort aangestipt in haar uitspraak van 9 juni 1994. Volgens de VNG moet dit zo worden uitgelegd dat wanneer de Woningwet van toepassing is (i.c. een bouwvergunning vereist is) of een van de andere regels genoemd in lid 3 artikel 4.2.7 APVniet van toepassing is.

Lid 3 geeft ook een afbakening met artikel 2.1.6.1 APV. Wanneer een reclame-uiting wordt geplaatst op de weg of een weggedeelte dan is dit laatste artikel hetgene waaraan getoetst moet worden. Andere reclame-uitingen op of aan (particuliere) onroerende zaken vallen onder 4.2.7 APV.

Ook het belang van artikel 5.1.6 APV is beperkt, nu dit artikel in de APV is opgenomen met het doel parkeerexcessen te voorkomen en niet ter bescherming van het fraaie aanzicht van de gemeente.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.