Aanhef
De burgemeester van Assen maakt het volgende bekend.
Gelet op artikel 1:3 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 13b van de Opiumwet en artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Assen.
Besluit vast te stellen Beleidsregels drugs gemeente Assen 2026.
3. Drugshandel vanuit woningen of lokalen
3.2 Algemene uitgangspunten
3.2.1 Belangenafweging
Bij het toepassen van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet vindt altijd een belangenafweging plaats. Door alle omstandigheden af te wegen, wordt door de burgemeester een afweging gemaakt of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat handelen overeenkomstig dit beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot het beoogde doel van dit beleid.
De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een toetsingskader geformuleerd met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel. Deze drietraps toets doorloopt opvolgend drie vragen:
1is het besluit geschikt om het doel te bereiken;
2is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken; en
3is de maatregel evenwichtig.
Bij toepassing van deze beleidsregel wordt zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij deze drietrapstoets en recente jurisprudentie.
3.2.2 De hoeveelheid
Daar waar het in dit beleid gaat over een ‘grote hoeveelheid drugs’ wordt bedoeld: een hoeveelheid van 50 of meer hennepplanten of -stekken, 250 of meer gram hennep of eenheden van andere softdrugs, of 5 of meer gram of 10 of meer pillen of eenheden harddrugs of designerdrugs. Dit met uitzondering van GHB, waarvoor vanwege de (eenvoudige, grootschalige) productiewijze en (ernstige) effecten en risico’s geen staffels gelden.
Natte hennep moet voorafgaand aan consumptie worden gedroogd, bijvoorbeeld in een hennepdrogerij. Aangenomen wordt dat van natte hennep uiteindelijk 20% droge hennep overblijft. Voor zover natte hennep niet tot een aantal planten wordt herleid, wordt het gewicht waarmee in deze beleidsregels wordt gerekend, daarom met 80% verminderd. Dit behoudens concrete contra-indicaties dat het percentage hoger of lager moet zijn.
3.2.3 Voorbereidingshandelingen
Onder voorbereidingshandelingen wordt bedoeld een pand dat een schakel vormt in de productie of distributie van drugs, waarbij voorbereidingsmiddelen voor de productie of distributie van drugs aanwezig zijn. Omdat het erom gaat dat een pand of erf dat zo’n schakel is onttrokken wordt uit het drugscircuit, wordt als uitgangspunt met termijnen geen onderscheid gemaakt of er al dan niet drugs aanwezig waren.
3.2.4 Samenhang tussen gebouwen
Als er een overtreding van de Opiumwet geconstateerd wordt in een woning of een lokaal die tezamen een samenhangend geheel vormen, waardoor artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet gelijktijdig zowel op de woning als het lokaal kan worden toegepast, wordt het regime toegepast dat geldt voor woningen.
Of er sprake is van een samenhangend geheel wordt beoordeeld op zowel de ruimtelijke samenhang, als de functionele samenhang. De ruimtelijke samenhang volgt uit fysieke aspecten, bijvoorbeeld doordat de woning en het lokaal gezamenlijk één kadastraal perceel vormen. De functionele samenhang blijkt uit relevante omstandigheden en feiten waarmee de link gelegd wordt tussen de twee de woning en het lokaal, bijvoorbeeld doordat de drugs opgeslagen worden in het lokaal, maar de weegschalen, verpakkingen en andere toebehoren aangetroffen worden in de woning.
3.2.5 Keuze voor maatregel
De burgemeester heeft op basis van artikel 13b van de Opiumwet de mogelijkheid om voor de handhaving in geval van handel in drugs in panden bestuursdwang toe te passen. Het toepassen van bestuursdwang heeft de voorkeur voor het opleggen van een dwangsom. In eerste instantie omdat het gaat om feitelijk herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. In de tweede plaats om betrokkenen niet in de gelegenheid te stellen een financiële afweging te maken. Dit geldt eveneens voor strafbare voorbereidingshandelingen.
Bij de toepassing van bestuursdwang worden de kosten verhaald op de betrokkene, conform artikel 5:25 Awb.
In gevallen waar de eigenaar of medegebruiker van een pand niet of in mindere mate verwijtbaar is, wordt onderzocht of gedeeltelijke sluiting mogelijk is. Op deze manier wordt de overtreding alsnog beëindigd en wordt herhaling voorkomen. Daar waar gedeeltelijke sluiting geen optie is, wordt een waarschuwing of een last onder dwangsom opgelegd aan de overtreder. Dergelijke situaties kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij speciale gebouwen zoals zorginstellingen of bij nog thuiswonende kinderen.
3.2.6 De aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs is geen vereiste
Artikel 13b Opiumwet wordt in beginsel niet toegepast in het geval er alleen een kleine hoeveelheid drugs wordt aangetroffen, bestemd voor eigen gebruik. Is echter voldoende aannemelijk dat een kleine hoeveelheid aanwezig is voor de verkoop, aflevering of verstrekking, dan is artikel 13b Opiumwet wel aan de orde. Dit is ook zo als sprake is geweest van verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel daartoe aanwezige drugs, zoals bij een gewezen hennepkwekerij. Het enkele feit dat er tijdens een inval geen drugs zijn aangetroffen, betekent nog niet dat er geen drugshandel heeft plaatsgevonden.
3.2.7 Verzwarende omstandigheden
Verzwarende omstandigheden zijn omstandigheden die de aangetroffen situatie nog bezwaarlijker maken. Het aantreffen van dit soort omstandigheden vraagt om een strengere aanpak, omdat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in dit soort gevallen ernstiger verstoord zijn.
In de hieronder opgenomen lijst zijn indicatoren van verzwarende omstandigheden opgenomen, dit betreft geen limitatieve lijst en blijft ter beoordeling van de burgemeester. Indicatoren van verzwarende omstandigheden zijn:
•het aantreffen van attributen die te relateren zijn aan de handel in drugs, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, versnijdingsmiddelen en grote hoeveelheden contant geld;
•het aantreffen van wapens in de zin van de wet Wapens en munitie;
•er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, diefstal van stroom of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Hierbij kan gedacht worden aan gerelateerde feiten in de zin dat in de woning personen worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond;
•de mate van gevaarzetting of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n); en
•de aannemelijkheid dat naast het pand of het bijbehorende erf, nog een of meer andere locaties betrokken zijn bij de drugshandel- of productie.
3.2.8 Verzoek opheffen sluiting
Een belanghebbende kan de burgemeester tussentijds (gedurende de sluiting) schriftelijk verzoeken de sluiting op te heffen. Bij zijn beslissing op een dergelijk verzoek neemt de burgemeester onder andere in overweging of het doel van de sluiting al is behaald en of de betrokkene voldoende maatregelen heeft getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen.
3.2.9 Verwijtbaarheid rechthebbende op het pand
Er is sprake van verwijtbaar gedrag van de rechthebbende op het pand als deze zelf betrokken is bij de aangetroffen drugs of dat deze redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen situatie. In het geval van verhuur van een pand geldt: eigenaren en hoofdhuurders moeten concreet toezicht houden op het gebruik van hun pand. Het is niet genoeg als zij het pand alleen maar bezoeken. Zij moeten ook controles uitvoeren die gericht zijn op het gebruik van het pand.
3.2.10 Schone lei
Als gedurende twee jaren nadat een maatregel is opgelegd geen nieuwe overtredingen worden begaan, is er sprake van een schone lei. Bij nieuwe overtredingen na deze periode wordt in dat geval weer de eerste stap uit de handhavingsmatrix gevolgd. In het geval van waarschuwingen wordt gerekend vanaf de dag van bekendmaking van de waarschuwing. Bij de toepassing van bestuursdwang wordt gerekend vanaf de dag dat het pand weer geopend wordt.
3.2.11 Eigen rol betrokkene bij woningsluiting
De verantwoordelijkheid om vervangende woonruimte te vinden, ligt primair bij de betrokkene zelf. Er kan echter ook een rol weggelegd zijn voor de burgemeester, bijvoorbeeld als de betrokkene na geleverde inspanningen, niet in staat blijkt vervangende woonruimte te vinden. Het bieden van enige medewerking aan het vinden van vervangende woonruimte is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. De aanwezigheid van minderjarige kinderen, huisdieren en huisraad leveren op zichzelf geen bijzondere omstandigheden op.