Gemeentelijke regelgeving

Beleidsnota Bodem 2012 “De Gelderse wegwijzer door bodemland; uitvoering en toetsing.

Gemeente Arnhem · geldt sinds 1 december 2012

Aanhef

Besluit van 23 oktober 2012 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem tot vaststelling van Beleidsnota Bodem 2012.

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

Besluiten:

Vaststellen concept-Beleidsnota Bodem 2012 “De Gelderse wegwijzer door bodemland; uitvoering en toetsing.

BIJLAGE 1A

Standaard nader onderzoek

Deze bijlage is een hulpmiddel voor het opzetten van een rapportage nader onderzoek. Daarbij zijn de onderdelen aangegeven die in het rapport moeten worden opgenomen en kan de bijlage als inhoudsopgave voor de rapportage worden gebruikt.

In sommige gevallen is het noodzakelijk om overige zaken die van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een toekomstige sanering, of voor het verlenen van de Beschikking in het rapport op te nemen. Verder wordt er vanuit gegaan dat de opsteller van het rapport op de hoogte is van alle relevante beleidsdocumenten zoals de Wet bodembescherming, de Circulaire bodemsanering, de Gelderse Beleidsnota Bodem, de Provinciale Milieu¬verordening Gelderland, de bodemverordeningen gemeente Arnhem en Nijmegen, de BRL 6000 en bijbehorende VKB-protocollen en belendende wetgeving.

Samenvatting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Opdrachtgever, locatienaam, aanleiding en doel van het nader onderzoek, en een leeswijzer.

Hoofdstuk 2 Voorinformatie

§2.1 Terreinsituatie

Beschrijving van de onderzoekslocatie, kadastrale percelen, indeling in deellocaties, huidige gebruik van het terrein en directe omgeving.

§2.2 Bodemopbouw en geohydrologie

Regionale bodemopbouw en geohydrologie. Lokale bodemopbouw, grondwaterstand- en stroming van bovenste watervoerende pakket. Infiltratie of kwelsituatie.

Optioneel: onderscheid in watervoerende pakketten, grondwater¬onttrek¬kingen in de omgeving, grondwaterbeschermingsgebieden en andere relevante waterpartijen.

§2.3 Historische informatie

Vermelding van de bestemmingen die de locatie heeft gehad, de voormalige gebruikers, welke potentieel verdachte activiteiten zijn uitgevoerd over welke periode, inclusief bronvermelding en of er in het verleden calamiteiten hebben plaatsgevonden .

§2.4 Verontreinigingssituatie

Lijst van de reeds uitgevoerde onderzoeken. Vermelding van de verontreinigingen die zijn aange¬troffen en in welke mate deze zijn onderzocht en afgebakend (in horizontale en verticale richting), bronnen, aan/afwezigheid asbest.

§2.5 Gevalsdefiniëring

Benoeming van te onderscheiden geval(len) van bodemverontreiniging inclusief de onderbouwing (samenhang en omgaan met diffuse verontreinigingen. Zie paragraaf 2.3).

Hoofdstuk 3 Onderzoeksopzet en uitgevoerde werkzaamheden

§3.1 Onderzoeksstrategie

Opzet van basis van het conceptuele model (CSM) op basis van situatiegegevens en historische informatie.

Onderzoekshypothese(n) eventueel per deellocatie (of per geval van verontreiniging) op basis van conceptueel model (CSM). Benoemen van de onderzoeksvragen en bepalen onderzoeksstrategieën.

§3.2 Overzicht uitgevoerde werkzaamheden

Een overzicht van de uitgevoerde (veld)werkzaamheden inclusief datum van uitvoering en de uitge¬voerde analysewerkzaamheden.

Hoofdstuk 4 Resultaten en interpretatie (evtueel per geval)

§4.1 Zintuiglijke waarnemingen en bodemopbouw

Tabel met de aangetroffen bodemopbouw en zintuiglijk waargenomen bijzon¬der¬heden.

§4.2 Toetsingskader

§4.3 Resultaten en interpretatie grond

Beschrijving resultaten met verwijzing naar bijlage met tabellen met toetsing van de grondanalyses.

Verwerking gegevens in conceptueel model en beantwoording onderzoeksvragen.

Bepaling volume grond (m3) boven interventiewaarde per geval

§4.4 Resultaten en interpretatie grondwater

Beschrijving resultaten met verwijzing naar bijlage met tabellen met toetsing van de grondwater¬analyses.

Verwerking gegevens in conceptueel model en beantwoording onderzoeksvragen.

Bepaling volume grondwater (m3) boven interventiewaarde per geval.

§4.5 Samenvatting verontreinigingssituatie en samenhang

Hoofdstuk 5 Risicobeoordeling/spoedeisendheid

§5.1 Uitgangspunten en input parameters

Weergave van de inputparameters en gebruikte software.

§5.2 Standaardbeoordeling (stap 2)

Welke risico’s zijn er voor de mens, het ecosysteem en/of verspreiding.

§5.3 Locatiespecifieke beoordeling/expert beoordeling (stap 3)

Indien nodig!

§5.4 Conclusie risicobeoordeling en spoedeisendheid

Conclusie

Hoofdstuk 6 Conclusies en aanbevelingen

Naar eigen inzicht.

Bijlagen

1Regionale ligging.

2Situering monsterpunten (inclusief contour van de onderzoekslocatie).

3Historische situatie (verdachte locaties, gebouwen, activiteiten, demping etc.).

4Verontreinigingssituatie grond (gevalscontour en I-contouren) op topografische kaart.

5Verontreinigingssituatie grondwater (S+I-contouren) op topografische kaart

6Dwarsprofiel verontreinigingssituatie (indien relevant).

7Boorprofielen.

8Toetsingstabellen grond (met toetsing aan AW2000 en I-waarden).

9Toetsingstabellen grondwater (met toetsing aan S-waarden en I-waarden).

10Analysecertificaten.

11Uitdraai Risicobeoordeling.

12STI-normen, achtergrondwaarden, bodemgebruikswaarden en overige relevante normen.

13Kadastrale kaart met vereiste contouren

BIJLAGE 1B

Standaard saneringsplan immobiele verontreiniging, eenvoudige situatie, géén bemaling en/of grondwatersanering nodig.

Deze bijlage is een hulpmiddel voor het opzetten van saneringsplan voor eenvoudige situaties. Daarbij zijn de onderdelen aangegeven die in het rapport moeten worden opgenomen en kan de bijlage als inhoudsopgave voor de rapportage worden gebruikt.

In sommige gevallen is het noodzakelijk om overige zaken die van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een toekomstige sanering, of voor het verlenen van de Beschikking in het rapport op te nemen. Verder wordt er vanuit gegaan dat de opsteller van het rapport op de hoogte is van alle relevante beleidsdocumenten zoals de Wet bodembescherming, de Circulaire bodemsanering, de Gelderse Beleidsnota Bodem, de Provinciale Milieu¬verordening Gelderland, de bodemverordeningen gemeente Arnhem en Nijmegen, de BRL 6000 en bijbehorende VKB-protocollen en belendende wetgeving.

Samenvatting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Vermelding van opdrachtgever, locatienaam, aanleiding sanering, beknopte weergave veront¬reini¬gin¬gen en planning.

Hoofdstuk 2 Uitgangssituatie

2.1 Terreinsituatie en historie

Beschrijving van de onderzoekslocatie, kadastrale percelen, deellocaties, huidige gebruik van het terrein en directe omgeving.

Vermelding van de bestemmingen die de locatie heeft gehad, welke potentieel verdachte activiteiten zijn uitgevoerd over welke periode en hebben er in het verleden calamiteiten plaatsgevonden.

2.2 Bodemopbouw en geohydrologie

Regionale bodemopbouw en geohydrologie. Lokale bodemopbouw, grondwaterstand en stroming van bovenste watervoerende pakket. Infiltratie of kwelsituatie.

2.3 Verontreinigingssituatie

Een overzicht van de uitgevoerde onderzoeken. In bijlage grondverontreiniging en grondwaterverontreiniging (tabel en tekening. Zie standaardopzet NO, bijlage 1A)

Samenvatting verontreinigingssituatie en samenhang.

2.4 Gevalsdefinitie, ernst en spoedeisendheid

Gevalsdefinitie (invulling samenhang en omgaan met diffuse verontreinigingen).

Ernst en Spoedeisendheid (Zie standaardopzet NO, bijlage 1A).

2.5 Gewenste ontwikkeling

De aanleiding van de sanering. Wegnemen van risico’s, geschikt maken voor (toekomstig) gebruik van de locatie, nieuwbouw en dergelijke.

Hoofdstuk 3 Saneringsdoelstelling en onderbouwing saneringsmaatregel

3.1 Saneringsdoelstelling

Beschrijf functie(s) in de zin van de Wbb waarvoor het terrein (terreindelen) geschikt wordt (worden) gemaakt:

wonen met tuin;

bebouwing en/of verharding (met eventuele bermen);

Industrie (met bijbehorend groen);

agrarisch gebruik;

natuur.

Benoem dikte en kwaliteit van de leeflaag (Zie paragraaf 3.3).

De inrichting van de locatie als kaart toevoegen als bijlage.

Te verwachten restgehalten in grond na saneren.

NB: In deze situatie wordt er vanuit gegaan dat geen grondwatersanering vereist is. Zie anders bijlage 1C)

3.2 Type sanering (deelsanering of volledige sanering, gefaseerde aanpak)

Formulering conform het Gelderse bodembeleid.

Hoofdstuk 4 Saneringsmaatregelen

4.1 Saneringsmaatregelen (boven)grond

Ontgraving en aanvulling (hoe¬veel¬heden en kwaliteit aanvulmateriaal) en verwerking af te voeren grond.

4.2 Uitvoeringsaspecten (eventueel per deellocatie)

Voorbereidende werkzaamheden (inrichting depots), sloop en afvoer verhardingen, omgevingseffecten (hinder en zettingen) en veiligheidsaspecten, inventarisatie vergunningen.

Afstemming met andere beleidsvelden zoals grondwateronttrekking, lozing, archeologie, flora- en fauna, etc., etc.

In het saneringsplan moet een planning worden opgenomen, inclusief de startdatum of verwachte periode waarbinnen gestart wordt en tijd waarbinnen de sanering plaatsvindt.

4.3 Milieukundige begeleiding

Taakomschrijving partijen, bemonsterings- en analysestrategie voor de vaste bodem.

Hoofdstuk 5 Evaluatie en nazorg

Beschrijving van de verwachte restverontreiniging. Beschrijving gebruiksbeperkingen, verantwoor¬delijk¬heden en plichten.

Bijlagen

1Kaart met daarop weergegeven de regionale ligging.

2Toetsingstabellen verontreiniging grond (en grondwater)

3Verontreinigingssituatie grond (gevalscontour en I-contouren) op topografische kaart

3Gevalsgrens en saneringslocatie.

4Kaart met de toekomstige functies en inrichting.

5Kaart met het ontgravingspan.

6Kaart met verwachte situering restverontreinigingen.

7Kostenraming.

8STI-normen, achtergrondwaarden, bodemgebruikswaarden en overige relevante normen.

BIJLAGE 1C

Standaard saneringsplan mobiele verontreiniging en/of complexere immobiele verontreini-ging (bemaling noodzakelijk)

Deze bijlage is een hulpmiddel voor het opzetten van een saneringsplan voor complexe situaties. Daarbij zijn de onderdelen aangegeven die in het rapport moeten worden opgenomen en kan de bijlage als inhoudsopgave voor de rapportage worden gebruikt.

In sommige gevallen is het noodzakelijk om overige zaken die van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een toekomstige sanering, of voor het verlenen van de Beschikking in het rapport op te nemen. Verder wordt er vanuit gegaan dat de opsteller van het rapport op de hoogte is van alle relevante beleidsdocumenten zoals de Wet bodembescherming, de Circulaire bodemsanering, de Gelderse Beleidsnota Bodem, de Provinciale Milieu¬verordening Gelderland, de bodemverordeningen gemeente Arnhem en Nijmegen, de BRL 6000 en bijbehorende VKB-protocollen en belendende wetgeving.

Samenvatting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Vermelding van opdrachtgever, locatienaam, aanleiding sanering, beknopte weergave veront¬reini¬gin¬gen en planning.

Hoofdstuk 2 Uitgangssituatie

2.1 Terreinsituatie en historie

Beschrijving van de onderzoekslocatie, kadastrale percelen, deellocaties, huidige gebruik van het terrein en directe omgeving.

Vermelding van de bestemmingen die de locatie heeft gehad, welke potentieel verdachte activiteiten zijn uitgevoerd over welke periode en hebben er in het verleden calamiteiten plaatsgevonden.

2.2 Bodemopbouw en geohydrologie

Regionale bodemopbouw en geohydrologie. Lokale bodemopbouw, grondwaterstand en stroming van bovenste watervoerende pakket. Infiltratie of kwelsituatie.

Onderscheid in watervoerende pakketten, grondwateronttrekkingen in de omgeving, grondwaterbeschermingsgebieden en andere relevante waterpartijen (zie wateratlas).

2.3 Verontreinigingssituatie

Een overzicht van de uitgevoerde onderzoeken. In bijlage grondverontreiniging en grondwaterverontreiniging (tabel en tekening. Zie standaardopzet NO, bijlage 1A)

Samenvatting verontreinigingssituatie en samenhang.

2.3.1 Natuurlijke bodemprocessen (afbraak, verdunning, vastlegging)

2.3.2 Verwachte pluimontwikkeling

2.4 Gevalsdefinitie, ernst en spoedeisendheid

Gevalsdefinitie (invulling samenhang en omgaan met diffuse verontreinigingen).

Ernst en Spoedeisendheid (Zie standaardopzet NO, bijlage 1A).

2.5 Gewenste ontwikkeling

De aanleiding van de sanering. Wegnemen van risico’s, geschikt maken voor (toekomstig) gebruik van de locatie, nieuwbouw en dergelijke. Waar moet het toekomstig bodemgebruik aan voldoen.

Hoofdstuk 3 Saneringsdoelstelling en onderbouwing saneringsmaatregel

3.1 Saneringsafweging

Saneringsafweging van meerdere oplossingsrichtingen om te saneren met een afweging op basis van lasten en baten per variant. Hierin meenemen bij lasten: saneringskosten (euro), saneringsduur, faal¬risico’s en nazorg en bij baten: Risicoreductie, stabiele eindsituatie en verwijderde vracht (%).

Korte beschrijving afgewogen saneringsdoelstellingen en -varianten. Let op! Bij grotere complexe mobiele verontreinigingen moet een afzonderlijk saneringsonderzoek worden uitgevoerd en gerappor¬teerd.

3.2 Saneringsdoelstelling

Beschrijf functie(s) in de zin van de Wbb waarvoor het terrein (terreindelen) geschikt wordt gemaakt:

wonen met tuin;

bebouwing en/of verharding (met eventuele bermen);

industrie (met bijbehorend groen);

agrarisch gebruik;

natuur.

Benoem dikte en kwaliteit van de leeflaag (zie paragraaf 3.3).

De inrichting van de locatie als kaart toevoegen als bijlage.

Te verwachten restgehalten in grond na saneren.

Saneringsdoelstelling voor het grondwater (zie paragraaf 3.4)

stabiele eindsituatie;

niet stabiele eindsituatie.

Te verwachten restgehalten in grondwater na saneren.

3.3 Type sanering (deelsanering of volledige sanering, gefaseerde aanpak)

Formulering conform het Gelderse bodembeleid.

Hoofdstuk 4 Saneringsmaatregelen

4.1 Saneringsmaatregelen (eventueel onderverdelen in verschillende paragrafen, bijvoorbeeld per fase of per deelgebied.)

Werkwijze (ontgraving en aanvulling voor creëren leeflaag, verharding of bebouwing, grondwateronttrekking, in situ-sanering), grondbalans (inschatting hoeveelheden en type verwerking grond en overige deel¬stromen uit de bodem, hoeveelheid en kwaliteit aanvulmateriaal), bemaling (soort bemaling, filterstellingen, debieten, concentraties, zuivering¬systeem, verlagingen), bedrijfsvoering, in situ-saneringsparameters (debieten, concentraties, zuiveringssysteem, hoeveelheden te injecteren lucht, voedingsstoffen, chemische middelen).

4.2 Uitvoeringsaspecten (eventueel per deellocatie)

Voorbereidende werkzaamheden (inrichting depots), sloop en afvoer verhardingen, omgevingseffecten (hinder en zettingen) en veiligheidsaspecten, inventarisatie vergunningen.

Het omgaan met afwijkingen op het saneringsplan (onder andere het voorkomen van asbest). Afstemming met andere beleidsvelden zoals grondwateronttrekking, lozing, archeologie, flora- en fauna, etc., etc.

In het saneringsplan moet een planning worden opgenomen, inclusief de startdatum of verwachte periode waarbinnen gestart wordt en tijd waarbinnen de sanering plaatsvindt.

4.3 Milieukundige begeleiding

Taakomschrijving partijen, bemonsterings- en analysestrategie voor de vaste bodem.

Hoofdstuk 5 Monitoring tijdens de sanering en eindcontrole

Doelstelling monitoring en monitoringsstrategie, meetprogramma, faalrisico’s (technische risico’s en doelstelling) en beslisschema waarin faalscenario is opgenomen. Evaluatiemomenten monitoring (ijkmomenten). Wanneer wordt de sanering beëindigd?

Hoofdstuk 6 Nazorg

Doelstelling nazorg, beschrijving verwachte restverontreiniging (met omvang en concentraties, diep¬tes), gebruiksbeperkingen, verantwoordelijkheden en plichten, nazorgactiviteiten (actief/passief), meetprogramma, waarborgen (technische, organisatorische en financiële).

Bijlagen

1Kaart met daarop weergegeven de regionale ligging.

2Toetsingstabellen verontreiniging grond (en grondwater)

3Verontreinigingssituatie grond (gevalscontour en I-contouren) op kaart

3Verontreinigingssituatie grondwater (gevalscontour en I-contouren) op kaart.

4Dwarsprofiel verontreinigingssituatie.

5Gevalsgrens en saneringslocatie.

6Kaart met daarop de toekomstige functies en inrichting.

7Kaart met daarop het ontgravingsplan.

8Situatietekeningen met geplande activiteiten grond/grondwater (in situ, onttrekking).

9Kaart met verwachte situering restverontreinigingen.

10Situatietekening met monitoringssysteem

11Kostenraming en financiële zekerheidstelling (artikel 39 Wbb). De kostenraming dient onderver¬deeld te zijn in kosten van 0 tot 4 jaar en van 5 jaar en later.

12STI-normen, achtergrondwaarden, bodemgebruikswaarden en overige relevante normen.

BIJLAGE 1 D

Standaard evaluatieverslag

Deze bijlage is een hulpmiddel voor het opzetten van een evaluatieverslag. Daarbij zijn de onderdelen aangegeven die in het rapport moeten worden opgenomen en kan de bijlage als inhoudsopgave voor de rapportage worden gebruikt.

In sommige gevallen is het noodzakelijk om overige zaken die van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een toekomstige sanering, of voor het verlenen van de Beschikking in het rapport op te nemen. Verder wordt er vanuit gegaan dat de opsteller van het rapport op de hoogte is van alle relevante beleidsdocumenten zoals de Wet bodembescherming, de Circulaire bodemsanering, de Gelderse Beleidsnota Bodem, de Provinciale Milieu¬verordening Gelderland, de bodemverordeningen gemeente Arnhem en Nijmegen, de BRL 6000 en bijbehorende VKB-protocollen en belendende wetgeving.

Samenvatting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Vermelding van opdrachtgever, locatienaam, aanleiding sanering, beknopte weergave verontreini¬gingen en planning.

Hoofdstuk 2 Uitgangssituatie

§ 2.1 Algemeen

Korte beschrijving van de terreinsituatie, het conceptueel model en de gevalsdefinitie.

§ 2.2 Saneringstype en saneringsvariant

Beschrijving om welk soort sanering het gaat (deelsanering, volledige sanering, gefaseerde sanering), de saneringsdoelstelling en een korte beschrijving van de beoogde saneringsmaatregel in het saneringsplan.

§ 2.3 Organisatie en planning

Vermelden van de uitvoeringsperiode, afwijkingen in de planning en of deze gemeld zijn.

NAW-gegevens van alle relevante partijen en contactpersonen.

§ 2.4 Genomen besluiten

Besluiten Wbb, overige vergunningen en meldingen (opnemen in bijlagen).

Hoofdstuk 3 Uitgevoerde saneringsmaatregelen en afwijkingen

§ 3.1 Voorbereidende werkzaamheden

Sloop en verwijdering verhardingen, inrichting van het werkterrein.

§ 3.2 Uitwerking saneringsmaatregelen (eventueel opsplitsen zoals bij het saneringsplan)

In deze paragraaf moeten de uitgevoerde werkzaamheden, afvoer en verwerking (grond, grondwater, overige materialen), aanvoer en verwerking, bedrijfsvoering (in situ, grondwateronttrekking), invloed op de omgeving, veiligheid en gezondheid aan bod komen.

§ 3.3 Afwijkingen tijdens de sanering

Afwijkingen beschrijven met vermelding van onze reactie op de melding afwijking saneringsplan.

Hoofdstuk 4 Evaluatie van de saneringsmaatregelen

§ 4.1 Verloop van de sanering (eventueel opsplitsen in grond en grondwater of per deelgebied, zoals bij het saneringsplan)

Bemonsteringstrategieën en gevolgde protocollen, resultaten tussentijdse bemonsteringen, toetsing aan signaal- en actiewaarden, waren er bijsturingmomenten.

§ 4.2 Eind (of tussen)resultaat van de sanering (eventueel opsplitsen in grond en grondwater of per deelgebied, zoals bij het saneringsplan)

Resultaten eindbemonstering, geconstateerde ontwikkeling en de verwachte ontwikkeling (in geval van een tussentijdse evaluatie). Hoeveelheid en de kwaliteit van het aanvulmateriaal.

Vergelijking van de saneringsdoelstelling en maatregelen met het behaalde saneringsresultaat en uitgevoerde maatregelen. Alsn er afwijkingen geconstateerd worden dan de reeds gedane melding in bijlage toevoegen, inclusief onze reactie.

Hoofdstuk 5 Gebruiksbeperkingen

§ 5.1 Gebruiksbeperkingen

Geef aan voor welke functie in de zin van de Wbb (Zie bijlage 1B of 1C) het gesaneerde deel of de locatie (of deellocatie) geschikt is en geef de functies aan op een kaart (in bijlage).

Beschrijf de eventuele beperkingen bij ‘normaal’ gebruik van de bodem op de saneringslocatie (beplantingsdiepte, etc.) en de risico’s van functieverlies van de isolatielaag bij dit gebruik. Als ‘bijzonder’ gebruik niet kan worden uitgesloten vanuit de bestemming van de locatie, dan deze ook beschrijven.

Hoofdstuk 6 Nazorg (optioneel)

Indien de nazorg minimaal is bij een immobiele verontreiniging, dan is geen afzonderlijk nazorgplan vereist, maar kan de nazorg als afzonderlijk hoofdstuk in het evaluatieverslag worden opgenomen (met duidelijke vermelding op het titelblad). Als er meer nazorg nodig is (o.a. bij grondwaterverontreiniging) dan moet een afzonderlijk nazorgplan worden opgesteld.

§ 6.1 Verantwoordelijkheden nazorg en verplichtingen

NAW-gegevens van alle relevante partijen en contactpersonen.

Aangeven bij wie de nazorg berust (naam aanvrager nazorgbeschikking melden) en bij wie de operationele verantwoordelijkheid voor de nazorg is (de uitvoeringsorganisatie nazorg).

Opmerking:

Bij eigendomsoverdracht is het eveneens van belang dat de afspraken die zijn gemaakt over nazorg¬verplichtingen met de oorspronkelijke eigenaar eveneens gaan gelden voor de nieuwe eigenaar van het perceel. Dit om de nazorgverplichtingen te kunnen handhaven. Om dit te waarborgen zullen verplichtingen (gebruiksbeperkingen) rusten op het perceel zelf (juridisch: ‘zakelijke werking hebben’), waardoor deze verplichtingen automatisch overgaan op de nieuwe verkrijger/eigenaar.

§ 6.2 Beschrijving nazorg

Beschrijf de voorzieningen die worden getroffen om de nazorg uit te voeren en de werkzaamheden die in het kader van nazorg worden uitgevoerd. Periodieke inspecties van de verschillende nazorgvoorzieningen weergegeven.

§ 6.3 Kosten uitvoering nazorg

Vermeld samenvattend de kosten voor de nazorg. Er mag worden volstaan met een totaalbedrag (al dan niet opgebouwd uit subtotalen) met in een losse bijlage een nadere specificatie. De specificatie kan separaat aan het evaluatie/nazorgplan ter informatie aan het bevoegd gezag Wbb worden ver¬strekt.

Bijlagen:

1Kaart met daarop de regionale ligging.

2Kaart met daarop de verontreinigingssituatie grond en grondwater bij aanvang.

3Kaart met daarop de situatietekeningen met geplande activiteiten uit het saneringsplan grond/grondwater.

4Kaart met daarop de situatietekening met uitgevoerde activiteiten (voorbeeld ontgravings¬teke¬ning met ontgravingsdiepten, locaties van tussen- en eindcontrolemonsters).

5Kaart met restverontreiniging grond en grondwater (AW2000 of S-contouren en I-contouren)

6Kaart met functies na saneren

7Profielbeschrijvingen, zintuiglijke waarnemingen en in situ meetresultaten.

8Tabel met resultaten eindbemonstering grond.

9Tabel met resultaten bemonsteringen controlepeilbuizen.

10Tekening met aangegeven waar welke nazorg van toepassing is (leeflaag, voorzieningen, peilbuizen, etc.).

11Analyseresultaten grondmonsters.

12Analyseresultaten grondwatermonsters.

13Analyseresultaten of erkende kwaliteitsverklaring aanvulzand en teelaarde en hoeveelheden (indien van toepassing).

14Afgevoerde hoeveelheden verontreinigd materiaal (inclusief weeg¬bonnen) (indien van toepas¬sing).

15Analyseresultaten en bemonsteringsgegevens bouwputbemaling en effluent (indien van toepas¬sing)

16Reinigingscertificaten en verschrotingsbewijzen. (indien van toepassing)

17Genomen besluiten Wbb (Ernst en spoed, saneringsplan, wijziging SP)

BIJLAGE 1E

Standaard nazorgplan

Deze bijlage is een hulpmiddel voor het opzetten van een nazorgplan. Daarbij zijn de onderdelen aangegeven die in het rapport moeten worden opgenomen en kan de bijlage als inhoudsopgave voor de rapportage worden gebruikt.

In sommige gevallen is het noodzakelijk om overige zaken die van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een toekomstige sanering, of voor het verlenen van de Beschikking in het rapport op te nemen. Verder wordt er vanuit gegaan dat de opsteller van het rapport op de hoogte is van alle relevante beleidsdocumenten zoals de Wet bodembescherming, de Circulaire bodemsanering, de Gelderse Beleidsnota Bodem, de Provinciale Milieu¬verordening Gelderland, de bodemverordeningen gemeente Arnhem en Nijmegen, de BRL 6000 en bijbehorende VKB-protocollen en belendende wetgeving.

Samenvatting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Vermelding van opdrachtgever, locatienaam, aanleiding sanering.

Hoofdstuk 2 Uitgangssituatie voor de nazorg

§ 2.1 Algemeen

Korte beschrijving van de terreinsituatie. Beschrijving van de soort sanering (deelsanering, volledige sanering, gefaseerde sanering) waarom het gaat, de saneringsdoelstelling, besluiten bevoegd gezag (opnemen in bijlagen).

§ 2.2 Eindresultaat van de sanering (eventueel per deelgebied)

Vermeld per te onderscheiden type verontreiniging de omvang (m2 en m3) van de restverontreiniging in een tabel. Maak daarbij onderscheid in gehalten boven en onder interventiewaarde en geef aan op welke diepte deze aanwezig is.

§ 2.3 Consequenties afwijkingen saneringsplan voor nazorg

Vermeld de consequenties voor de nazorg (uit het saneringsplan) als gevolg van de afwijking.

Hoofdstuk 3 Doel en invulling van de nazorg

§ 3.1 Nazorgdoel

Beschrijf de doelstelling voor de nazorg waaronder:

-Het voorkomen van blootstellingrisico’s gerelateerd aan de functie(s) van de locatie;

-Het controleren van het gedrag van de verontreiniging door middel van monitoren.

§ 3.2 Gebruiksbeperkingen en risico’s

Beschrijf de beperkingen bij ‘normaal’ gebruik van de bodem op de saneringslocatie (beplan¬tingsdiepte, etc.) en de risico’s bij functieverlies van de isolatielaag bij dit gebruik. Als ‘bijzonder’ gebruik niet kan worden uitgesloten vanuit de bestemming van de locatie, dan deze ook beschrijven.

§ 3.3 Wijzigingen in het gebruik

Aangegeven tot welke functie in de zin van de Wbb gesaneerd is en welke wijziging zal worden gemeld.

§ 3.4 Beschrijving nazorg

Beschrijf de voorzieningen die worden getroffen om de nazorg uit te voeren en de werkzaamheden die in het kader van nazorg worden uitgevoerd.

§ 3.5 Inspectieprogramma

Periodieke inspecties van de verschillende nazorgvoorzieningen weergeven.

§ 3.6 Meetprogramma

Geef de periodieke metingen aan, die aan de verschillende nazorgvoorzieningen zullen worden uitgevoerd, weergegeven met een specificatie ervan.

§ 3.7 Beslismodel, onderhoudsprogramma en vervanging

Aangeven hoe door inspecties zal worden bepaald of onderhoud of vervanging aan de voorzieningen noodzakelijk is en dat van de inspecties een inspectierapport wordt opgesteld.

Er moet worden aangegeven wanneer zal worden overgegaan tot uitvoeren van onderhouds- werkzaam¬heden, herstellen van beschadigingen en/of vervanging indien onderhoud en/of herstel niet meer tot het gewenste resultaat leidt (beslismodel).

§ 3.8 Communicatie, voorlichting en registratie

Aangeven hoe over de nazorg zal worden gecommuniceerd met betrokken derden en wie hiervoor verantwoordelijk is. Geef aan waar en op welke wijze de beheerder van de locatie en/of de openbare ruimte de nazorg registreert.

§ 3.9 Verantwoordelijkheden nazorg en verplichtingen

NAW-gegevens van alle relevante partijen en contactpersonen.

Geef aan bij wie de nazorgverantwoordelijkheid berust (Dit kan een andere zijn dan de melder nazorgplan) en bij wie de operationele verantwoordelijkheid voor de nazorg is (de uitvoeringsorganisatie nazorg). Geef aan hoe (nieuwe) eigenaren en/of gebruikers op de hoogte worden gesteld van hun verant¬woordelijkheden, voor wat betreft het naleven van de gebruiksbeperkingen.

Opmerking:

Bij eigendomsoverdracht is het eveneens van belang dat de afspraken die zijn gemaakt over nazorgverplichtingen met de oorspronkelijke eigenaar eveneens gaan gelden voor de nieuwe eigenaar van het perceel. Dit om de nazorgverplichtingen te kunnen handhaven. Om dit te waar¬bor¬gen zullen verplichtingen (gebruiksbeperkingen) rusten op het perceel zelf (juridisch: ‘zakelijke werking hebben’), waardoor deze verplichtingen automatisch overgaan op de nieuwe verkrijger/eigenaar.

§ 3.10 Kosten uitvoering nazorg

Vermeld samenvattend de kosten voor de nazorg. Er mag worden volstaan met een totaalbedrag (al dan niet opgebouwd uit subtotalen) met in een losse bijlage een nadere specificatie. De specificatie kan separaat aan het evaluatie/nazorgplan ter informatie aan het bevoegd gezag Wbb worden ver¬strekt.

Bijlagen:

1Kaart met daarop de regionale ligging.

2Kaart met restverontreiniging grond en grondwater (AW2000 of S-contouren en I-contouren)

3Kaart met functies na saneren

4Tekening met aangegeven waar welke nazorg van toepassing is (leeflaag, voorzieningen, peilbuizen, etc.).

5Tabel met resultaten eindbemonstering grond.

6Tabel met resultaten bemonsteringen controlepeilbuizen.

7Eventuele vergunning gekoppeld aan de nazorg.

BIJLAGE 1F

Standaard voortgangsrapportage nazorg

Deze bijlage is een hulpmiddel voor het opzetten van voortgangsrapportage nazorg. Daarbij zijn de onderdelen aangegeven die in het rapport moeten worden opgenomen en kan de bijlage als inhoudsopgave voor de rapportage worden gebruikt.

In sommige gevallen is het noodzakelijk om overige zaken die van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een toekomstige sanering, of voor het verlenen van de Beschikking in het rapport op te nemen. Verder wordt er vanuit gegaan dat de opsteller van het rapport op de hoogte is van alle relevante beleidsdocumenten zoals de Wet bodembescherming, de Circulaire bodemsanering, de Gelderse Beleidsnota Bodem, de Provinciale Milieu¬verordening Gelderland, de bodemverordeningen gemeente Arnhem en Nijmegen, de BRL 6000 en bijbehorende VKB-protocollen en belendende wetgeving.

Samenvatting

Locatienaam, resumé sanering en doelstelling nazorg, uitgevoerde nazorgmaatregelen, wel/geen afwijkingen op het nazorgplan, wijze van milieukundige begeleiding (wel/niet VKB-protocol 6004 gevolgd), resultaten, gebruik van de locatie en aangeven gebruiksbeperkingen en vervolg nazorg.

Hoofdstuk 1 Inleiding

Vermelding van opdrachtgever, locatienaam, aanleiding nazorg, beknopte weergave restverontreini¬gingen en planning. Aangeven bij wie de nazorgverantwoordelijkheid berust (naam aanvrager nazorgbeschikking melden) en bij wie de operationele verantwoordelijkheid voor de nazorg is (de uitvoeringsorganisatie nazorg).

Hoofdstuk 2 Uitgangssituatie

§ 2.1 Algemeen

Korte beschrijving van de terreinsituatie, uitgevoerde sanering en de restverontreiniging.

§ 2.2 Nazorgmaatregelen

Beschrijving van de nazorgmaatregelen, de doelstelling, besluiten bevoegd gezag (opnemen in bijlagen) en een beschrijving van de beoogde resultaten en eventueel terugvalscenario uit het nazorgplan.

§ 2.3 Organisatie en planning

Vermelden van de uitvoeringsperiode. Noemen of er afwijkingen zijn en of deze gemeld zijn. NAW-gegevens van alle relevante partijen en contactpersonen. Vergunningen en meldingen.

Hoofdstuk 3 Uitgevoerde nazorgmaatregelen

Uitwerking nazorgmaatregelen (eventueel opsplitsen zoals bij het nazorgplan)

In dit hoofdstuk moeten de uitgevoerde werkzaamheden, controles, inspecties, onderhoud, vervan¬ging, metingen en monitoring aan bod komen.

Hoofdstuk 4 Evaluatie van de nazorgmaatregelen

Bemonsteringstrategieën en gevolgde protocollen, resultaten tussentijdse bemonsteringen, toetsing aan signaal- en actiewaarden, geconstateerde en de verwachte ontwikkeling, waren er bijsturing¬momenten.

Aan de hand van de resultaten van de inspecties zal worden bepaald of onderhoud of vervanging aan de voorzieningen noodzakelijk is. Er moet worden aangegeven wanneer zal worden overgegaan tot uitvoeren van onderhouds- werkzaamheden, herstellen van beschadigingen en/of vervanging indien onderhoud en/of herstel niet meer tot het gewenste resultaat leidt (beslismodel).

Hoofdstuk 5 Afwijkingen ten opzichte van het nazorgplan

Vergelijking van de doelstelling en maatregelen uit het nazorgplan met de verkregen resultaten. Indien er afwijkingen geconstateerd worden dan de reeds gedane melding in bijlage toevoegen, inclusief onze reactie danwel aangeven waarom het behaalde resultaat past binnen die doelstelling.

Hoofdstuk 6 Vervolg nazorg

Vermeld vervolg nazorg conform nazorgplan, danwel aanvullende acties in lijn met terugvalscenario.

Vermeld samenvattend de kosten voor de nazorg. Er mag worden volstaan met een totaalbedrag (al dan niet opgebouwd uit subtotalen) met in een losse bijlage een nadere specificatie. De specificatie kan separaat aan de statusrapportage ter informatie aan het bevoegd gezag Wbb worden verstrekt.

Bijlagen:

1Kaart met daarop de regionale ligging

2Kaart met daarop de verontreinigingssituatie grond en grondwater na saneren.

3Profielbeschrijvingen, (zintuiglijke) waarnemingen en meetresultaten

4Analyseresultaten en bemonsteringsgegevens grondwateronttrekking en effluent

5Analyseresultaten en bemonsteringsgegevens controlepeilbuizen

6Inspectierapporten van de voorzieningen

BIJLAGE 2

Tabellen met zorgmaatregelen

Zorg na beschikking vaststelling ernst en spoedeisendheid voorafgaand aan sanering

Situatie

Zorgeisen ter plaatse van verontreinigingsgeval

Aard van de zorg

Fysieke zorgmaatregelen

Administratieve eisen

Ernstige, niet spoedeisend,

Alleen vaste bodem verontreinigd

Registratie en meldingsplicht

Geen

Melden wijzigingen gebruiksfunctie

Melden ingrepen in verontreiniging zoals ontgravingen

Ernstige, niet spoedeisend

Grondwater (en grond) verontreinigd

Registratie en meldingsplicht

Zo nodig monitoring

Melden wijzigingen gebruiksfunctie

Melden ingrepen in verontreiniging zoals ontgravingen of onttrekkingen

Ernstige, spoedeisend

(onaanvaardbare risico’s)

Bij onaanvaardbaar humane risico’s:

In specifieke situaties bij verpreidingsrisico kwetsbaar object

In specifieke situaties bij verpreidingsrisico onbeheersbare situatie

Registratie en meldingsplicht

Direct tijdelijke beveiligingsmaatregelen (TBM).

TBM

Beheer

Geen.

Divers, opgenomen in beschikking Ernst en Spoed, bijvoorbeeld:

* plaatsen hek;

* beheersen verspreiding;

* voorzieningen tegen

uitdamping naar woningen.

Onttrekking en monitoring

Monitoring

Melden wijzigingen gebruiksfunctie

Melden ingrepen in verontreiniging zoals ontgravingen of onttrekkingen

Rapporteren uitvoering fysieke maatregelen.

Rapporteren gegevens TBM en/of monitoring met interpretatie

Rapporteren gegevens monitoring met interpretatie

Zorg tijdens saneren

Situatie

Zorgeisen ter plaatse van verontreinigingsgeval

Aard van de zorg

Fysieke zorgmaatregelen

Administratieve eisen

Actieve aanpak

Reduceren van de risico’s van de verontreiniging.

Mogelijk specifieke gebruiksbeperking tijdens uitvoering

Divers. opgenomen in beschikking / SP

Bemonsteren en analyseren grondwater en indien van toepassing de vaste bodem

Melden in werking treding faalscenario

Rapportage monitoringsresultaten met interpretatie aan bevoegd gezag Wbb op ijkmomenten.

Rapporteren tussenevaluaties.

Passieve aanpak

Gericht op monitoren van de restverontreinigingen met als doel stabiele eindsituatie aan te tonen.

Mogelijk specifieke gebruiks-beperkingen voor in stand houden peilbuis- en/of beheers-systeem

Bemonsteren en analyseren grondwater en indien van toepassing de vaste bodem

Zo nodig beschadigde peilbuizen vervangen of beheersysteem repareren

Melden in werking treding faalscenario

Bij SP financiële zekerheid eisen indien voldaan wordt aan criteria in Hfdst 4.

Rapportage monitoringsresultaten met interpretatie aan bevoegd gezag Wbb op ijkmomenten.

Rapporteren afwijkingen op het saneringsplan

Zorg na saneren

Situatie

Zorgeisen ter plaatse van verontreiniginggeval

Aard van de zorg

Fysieke zorgmaatregelen

Administratieve eisen

Na multifunctionele sanering

Geen zorg nodig.

Geen

Geen

Na functiegerichte (deel)sanering

Registratie en meldingsplicht

In stand houden voorzieningen (bv. leeflaag, isolatielaag).

Voorzieningen herstellen bij schade aan de voorzieningen.

Melden wijzigingen gebruiksfunctie en ingrepen waarbij in restverontreiniging wordt gegraven.

Melding schade en herstel leeflaag

Na kosteneffectief sanering ondergrond

Stabiele eindsituatie is bereikt

Registratie en meldingsplicht

Geen

Melden ingrepen waarbij rest­verontreiniging wordt ontgraven of onttrokken etc.

Na kosteneffectief (deel)sanering ondergrond

Stabiele eindsituatie is niet bereikt. Monitoring restverontreiniging

Registratie en meldingsplicht

Gericht op monitoren van de restverontreinigingen met als doel pluimverloop te volgen en risico’s uit te sluiten

Geen

Bemonsteren en analyseren grondwater

Zo nodig beschadigde peilbuizen vervangen of beheersysteem repareren

Melden ingrepen waarbij rest­verontreiniging wordt ontgraven of onttrokken etc.

Periodieke rapportage aan bevoegd gezag.

Altijd nazorgplan

Na kosteneffectief (deel)sanering ondergrond

Stabiele eindsituatie is niet bereikt . Actieve beheersing van de restverontreiniging

Registratie en meldingsplicht

Gericht op blijvende actieve beheersing van de restveront­reiniging en monitoring van mogelijke verspreiding

Divers: opgenomen in nazorgplan, bijvoorbeeld:

1grondwaterbeheersing;

2geohydrologische isolatie

-grondwatermonitoring.

Melden wijzigingen onttrekkingen, ingrepen waarbij restverontreiniging wordt ontgraven of onttrokken etc.

Periodieke rapportage aan bevoegd gezag.

Altijd nazorgplan

cursieve tekst betreft zorg die moet worden vastgelegd in nazorgplan. Niet cursieve tekst kan worden vastgelegd in evaluatieverslag of betreft zaken die al wettelijke vereist zijn.

BIJLAGE 3

Protocol voor onderzoek drinkwaterkwaliteit

Bij bodemverontreinigingen is het mogelijk dat permeabele leidingen de kwaliteit van het drinkwater nadelig beïnvloeden en mogelijk humane risico’s aanwezig zijn. Deze mogelijke humane risico’s dienen onderzocht te worden.

Er is (nog) geen protocol voor de wijze waarop een drinkwateronderzoek uitgevoerd dient te worden. Bij de provincie Gelderland is ervaring opgedaan met een manier van bemonsteren waarmee goed gewerkt kan worden. Op basis daarvan is een basisprotocol opgesteld.

Aftappunt.

Als eerste dient in een woning of bedrijfspand een aftappunt bepaald te worden. Een aftappunt kan bijvoorbeeld gewoon een kraan zijn in de keuken of het toilet. Kies voor een aftappunt in de leiding dat zo dicht mogelijk bij de uitgang naar buiten ligt.

Bereken de inhoud van de leidingen

De lengte en de diameter van de drinkwaterleidingen dient bepaald te worden. Een drinkwater¬leiding in een woning heeft veelal een diameter van 15 mm in de woning en 25 mm buiten de woning, bij bedrijfspanden kan dit sterk afwijken. Bepaal zo exact mogelijk de afstand van de drinkwaterleiding.

1eDrinkwaterleiding binnen. De afstand vanaf het aftappunt tot buiten de woning/bedrijfsruimte.

2eDrinkwaterleiding buiten. De afstand vanaf de woning/bedrijfsruimte tot in het midden van de bodemverontreiniging.

3eDrinkwaterleiding in de verontreiniging. De afstand van de drinkwaterleiding in de veront¬reiniging (alleen de permeabele leiding).

Op basis van afstand van de drinkwaterleiding kan de inhoud van de leidingen vanaf het aftap¬punt tot in de bodemverontreiniging worden berekend.

Bemonstering

De drinkwaterleiding dient minimaal zes uur niet te worden gebruikt voordat de bemonstering bij het aftappunt plaatsvindt.

1eDrinkwater direct

Direct na het openzetten van de drinkwaterleiding het water bemonsteren. Dit betreft drinkwater wat zich gedurende de afgelopen zes uur in het pand bevond en dus buiten de veront¬reinigingkern.

2eDrinkwater in de verontreinigingkern

Conform een berekening (zie bijlage 1) dient men een specifieke hoeveelheid water door te laten lopen om daarna het water wat zich gedurende de afgelopen 6 uur in de veront¬reinigingkern bevond te bemonsteren. Dit is het worstcase scenario. Houd met het door laten lopen van de hoeveelheid water rekening met de hoeveelheid van het eerst genomen monster!

3eDrinkwater doorgespoeld

Dit is een monster waarbij tien keer zoveel leidingwater is doorgespoeld als de hoeveelheid water welke zich bevindt vanaf het aftappunt tot aan het eind van de bodemverontreiniging. Dit monster wordt beschouwd als representatief gedurende normaal tot intensief watergebruik.

Wijze monstername en analysepakket

De monstername dient conform de ‘NEN 5744, monsterneming grondwater’ te geschieden.

Het analysepakket is afhankelijk van de aangetroffen stoffen bij de aanwezige bodemverontreiniging.

Toetsen van de resultaten

De resultaten kunnen in overleg met de GGD te worden getoetst. Hierbij wordt gekeken naar de Nederlandse drinkwaternorm en de norm van de WHO (World Health Organisation).

Bij overschrijding van de Nederlandse drinkwaternorm spreken wij van een ongewenste situatie en bij overschrijding van de WHO-norm is sprake van humane risico’s.

BIJLAGE 4

Procedurele aspecten

Onderstaand wordt ingegaan op een aantal procedurele aspecten die van belang zijn bij het nemen van een besluit.

Besluitvormingsprocedures Algemene wet bestuursrecht

De procedures voor het vaststellen van besluiten in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) zijn gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij zijn de procedures uit de afdeling 3.4 en titel 4.1 van de Awb van belang. Omdat de drie bevoegd gezagen verschillen in het gebruik van de procedures en deze ook kunnen wijzigen zijn de procedures per bevoegd gezag niet aangegeven. In de besluiten en bijbehorende correspondentie is opgenomen welke procedure gevolgd wordt en hoe deze is ingericht. Ook op de sites van de gemeente Arnhem, en de provincie Gelderland kan nadere informatie worden verkregen over de besluitvormingsprocedure.

Algemene beschrijving procedures Awb

Afdeling 3.4

De procedure afdeling 3.4 van de Awb ligt geheel vast. Na ontvangst van de melding stelt het bevoegd gezag een ontwerpbesluit op. Dit wordt vervolgens gedurende zes weken ter inzage gelegd. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in een huis-aan-huisblad en/of via de site van het bevoegd gezag. Gedurende de ter inzage termijn kunnen belanghebbenden zienswijzen over het ontwerpbesluit indienen.

Na afloop van de ter inzage termijn wordt het besluit definitief gemaakt. In het definitieve besluit zijn eventuele zienswijzen verwerkt. Van het definitieve besluit en de terinzagelegging daarvan wordt opnieuw mededeling gedaan in een huis-aan-huisblad en/of via de site van het bevoegd gezag. Belanghebbenden kunnen gedurende zes weken tegen dat besluit een beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Titel 4.1

De procedure titel 4.1 van de Awb ligt minder vast. Als de procedure van titel 4.1 Awb wordt gevolgd wordt aangegeven hoe deze wordt ingericht. In sommige gevallen wordt geen ontwerpbesluit gemaakt en worden de melding en eventueel het uiteindelijke besluit gepubliceerd. In andere gevallen vindt terinzagelegging van een ontwerpbesluit plaats. Hierna wordt een definitief besluit opge¬steld. Het besluit wordt toegezonden aan allen die op de publicatie van de melding hebben gereageerd en eventueel aan bekende belanghebbenden. Tegen het besluit kunnen belang¬hebbenden bezwaar maken bij het bevoegde bestuursorgaan Wet bodembescherming (provin¬cie, gemeente Arnhem of gemeente Nijmegen).

Schorsing

Saneerders en adviesbureaus mogen van het bevoegd gezag een vlotte en professionele afhandeling van onderzoeken, saneringsplannen, nazorgplannen en evaluaties verwachten. Aan de andere kant verwachten de bevoegde overheden van melders dat de meldingen, onderzoeken, plannen en evaluaties voldoen aan de wettelijke eisen, de eisen vastgelegd in de gemeentelijke en provinciale verordeningen en de beleidsregels in deze nota en dat de meldingen en/of rapportages compleet zijn. Het indienen van incomplete meldingen en/of rapporten maakt een goede beoordeling hiervan onmogelijk. In dat geval zal het bevoegd gezag de aanvraag schorsen en binnen een te stellen termijn om aanvulling van de gegevens verzoeken. Als na afloop van de gestelde termijn blijkt dat de melding nog steeds niet compleet is, wordt de melding buiten behandeling gelaten. Daarna moet een nieuwe (complete) melding worden gedaan.

Om schorsing van meldingen te voorkomen zijn in deze nota standaardrapportages opgenomen voor melders, saneerders en adviesbureaus (zie bijlagen 5, 6, 10 en 11).

Belanghebbenden

Om te kunnen spreken van een zorgvuldige besluitvorming is het van belang dat de belangen van derden bij die besluitvorming worden betrokken. Onder belanghebbenden worden niet alleen eventuele gebruikers en/of zakelijke gerechtigden van het onderzochte of het te saneren terrein verstaan. In bepaalde gevallen kunnen ook direct omwonenden en gebruikers of eigenaren van omliggende terreinen als belanghebbenden worden aangemerkt. Belanghebbenden worden geïnfor¬meerd via de terinzagelegging van de (ontwerp)besluiten. In sommige gevallen wordt de melder geacht de belanghebbenden zelf vooraf te informeren.

Voorlopige voorziening

Het indienen van een bezwaar- of beroepsschrift heeft geen opschortende werking. Hiervoor moet gelijktijdig met het bezwaar- of beroepschrift een verzoek om voorlopige voorziening worden ingediend bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Kadastrale registratie

Op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperking (Wkpb) moeten gevallen van ernstige bodemverontreiniging worden geregistreerd bij de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers, omdat er op het betreffende perceel een publiekrechtelijke beperking rust. De besluiten “vaststelling ernst en spoedeisendheid” worden met een korte aanduiding van de aard van het besluit bij de betrokken percelen in het register vermeld. Ook besluiten instemming evaluatieverslag en eventueel instemming nazorgplan van deze gevallen worden voor registratie aangeboden aan de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers. Voor meer informatie wordt verwezen naar de site van Bodem+ (www.bodemplus.nl).

Opgemerkt wordt dat een registratie op grond van de Wkpb geen betrekking heeft op gebruiks¬beperkingen. De afwezigheid van kadastrale registratie houdt ook niet in dat geen sprake is van bodemverontreiniging. De registratie heeft slechts betrekking op aanwezigheid van verontreiniging boven de interventiewaarde in de vaste bodem.

Overige registratie

Uitgebreidere informatie over een geval van bodemverontreiniging wordt bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming geregistreerd. Ook bij gemeenten is veel informatie aanwezig.

Informatie over bodemverontreiniging kan bij de gemeente worden verkregen, of bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming, bijvoorbeeld via de betreffende website.

Ook kan www.bodemloket.nl worden geraadpleegd.

BIJLAGE 5

VOORBEELDEN WIJZIGINGEN SANERINGSPLAN

Het Besluit uniforme saneringen (BUS) kent al een procedure voor het melden van wijzigingen. De wijzigingen die in het kader van BUS worden genoemd, betreffen ondermeer:

-een verandering met betrekking tot gegevens die op de meldingsformulieren zijn aangegeven (oa aangaande persoon en adres, kadastrale en onderzoeksgegevens, toekomstig en huidig gebruik van de locatie en verwachte en feitelijke einddatum sanering);

-de actuele risico’s naar aanleiding van aangetroffen verontreinigingsituatie (andere of meer verontreiniging) en/of calamiteiten.

Ook in het SIKB-project 59 “Definiëren kwaliteit van de handhaving bij bodemsaneringen”, is een nadere toelichting op het begrip wijziging terug te vinden. Een reactie van het bevoegd gezag is in ieder geval noodzakelijk bij wijzigingen die milieugevolgen of gevolgen voor derden hebben. Ook in andere gevallen is het in verband met de controleerbaarheid nodig dat het bevoegd gezag op de hoogte gesteld wordt van wijzigingen. Dit is het geval in de volgende situaties:

-de aard van het geval blijkt af te wijken van het saneringsplan of het geval is significant groter;

-de sanering gaat significant langer duren;

-de saneringswijze wordt aangepast;

-het eindresultaat is anders dan het saneringsdoel zoals in het saneringsplan is omschreven.

In het SIKB-project 59 worden naar aanleiding van bovenstaande de volgende voorbeelden aangehaald:

-er wordt (veel) meer of minder verontreinigde grond afgegraven;

-een grondwatersanering gaat langer duren;

-er wordt afwijkend bemonsterd;

-een gestelde saneringsdoelstelling wordt niet of niet helemaal bereikt;

-de verontreiniging is omvangrijker en of perceelsoverschrijdend;

-er duikt een onvermoede verontreiniging op;

-er blijft een niet ingecalculeerde restverontreiniging achter.

Verder kan onder een wijziging ook nog worden verstaan:

-het verkeerd herschikken van ernstig verontreinigde grond.

-de nazorg en monitoring wijzigt van passieve naar actieve nazorg;

-het bijplaatsen van een extra ‘deepwell’;

-de ligging van gronddepot wijzigt;

-de bestemming van verontreinigde grond wijzigt;

-de zuivering van grondwater wijzigt.

In onderstaande tabel zijn voorbeelden aangegeven wanneer in Gelderland een wijziging als marginaal wordt gezien. Overigens kunnen deze wijzigingen wel gevolgen hebben voor andere vergunningen (lozingsvergunning, onttrekkingsvergunning, etc).

Tabel 1 Voorbeelden van marginale wijziging saneringsplan

Wijzigingsaspect

Marginaal*

Diepte verontreiniging / ontgraving

Afwijking minder dan 1 meter boven gondwaternivo

Omvang verontreiniging / ontgraving

Afwijking minder dan 10 meter en binnen perceelsgrens

Volume ontgraving

Afwijking minder dan 20%

Bemaling

Afwijking debiet max 50% en toename invloedssfeer (verlagingscontour) kleiner dan 10 meter.

Zuivering en lozing

Indien geen wijziging van wijze van afvoer / lozing (infiltratie)

Tijdsduur grondsanering

Afwijking minder dan 50% van geraamde tijdsduur en toename maximaal 3 maanden

Tijdsduur grondwatersanering

Afwijking minder dan 50% van geraamde tijdsduur en toename maximaal 2 jaar

* Los van genoemde criteria mag de wijziging op het saneringsplan geen negatieve

effecten hebben voor eventuele belanghebbenden (zie hoofdtekst paragraaf 4.3).

BIJLAGE 6

VERKLARING VAN GEEN BEZWAAR TEGEN WIJZIGING VAN HET SANERINGSPLAN

1Locatiegegevens verontreiniging

Locatiennummer :

Locatienaam :

Postcode/ woonplaats :

Gemeente :

Eventuele nadere aanduiding :

2Voorgestelde wijziging saneringsplan

Samenvatting wijziging saneringsplan :

Gevolgen voor derden:

3verklaring en ondertekening

Ondergetekende verklaart geen bezwaar te hebben tegen de voorgestelde wijziging op het sanerings¬plan.

Bij afhandeling volgens artikel 39, lid 4 en 5 is er geen sprake van een besluit, maar zal schriftelijk kenbaar worden gemaakt of kan worden ingestemd met de voorgestelde wijziging.

Ondergetekende is zich bewust van het feit dat hij/zij nu mogelijk geen zienswijze kan indienen en er ook geen bezwaar of beroep mogelijk is.

Plaats : Datum: Handtekening:

…………………… …………………… ……………………

Naam :

……………………

BIJLAGE 7

Gelders bevelsbeleid Wet bodembescherming 2008

Gelders beleid over de inzet van het nader onderzoeksbevel, het bevel tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, het bevel beheermaatregelen, het sanerings¬onderzoeksbevel en het sane-rings¬bevel van de Wet bodembescherming (Bevelsbeleid Wbb)

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

Wbb: Wet bodembescherming;

Bevoegd gezag: het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wbb, voor de provincie Gelder¬land zijn dit de provincie Gelderland en op grond van het Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wbb de gemeenten Arnhem en Nijmegen;

Veroorzaker: degene door wiens feitelijke handelingen de verontreiniging is veroorzaakt, en voorts degene door wiens handelingen een bepaald gevaar in het leven is geroepen of degene die nalatig is geweest bepaalde voorzorgsmaatregelen te treffen die - indien wel getroffen - de verontreiniging zou hebben voorkomen of verminderd;

Geval van verontreiniging: een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1, eerste lid Wbb;

Bevel NO: een bevel tot het verrichten van nader bodemonderzoek als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder a en artikel 43, derde lid Wbb;

Bevel TBM: een bevel tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder b Wbb;

Bevel SO: een bevel tot het verrichten van saneringsonderzoek als bedoeld in artikel 43, derde lid Wbb;

Saneringsbevel: een bevel tot het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 43, derde lid Wbb.

Bevel beheermaatregelen: een bevel om maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem te nemen als bedoeld in artikel 43, derde lid en artikel 37, vierde lid Wbb;

Bedrijfsterrein: een perceel als omschreven in artikel 55a Wbb.

HOOFDSTUK 2 HET BEVEL JEGENS DE VEROORZAKER

Paragraaf 1 Het bevel NO

Artikel 2

1Het bevoegd gezag kan een bevel NO geven aan de veroorzaker.

2Indien vaststaat dat de verontreiniging in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel NO aan de veroorzaker, tenzij de veroorzaker eigenaar of erfpachter is van het verontreinigde terrein of indien de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, zesde lid Wbb.

3Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker geheel of gedeeltelijk te compen¬seren in de onderzoekskosten wanneer is gebleken dat de verontreiniging geheel, respectievelijk gedeeltelijk, voor 1 januari 1975 is ontstaan.

4De compensatie als bedoeld in het vorige lid wordt gerelateerd aan de verhouding tussen het deel van de verontreiniging dat voor en het deel van de verontreiniging dat na 1 januari 1975 is ontstaan.

De compensatie kan maximaal het percentage gelijk aan dat deel van de veront¬reiniging zijn dat voor 1 januari 1975 is ontstaan ten opzichte van de gehele periode van veroorzaking. Indien de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, zesde lid Wbb wordt geen compensatie aangeboden. Indien de veroor¬zaker tevens eigenaar of erfpachter is, blijft compensatie achterwege, tenzij dit leidt tot onevenredig nadeel.

Artikel 3

Een bevel NO aan de veroorzaker strekt tot onderzoek van het gehele geval van verontreiniging.

Paragraaf 2 Het bevel TBM

Artikel 4

1Het bevoegd gezag kan een bevel TBM geven aan de veroorzaker.

2Indien vaststaat dat de verontreiniging in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel TBM aan de veroorzaker, tenzij de veroorzaker tevens eigenaar of erfpachter is van het verontreinigde terrein of indien de veroor¬zaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, zesde lid Wbb.

3Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker geheel of gedeeltelijk te compen¬seren in de kosten van tijdelijke beveiliging wanneer is gebleken dat de vervuiling geheel, respectievelijk gedeeltelijk, voor 1 januari 1975 is ontstaan.

4Artikel 2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5Een bevel TBM wordt niet aan de veroorzaker gegeven indien de verplichting tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar c.q. erfpachter van een bedrijfsterrein.

Artikel 5

Een bevel TBM aan de veroorzaker strekt tot beveiliging van het gehele geval van verontreiniging.

Paragraaf 3 Het bevel beheermaatregelen

Artikel 5a

1Het bevoegd gezag kan een bevel beheermaatregelen geven aan de veroorzaker.

2Indien vaststaat dat de verontreiniging in zijn geheel voor 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel beheermaatregelen aan de veroorzaker, tenzij de veroorzaker tevens eigenaar of erfpachter is van het verontreinigde terrein of indien de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, zesde lid Wbb.

3Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker geheel of gedeeltelijk te compenseren in de kosten van beheermaatregelen wanneer is gebleken dat de verontreiniging geheel, respectievelijk gedeeltelijk, voor 1 januari 1975 is ontstaan.

4Artikel 2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5Een bevel beheermaatregelen wordt niet aan de veroorzaker gegeven indien de verplichting tot het nemen van beheermaatregelen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar c.q. erfpachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 4 Het bevel SO en het saneringsbevel

Artikel 6

1Het bevoegd gezag kan een bevel SO en een saneringsbevel geven aan de veroorzaker.

2Indien vaststaat dat de vervuiling in zijn geheel vóór 1 januari 1975 is ontstaan, geeft het bevoegd gezag geen bevel SO of saneringsbevel aan de veroorzaker, tenzij de veroorzaker tevens eigenaar of erfpachter is van het verontreinigde terrein of indien de veroorzaker in materiële zin voldoet aan de criteria van artikel 75, zesde lid Wbb.

3Het bevoegd gezag kan besluiten de veroorzaker geheel of gedeeltelijk te compenseren in de onderzoeks- en/of saneringskosten wanneer is gebleken dat de vervuiling geheel, respectievelijk gedeeltelijk, voor 1 januari 1975 is ontstaan.

4Artikel 2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5Indien het bevoegd gezag besluit tot compensatie in de kosten van sanering, dan worden op de compensatie eventuele voordelen in mindering gebracht. Is de veroor¬zaker tevens eigenaar of erfpachter van het terrein, dan wordt op de compensatie tevens de waardestijging van het terrein als gevolg van de sanering in mindering gebracht.

6Een bevel SO en een saneringsbevel worden niet aan de veroorzaker gegeven indien de wettelijke saneringsplicht ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar c.q. erfpachter van een bedrijfsterrein.

7Een bevel SO en een saneringsbevel aan de veroorzaker wordt alleen gegeven indien door middel van een besluit door het bevoegd gezag is vastgesteld dat de verontreiniging spoedig moet worden gesaneerd.

Artikel 7

Een bevel SO en een saneringsbevel aan de veroorzaker strekken tot onderzoek respectievelijk sanering van het gehele geval van verontreiniging.

HOOFDSTUK 3 HET BEVEL JEGENS DE EIGENAAR/ERFPACHTER/BEPERKT ZAKELIJK GERECHTIGDE/PERSOONLIJK GERECHTIGDE

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 8

Voor de eigenaar, de erfpachter, de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het terrein bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt en die tevens veroorzaker is, gelden de artikelen 2 tot en met 7.

Paragraaf 2 Het bevel NO

Artikel 9

1Het bevoegd gezag kan een bevel NO geven aan de eigenaar, de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het terrein bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt.

2Voor de geadresseerde van het bevel als bedoeld in het eerste lid bestaat er geen aan¬spraak op een bijdrage in de onderzoekskosten. Het bevoegd gezag kan beslui¬ten compensatie in de onderzoekskosten aan te bieden, indien het achterwege laten daarvan leidt tot onevenredig nadeel. Om voor compensatie in de onderzoeks¬kosten in aanmerking te komen dient men in beginsel onschuldig te zijn in de zin van artikel 12, tweede lid.

Artikel 10

1Een bevel NO jegens de eigenaar, de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het terrein bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt strekt tot onder¬zoek van het grondgebied waar de verontreiniging of de directe gevolgen daarvan zich voordoen.

2Indien de oorzaak of de bron van de verontreiniging zich bevindt of heeft bevonden op het perceel van de eigenaar, de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het terrein bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt strekt een bevel NO in beginsel tot onderzoek van het gehele geval van verontreiniging.

3Het bevoegd gezag kan besluiten tot compensatie in de kosten welke betrekking hebben op dat deel van de verontreiniging dat buiten het eigendomsrecht, erfpachtrecht of beperkt zakelijk of persoonlijk recht van de geadresseerde van het bevel is gelegen indien het achterwege laten daarvan leidt tot onevenredig nadeel.

Paragraaf 3 Het bevel TBM

Artikel 11

1Op het bevel TBM aan de eigenaar, de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het terrein bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt, zijn de artikelen 9 en 10 van overeenkomstige toepassing.

2Een bevel TBM wordt niet gegeven aan de eigenaar, de erfpachter of aan de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde die het terrein bedrijfsmatig gebruikt of heeft gebruikt indien de verplichting tot het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar c.q. erfpachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 4 Het bevel beheermaatregelen

Artikel 11a

1Het bevoegd gezag kan een bevel beheermaatregelen geven aan de eigenaar of erfpachter. Artikel 9, tweede lid en artikel 10 zijn van overeenkomstige toepassing op het bevel beheermaatregelen.

2Het bevel beheermaatregelen wordt niet aan de eigenaar of erfpachter gegeven indien de verplichting om beheermaatregelen te nemen ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar c.q. erfpachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 5 Het bevel SO

Artikel 11b

1Het bevoegd gezag kan een bevel SO geven aan de eigenaar of erfpachter.

2Artikel 9, tweede lid, artikel 10 en artikel 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

3Het bevel SO wordt niet aan de eigenaar of erfpachter gegeven indien de wettelijke saneringsplicht ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eigenaar c.q. erf¬pachter van een bedrijfsterrein.

Paragraaf 6 Het saneringsbevel

Artikel 12

1Het bevoegd gezag kan een saneringsbevel geven aan de schuldig eigenaar en de schuldig erfpachter.

2Een eigenaar of erfpachter is schuldig indien hij niet aan de voorwaarden van artikel 46, eerste lid, Wbb voldoet.

3Voor de geadresseerde van het bevel als bedoeld in het eerste lid bestaat er geen aanspraak op een bijdrage in de saneringskosten. Het bevoegd gezag kan besluiten compensatie in de saneringskosten aan te bieden indien het achterwege laten daar¬van leidt tot onevenredig nadeel. Indien het bevoegd gezag besluit tot compensatie in de kosten van sanering, dan worden op de compensatie eventuele voordelen in min¬dering gebracht. Tevens wordt op de compensatie de waardestijging van het terrein als gevolg van de sanering in mindering gebracht.

4Een saneringsbevel wordt niet aan de eigenaar en de erfpachter gegeven indien de wettelijke saneringsplicht ingevolge artikel 55b Wbb uitvoerbaar is jegens de eige¬naar c.q. erfpachter van een bedrijfsterrein.

Artikel 13

1Van een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker of veroorzakers in de zin van artikel 46, eerste lid, onder a, Wbb, is sprake wanneer de eigenaar of erfpachter een duurzame rechtsbetrekking heeft of heeft gehad met de veroorzaker die betrek¬king had op de beschikbaarheid van de grond of welke ingrijpen in de bedrijfsvoering van de veroorzaker mogelijk maakt(e) en de eigenaar of erfpachter redelijkerwijs op de hoogte is, was of had kunnen zijn van de activiteiten van de veroorzaker, die tot bodemverontreiniging hebben geleid.

2Indien de duurzame rechtsbetrekking als bedoeld in het eerste lid is geëindigd en de veroorzaker op grond daarvan door de eigenaar of erfpachter had kunnen worden aangesproken tot herstel in de oude toestand, wordt de eigenaar of erfpachter als schuldig aangemerkt.

Artikel 14

Betrokkenheid bij de veroorzaking van de bodemverontreiniging in de zin van artikel 46, eerste lid, onder b, Wbb wordt gelijkgesteld met het (mede)veroorzaken daarvan.

Artikel 15

Voor het vereist “op de hoogte zijn dan wel had kunnen zijn ten tijde van de verkrijging van het recht op het grondgebied” in de zin van artikel 46, eerste lid, onder c, Wbb is het moment waarop het recht werd verkregen bepalend. Daarbij worden de volgende momenten onderscheiden en uitgangspunten gehanteerd:

1Verkrijging vóór 1 januari 1975: de eigenaar of erfpachter is onschuldig, ook al wist hij op het moment van verkrijging dat het terrein was verontreinigd, tenzij hij een duurzame rechts¬betrekking heeft of had met de veroorzaker, of hij betrokkenheid heeft gehad bij de veroorzaking van de verontreiniging;

2Bij verkrijging vóór 1983: wordt een koper niet aangesproken, tenzij aangetoond kan worden dat deze koper wetenschap had van de verontreiniging.

3Na 1 januari 1983 kunnen aangesproken worden:

-de koper die op de hoogte was van de bodemverontreiniging of op de hoogte had kunnen zijn;

-de professionele koper die door eenvoudig onderzoek kennis had kunnen nemen van de bodemverontreiniging;

-de professionele koper die bij ‘verdachte’ terreinen door bodemonderzoek kennis had kunnen nemen van de verontreiniging.

4Na 1 januari 1987: als punt 3. Verder de professionele koper die door bodem¬onderzoek kennis had kunnen nemen van de bodemverontreiniging.

5Na 1 januari 1990: iedere koper van een verontreinigd terrein is in beginsel schuldig met uitzondering van:

-een eigenaar-bewoner, of

-een ‘kleine zelfstandige’ die ten tijde van de koop niet was voorzien van deskun¬dige bijstand.

6Vanaf 1993: iedere koper van een verontreinigd terrein is als schuldig aan te merken met dien verstande dat ingeval van een bodemverontreiniging met asbest bij een niet-professionele koper eerst zonder meer wetenschap van de verontreiniging wordt aangenomen bij verkrijging vanaf 27 februari 2000. Voor professionele verkrijgers wordt wetenschap van een asbest¬veront¬reiniging eerst zonder meer aangenomen bij verkrijging vanaf 1 juli 1993.

Voor de eigenaar of erfpachter als bedoeld in artikel 18, eerste lid, die een huis heeft gekocht met een (al dan niet nadien) lekkende huisbrandolietank, geldt dat deze als schuldig wordt aangemerkt bij verkrijging na 1 maart 1993.

Artikel 16

Een saneringsbevel aan de eigenaar of erfpachter wordt alleen gegeven indien door middel van een besluit op basis van artikelen 29 en 37 Wbb door het bevoegd gezag is vastgesteld dat de verontreiniging spoedig moet worden gesaneerd.

Artikel 17

1Een saneringsbevel jegens de eigenaar of erfpachter strekt tot sanering van het grondgebied waar de verontreiniging of de directe gevolgen daarvan zich voordoen.

2Indien de oorzaak of de bron van de verontreiniging zich bevindt of heeft bevonden op het perceel van de eigenaar of erfpachter strekt het saneringsbevel in beginsel tot sanering van het gehele geval van verontreiniging.

3Het bevoegd gezag kan besluiten tot compensatie in de saneringskosten welke betrekking hebben op dat deel van de verontreiniging dat buiten het eigendoms- of erfpachtrecht van de geadresseerde van het bevel is gelegen indien het achterwege laten daarvan leidt tot oneven¬redig nadeel.

HOOFDSTUK 4 BIJZONDERE CATEGORIEËN

Paragraaf 1 Particuliere eigenaren die tevens bewoner zijn

Artikel 18

1Op de eigenaar of erfpachter die een verontreinigd perceel uitsluitend gebruikt voor particuliere bewoning door hemzelf, zijn de artikelen 6 en 7 en 12 tot en met 17 niet van toepassing, tenzij in deze artikelen anders is bepaald.

2De artikelen 6 en 7 zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde eigenaar of erfpachter indien op zijn perceel een bodemverontreiniging aanwezig is die is veroor¬zaakt door een op het perceel aanwezige lekkende huisbrandolietank in de periode dat hij van deze tank gebruik heeft gemaakt of waarvan hij na het gebruik heeft nagelaten de tank te verwijderen of anderszins op veilige wijze definitief onklaar te maken.

3De artikelen 12 tot en met 17 zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde eigenaar of erfpachter, indien hij zijn perceel waarop een bodemverontreiniging aan¬wezig is, die is veroorzaakt door een op het perceel aanwezige lekkende huis¬brandolietank, heeft verkregen na 1 maart 1993. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde van artikel 46, eerste lid, onder c, Wbb.

4De artikelen 6 en 7 en 12 tot en met 17 zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde eigenaar of erfpachter die volgens de criteria van artikel 46, eerste lid, Wbb kan worden aangemerkt als een schuldig eigenaar of schuldig erfpachter en die eigenaar of erfpachter is van een perceel waar de oorzaak of de bron van de veront¬reiniging zich bevindt of heeft bevonden.

Paragraaf 2 Grondwaterverontreiniging op niet-bronpercelen

Artikel 18a

1Een bevel NO aan de eigenaar, de erfpachter of aan een beperkt zakelijk of persoon¬lijk gerechtigde en een bevel SO en een saneringsbevel aan de eigenaar of de erfpachter, blijven achterwege als de verontreiniging zich bevindt op een perceel dat niet als bronperceel van de verontreiniging kan worden aangemerkt en de veront¬reiniging ter plaatse van dat perceel zich alleen in het grondwater bevindt.

2Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de eigenaar, de erfpachter of de beperkt zakelijk of persoonlijk gerechtigde een duurzame rechtsbetrekking met de veroor¬zaker(s) heeft gehad of betrokkenheid heeft gehad bij de veroorzaking.

Paragraaf 3 Verkrijging door erfopvolging

Artikel 19

1Indien sprake is van verkrijging onder algemene titel als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt de verkrijger onder algemene titel voor de toepassing van hetgeen is bepaald in de artikelen 2 tot en met 18a geplaatst in de positie van degene van wie hij onder algemene titel verkrijgt.

2Indien sprake is van verkrijging onder algemene titel door erfopvolging besluit het bevoegd gezag tot compensatie in de kosten van onderzoek, tijdelijke beveiliging, beheermaatregelen of sanering indien die kosten de omvang van de nalatenschap overtreffen, tenzij de verkrijger betrokken is geweest bij de veroorzaking van de bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 14, een duurzame rechtsbetrekking heeft of heeft gehad met de veroorzaker als bedoeld in artikel 13, of als schuldig eigenaar kan worden aangemerkt door verkrijging van de eigendom anders dan door erf¬opvolging.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 20 Inwerkingtreding en citeertitel

1Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2008.

2Deze beleidsregels worden aangehaald als: Bevelsbeleid Wet bodembescherming Gelder¬land 2008.

1ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hieronder worden enkele bepalingen van het bevelsbeleid Wbb nader toegelicht. Deze toelichting is grotendeels gebaseerd op de landelijke notitie “afstemming bevelsbeleid/kostenverhaal”. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar deze notitie, voor zover niet is aangegeven dat wij afwijken van hetgeen daarin is bepaald.

Artikel 1

Het begrip veroorzaker wordt voor de toepassing van het bevelsbeleid breed opgevat. Daarbij gaat het niet alleen om degene die door zijn feitelijke handelingen de vervuiling heeft veroorzaakt, bijvoorbeeld door het laten leeglopen van vaten met vloeibaar chemisch afval of het storten/opslaan van chemisch afval op het eigen bedrijfsterrein of elders etc., maar ook om degene die door zijn handelingen een bepaald gevaar in het leven heeft geroepen of nalatig is geweest bepaalde voorzorgsmaatregelen te treffen die - indien wel getroffen - de verontreiniging zou hebben voorkomen of verminderd. Onder deze categorie valt dus ook degene, die er een vervuilende bedrijfsvoering op na heeft gehouden, die olietanks in de grond heeft doen aanbrengen, die heeft nagelaten regelmatig controle te houden op zijn olietanks of heeft nagelaten controle uit te oefenen op storting van bedrijfsafval etc. Ook degene onder wiens bedrijfsvoering een calamiteit heeft plaatsgevonden, met als gevolg bodemveront¬reini¬ging, wordt beschouwd als een veroorzaker. Tenzij - in dat laatste geval - sprake was van overmacht, bijvoorbeeld door oorlogshandelingen of uitzonderlijk natuurgeweld.

Artikel 2, 4, 5a en 6

-Artikel 75, zesde lid, Wbb -

In de artikelen 2, 4, 5a en 6 wordt bepaald dat geen bevel aan de veroorzaker wordt gegeven indien de vervuiling voor 1 januari 1975 is ontstaan. Een uitzondering hierop wordt onder andere gemaakt voor de veroorzaker die voldoet aan de criteria van artikel 75, zesde lid, Wbb. Ook met betrekking tot het aanbieden van compensatie wordt een uitzondering gemaakt voor de veroorzaker die voldoet aan de criteria van artikel 75, zesde lid, Wbb. Wij hebben het dan over de veroorzaker die op het moment waarop de verontreiniging of aantasting door zijn toedoen werd veroorzaakt de ernstige gevaren kende of behoorde te kennen die aan de stoffen die de verontreiniging of aantasting hebben veroor¬zaakt verbonden waren en dat de veroorzaker met het oog op die ernstige gevaren zich ernstig verwijtbaar niet van de verontreinigende of aantastende gedragingen heeft onthouden. Indien deze gedragingen in beroep of bedrijf hebben plaatsgevonden, moet, voor wat betreft de ernstige verwijt¬baarheid in het bijzonder, in aanmerking worden genomen de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke bedrijfsvoering en de destijds bestaande en voor de veroorzaker redelijkerwijs toepas¬bare alternatieven. Voldoet een veroorzaker aan deze criteria dan speelt het moment van veroor¬zaking geen rol bij het opleggen van een bevel en is een tegemoetkoming in de kosten niet mogelijk.

-Compensatie

Ook wanneer een vervuiling deels vóór en deels na 1975 is ontstaan, kan een bevel worden gegeven aan de veroorzaker. Het bevoegd gezag kan in een dergelijke situatie besluiten hem deels te compenseren in de kosten. Die compensatie kan pro rata temporis worden berekend, dat wil zeggen dat de compensatie wordt gerelateerd aan de verhouding tussen het deel van de verontreiniging dat voor en het deel dat na 1975 is ontstaan. Dit stemt overeen met de landelijke notitie “Beleid inzake kostenverhaal”.

Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat wanneer de veroorzaker tevens eigenaar of erfpachter is, compensatie in de kosten achterwege blijft, tenzij dit leidt tot onevenredig nadeel. Onevenredig nadeel kan zich voordoen in situaties waarin bijvoorbeeld de veroorzaking voor 1975 heeft plaatsgevonden, maar omdat de veroorzaker tevens eigenaar of erfpachter is toch een bevel wordt gegeven.

Op het punt van verrekening van de waardestijging wijkt de regeling voor de saneringsfase af van de onderzoeksfase. Dit is een gevolg van het feit dat de waardestijging eerst intreedt wanneer is gesaneerd; onderzoek heeft als zodanig geen effect op de waarde van het terrein.

In het kostenverhaal op grond van ongerechtvaardigde verrijking is het uitgangspunt dat de eigenaar die zijn terrein heeft vervuild, de waardestijging als gevolg van de sanering door de overheid moet afdragen. Die lijn is hier in het bevelsbeleid doorgetrokken.

Verder dienen bij een sanering eventuele andere voordelen, zoals samenloopkosten, in mindering te worden gebracht op de compensatie. De compensatie geschiedt alleen over de netto-sanerings¬kosten. Van samenloop is sprake wanneer na de sanering bijvoorbeeld bouwwerk¬zaamheden plaatsvinden. Kosten van sloop en dergelijke dienen dan op de saneringskosten in mindering te worden gebracht.

Ingevolge de Memorie van Toelichting op artikel 55b Wbb richt de overheid zich sinds de invoering van de wettelijke saneringsplicht niet meer tot de veroorzaker wanneer sprake is van een bedrijfsterrein. Wel wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid open gehouden om voor bijzondere gevallen waarin de wettelijke saneringsplicht van de eigenaar of erfpachter niet uitvoerbaar is, aan de veroorzaker een saneringsbevel te geven.

Alhoewel artikel 55b, lid 2, Wbb zich niet expliciet uitstrekt tot het bevel SO vinden wij het logisch dat het SO in combinatie met het saneringsplan wordt opgesteld door de eigenaar of erfpachter op wie de wettelijke saneringsplicht rust. In dergelijke gevallen heeft het opleggen van een bevel SO aan de veroorzaker niet de voorkeur, juist vanwege de nauwe samenhang van het SO met het saneringsplan.

Artikel 5a

Sinds de wijziging van de Wbb per 1 januari 2006 bestaat de mogelijkheid tot het opleggen van een bevel beheermaatregelen. De daarvoor opgestelde beleidsregels sluiten aan bij de beleidsregels inzake het bevel NO, TBM, SO en sanering. Ook voor het bevel beheermaatregelen geldt evenwel dat bij bedrijfsterreinen de verplichting tot het nemen van beheermaatregelen rechtstreeks uit artikel 55b Wbb kan voortvloeien en in dat geval een bevel beheermaatregelen niet aan de orde is. Indien de verplichting om beheermaatregelen te nemen niet uitvoerbaar is op grond van artikel 55b Wbb, zal (evenals ten aanzien van verontreinigingen op niet-bedrijfsterreinen) het bevel beheermaatregelen zijn betekenis hebben.

Artikel 8

Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de hoedanigheid van eigenaar, erfpachter of gebruiker die tevens veroorzaker is en de eigenaar, erfpachter of gebruiker die dat niet is. Indien de eigenaar, erfpachter of gebruiker de verontreiniging heeft veroorzaakt, gelden de bepalingen van hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 geldt alleen voor de niet-veroorzakers.

Artikel 9

De Wbb maakt onderscheid tussen onderzoeks- en saneringsbevelen. Onderzoeksbevelen, met uit¬zon-dering van het bevel SO, kunnen worden gegeven aan gebruikers, eigenaren, erfpachters of gebruikers. Saneringsbevelen zijn geclausuleerd; deze worden alleen gegeven aan de veroorzaker, de schuldig eigenaar of schuldig erfpachter. Het verschil is te verklaren uit het feit dat het saneringsbevel verstrekkender (financiële) gevolgen heeft dan de andere bevelen. Het bevel SO is nauw met het saneringsbevel verbonden en kan aan de eigenaar of erfpachter (zowel schuldig als onschuldig) of veroorzaker worden gericht.

Een bevel NO, een bevel TBM of een bevel beheermaatregelen kan ook aan een onschuldig eigenaar, een onschuldig erfpachter of een gebruiker worden gegeven. In dat geval is het mogelijk dat het bevoegd gezag besluit compensatie aan te bieden indien het achterwege laten daarvan zou leiden tot onevenredig nadeel. In tegenstelling tot de landelijke notitie, wordt in deze notitie waar het betreft het bevel NO en het bevel TBM op voorhand geen onderscheid gemaakt tussen de positie van de onschuldig eigenaar of erfpachter en de onschuldig gebruiker met betrekking tot het aanbieden van compensatie in de onderzoekskosten. Wel kan het zo zijn dat in het geval van een onschuldige gebruiker er eerder sprake is van onevenredig nadeel. Ook is het mogelijk dat een bevel aan de eigenaar in dergelijke situaties meer in de rede ligt. Maar dat in een versterkte mate sprake kan zijn van compensatie in de onderzoekskosten willen wij niet op voorhand vastleggen.

Dit kan verkeerde verwachtingen wekken. Om voor compensatie in de onderzoekskosten in aanmerking te komen dient men in beginsel onschuldig te zijn. In beginsel omdat er situaties denkbaar kunnen zijn waarin ook de schuldig eigenaar of erfpachter recht kan hebben op subsidie. Dit kan onder andere het geval zijn in de situatie waarin de eigenaar of erfpachter schuldig is vanwege betrokkenheid bij de veroorzaking. Doch de veroorzaking heeft op een dusdanig tijdstip (voor 1 januari 1975) plaatsgevonden dat de veroorzaker niet met een onderzoeksbevel geconfronteerd kan worden (zie artikelen 2 tot en met 7). In deze situatie is het niet gerechtvaardigd de eigenaar of erfpachter wel een onderzoeksbevel op te leggen zonder hem daarbij (gedeeltelijk) te compenseren in de kosten. Voor het moment van verkrijging van het recht op het grondgebied blijft overigens wel vereist dat de eigenaar of erfpachter niet op de hoogte was dan wel redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn van de verontreiniging. Voldoet de betrokken eigenaar of erfpachter niet aan deze voorwaarde, dan is geen compensatie mogelijk.

Artikel 10

Een bevel NO kan, gelet op artikel 43 Wbb, worden geven met betrekking tot het grondgebied waar de verontreiniging of de directe gevolgen daarvan zich voordoen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het bevel NO betrekking heeft op het eigen terrein van de schuldig of onschuldig eigenaar, erfpachter of gebruiker. Indien de oorzaak/bron van de verontreiniging zich bevindt op een bepaald perceel, kan de eigenaar, erfpachter of gebruiker van dat perceel een bevel krijgen om het gehele geval van bodem-verontreiniging (derhalve ook het gedeelte van de verontreiniging dat buiten het eigendomsrecht, erfpachtrecht of gebruiksrecht van de eigenaar, erfpachter of gebruiker is gelegen) te onderzoeken.

Indien de eigenaar, erfpachter of gebruiker niet het bronperceel in eigendom, erfpacht of gebruik heeft of indien er geen duidelijke bronlocatie aanwezig is, maar de verontreiniging wel perceelgrens-overschrijdend is, kunnen meerdere perceelseigenaren, erfpachters of gebruikers tegelijk (moeten) worden benaderd of kan gedeeltelijke compensatie (voor het deel buiten het eigen terrein) worden aangeboden.

Artikel 11

Een bevel TBM kan worden gegeven aan dezelfde partijen als het bevel NO. Ook de onschuldig eigenaar of erfpachter of de onschuldig gebruiker kan een bevel TBM krijgen. Het aanbieden van compensatie ligt in deze gevallen niet in de rede tenzij dat gegeven de omstandigheden onevenredig nadelig zou zijn.

Indien de verplichting om tijdelijke beveiligingsmaatregelen te treffen als bedoeld in artikel 55b Wbb uitvoerbaar is, dan is het geven van een bevel TBM niet aan de orde.

Artikel 11a

Voor de toelichting bij het bevel beheermaatregelen wordt verwezen naar hetgeen is opgemerkt bij artikel 5a.

Artikel 11b

Het bevel SO kent minder geadresseerden dan het bevel NO en het bevel TBM. Het bevel SO is alleen mogelijk jegens de eigenaar of de erfpachter. Het bevel SO is in verregaande mate gekoppeld aan het saneringsbevel, doch artikel 46 Wbb geldt alleen voor het saneringsbevel en niet voor het bevel SO.

Alhoewel artikel 55b, lid 2, Wbb zich niet expliciet uitstrekt tot het bevel SO vinden wij het logisch dat het SO in combinatie met het saneringsplan wordt opgesteld door de eigenaar of erfpachter op wie de wettelijke saneringsplicht rust. In dergelijke gevallen heeft het opleggen van een bevel SO aan een ander dan deze eigenaar of erfpachter dan ook niet de voorkeur, juist vanwege de nauwe samenhang van het SO met het saneringsplan.

Artikel 12

Wanneer een saneringsbevel aan een schuldig eigenaar of schuldig erfpachter wordt opgelegd, past daar in beginsel geen compensatie in de saneringskosten bij. Toch zijn er situaties denkbaar waarin compensatie gerechtvaardigd is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een eigenaar of erfpachter schuldig is vanwege zijn betrokkenheid bij de veroorzaking. In deze situatie is sprake van een schuldig eigenaar of erfpachter. Doch de veroorzaking kan op een dusdanig tijdstip (voor 1 januari 1975) hebben plaatsgevonden dat de veroorzaker niet met een saneringsbevel geconfronteerd kan worden (zie artikelen 2 tot en met 7). In deze situaties is het niet gerechtvaardigd de eigenaar of erfpachter wel een saneringsbevel op te leggen zonder hem daarbij (gedeeltelijk) te compenseren in de kosten van sanering. Voor het moment van verkrijging van het recht op het grondgebied blijft overigens wel vereist dat de eigenaar of erfpachter niet op de hoogte was dan wel redelijkerwijs niet op de hoogte had kunnen zijn van de verontreiniging. Voldoet de eigenaar of erfpachter niet aan deze voorwaarde, dan is geen compensatie mogelijk.

Wel geldt ook in deze gevallen dat op de compensatie de samenloopkosten en de waarde¬vermeer¬de¬ring van de grond in mindering moeten worden gebracht (zie ook de toelichting bij artikel 6).

In de landelijk notitie inzake het bevelsbeleid wordt niet gesproken over een tegemoetkoming. Doch gelet op de bepalingen voor de veroorzaker zijn situaties waarin dit gerechtvaardigd is denkbaar.

Ten slotte is ook ten aanzien van het saneringsbevel van belang om te onderzoeken of de wettelijke saneringsplicht van artikel 55b Wbb uitvoerbaar is. In dat geval blijft een saneringsbevel achterwege.

Artikel 13

Onder het begrip "rechtsbetrekking" wordt blijkens de parlementaire geschiedenis verstaan zaken-rechtelijke verhoudingen (zoals het recht van opstal, recht van erfpacht) en verbintenisrechtelijke verhoudingen (zoals huur, pacht, gebruiksrechten) die betrekking hebben op de beschikbaarheid van grond voor de veroorzaker van bodemverontreiniging en voorts rechtsbetrekkingen waarmee de besluitvorming bij de veroorzaker kan of kon worden beïnvloed. Bij dit laatste gaat het om de mate van zeggenschap in de onderneming (bestuurders/grootaandeelhouders) op het moment dat de vervuiling werd veroorzaakt. Daarbij moet de rechtsverhouding relevant zijn (geweest) voor het ontstaan van de bodemverontreiniging. Bij de terbeschikkingstelling van grond is dat een gegeven.

Daarnaast is het moment waarop de verontreiniging is ontstaan van belang. Indien de verontreiniging vóór 1 januari 1975 is ontstaan, zal de mogelijkheid van beïnvloeding in het algemeen hebben ontbroken, vanwege de onbekendheid van het probleem. Indien de verontreiniging ná 1 januari 1975 is ontstaan, moet worden bezien of de eigenaar die een duurzame rechtsbetrekking heeft gehad met de veroorzaker, kan worden aangesproken. Dat hangt af van omstandigheden, zoals:

Was de eigenaar op de hoogte van de activiteiten van zijn huurder, erfpachter of anderszins?

Bood/boden de overeenkomst of de erfpachtvoorwaarden de mogelijkheid om gedurende de rechtsbetrekking in te grijpen in de bedrijfsuitoefening?

Wanneer is de rechtsbetrekking geëindigd? Hoe later dat in de tijd is gebeurd, hoe alerter de eigenaar bij de beëindiging van de rechtsbetrekking had moeten zijn op de eventueel veront¬reinigende activiteiten van zijn huurder/erfpachter.

Artikel 14

Betrokken zijn bij bodemverontreiniging is in veel gevallen gelijk te stellen aan het (mede)veroorzaken daarvan. Het onderscheid is met name van belang in gevallen waar een bepaalde rechtspersoon juridisch gezien als “veroorzaker” is aan te merken. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een werknemer van een bedrijf in de uitoefening van zijn functie de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt. Die werknemer is niet de veroorzaker, maar als hij heeft deelgenomen aan de vervuilende activiteiten is hij wel betrokken. Indien hij op enig moment de eigendom van het betreffende terrein verkrijgt, is hij als betrokkene aan te spreken. Overigens zal in veel gevallen sprake zijn van wetenschap op het moment van verkrijging (artikel 46, eerste lid, onder c, Wbb; zie hierna artikel 15). Wanneer een eigenaar of erfpachter alleen op grond van deze bepaling als schuldig eigenaar of erfpachter kan worden aangemerkt (dus niet op grond van de aanwezigheid van een duurzame rechtsbetrekking met de veroorzaker of wetenschap op het moment van verkrijging) speelt ook de datum van 1 januari 1975 een rol.

Is de verontreiniging in zijn geheel voor 1975 ontstaan dan krijgt de veroorzaker geen bevel. In derge-lijke situaties is het niet gerechtvaardigd dat de eigenaar of erfpachter op grond van betrok¬kenheid voor 1975 wel een bevel krijgt.

Artikel 15

Bepalend voor de wetenschap van de verontreiniging is het moment van overdracht die leidt tot de eigendomsverkrijging dan wel het moment van vestiging van het erfpachtrecht. De eigenaar, die op het moment van koop niet wist of kon weten dat het terrein was verontreinigd, maar bij overdracht wél, is schuldig. Hetzelfde geldt voor de erfpachter ten tijde van de vestiging van het erfpachtrecht.

Een uitzondering geldt voor het geval waarbij uit de omstandigheden van het geval blijkt dat na koop aan overdracht niet meer viel te ontkomen. Bijvoorbeeld omdat de verkoper in rechte met succes medewerking aan het transport heeft kunnen afdwingen. In die gevallen kan worden uitgegaan van de wetenschap op het moment van aankoop. Voorts geldt een uitzondering voor de verkrijger die op een bepaald moment een aanmerkelijk financieel belang heeft gekregen in de onderneming, die eigenaar of erfpachter is van het terrein. In dat geval is de wetenschap ten tijde van de verkrijging van dat belang bepalend.

Met betrekking tot de momenten van verkrijging kan worden opgemerkt:

Ad 1 De keuze van de jaartallen is niet willekeurig geschied. Het jaartal 1975 komt zoals reeds vermeld uit de jurisprudentie met betrekking tot de kostenverhaalbevoegdheid van de minister en de landelijke notitie inzake afstemming bevel/kostenverhaal. Degene die voor 1 januari 1975 bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, heeft daarmee niet onrechtmatig gehandeld jegens de Staat. Het is daarom ook niet redelijk aan te nemen dat wie voor die datum een verontreinigd terrein heeft verkregen, er op bedacht had moeten zijn dat het terrein was verontreinigd. Vanaf 1975 werd overgegaan tot het uitvoeren van bodemonderzoeken.

ad 2 Wetenschap kan blijken uit: koper is zelf veroorzaker, verontreiniging staat vermeld in transport¬akte, veel publiciteit in media, getuigenverklaringen, er is een zeer lage prijs voor het terrein betaald etcetera.

ad 3 In 1983 is de Interim-wet bodemsanering (IBS) in werking getreden inclusief een regeling van

ongerechtvaardigde verrijking.

ad 4 Op 1 januari 1987 is de zorgplichtbepaling in de Wbb in werking getreden. Daarnaast is in 1987 voor de bouw van woningen in de sociale huursector als subsidievoorwaarde gesteld dat voorafgaand aan de bouw, bodemonderzoek moest worden verricht. Voor professionele kopers wordt aangenomen dat in ieder geval vanaf die tijd, bij verwerving van een terrein, bodem¬onderzoek werd verricht.

ad 5 In 1990 werd het ontwerp voor inbouw van de saneringsregeling in de Wbb, zoals in januari 1995 in werking is getreden, ingediend.

Ad 6 Per 1 maart 1993 is het Besluit opslaan in ondergrondse tanks (BOOT) in werking getreden. Reeds voor die tijd hadden gemeenten al een zogenaamde “actie tankslag” uitgevoerd, waardoor onder meer bekend werd welke risico’s (kunnen) kleven aan ondergrondse (HBO)-tanks.

Voor asbest geldt vanaf 1 juli 1993 een totaalverbod op het be- en verwerken dat is vastgelegd in het Asbest¬verwijderingsbesluit. In 2000 is asbest als niet-genormeerde stof opgenomen in de Circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering. Gezien de actualiteit en publiciteit mogen de gevaren en risico’s van bodem- en asbestverontreiniging vanaf deze momenten algemeen bekend worden geacht.

Bij professionele verkrijgers mag worden verondersteld dat zij bijzondere kennis hebben omtrent de risico’s van de aanwezigheid van asbest in de bodem voor mens en dier. Van hen kan vóór 1 juli 1993 wetenschap van verontreiniging met asbest worden aangenomen.

Een uitgevoerd bodemonderzoek moet worden beoordeeld naar de normen van die tijd. Indien uit het destijds verrichte bodemonderzoek werd geconcludeerd dat geen sprake was van bodemveront¬reiniging, wordt ervan uitgegaan dat de koper "onschuldig" was, voor zover dat onderzoek een naar de normen van die tijd gangbaar onderzoek was. Bij de bepaling van de vraag of sprake is van een professionele koper kunnen de volgende criteria/omstandigheden van belang zijn:

Gaat het om een koper die een beroep of bedrijf uitoefent.

Is de koper een particulier of consument.

Beschikt de koper over een bepaalde mate van deskundigheid, vakkennis of bekendheid met de gebruiken in de branche.

Houdt de koper zich overwegend bezig met één activiteit. De handelaar in onroerend goed zal bijvoorbeeld sneller als professionele (ver)koper zijn aan te merken dan een particulier of een bedrijf die/dat ten behoeve van bedrijfsuitbreiding incidenteel een stuk grond koopt.

Ontplooit de koper de activiteit met een bepaalde frequentie en heeft derhalve ervaring daarin.

Afficheert de koper zich als professionele koper naar buiten.

Is de koper voorzien van deskundige bijstand. De niet-professionele koper wordt als professio¬neel beschouwd als hij is voorzien van deskundige bijstand.

Is de koper een overheidsorgaan. Overheidsorganen zijn naar hun aard als professioneel te beschou¬wen.

Voorts zijn van belang het soort terrein dat is verkregen (weiland, industrieterrein, bouwrijpe grond etc.) en de kennis die de verkoper had van de bodemverontreiniging en de mededelingen die hij daar¬over heeft gedaan/had moeten doen aan de koper.

De keuze van de jaartallen is niet willekeurig geschied. Het jaartal 1975 komt zoals reeds vermeld uit de jurisprudentie met betrekking tot de kostenverhaalbevoegdheid van de minister en de landelijke notitie inzake afstemming bevel/kostenverhaal. Degene die voor 1 januari 1975 bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, heeft daarmee niet onrechtmatig gehandeld jegens de Staat. Het is daarom ook niet redelijk aan te nemen dat wie voor die datum een verontreinigd terrein heeft verkregen, er op bedacht had moeten zijn dat het terrein was verontreinigd. Vanaf 1975 werd overgegaan tot het uitvoeren van bodemonderzoeken. De eerste gegevens over de bodemgesteldheid werden toen bekend. In 1983 is de Interim-wet bodemsanering (IBS) ingevoerd. In 1987 volgde de invoering van de Wbb met de zorgplichtbepaling (artikel 13 Wbb). Tevens is in 1987 voor de bouw van woningen in de sociale huursector als subsidievoorwaarde gesteld dat voorafgaand aan de bouw bodemonderzoek moest worden verricht. Per 1 maart 1993 is het Besluit opslaan in ondergrondse tanks (BOOT) in werking getreden. Reeds voor die tijd hadden gemeenten al een zogenaamde “actie tankslag” uitgevoerd, waardoor onder meer bekend werd welke risico’s (kunnen) kleven aan ondergrondse (HBO-)tanks.

Artikel 18

Artikel 18 ziet op de hantering van het bevel jegens eigenaren of erfpachters die het verontreinigde perceel slechts in gebruik hebben voor bewoning door henzelf. Met het geven van saneringsbevelen aan bewoners moet, blijkens de parlementaire geschiedenis, terughoudend worden omgegaan. Voor het bevel NO, SO, het bevel TBM en bevel beheermaatregelen gelden echter de artikelen zoals deze gelden voor iedere eigenaar of erfpachter.

De eigenaar/erfpachterbewoner kan worden aangemerkt als veroorzaker indien hij een huisbrand¬olietank heeft die heeft gelekt in de periode dat hij er gebruik van heeft gemaakt of als hij heeft nagelaten de tank, na gebruik, te verwijderen of anderszins op veilige wijze definitief onklaar te maken. In dat geval zijn de artikelen van hoofdstuk 2 op hem van toepassing.

Indien de eigenaar/erfpachterbewoner een huis met een huisbrandolietank heeft gekocht na 1 maart 1993 en blijkt dat deze tank bodemverontreiniging heeft veroorzaakt, wordt hij als een schuldig eigenaar of erfpachter aangemerkt. Op hem zijn dan de artikelen van hoofdstuk 3, waaronder het saneringsbevel jegens een schuldig eigenaar of erfpachter, van toepassing.

Aan een eigenaar/erfpachterbewoner die volgens de criteria van artikel 46, eerste lid, Wbb kan worden aangemerkt als een schuldig eigenaar of erfpachter en die voorts eigenaar of erfpachter is van een perceel waar de verontreiniging aan kan worden gerelateerd (bronperceel), kan een saneringsbevel gegeven worden op grond van het vierde lid van artikel 18. Het vaststellen van de kenbaarheid van de verontreiniging ten tijde van de eigendomsverkrijging dient te worden bepaald aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval waarbij in principe kan worden aangesloten bij hetgeen is bepaald in artikel 15.

Met de formulering van artikel 18, vierde lid, wordt aangesloten bij de mogelijkheden die in de parlementaire geschiedenis van de Wbb en de Kamernotitie ongerechtvaardigde verrijking1 zijn open gehouden om de eigenaar/erfpachterbewoner aan te spreken voor sanering van een bodem-verontreiniging. In tegenstelling tot de landelijke notitie wordt de inzet van het saneringsbevel jegens een eigenaar/erfpachterbewoner in Gelderland niet op voorhand beperkt tot gevallen van bodem-verontreiniging veroorzaakt door een (lekkende) huisbrandolietank.

De Beleidsregel kostenverhaal, artikel 75 van de Wet bodembescherming, april 2007, spreekt meer algemeen over een aan de woonfunctie gerelateerde verontreiniging, waarmee onder andere ( maar niet uitsluitend) een verontreiniging veroorzaakt door het gebruik van een HBO-tank wordt bedoeld. Ook bij andere soortgelijke, duidelijk perceelsgerelateerde verontreinigingen behoort een sanerings¬bevel aan de eigenaar/erfpachterbewoner dus tot de mogelijkheden. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien het een bodemverontreiniging betreft met asbest. Overeenkomstig hetgeen is opgemerkt in de parlementaire behandeling zal hiermee terughoudend worden omgegaan.

Artikel 18a

Indien voorafgaand aan het NO al vaststaat dat een perceel geen bronperceel is, blijft een bevel NO voor de betreffende eigenaar, erfpachter of gebruiker achterwege indien de verontreiniging alleen het grondwater betreft. Voor een verontreiniging in de vaste bodem van een niet-bronperceel blijft de mogelijkheid bestaan om een bevel NO te geven. Onder bronperceel wordt het perceel verstaan waar de bron van verontreiniging zich bevindt of bevond. Dit artikel is primair bedoeld voor rechthebbenden van een perceel die tevens bewoners zijn. Voor percelen die bedrijfsmatig in gebruik zijn, geldt dit artikel in beginsel niet.

Artikel 19

Voor verkrijging onder algemene titel geldt dat de verkrijger treedt in de positie van zijn rechts-voorganger. De verkrijger neemt derhalve de hoedanigheid van veroorzaker en/of (on)schuldig eigenaar over van zijn rechtsvoorganger. Van verkrijging onder algemene titel is sprake bij juridische fusie (artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), juridische splitsing (artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), boedelmenging (artikel 93 e.v. van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) en erfopvolging (Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek). Voor verkrijging door middel van erfopvolging wordt een uitzondering gemaakt in die zin dat de aansprakelijkheid niet groter is dan de omvang van de boedel, tenzij de erfgenaam eigen betrokkenheid heeft gehad bij de veroorzaking van de verontreiniging of anderszins als medeverantwoordelijke voor de verontreiniging kan worden aange-merkt. Ook schuldig eigenaarschap verkregen anders dan door erfopvolging kan een reden zijn om niet bij te dragen in genoemde kosten. De uitzondering heeft te maken met het feit dat verkrijging door erfopvolging geen vrijwillig en zelf gekozen moment betreft.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat indien jegens de rechtsvoorganger bestuursdwang is toegepast of een dwangsom is opgelegd, de verplichting als een schuld van de rechtsopvolger valt aan te merken. In geval van verkrijging onder algemene titel door erfopvolging is de omvang van de vordering echter niet groter dan de omvang van de nalatenschap, tenzij sprake is van eigen betrokkenheid e.d.

BIJLAGE 8

Gelders afwegingskader gebiedsgericht grondwaterbeheer

Uitgangspunt van het afwegingskader is dat initiatiefnemers verschillende ambities kunnen stellen voor het grondwaterbeheer in het gebied. Die ambities zijn afhankelijk van de plannen en ambities voor de inrichting van het gebied en voor het gebruik van het grondwater in het gebied. Daarnaast zullen de ambities ook bepaald worden door de beschikbare financiële middelen en de technische randvoorwaarden.

Het voordeel van het denken vanuit ambities is dat dit goed aansluit bij de bestuurlijke denkwijze. Het denken vanuit ambitieniveaus gaat uit van kansen, en wordt dus niet gedomineerd door een focus op beperkingen. Werken vanuit ambitieniveaus schept daardoor ruimte voor creativiteit en een proactieve opstelling. Ook biedt het denken vanuit ambities ruimte voor flexibiliteit op maatregelenniveau.

Het ambitieniveau wordt voor ieder sectoraal grondwateraspecten afzonderlijk bepaald. Het gaat daarbij om de grondwateraspecten wko, grondwaterverontreiniging en grondwaterkwantiteit. Hierbij zijn drie ambitieniveaus onderscheiden:

Ambitieniveau LAAG:

Dit ambitieniveau is vanuit het sectorale beleid hetgeen wettelijk gezien minimaal nodig is, doch dit is vanuit een integrale gebiedsgerichte optiek niet gewenst (grondwaterkwantiteit en grond-water¬kwaliteit) of gaat uit van een benutting van het grondwater voor warmte-koude-opslag die lager is dan de huidige praktijk.

Ambitieniveau HOOG:

Dit ambitieniveau staat voor een stap voorwaarts ten opzichte van de huidige situatie (grondwater¬kwantiteit en grondwaterkwaliteit) of voor een optimale benutting van het grondwater voor warmte-koude-opslag.

Ambitieniveau MIDDEN:

Het ambitieniveau tussen het niveau LAAG en niveau HOOG. Dit staat voor ‘stand still’ (grond-water¬kwantiteit en grondwaterkwaliteit) of voor minder benutting van het grondwater voor warmte-koude-opslag dan in potentie mogelijk is, maar meer dan de huidige praktijk is.

Tabel 1 beschrijft de uitwerking van deze drie ambitieniveaus voor de drie aangegeven grondwater-belangen. Voor een uitgebreidere beschrijving wordt verwezen naar de afzonderlijke nota ”Afwegingskader gebiedsgericht grondwaterbeheer Gelderland” (rapportnummer 08_020 R004), wat te vinden is op de site van de provincie Gelderland, de gemeente Arnhem en de gemeente Nijmegen.

Inzet bevoegde gezagen: vooruitgang grondwaterbeheer op gebiedsniveau

De inzet van de bevoegde gezagen Wbb en Waterwet is dat gebiedsgericht grondwaterbeheer moet leiden tot een verbetering van het grondwaterbeheer in het gebied waar dit beheer wordt ingesteld. Gebiedsgericht grondwaterbeheer moet dus op gebiedsniveau leiden tot een ‘plus’ voor het grond¬water-beheer. Deze inzet wordt als volgt vertaald naar de ambitieniveaus:

Keuze voor een LAAG ambitieniveau is toegestaan voor maximaal één grondwateraspect, mits men voor een of twee van de overige grondwateraspecten in het gebied kiest voor een HOOG ambitie¬niveau.

Van de initiatiefnemers van GGB-plannen verwachten de bevoegde gezagen Wbb en Waterwet dat zij voor alle drie genoemde grondwateraspecten onderzoeken wat het hoogst haalbare ambitieniveau is.

De Wbb en de Waterwet verwachten een maximale inspanning van de initiatiefnemers om negatieve effecten zo mogelijk te voorkomen of op te heffen (artikel 38 Wbb en artikel 6.4 Waterwet).

De bevoegde gezagen zullen de samenwerking met de initiatiefnemers zoeken om te stimuleren dat het gebiedsgerichte beheer leidt tot een gewenste verbetering voor het grondwaterbeheer.

Toelichting bij tabel 1

Indien in de ontwikkelingsgebieden met een grote warmte- en koudevraag binnen het beheer¬gebied in belangrijke mate wordt voorzien in deze vraag door restwarmte of bio-energie, of indien de potentie voor WKO zeer gering is binnen het beheergebied, wordt het aspect bodemenergie niet betrokken bij de beoordeling van het plan voor gebiedsgericht grondwater¬beheer.

Bij de indeling van de ambities voor benutting van grondwater voor warmte-koude-opslag worden gesloten WKO-installaties in principe niet betrokken, tenzij aangetoond wordt dat er een relatie is tussen gesloten WKO-installaties en de kwantiteits- of kwaliteitsaspecten van het grondwaterbeheer. Als die relatie wordt aangetoond staan de bevoegde gezagen open voor een dialoog hierover, op basis waarvan mogelijk dit afwegingskader zal worden herzien.

De kwetsbare objecten zijn beschreven in bijlage 3.

Artikel 38 van de Wet bodembescherming schrijft voor dat het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk moet zijn beperkt. Keuze voor een LAAG ambitie¬niveau ten aanzien van de grondwaterverontreiniging vereist een goede onderbouwing waaruit moet blijken dat het gebiedsgerichte beheer van de verontreiniging niet strijdig is met artikel 38 Wbb. Deze onderbouwing dient in nauw overleg met het bevoegd gezag Wet bodem¬bescher¬ming te worden voorbereid.

De genoemde signaalwaarde kan per kwetsbaar object verschillen (zie bijlage 3). Voor kwets¬bare objecten die een relatie hebben met natuur is een overschrijding van de streefwaarde voor bijvoorbeeld zink minder belastend dan een verhoogd nitraat-gehalte (waarvoor geen streef¬waarde is vastgesteld).

Met samenloop wordt bedoeld het parallel laten lopen van verschillende maatschappelijke processen bijvoorbeeld een bodemsanering in combinatie met het grondwerk nodig voor bouwwerkzaamheden.

Met bruto vloeroppervlak wordt bedoeld de som van het het vloeroppervlak van alle binnenruimten die behoren tot het gebouw (voor een uitgebreide definitie zie NEN 2580)

Tabel 1 Ambitieniveaus op schaalniveau van een beheergebied

Grondwater

aspect

Ambitieniveau LAAG

Ambitieniveau MIDDEN

Ambitieniveau HOOG

Bodemenergie

(WKO)

In ontwikkelingsgebieden waar nu of in de toekomst een grote warmte- en koudevraag is:

Toepassing van WKO op minder dan 1/3 van het bruto vloeroppervlak (BVO) van de ontwikkeling dat geschikt is voor aansluiting op WKO.

Inefficiënt ondergronds ruimtegebruik door bodemenergie en enige temperatuursverandering buiten het hydraulische invloedsgebied van de WKO, die geen invloed heeft op overige gebruiksfuncties is beperkt toegestaan

In ontwikkelingsgebieden waar nu of in de toekomst een grote warmte- en koudevraag is:

Toepassing van WKO 1/3 tot 2/3 van het bruto vloeroppervlak (BVO) van de ontwikkeling dat

geschikt is voor aansluiting op WKO

Efficiënt ondergronds ruimtegebruik door bodemenergie en geen temperatuursverandering buiten het hydraulische invloedsgebied van de WKO

In ontwikkelingsgebieden waar nu of in de toekomst een grote warmte en koudevraag is:

Toepassing van WKO op meer dan 2/3 van het bruto vloeroppervlak (BVO) van de ontwikkeling dat geschikt is voor aansluiting op WKO

Efficiënt ondergronds ruimtegebruik van energie en geen temperatuursverandering buiten het hydraulische invloedsgebied van de WKO

Grondwater

verontreiniging

Bescherming kwetsbare objecten.

Zodra bedreiging van deze objecten wordt geconstateerd (streefwaarde-overschrijding of een andere onderbouwde signaalwaarde) dient de gebiedsbeheerder het faalscenario in werking te laten treden, zodat de bedreiging van het kwetsbare object wordt weggenomen of indien dat niet mogelijk is, wordt beheerst.

Ambitieniveau LAAG aangevuld met

Stand still, gedefinieerd als:

Stand still op rand van het gebied + alleen in aangewezen deelgebieden achteruitgang van de kwaliteit + in overige

deelgebieden stand still.

Ambitieniveau MIDDEN aangevuld met

Step forward, ook indien dat niet in samenloop kan. Op termijn afname van de beheerinspanning, eventueel door verkleining van het beheergebied.

Grondwater

kwantiteit

Acceptabele effecten:

Gebruik grondwater is effectief.

Geringe acceptabele negatieve effecten op landbouw, natuur, bebouwing en/of archeologie.

Enige beïnvloeding zoet-zout grensvlak, maar geen aantasting zoetwatervoorraden.

Stand still:

Gebruik grondwater is efficiënt en effectief.

Geen positieve dan wel negatieve effecten op

waterhuishoudkundige situatie bij natuur (HEN- en SED-wateren) en bebouwing.

Geen beïnvloeding zoet-zout

grensvlak van betekenis.

Step forward:

Gebruik grondwater is efficiënt en effectief.

Positieve effecten op plaatsen waar de waterkwantiteit niet voldoet aan de eisen vanuit de functie:

* verminderen wateroverlast bebouwd gebied;

* verminderen knelpunten

watervoerendheid HEN- en SED-wateren;

* verminderen verdroging natte

natuurgebieden.

Geen negatieve effecten op één van de bovengenoemde functies.

Geen beïnvloeding zoet-zout

grensvlak van betekenis.

BIJLAGE 9

Evaluatie actiepunten deel 1 Beleidsnota Bodem 2008

Actie

nr

Actie

Beleidsopgave

Wie

Planning

Stand van zaken 2012

1

Evalueren van de beleids­nota bij belangrijke beleidswijzigingen

Kwaliteitszorg

Provincie, Arnhem en Nijmegen

2010

Gereed

In kader van opstellen van Beleidsnota bodem 2012

2

Opstellen van een bodem­visie:

1eerste fase formulering van de relevante thema’s

2tweede fase uitwerking in ambities

Verbreden van het bodembeleid

Provincie

Eerste fase gereed begin 2008

Start tweede fase eerste helft van 2008

Gereed

Statennotitie Activiteitenprogramma Ondergrond, 25 november 2008

3

Opstellen van een bodembeheernota

Lokaal Bodem­beleid en Lokale Bodemambities

Arnhem en Nijmegen

Gereed 2009.

Gereed

Arnhem: Bodembeheernota Arnhem, 26 september 2011

Nijmegen: Bodembeheernota is vastgesteld door de raad op 3 november 2010

4

Bevorderen dat, provinciedekkend, de bodemkwaliteit in beeld wordt gebracht, met extra aandacht voor het lande­lijke gebied

Lokaal Bodem­beleid, Lokale Bodem­ambities en GMP3

Provincie

Permanent

Gereed

In nagenoeg heel Gelderland is de bodemkwaliteit in beeld gebracht en opgenomen in de gemeentelijke Bodembeheernota’s

5

Bevorderen dat bij bovengemeentelijke diffuse bodemverontreiniging, gezocht wordt naar bovengemeentelijke oplossingen

Regie, Lokaal Bodembeleid, Lokale Bodem­ambities en GMP3

Provincie

Permanent

Gereed

In Gelderland zijn de bodembeheernota’s opgesteld in regionale samen­werkings­verbanden. Het Gelders Bodemberaad heeft daarop sterk ingezet.

6

Gemeenten inzicht geven in het belang van lokale bodemambities

Regie, Lokaal bodembeleid, Lokale Bodem­ambities en GMP3

Provincie

Permanent

Gereed

Zie 5 en 19.

7

Digitale bodematlas versie 2 maken met de beschik­bare bodeminformatie; chemisch, fysisch en biologisch

Ontsluiten van bodeminformatie

Provincie

Gereed eind 2008

Gereed

Afgerond medio 2010.

Bodeminformatie ontsloten via provinciale bodematlas en Provinciaal Geo Register. Deels ook fysische en biologische informatie.

Fysisch en biologisch pas afdwingbaar na invoeren omgevingswet.

8

Ontsluiten van de beschik­bare bodeminformatie; chemisch, fysisch en biologisch

Ontsluiten bodeminformatie

Arnhem en Nijmegen

Permanent

Bodeminformatie ontsloten en benaderbaar via de gemeentelijke bodeminformatiesystemen. Chemisch in beeld. Fysisch en biologisch pas afdwingbaar na invoeren omgevingswet.

9

Het gebruik van de onder­grond betrekken bij het opstellen van de bodem­visie

Gebruik ondergrond

Provincie

Start 2008

Uitgevoerd

Zie actie 2

10

Bevorderen dat gemeenten het gebruik van de onder­grond betrekken bij het opstellen van de gemeen­telijke bodembeheernota’s en ruimtelijke plannen

Regie, gebruik ondergrond

Provincie

Start 2008

Permanente actie Voortdurend punt van aandacht. Zie actie 2.

11

Het gebruik van de onder­grond betrekken bij het opstellen van de gemeen­telijke bodembeheernota en ruimtelijke plannen

Gebruik ondergrond

Arnhem en Nijmegen

Gereed 2009.

Arnhem: Vindt plaats in kader van de structuurvisie.

Nijmegen: Vindt plaats in kader van de structuurvisie.

12

Het maken van een kader voor het beheren van verontreinigingen (inclusief de technische, financiële en organisatorische aspecten)

Beheren van verontreiniging – (na)zorg

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Start en gereed 2008.

Gereed

Systematiek toezicht beheer en nazorg operationeel. Zie actie 50.

Screening Globis provincie loopt. Planning gereed: 2012

Arnhem: Gereed

Nijmegen: Gereed

13

Sterke betrokkenheid bij de landelijke beleidsvorming voor het gebiedsgericht grondwaterbeheer

Gebiedsgericht grondwaterbeheer

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Permanent

Permanent

Voortdurend punt van aandacht. Betrokken bij aanpassing Wet bodembescherming en opstellen Omgevingswet.

14

Zodra landelijk duidelijk­heid is, gebiedsgericht grondwaterbeheer verwerken in het Gelderse beleid. Zo mogelijk gekoppeld aan de gemeentelijke bodembeheernota’s.

Gebiedsgericht grondwaterbeheer

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Afhankelijk landelijk beleid

Gereed

Provinciaal afwegingskader (Rapportnr 0_020 R004)

Uitgewerkt in enkele gemeentelijke plannen voor gebiedsgericht grondwaterbeheer (Apeldoorn en , Arnhem).

In Nijmegen is grondwatervlekken kaart opgesteld en is met geohydrologisch model voor verschillende scenario's berekend wat deze verontreinigingen in de tijd doen.

15

Het maken van proce­durele afspraken in welke situaties bij bemaling artikel 28 Wbb van toepassing is in relatie met de Grondwaterwet

Uniform beleid

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Gereed 2008

Gereed

Opgenomen in aanpassingwet Wet bodembescherming via inzet IPO en VNG.

Nader ingevuld in Beleidsnota Bodem 2012.

16

Het maken van beleid voor onttrekkingen in de nabijheid van bodem­verontreiniging

Gebiedsgericht grondwater-beheer

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Gereed 2008

Gereed

Zie actie 15.

17

Indien uit de Arnhemse pilot blijkt dat het infiltratiebeleid zinvol is, verbreding tot Gelders beleid

Kaderrichtlijn Water en bodemverontreiniging

Arnhem en Nijmegen in samenwerking met het Gelders bodemberaad

2009

Gereed

Opgenomen in Beleidsnota Bodem 2012.

Regelgeving in Omgevingswet.

18

Invulling blijven geven aan de regierol bij duurzaam bodembeheer en sanering door de inzet van het Gelders bodemberaad.

Regie

Provincie in samenwerking met het Gelders bodemberaad

Permanent

Permanent

Functioneert goed en heeft geleid tot duidelijke resultaten. Vorming van RUD’s dwingt tot evaluatie in 2013.

19

De mogelijkheid verkennen van Adviescommissie Bodembeheer (op ambtelijk niveau)

Regie, Lokaal Bodembeleid en Lokale Bodemambities

Provincie in samenwerking met het Gelders bodemberaad

Gereed 2008

Gereed

Adviescommissie Bodembeheer is tijdelijk ingesteld ten behoeve van de gemeentelijke bodembeheerplannen. Nu deze plannen gereed zijn heeft de commissie haar taak volbracht en is weer ontbonden.

20

Afspraken maken over invulling van het begrip nuttige toepassing (relatie Besluit en Regeling bodemkwaliteit en Wet milieubeheer)

Regie, Lokaal Bodembeleid en Lokale Bodemambities

Provincie in samenwerking met het Gelders Bodemberaad

2008

Gereed

Heeft plaatsgevonden in kader van de Adviescommissie Bodembeheer (zie 19). In kader van jurisprudentie wordt dit begrip nader uitgewerkt.

21

Uitvoeren nieuwe meting werkvoorraad voor 2009 gericht op locaties met onaanvaardbare risico’s

Beheer Werkvoorraad en 2015/2030

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Gereed 2008

Gereed

Vervolg is opgenomen in Uitvoerings­programma Bodemconvenant, werkgroep Spoedlocaties.

Inventarisatie humane spoed afgerond 2011.

Verspreiding en ecologie, gereed 2013.

22

Afspraken maken met niet-rechtstreekse gemeenten over uitwisseling van bodemgegevens

Beheer Werkvoorraad en 2015/2030

Provincie

Gereed 2008

Gereed

Op aanvraag wordt uitwisseling georganiseerd. Uitwisseling gerealiseerd met Zutphen, Apeldoorn en Tiel. Uitwisseling met Regio Rivierenland volgt.

23

Opstellen van een strategie voor de aanpak van de werkvoorraad

Beheer Werkvoorraad en 2015/2030

Provincie en Nijmegen

Gereed 2008

Gereed.

Vervolg is opgenomen in Uitvoerings­programma Bodemconvenant, werkgroep Spoedlocaties

24

Het voeren van een actief bevelsbeleid

Stimulering

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Permanent

Permanent

Succesvol project

25

Inzet van de versnellingsgelden Bodemsanering gelderland

Stimulering

Provincie

Vanaf eind 2007 tot 2010

Afgerond in 2011.

€7,5 miljoen subsidie ingezet op 17 ruimtelijke ontwikkelingsprojecten met bodemsanering.

26

Het opstellen van meerjarenprogramma Wet bodembescherming, ISV en ILG, inclusief statische locaties met onaanvaardbare risico’s.

Programmering

Provincie, Arnhem en Nijmegen afzonderlijk

1Wbb in 2009

2ISV in 2009

3ILG in 2009

Gereed.

Meerjarenprogramma Bodem 2010-2014, 1 maart 2010

27

Opstellen van een strategie voor onderzoek bij grondwater­beschermingsgebieden

Kaderrichtlijn Water en bodem-verontreiniging

Provincie

Gereed 2008

Gereed

Lekker Water, project plan programma bodemsanering waterwinningen, 15 mei 2008

28

Opstellen van een pro­gramma voor onder­zoek en sanering van verontrei­nigingen in grondwater­beschermingsgebieden

Kaderrichtlijn Water en bodem-verontreiniging

Provincie

Gereed 2008

Gereed

Rapport: Lekker Water voor nu en later, Bodemsaneringsprogramma drinkwaterwinningen, vastgesteld 28 februari 2011

29

Maken van afspraken over de taakverdeling en financiering van het programma.

Kaderrichtlijn Water en bodem-verontreiniging

Provincie

Gereed 2009

Gereed. Zie actie 27 en 28

Aanvullende Overeenkomst Duurzame Drinkwatervoorziening Gelderland 2008-2015, 28 februari 2011

30

De resultaten van de BSB-operatie en de aanmel­dingen in het kader van de Bedrijvenregeling opnemen in programma’s en afhandelen via het bevelsbeleid

Stimulering en programmering

Provincie, Arnhem en Nijmegen afzonderlijk

Start 2008

Conform programmering

Zie actie 24

31

Stimuleren en faciliteren van de sanering en of beheersbaar maken van voormalige stortplaatsen

Stimulering, Programmering

Provincie

Permanent

Permanent

zie ook 32

32

Ontwikkelen van een provinciale visie op het hergebruik en de herontwikkeling van stortplaatsen

Regie

Provincie

Start 2008

Gereed.

Kansen voor hergebruik en herontwikkeling van stortlocaties in Gelderland’, 20 juni 2011.

Wetgeving is belemmerende factor.

33

Begeleiding van de uitvoering van het Programma Gelderse gasfabrieken

Programmering

Provincie

2001-2015

Conform planning.

Loopt voortvarend.

34

Inspanning leveren om bij het Rijk en overige partijen te komen tot financiering van de reeds gecon­stateerde asbest­problematiek

Programmering

Provincie

Gereed 2009

Afgerond

Financiering via Meerjarenprogramma Bodem 2010-2014.

Uitvoering vindt plaats conform opgestelde programmering.

35

In alle gemeenten in Gelderland de asbest­problematiek in kaart brengen

Programmering

Provincie

Gereed 2009

Afgerond

Rapportage inventarisatie van asbest in de bodem van Gelderland, april 2009

36

Afspraken maken voor overdracht van taken onderzoek en sanering waterbodems

Regie

Provincie

2008 (afhankelijk inwerkingtreding Waterwet)

Gereed

Heeft plaatsgevonden in kader van Waterwet (in werking december 2009)

37

Verzoeken om delegatie taken bodemsanering toetsen aan de uitgangspunten

Regie, decentralisatie

Provincie

Ad-hoc

Tot 2012 geen nieuwe verzoeken ontvangen.

38

Het RIVM de gegevens ten behoeve van de landelijke monitoringsrapportage aanleveren

Kwaliteitszorg, Beheer werkvoorraad

Provincie, Arnhem en Nijmegen afzonderlijk

Jaarlijks

De monitoringsplicht is vervallen met de inwerkingtreding van het convenant Bodem. Beheer vna de werkvoorraad wordt gerapporteerd via de Werkgroep Spoed

39

VROM de voortgangs­rapportage aanleveren.

Kwaliteitszorg, Beheer werkvoorraad

Provincie, Arnhem en Nijmegen afzonderlijk

Jaarlijks

Zie 38

40

In de voortgangs­rapportage expliciet aandacht besteden aan de effectiviteit en de efficiëntie van het Gelderse bodembeleid.

Kwaliteitszorg

Provincie, Arnhem en Nijmegen afzonderlijk

Jaarlijks.

Zie 38

41

Voor alle taken de uitvoering van het toezicht en de handhaving laten plaatsvinden conform de Handreiking Adequate Bestuurlijke Handhaving Wet bodembescherming.

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen afzonderlijk

Opgenomen in de handhavings-plannen

Gereed. Er wordt gewerkt in de lijn van deze handreiking

42

In beeld brengen van de extra taken voor handhaving bij stimulering en inzet van het bevelsbeleid.

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Permanent

Indien nodig wordt handhaving ingezet.

43

Controleren van alle zorgplicht saneringen.

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Permanent

Conform toezichtsplannen

44

Meer nadruk op ketentoezicht

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Start

Conform toezichtsplannen. Wordt nader uitgewerkt in het kader van de RUD’s

45

Project ketentoezicht op grondstromen uitbreiden naar de gehele provincie

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

2008

Tweede fase gestart onder ILB2

46

Indien nodig, intensievere samenwerking met andere handhavingpartners

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

start 2008

Aandachtspunt bij oprichting RUD’s

47

Voortzetting aspectgewijs toezicht op saneringen.

Adequate Handhaving

Provincie

Permanent

Conform toezichtsplannen

48

Alle saneringen worden minimaal 1 maal gecontroleerd.

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Permanent

Conform toezichtsplannen.

49

Toezicht op nazorglocaties meer aandacht geven, gebaseerd op pilot gemeente Arnhem

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

Start 2008

Conform toezichtsplannen

Nadere uitwerking in kader van RUD-vorming.

50

Afspraken maken over toezicht op gebruiksbeperkingen door gemeenten.

Adequate Handhaving

Provincie

2008

Zie actie 12

51

Implementeren Handhavingsuitvoerings-methode Wbb (HUM-Wbb), gekoppeld aan Beleidsnota bodem 2008

Adequate Handhaving

Provincie, Arnhem en Nijmegen

2008

Gereed

BIJLAGE 10

Vindplaats beleidsregels

Onderstaand is een overzicht gegeven van beleidsregels die betrekking hebben op de bevoegdheden die voortvloeien uit de artikelen 27, 28, 29, 30, 37, 38, 39, 39c, 39d, 39f, 40 en 42 en de doorwerking daarvan in de overige artikelen van de Wet bodembescherming.

In de tabel zijn ook een aantal artikelen met begrippen aangegeven, waarbij onze invulling daarvan, van invloed is op onze bevoegdheden uit de hiervoor genoemde artikelen.

De tabel is een hulpmiddel voor het vinden van de beleidsregels in de hoofdtekst.

Artikel Wbb

Begrip

Invulling

Verwijzing

Definities

Artikel 1

Bodem

Relatie tussen verharding (van erven en wegen) en bodem

1.3

Artikel 1

Geval van bodemverontreiniging

Gevalsafbakening:

één geval of meerdere gevallen

onderscheid tussen menselijk en niet menselijk handelen

2.3

Artikel 1

Geval van bodemverontreiniging

Wanneer is een stortplaats een geval van bodemverontreiniging

2.7

Nieuwe verontreiniging

Artikel 13

Verontreiniging bodem

(algemeen)

Wanneer is sprake van een “nieuwe “ verontreiniging

5.3

Artikel 13

Ongewoon voorval

Uitwerking begrip ongewoon voorval

5.3

Artikel 13

De verontreiniging zoveel

mogelijk ongedaan te maken

Uitwerking saneringsdoelstelling nieuwe verontreiniging

5.3

Artikel 13 en artikel

1.1a Wm

Verontreiniging bodem (bij

bedrijven met Wm vergunning)

Omschrijving relatie Wbb en Wm bij “nieuwe” verontreinigingen bij Wm-bedrijven

5.4

Bemalingen

Artikel 28 lid 1 en 3

Verplichte melding verplaatsing

verontreiniging (bij bemalingen)

Invulling wanneer bemalingen gemeld moeten worden en hoe

6.5

Ernst en spoedeisendheid

Artikel 37 lid 1

Zodanige risico’s dat spoedige sanering noodzakelijk is

Nadere invulling risico’s voor:

-de mens (incl. asbest)

-het ecosysteem

-verspreiding

2.5

Artikel 37 lid 2

Aanvang sanering zo spoedig mogelijk

Nadere invulling aanvang sanering

2.5

Artikel 37 lid 3

Gebruik mogelijkheid tijdelijke beveiligings­maatregelen op te

leggen

Beschrijving wanneer van mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, bij onaanvaardbare humane risico’s

2.6

Artikel 37 lid 4

Mogelijkheid beheers­maatregelen te verplichten waaronder monitoring

Invulling wanneer monitoring verplicht is, ter controle, verificatie en/of bij wijziging van omstandig­heden die kunnen leiden tot andere risico’s

2.6

Artikel 37 lid 5

Verplichte melding wijzigingen van het gebruik

Invulling wanneer melding verplicht is, bij “gevoeliger” gebruik

2.6

Artikel 37 lid 6

Melding wijziging omstandigheden

Melding is locatiespecifiek.

Daartoe worden enige richtinggevende voorbeelden gegeven

2.6

Saneringsplan

Artikel 38 lid 1

Sanering(sdoelstelling),

bovengrond

Invulling beleidsruimte:

-functiekeuze

-leeflaagcriteria voor de functie en verharding

-kwaliteit voor kabel- en leidingstroken

-normaal gebruik bij een functie

3.3

Artikel 38 lid 1

Sanering(sdoelstelling),

ondergrond

Invulling beleidsruimte:

-doelstelling ondergrond (stabiele eindsituatie)

-afweging (ROSA)

-eindcontrole

3.4 en 4.2

Artikel 38 lid 1

Sanering(sdoelstelling), gebiedsgericht

Invulling beleidsruimte voor gebiedscriteria en aanpak beheergebied

3.5

Artikel 38 lid 1

Sanering(sdoelstelling),

hergebruik verontreinigde grond

Invulling beleidsruimte

3.6

Artikel 38 lid 1

Sanering(sdoelstelling),

stortplaatsen

Specifieke invulling beleidsruimte m.b.t.

herontwikkeling stortplaatsen

2.7 en 3.7

Artikel 38 lid 1

Sanering(sdoelstelling),

bemalingen

Specifieke invulling beleidsruimte m.b.t. bemalingen

6.5

Financiële zekerheidsstelling

Artikel 39 f

De mogelijkheid voor­schriften te verbinden tot het stellen van financiële zekerheid

Uitwerking wanneer en hoe financiële zekerheid wordt vereist.

3.9

Uitvoering sanering

Artikel 39g

Het tijdstip waarop sanering naar verwachting zal zijn uitgevoerd

Nadere invulling planningsaspecten

4.1

Kwalibo

Verplichte milieukundige

begeleiding

Mogelijkheid afwijking, bij dagelijkse begeleiding

4.1

Zorg tijdens saneren

Artikel 39

Eisen saneringsplan

m.b.t. zorg tijdens saneren

Nadere invulling controle stabiele eindsituatie,

ijkmomenten, beslisboom en faalscenario

4.2

Wijzigingen saneringsplan

Artikel 39 lid 4 en 5

Verplichte melding wijzigingen

saneringsplan

Nadere invulling verplichte meldingen. Onderscheid marginale wijziging, afhandeling

conform artikel 39 lid 4 en 5 en noodzaak maken van nieuw saneringsplan

4.3

Evaluatie

Artikel 39 c

Zo spoedig mogelijk

Invulling van begrip zo spoedig mogelijk, binnen 13 weken na afronding saneringsplan

4.4

Artikel 39 c

Uitvoering sanering of fase

sanering als bedoeld in artikel 38 c.

Nadere invulling van wanneer gesaneerd is conform saneringsplan. Hierbij worden

aandachtspunten gegeven.

4.4

Zorg na saneren

Artikel 39 d

Beperkingen in gebruik van de

bodem of maatregelen als

bedoeld in artikel 39 c

Nadere invulling van beperkingen in gebruik en

maatregelen

4.5

Overdracht saneringsplan en/of zorg

Artikel 39 lid 2

Instemming saneringsplan

Randvoorwaarden aan overdracht saneringsplan en/of zorg (wijziging tenaamstelling)

3.10 en 4.6

Deelsanering

Artikel 40

Het belang van de bescher­ming van de bodem mag zich niet tegen de deelsanering verzetten

Nadere uitwerking van dit belang

3.8

Gelders bevelsbeleid

Artikel 43 en 46

Bevelsbeleid

Nadere invulling bevelsbeleid met betrekking tot onderzoek, sanering, tijdelijke beveiliging en beheer

7en bijlage 7

Relaties met andere beleidsterreinen

Besluit en Regeling

bodemkwaliteit en

saneringsregeling

Wbb

Afstemming, Besluit en regeling

bodemkwaliteit met saneringsregeling

Nadere invulling met betrekking tot gevalsgrens,

terugsaneerwaarde en toepassing grond

6.2

BIJLAGE 11

Behandeling ehandeling zienswijzen ontwerp Beleidsnota bodem 2012

De Beleidsnota bodem heeft ter inzage gelegen. Hierop zijn zes zienswijzen binnengekomen. De ontvangen zienswijzen zijn opgenomen in deze bijlage. Zij geven aanleiding de Beleidsnota op enkele punten aan te passen. De hoofdlijnen van het beleid blijven echter ongewijzigd. Hieronder is onze reactie op de zienswijzen beschreven.

Reactie zienswijze gemeente Apeldoorn

1Volgens de Beleidsnota kunnen zowel Achtergrondwaarde als de Lokale Maximale waarde als toetscriterium gelden bij verkennende onderzoeken. Wanneer geldt welke waarde?

-De inspraakreactie heeft geleid tot een heroverweging van het toetsingscriterium en aanpassing van paragraaf 1.4 (en figuren) van de nota. Bij de heroverweging is besloten het criterium van de Lokale Maximale waarde voor toetsing van onverdachte locaties te laten vervallen. Het onderzoeksnivo is bij deze onderzoeken nog onvoldoende om tot een dergelijke toetsing over te gaan. Later in het traject (opschaling naar onderzoekshypothese verdachte locatie of nader onderzoek) kan alsnog blijken dat de verhoogde gehalten niet als geval van verontreiniging behoeven te worden beschouwd. Bij de onderzoekshypothese verdachte locatie blijft het toetscriterium van Lokale Maximale waarde wel staan.

-Bij de toetsing geldt het (meest soepele) criterium zoals de gemeente dit in haar bodembeheernota heeft omschreven. Om de normering te mogen toepassen bij onderzoeken en saneringen op grond van de saneringsparagraaf Wbb moet een gemeente de bodembeheernota met daarin de criteria en de afleiding daarvan expliciet aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb) voorleggen. Het bevoegd gezag Wbb zal dan beoordelen of deze criteria worden over genomen.(Zie ook zienswijze Tiel)

2De kwaliteit van de leeflaag moet niet worden bepaald door de functieklasse kaart maar door de toepassingskaart en de toepassingsnorm van de zone waar het geval zich bevindt. Voor de kwaliteit van de leeflaag is de kwaliteit volgens de toepassingskaart van een gemeente van toepassing mits de grond afkomstig is uit het beheergebied. Door afwijken van het gemeentelijk gebiedsbeleid werkt de provincie postzegelsituaties in de hand.

-Hoewel wij uw standpunt vanuit het oogpunt van de gemeente begrijpen is dit voor ons geen aanleiding geweest de nota aan te passen. Uitgangspunt bij sanering op grond van de saneringsparagraaf van de Wbb is wegnemen van mogelijke risico’s, zodanig dat de locatie geschikt is voor de functie. Uitgegaan wordt van twee stappen, namelijk eerst bepaling van de (toekomstige) functie en als tweede bepaling van de terugsaneerwaarde (en leeflaagkwaliteit) die nodig is voor die functie. De voor een functie vereiste kwaliteit staat los van de toepassingskaart. Voor de aanvoer van grond naar een saneringslocatie is wel de gemeentelijke toepassingskaart van toepassing.

-Dit kan betekenen dat de saneringslocatie niet direct dezelfde kwaliteit heeft als zijn omgeving, maar dit postzegeleffect zal ook optreden als geen sanering of geen grondverzet plaatsvindt op verontreinigde locaties binnen het totale beheersgebied of als via BUS-meldingen het generieke spoor wordt gehanteerd.Uiteraard kan een gemeente het postzegeleffect verminderen door in overleg te treden met de initiatiefnemer van een sanering om toch tot verdergaande sanering te komen en daarmee een beter bodembeheer met minder nazorg stimuleren.

3In de beleidsnota worden voor de leeflaagdikte voor "openbaar groen en plaatsen waar kinderen spelen" en ook "landbouw incl. glastuinbouw een standaard dikte van 1 meter aangehouden. Gezien de functie zou hier een laagdikte van 0,5 meter voldoen moeten zijn.

-In de vorige landelijke Circulaires bodemsanering was aangegeven dat ”voor overige begroeid terrein de dikte mag variëren van 0,5 - 1,5 meter, afhankelijk van de bewortelingsdiepte”. Dit was de basis voor de Beleidsnota bodem 2008. In de huidige Circulaire bodemsanering gepubliceerd op 3 april 2012 is aangegeven dat “in tuinen en overig begroeid terrein afhankelijk van de bewortelingsdiepte een grotere diepte van 1,0 tot 1,5 meter gewenst kan zijn”. Landelijk is de dikte voor overige begroeid terrein tot onder 1,0 meter dus geschrapt. Daarbij is het nog wel steeds mogelijk onder bijzondere omstandigheden af te wijken, ter beoordeling van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag Wbb in Gelderland heeft van deze afwijking gebruikt gemaakt voor natuur, groen bij industrie, kantoren en infrastructuur. Voor natuur is maatwerk mogelijk gelet op de specifieke situatie. Wij achten in genoemde situaties de contactrisico’s minimaal. Voor ander openbaar groen en landbouw is nu uitgegaan van 1,0 meter conform de nieuwe Circulaire bodemsanering en we vinden het niet gewenst daar vanaf te wijken.

4In geval van een stabiele eindsituatie bij gevalsgerichte aanpak moet een eventuele acceptabele verspreiding van de verontreiniging binnen maximaal 30 jaar stoppen. Hoe staat dat in relatie tot de gebiedsgerichte aanpak (bv ‘free riders gedrag’ voor een geval binnen een gebied met een gebiedsgerichte aanpak, wat is dan nog acceptabele verspreiding)?

Hoe verhoudt zich de termijn van 30 jaar met de landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de bodemsaneringsoperatie ?

-Allereerst wordt opgemerkt dat in de definitieve versie de termijn van 30 jaar is geschrapt. Bij een stabiele situatie geldt dat de groei van een vlek (toename I-contour) die mogelijk optreedt op termijn weer stopt, dat de dan aanwezige vlek zich nog verder mag verspreiden, maar dat dit niet mag leiden tot risico’s en/of schade voor kwetsbare objecten. Ook voor een gebiedsgerichte aanpak geldt dat de verontreiniging van een individueel geval zich nog wel mag verspreiden, maar dat dit niet mag leiden tot risico’s. Er is dus geen tegenstrijdigheid ten aanzien van acceptabele verspreiding.

-Uitgangspunt in de landelijke aanpak is dat voor 2015 de humane spoedlocaties zijn aangepakt en dat zo snel mogelijk na 2015 onder meer de verspreidingslocaties beheersbaar zijn. Dat kan variëren van monitoring van een verontreiniging tot de concrete start van een sanering.De landelijke doelstelling heeft geen betrekking op de concrete termijn van beëindiging van saneringen en op dat punt is de termijn waarbinnen de stabiele situatie optreed ook niet relevant.

5In de nota staat dat het beheersgebied bij gebiedsgericht grondwaterbeheer zo klein mogelijk moet worden gehouden (op basis van een TCB advies). Dit lijkt ons moeilijk te verwezenlijken. Inmiddels is TCB hiervan teruggekomen en gaan mee in de gedachten de gebieden groter te houden. Het gebruikte TCB advies is daarmee achterhaald.

-Gezien het belang van de ondergrond in Gelderland (drinkwaterwingebieden en andere industriële onttrekkingen in het eerste watervoerend pakket) en de kwetsbaarheid van die ondergrond (grofzandige pakketten met grote stroomsnelheden) is het niet wenselijk onnodig schone ondergrond te verontreinigen. Het uitgangspunt leidt er bovendien toe dat de initiatiefnemer goed nadenkt over de aanpak van het gebiedsgericht beheer, de consequenties daarvan en voor welk gebied die concequenties gelden (reactorvat, etc).

6De gevalsgrens is gelijk aan de actuele bodemkwaliteit (op basis van de bodemkwaliteitskaart), de AW 2000 of de vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Hoe wordt deze keuze in normering bepaald voor het vaststellen van de gevalsgrens?

-Afhankelijk van hetgeen is opgenomen in de gemeentelijke Bodembeheernota en de beoordeling door het bevoegd gezag Wbb van de daarin opgenomen criteria en afleiding daarvan gelden of de landelijke Achtergrondwaarden 2000, of de Lokale Achtergrondwaarden of de Lokale Maximale Waarden. Het is dus aan de gemeente om aan te geven welke normering zij wenst te hanteren, deze op de juiste manier af te leiden en te onderbouwen en voor te leggen aan de provincie voor situaties dat Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag Wbb zijn. Als er door de gemeente geen keuze is gemaakt dat wordt uitgegaan van de actuele bodemkwaliteit zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart.

7In tabel 6.1 staat voor de toepassingseis van aangevoerde grond buiten sanering, kolom gebiedsgericht beleid: Lokale Maximale Waarden volgens bodemfunctieklassen voor de leeflaag. Dit zou de Lokale Maximale Waarden zoals vastgesteld in de toepassingskaart moeten zijn.

-Uw opmerking is correct. Dit is aangepast.

8In bijlage 8 staat dat in bijlage 3 de kwetsbare objecten zijn beschreven. In bijlage 3 staat Protocollen onderzoek drinkwaterleiding. Klopt de verwijzing naar bijlage 3 ?

-Uw opmerking is correct. De juiste verwijzing is paragraaf 2.6.

Reactie zienswijzen gemeente Tiel en gemeente Neerijnen

(Het betreft gelijke zienswijzen)

Het verzoek is om bladzijdenummers op te nemen in de inhoudsopgave

-Dit is meegenomen in de definitieve versie.

2In de nota is aangegeven dat de bodembeheernota ter goedkeuring aan het bevoegd gezag Wbb moet worden voorgelegd en deze haar instemming behoeft. Volgens de inspreker geeft de bestaande wet- en regelgeving (o.a. Besluit bodemkwaliteit) geen juridische basis voor een goedkeuringseis of instemmingsvereiste en daarom dient de Beleidsnota op dit punt te worden aangepast. Door de huidige formulering wordt de autonomie van gemeenten onnodig aangetast.

-Het is geenzins de bedoeling de autonomie van de gemeenten aan te tasten. Met de passage is bedoeld dat criteria die de gemeente opneemt in een bodembeheernota op grond van het Besluit en de regeling bodemkwaliteit niet automatisch ook gelden als criteria voor de saneringsparagraaf Wbb. De gemeente moet de criteria en de afleiding daarvan expliciet aan ons voorleggen om ze ook als toetscriteria voor de saneringsparagraaf Wbb te kunnen toepassen. Wij toetsen de afleiding van de criteria aan het landelijk en provinciaal beleid. De passage is naar aanleiding van uw reactie wel tekstueel aangepast.

3Op blz. 61 in paragraaf 5.2 is de status van de NRB niet goed weergegeven. Aangegeven is dat de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de plicht tot bodembescherming niet wettelijk is voorgeschreven. Artikel 2.9 van het Activiteitenbesluit "verwijst alleen naar de NRB als toetsingskader". Dit mag duidelijker. In artikel 2.9 lid 1 van het Activiteitenbesluit is aangegeven dat indien in een inrichting een bodembedreigende activiteit wordt verricht, bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Voor de inhoud van het begrip 'verwaarloosbaar bodemrisico' verwijst het Activiteitenbesluit naar de NRB.

-Dit is aangepast in de definitieve versie

4Op blz. 64 is met betrekking tot het zorgplichtbeginsel het volgende aangegeven. Bij asbest wordt conform de Circulaire bodemsanering de interventiewaarde gebruikt. Dit is vreemd, omdat de circulaire bodemsanering voor oude verontreinigingen geldt. Voor asbest dient bij een nieuwe verontreiniging als terugsaneerwaarde dus de detectielimiet te worden aangehouden.

-Uw opmerking is correct. Dit is in de definitieve versie aangepast. Wel wordt vastgehouden aan het gehalte van 100 mg/kg ds (gewogen). Immers is dit tevens de norm die gebruikt wordt bij toepassen van grond. Bij toepassing van de detectiegrens als terugsaneerwaarde zou alle ontgraven grond tot 100 mg/kg direct weer toegepast kunnen worden op grond van het Besluit en de regeling bodemkwaliteit.

5Blz. 69 onder het kopje algemeen: Bij het Besluit Bodemkwaliteit... (kwalibo) - de toevoeging kwalibo weglaten. De opbouw van de Regeling en het Besluit is hetzelfde en de Regeling gaat dus niet alleen over kwalibo.

-Uw opmerking is correct. Dit is aangepast.

6Blz. 69 onder kopje Bevoegd gezag: Daarvoor zijn de gemeenten het bevoegd gezag. Toevoegen: meestal. Er zijn uitzonderingen, met name bij toepassing binnen niet gemeentelijke inrichtingen.

-Uw opmerking is correct. Dit is aangepast.

7Blz. 70: Voor het werken aan kabels.... Deze verwijzing is onjuist. Dit moet zijn: Kabels en leidingen in verontreinigde bodem - Richtlijn voor veilig en zorgvuldig werken aan ondergrondse lijninfrastructuur. Publicatie 307 (stichting CROW). Van kracht vanaf 9 december 2011.

-Uw opmerking is correct. Dit is aangepast.

8Blz 73 onder het kopje Overige afstemming tussen bouwen en bodemverontreiniging: ... kan bij grondverzet ten behoeve van de bouw de initiatiefnemer... Vaak weet de initiatiefnemer dit niet. Wij stellen voor dat de provincie een werkafspraak opneemt dat de gemeente in zo'n situatie de provincie informeert door een afschrift van de omgevingsvergunning naar de provincie te sturen (onderdeel van deze werkafspraak is het adres waar de omgevingsvergunning naar toe moet, m.n. de naam van de afdeling) en dat de gemeente de aanvrager/initiatiefnemer in de considerans van de omgevingsvergunning hierover informeert. Het is handig als er provinciebreed een standaard stukje tekst komt voor deze considerans. De provincie is dan verantwoordelijk voor handhaving t.a.v. het aspect bodem op basis van de Wbb.

-Het is aan de gemeente (in de toekomst RUD) om na te gaan of een initiatiefnemer in strijd handelt met het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit bij grondverzet. Er ligt dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarbij de gemeente het meest betrokken is als vergunningverlener voor de omgevingswet. Wij stellen dan ook voor dat zij het voortouw neemt in eventuele handhaving.

-Wij zien graag dat de gemeente (in toekomst RUD) iedere initiatiefnemer wijst op mogelijk andere vergunningsvereisten en dus ook de meldingsplicht Wbb. Wij willen dan ook meewerken aan een tekst voor de considerans van de omgevingsvergunning, waarbij verwezen wordt naar deze meldingsplicht Wbb en de site van de provincie met informatie over deze meldingsplicht. Wij zullen het Gelders bodemberaad (GBB) verzoeken een eerste tekstvoorstel op te stellen.

9Blz. 74 eerste blok: artikel 6.2c i.p.v. artikel 62c

-Uw opmerking is correct. Dit is aangepast.

10Blz. 75 onder het kopje Bodemverontreiniging en bemalingen: Met de aanpassingswet Wet bodembescherming wordt... Hoe gaat de provincie hiermee om totdat de aanpassingswet in werking treedt?

-Dit is meegenomen in hoofdstuk 8 van de definitieve tekst.

12Blz. 81 onder het kopje Gelders beleid en toelichting: Op een enkel punt wordt enigszins afgeweken van de landelijke notitie. De afwijkingen dienen concreet te worden benoemd.

-Dit is aangepast in de definitieve tekst.

Reactie zienswijze gemeente Rheden namens Vakberaad Bodem regio Arnhem

1Wij verzoeken bij het bepalen van de terugsaneerwaarde aan te sluiten bij de bodemfunctieklassenkaart. Ook in die situaties waarbij het daadwerkelijke gebruik minder gevoelig is (dan wel gevoeliger). Dit zorgt ervoor dat het discussies over de gevoeligheid voorkomt, maar het vooral veel beter uitlegbaar en handhaafbaar is. Je voorkomt/beperkt situaties die wat betreft de Wbb zijn afgerond maar waarbij wat betreft het Besluit bodemkwaliteit nog extra maatregelen moeten worden genomen.

Men zou graag zien dat de gebiedseigen bodemkwaliteit (80-percentielwaarde) als terugsaneerwaarde wordt gehanteerd. Op die manier sluit regelgeving zo goed mogelijk op elkaar aan.

-Uw zienswijzen komen overeen met de zienswijze van de gemeente Apeldoorn (2de punt). Hoewel wij uw standpunt vanuit oogpunt van de gemeente begrijpen is dit voor ons geen aanleiding geweest de nota aan te passen. Wij hebben bij onze reactie op de zienswijze van Apeldoorn een nadere toelichting gegeven.

Reactie zienswijze Sociale Volkspartij mede namens de stichting Grondvest Velp en het Henry George en Edward Bellamy Institute te Zevenaar

1De sociale volkspartij brengt als stelling in dat grond geen produkt is waarop belasting kan worden geheven. De aarde is van iedereen, en daarmee de grond ook. Men wijst de beleidsnota dan ook principieel af.

-De Wet bodembescherming is gericht op beschermen, beheer en saneren van de bodem. Met de Beleidsnota bodem wordt door het bevoegd gezag Wbb invulling gegeven aan de mogelijkheid om nadere beleidskaders te stellen om tot een voortvarende aanpak van de bodemverontreinigingsproblematiek in Gelderland te komen. De zienswijze van inspreker richt zich niet op deze doelstelling. We nemen deze zienswijze daarom voor kennisgeving aan.

Reactie zienswijze Onafhankelijke Nijmeegse partij

1Stelt de gemeenteraad van Nijmegen de Lokale Maximale Waarden genoemd op pagina 35 vast?

-De Lokale Maximale Waarden zijn al door de gemeente Nijmegen vastgesteld in een Bodembeheernota opgesteld in het kader van het Besluit en de regeling bodemkwaliteit. Het vaststellen van de Lokale Maximale Waarden maakt geen deel uit van de formulering van voorliggend beleid, hooguit het toepassen in het kader van de Wet bodembescherming is in deze beleidsnota vastgelegd.

2In hoeverre zijn er nog historische gevallen in Nijmegen?

-Wij verwijzen voor deze informatie naar de milieuatlas van de gemeente Nijmegen. Dit maakt geen deel uit van het geformuleerde beleid in voorliggende Beleidsnota.

3Aangenomen wordt dat de gemeenteraadsleden en Provinciale staten de nota gevoegd met de reactienota vast stellen.

-Met deze nota worden beleidsregels vastgesteld in het kader van de Wet bodembescherming. Vaststelling van beleidsregels kan juridisch alleen plaatsvinden door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag Wet bodembescherming in Gelderland is het college van Gedeputeerde Staten en voor zover het hun grondgebied betreft de colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Arnhem en Nijmegen. De beleidsnota zal wel ter informatie worden voorgelegd aan de gemeenteraden van Arnhem en Nijmegen en aan Provinciale staten.

Reactie zienswijze Federatieve Onafhankelijke partijen Gelderland

1Er worden enkele wetswijzigingen genoemd die nog niet rond zijn. Is dit - gelet op de Haagse situatie - niet prematuur?

-Inmiddels is de wetswijziging over gebiedsgericht grondwater in werking getreden. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet bodembescherming met het oog op terugbrengen van de administratieve en bestuurlijke lasten en enkele verbeteringen van de uitvoering is nog niet van kracht. In de definitieve nota is in hoofdstuk 8 aangegeven hoe te handelen als dit wetsvoorstel nog niet in werking is getreden (of geen doorgang zal vinden).

2In hoeverre zijn er nog historische gevallen (voor 1987) in Gelderland? Waar moeten we dan aan denken?

-Voor informatie over historische gevallen van bodemverontreiniging wordt verwezen naar de provinciale milieuatlas op de site van de provincie. Landelijke doelstelling is dat de ernstige gevallen van bodemverontreiniging met humane risico’s voor 2015 gesaneerd zijn. Dit zijn in Gelderland nog 14 gevallen (Peildatum 1 september 2012. Arnhem en Nijmegen niet meegerekend). Het bepalen van aantallen historische verontreinigingen maakt geen deel uit van het beleid in voorliggende Beleidsnota.

3Welke concrete wijzigingen in beleid worden doorgevoerd met deze nota?

-Het gaat vooral om actualisatie van het beleid, ingegeven door landelijke beleidswijzigingen (Wetswijziging gebiedsgericht grondwater, nieuwe landelijke Circulaire bodemsanering). De belangrijkste wijzigingen zijn genoemd in de Leeswijzer van de Beleidsnota.

4We nemen aan dat Provinciale Staten de nota gevoegd met de reactienota vaststellen.

-Met deze nota worden beleidsregels vastgesteld. Vaststelling van beleidsregels kan juridisch alleen plaatsvinden door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag Wet bodembescherming in Gelderland is het college van Gedeputeerde Staten en voor zover het hun grondgebied betreft de colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Arnhem en Nijmegen. De beleidsnota zal wel ter informatie worden voorgelegd aan de gemeenteraden van Arnhem en Nijmegen en aan Provinciale staten.

5Aangegeven is dat deze nota specifiek geldt voor Arnhem en Nijmegen en daarnaast voor de provincie. Waarom geldt deze nota niet specifiek voor alle 56 gemeenten in Gelderland?

-De provincie is bevoegd voor alle gevallen van ernstige bodemverontreiniging in Gelderland met uitzondering van de gevallen op het grondgebied van de gemeenten Arnhem en Nijmegen. Voor die gevallen zijn de colleges van Burgemeester en Wethouders van respectievelijk de gemeente Arnhem en Nijmegen bevoegd gezag.

6Worden er bevoegdheden ingeperkt van gemeenteraden en Provinciale Staten door het aanvaarden van deze nota?

-Nee de bevoegdheden worden niet ingeperkt. De bevoegdheid voor de Wbb liggen bij het college van Gedeputeerde Staten en voor zover het hun grondgebied betreft de colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Arnhem en Nijmegen. De Beleidsnota vult de beleidsruimte in die Gedeputeerde Staten en de colleges van Burgemeester en Wethouders hebben op grond van de Wbb. De nota biedt daarnaast vooral een handvat voor derden voor het op de juiste wijze uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsaneringen.

Trefwoordenlijst

Trefwoordenlijst Paragraaf

Achtergrondwaarden 2000 1.4, 2.3, 5.4

Afweging varianten 3.3

Afwijking tijdens sanering 4.3

Archeologie 6.6

Asbest 1.2, 2.4, 2.5

Beheermaatregelen 2.6

Bemaling van een werk (kelder, riool, etc) 6.5

Bevelsbeleid 7

Bouwen bij bodemverontreiniging 6.2, 6.3

Calamiteit 5.3

Deelsanering 3.7, 3.8

Diffuse verontreiniging 2.3,

Eindcontrole sanering 3.4, 4.2

Erfverharding 1.3

Evaluatie 4.4, 4.7

Faalscenario 3.4, 4.5

Financiële zekerheidsstelling 3.9

Flora en faunawet 6.7

Gebiedsgerichte aanpak grondwater 3.5

Gebruiksbeperkingen 2.5, 2.6, 4.5

Gefaseerde aanpak 3.8, 4.4

Geldigheid onderzoeksrapportages 1.4, 2.8

Gevalsdefinitie 2.3

Hergebruik grond, herschikken 3.6

IJkmomenten 3.4, 4.2

Kabels en leidingen 3.3, 4.5

Kadastrale registratie 2.8, 3.10, 4.8

Kostenverhaal 7.4

Kwalibo 1.2, 2.2, 4.1

Kwetsbare objecten 2.5

Leeflaag 3.3, 3.7

Lokale Achtergrondwaarden 1.5, 2.3, 6.2

Lokale Maximale Waarden 3.3, 6.2

Lozing op de bodem 5.6

Meldingsplicht 1.4, 2.8, 3.10, 6.4

Monitoring 2.6, 2.7, 4.4, 4.5

MTBE en ETBE 5.4

Nieuwe verontreiniging 5.3

Natuurbeschermingswet 6.7

Natuurlijke oorsprong 2.3

Nazorg 4.5, 4.6, 4.7

Normaal gebruik 3.3, 4.5

Nul- en eindsituatiemeting 5.5

Ophooglaag 2.3

Overgangsbeleid Leeswijzer

Raamsaneringsplan 3.8

Risicobeoordeling 2.5

Saneren immobiele verontreinigingen 3.3

Saneren mobiele verontreinigingen 3.4

Saneringsonderzoek 3.4, 3.7

Schorsing melding Bijlage 4

Spoedeisendheid 2.5

Stabiele (eind)situatie 3.4, 4.2

Start sanering 4.1

Stortplaatsen 2.7, 3.7

Tijdelijke beveiligingsmaatregelen 2.6

Tijdstip sanering 2.5

Wijziging omstandigheden 2.6

Wijziging saneringsplan 4.3

Wijziging tenaamstelling 3.10, 4.6

Zorg tijdens saneren 4.2

Zorg na saneren 4.5, 4.6

Trefwoordenlijst

Trefwoordenlijst Paragraaf

Achtergrondwaarden 2000 1.4, 2.3, 5.4

Afweging varianten 3.3

Afwijking tijdens sanering 4.3

Archeologie 6.6

Asbest 1.2, 2.4, 2.5

Beheermaatregelen 2.6

Bemaling van een werk (kelder, riool, etc) 6.5

Bevelsbeleid 7

Bouwen bij bodemverontreiniging 6.2, 6.3

Calamiteit 5.3

Deelsanering 3.7, 3.8

Diffuse verontreiniging 2.3,

Eindcontrole sanering 3.4, 4.2

Erfverharding 1.3

Evaluatie 4.4, 4.7

Faalscenario 3.4, 4.5

Financiële zekerheidsstelling 3.9

Flora en faunawet 6.7

Gebiedsgerichte aanpak grondwater 3.5

Gebruiksbeperkingen 2.5, 2.6, 4.5

Gefaseerde aanpak 3.8, 4.4

Geldigheid onderzoeksrapportages 1.4, 2.8

Gevalsdefinitie 2.3

Hergebruik grond, herschikken 3.6

IJkmomenten 3.4, 4.2

Kabels en leidingen 3.3, 4.5

Kadastrale registratie 2.8, 3.10, 4.8

Kostenverhaal 7.4

Kwalibo 1.2, 2.2, 4.1

Kwetsbare objecten 2.5

Leeflaag 3.3, 3.7

Lokale Achtergrondwaarden 1.5, 2.3, 6.2

Lokale Maximale Waarden 3.3, 6.2

Lozing op de bodem 5.6

Meldingsplicht 1.4, 2.8, 3.10, 6.4

Monitoring 2.6, 2.7, 4.4, 4.5

MTBE en ETBE 5.4

Nieuwe verontreiniging 5.3

Natuurbeschermingswet 6.7

Natuurlijke oorsprong 2.3

Nazorg 4.5, 4.6, 4.7

Normaal gebruik 3.3, 4.5

Nul- en eindsituatiemeting 5.5

Ophooglaag 2.3

Overgangsbeleid Leeswijzer

Raamsaneringsplan 3.8

Risicobeoordeling 2.5

Saneren immobiele verontreinigingen 3.3

Saneren mobiele verontreinigingen 3.4

Saneringsonderzoek 3.4, 3.7

Schorsing melding Bijlage 4

Spoedeisendheid 2.5

Stabiele (eind)situatie 3.4, 4.2

Start sanering 4.1

Stortplaatsen 2.7, 3.7

Tijdelijke beveiligingsmaatregelen 2.6

Tijdstip sanering 2.5

Wijziging omstandigheden 2.6

Wijziging saneringsplan 4.3

Wijziging tenaamstelling 3.10, 4.6

Zorg tijdens saneren 4.2

Zorg na saneren 4.5, 4.6

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.