Inhoud
Art. 1 Begripsomschrijvingen
In deze regels wordt verstaan onder:
a.voormalig schipper: degene die direct voorafgaande aan het moment van het beëindigen van het bedrijfsmatig vervoeren van goederen te water ten minste 55 jaar is, ten minste 15 jaar als schipper werkzaam is geweest en Amsterdam in die periode als thuishaven heeft gehad;
b.voormalig binnenschip: een binnenschip dat eigendom is van de voormalige schipper en door de voormalige schipper ten minste 15 jaar is gebruikt of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen te water en niet langer is dan 50 m.
Art. 2 Ontheffing
1De ontheffing van art. 2.6, vierde lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater (VHB) kan uitsluitend aan een voormalig schipper worden verleend voor het innemen van een ligplaats met zijn voormalige binnenschip. De ontheffing is persoons-, ligplaats- en vaartuiggebonden.
2Alvorens te beslissen op het verzoek om ontheffing wordt advies gevraagd aan de Werkcommissie Binnenvaartbelangen Amsterdam.
3Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de ontheffing mede op naam van de echtgenote of partner worden gesteld, in het geval deze op het moment van het beëindigen van het bedrijfsmatig vervoer van goederen hieraan ten minste vijf jaar heeft deelgenomen.
Art. 3 Veiligheids- en milieu-eisen
1De op grond van art. 2.8, eerste en tweede lid, van de VHB vastgestelde regels met betrekking tot de brandveiligheid en het milieu zijn tevens van toepassing op een voormalig binnenschip dat ligplaats inneemt in de gemeente.
2De op grond van art. 2.10, eerste en tweede lid, van de VHB vastgestelde regels inzake het verbouwen van een bedrijfsvaartuig zijn tevens van toepassing op een voormalig binnenschip dat ligplaats inneemt in de gemeente.
3Het voormalige binnenschip dient in zodanige staat te zijn, dat de veiligheid van de bewoners en die van de omgeving is gewaarborgd.
Art. 4 Ligplaatscapaciteit
1De op grond van de ontheffing van art. 2.6, vierde lid, van de VHB in te nemen ligplaats maakt deel uit van de in Amsterdam beschikbare ligplaatsen voor binnenschepen. Van het beschikbare ligplaatsenbestand mag ten hoogste 6% worden aangewend ten behoeve van het innemen van ligplaatsen met een voormalig binnenschip.
2Een voormalig binnenschip mag gedurende de tijd van de ontheffing niet voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen te water worden gebruikt.
Art. 5 Overgangsbepaling
Ten aanzien van degenen die vóór 15 juli 1995 met een binnenschip ligplaats hebben ingenomen op voor binnenvaartschepen bestemde locaties en een ontheffing krachtens art. 2.6, vierde lid, van de VHB aanvragen, kan worden afgeweken van het bepaalde in art. 1, onder b.