Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen.
Artikel 1.1 - Begripsbepalingen.
1In dit besluit wordt verstaan onder:
a.beschut werk: werk in een beschutte omgeving en onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van de wet;
b.college: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam;
c.[vervallen]
d.doelgroep Participatiewet: doelgroep als bedoeld in artikel 1.2 van de verordening;
e.[vervallen]
f.IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
g.IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
h.loonwaarde: arbeidsproductiviteit, uitgedrukt als percentage van het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld;
i.jongere: de persoon jonger dan 27 jaar die behoort tot de doelgroep Participatiewet;
j.loonkostensubsidie Participatiewet: loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10d van de wet;
k.minimumloon: minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;
l.[vervallen]
m.[vervallen]
n.uitkeringsgerechtigde: persoon die algemene bijstand op grond van de wet ontvangt, dan wel een uitkering ontvangt op grond van de IOAW of de IOAZ, en die niet tevens een uitkering ontvangen van het UWV;
o.UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;
p.verordening: Re-integratieverordening Participatiewet;
q.voorziening: voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Participatiewet;
r.wet: Participatiewet;
s.werkgever: onderneming of organisatie waarvoor mensen in loondienst kunnen werken, ongeacht de rechtsvorm.
2Voor zover niet anders bepaald en voor zover van toepassing, worden de begrippen gebruikt in dezelfde betekenis als in de verordening en de wet.
Artikel 1.2 - Hardheidsclausule.
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in deze nadere regels als toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Hoofdstuk 2 Premie– en vergoedingenbeleid
Artikel 2.1 - Premie leerstage en proefplaats.
1Aan een persoon behorend tot de doelgroep Participatiewet die zes maanden heeft deelgenomen aan een leerstage en naar het oordeel van het college zich voldoende heeft ingespannen om de vastgestelde leerdoelen te behalen, wordt een premie toegekend van € 500. Indien deze persoon minder dan zes maanden heeft deelgenomen aan de leerstage, wordt de premie naar rato berekend.
2Aan de uitkeringsgerechtigde die heeft deelgenomen aan een proefplaats en naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling, wordt een premie toegekend van € 250. Indien de uitkeringsgerechtigde minder dan twee maanden heeft deelgenomen aan de proefplaats, wordt de premie naar rato berekend.
3Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een persoon behorend tot de doelgroep Participatiewet die na afloop van een in het eerste lid bedoelde leerstage aan het college heeft verzocht deze te verlengen en bij wie het college met deze eenmalige verlenging heeft ingestemd.
4Bij de uitbetaling van een premie ingevolge dit artikel neemt het college het maximale aantal premies en het maximale premiebedrag per kalenderjaar ingevolge artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de wet in acht. Als een van deze maxima is bereikt, vindt uitbetaling plaats in een volgend kalenderjaar.
7[vervallen]
8[vervallen]
9[vervallen]
10[vervallen]
Artikel 2.2 - Bijdrage voor een fiets.
Het college kan de uitkeringsgerechtigde of niet-uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, of met het college afspraken maakt over activiteiten, gericht op arbeidsinschakeling , in staat stellen om van de mogelijkheid een tweedehands fiets te kopen, zoals deze voor houders van de Stadspas Amsterdam bestaat, eenmalig zonder kosten gebruik te maken.
Artikel 2.3 - Digitaal reistegoed.
1Aan de uitkeringsgerechtigde of niet-uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening of met het college afspraken maakt over activiteiten, gericht op arbeidsinschakeling, waarvoor hij of zij gemiddeld één of meer keer per week ten minste drie kilometer van zijn of haar woonadres moet reizen, kan het college een tegemoetkoming in de reiskosten verlenen op basis van de verwachte gemiddelde reisfrequentie per week.
2Ten aanzien van de reisfrequentie per week hanteert het college twee niveaus:
a.gemiddeld ten minste één keer, maar minder dan drie keer per week;
b.gemiddeld drie of meer keer per week.
3De tegemoetkoming wordt door het college verstrekt in de vorm van digitaal reistegoed.
4Het maandbedrag aan digitaal reistegoed is bij een verwachte reisfrequentie van gemiddeld:
a.ten minste één keer maar minder dan drie keer per week: € 23,50 per maand, en
b.drie of meer keer per week: € 47 per maand.
5Ten behoeve van de geautomatiseerde bijschrijving van het reistegoed kunnen nadere voorwaarden worden gehanteerd.
Artikel 2.4 - Tegemoetkoming voor reiskosten op maat
Indien een uitkeringsgerechtigde of niet-uitkeringsgerechtigde als gevolg van bijzondere persoonlijke omstandigheden voor zijn of haar deelname aan een voorziening of afgesproken activiteiten volledig is aangewezen op het openbaar vervoer en/of geen gebruik kan maken van een eenvoudige fiets, kan het college in afwijking van de artikelen 2.2 en 2.3 een bijzondere tegemoetkoming op maat verstrekken.
Artikel 2.5 - Vergoeding van kosten in verband met re-integratie
Het college kan aan of ten behoeve van een persoon, behorend tot de doelgroep Participatiewet, een vergoeding geven voor de kosten van een re-integratievoorziening die het college geboden acht of voor andere kosten die het college noodzakelijk acht voor arbeidsinschakeling.
Artikel 2.6 - Premie deeltijdwerk
1De uitkeringsgerechtigde die parttime werkt, bouwt zolang hij of zij recht houdt op uitkering, maar uiterlijk tot en met 31 december 2026, een aanspraak op premie deeltijdwerk op.
2De aanspraak op deeltijdpremie bedraagt per maand 30% van de inkomsten uit arbeid die de uitkeringsgerechtigde in de periode voorafgaand aan het betaalmoment (zie lid 5) heeft verdiend. Bedragen van een inkomstenvrijlating (zie lid 3) die met betrekking tot deze inkomsten zijn toegepast, worden op de opgebouwde aanspraak in mindering gebracht.
3De aanspraak, bedoeld in het vorige lid, is ten hoogste gelijk aan 1/12 van de op 1 januari van het betreffende kalenderjaar geldende maximale premievrijlating, als bedoeld in artikel 31, lid 2, onder j, van de wet, naar boven afgerond op een euro.
4Bij personen die toestemming hebben om gebruik te maken van de Regeling bescheidenschaal, recht hebben op aanvullende bijstand op grond van de wet, de IOAW of de IOAZ , en inkomsten uit zelfstandige activiteiten hebben, wordt het recht op bijstand achteraf op jaarbasis vastgesteld. De premie wordt jaarlijks (na vaststelling) achteraf uitbetaald.
5Het college betaalt de premie in twee uitbetalingsmomenten uit, te weten in juni en november van elk jaar; voor personen met een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ geldt één betalingsmoment, te weten het eerstvolgende uitbetalingsmoment in juni of november. Het bepaalde in artikel 2.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6Voor gehuwden geldt dat het bepaalde in het tweede en derde lid voor hen tezamen geldt. Indien de premie samen hoger is dan het maandelijkse maximale bedrag, wordt het meerdere bij degene met de hoogste premie in mindering gebracht. De uitbetaling van de premie vindt plaats aan degene met het hoogste inkomen.
7Indien een opgebouwde premieaanspraak in een of meer voorafgaande jaren geheel of gedeeltelijk niet tot uitbetaling is gekomen, wordt deze in het lopende jaar uitbetaald tot het bedrag van de wettelijke maximale vrijlating en met inachtneming van het vijfde en zesde lid.
8Een eerder opgebouwde aanspraak op bijverdienpremie bedraagt met ingang van 1 januari 2024 maximaal € 3.151. Uitbetaling vindt plaats met inachtneming van het vorige lid.
9[vervallen]
Artikel 2.7 – Experimentele uitstroompremie
1Het college kan een experimentele uitstroompremie toekennen:
a.aan degene van wie het recht op uitkering in de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 is geëindigd in verband met inkomsten uit arbeid en die ten minste twee maanden daarna geen aanspraak op uitkering maakt;
b.aan de uitkeringsgerechtigde die in de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 inkomsten uit arbeid is gaan verkrijgen en in verband daarmee ten minste twee kalendermaanden een lager bedrag aan uitkering ontving.
2De experimentele uitstroompremie, als bedoeld in onderdeel a van het vorige lid, bedraagt voor iemand die gedurende 18 maanden of korter aanspraak maakte op uitkering, € 300. De premie is € 40 hoger voor elke maand dat de uitkering langer duurde, maar bedraagt maximaal € 1.000. Indien de uitkering door twee personen wordt ontvangen met een verschillende uitkeringsduur, wordt uitgegaan van de uitkeringsduur van degene die het langste aanspraak maakte op uitkering.
3De experimentele uitstroompremie, als bedoeld in onderdeel b van het eerste lid, bedraagt € 300 en kan éénmaal aan de uitkeringsgerechtigde worden toegekend.
4Onder uitkering wordt in deze bepaling verstaan:
a.algemene bijstand, tenzij het een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 betreft;
b.een uitkering ingevolge de IOAW;
c.een uitkering ingevolge de IOAZ.
5Bij samenloop van de experimentele uitstroompremie met een van de volgende aanspraken op een premie wordt een gecombineerde premie uitbetaald die gelijk is aan de som van de premieaanspraken op grond van:
1°. het eerste lid, onder a;
2°. het eerste lid, onder b;
3°. artikel 2.6, eerste lid.
6Indien de uitkering werd of wordt ontvangen door twee personen, wordt een experimentele uitstroompremie bedoeld in het eerste lid uitbetaald aan degene door wiens werkzaamheden de hoogste aanspraak is ontstaan op premie deeltijdwerk, als bedoeld in artikel 2.6, dan wel op experimentele uitstroompremie, als bedoeld in het eerste lid.
7Het bepaalde in artikel 2.6, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3 Persoonlijke ondersteuning bij werk
Artikel 3.1 - Subsidie voor het organiseren van jobcoaching
1Wanneer de werkgever voor het organiseren van jobcoaching, die naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de werknemer in de doelgroep Participatiewet, een subsidie aanvraagt, verleent het college in het basisregime, als bedoeld in artikel 3b.2 van de verordening, een subsidie van € 2.880 gedurende de eerste zes maanden van het dienstverband.
2Indien na afloop van een subsidieperiode de noodzaak tot jobcoaching bij het dienstverband voortduurt, verleent het college op aanvraag van de werkgever een subsidie van € 1.440 voor een volgende periode van in beginsel zes maanden.
3Het college kan een andere subsidieperiode hanteren dan zes maanden.
4Wanneer naar het oordeel van het college voor een werknemer een aanmerkelijk minder intensieve jobcoaching toereikend is, kan het college in afwijking van het eerste en twee lid, een lagere subsidie verlenen.
5Wanneer een werknemer een jobcoachbehoefte heeft, waarvoor de subsidie, bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het college aanzienlijk tekortschiet, kan het college een hogere subsidie verlenen.
6Wanneer de subsidieaanvraag een persoon in de doelgroep Participatiewet betreft die jobcoaching nodig heeft op een proefplaats, verleent het college in het basisregime voor een periode tot twee maanden een subsidie van € 960.
7Het college betaalt de subsidie voor het organiseren van jobcoaching zo veel mogelijk uit in maandelijkse termijnen. De betaling is te beschouwen als vaststelling van de subsidie tot en met de periode waarop de betaling betrekking heeft.
8De bedragen, genoemd in de voorgaande leden, zijn exclusief BTW. Zij worden gewijzigd indien de relevante prijsontwikkeling hiertoe aanleiding geeft, waarbij het bedrag genoemd in het tweede lid naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 30; de bedragen genoemd in het eerste en zesde lid bedragen het dubbele, respectievelijk tweederde van dit bedrag.
9De gewijzigde bedragen en de dag waarop de wijzigingen ingaan, worden door of namens het college medegedeeld in het Gemeenteblad. Na wijziging van de bedragen worden al verleende subsidies voor de resterende subsidieperiode naar rato verhoogd.
10Indien het dienstverband van de werknemer gedurende de periode waarvoor de subsidie is verleend, eindigt kan het college besluiten de subsidie op een lager bedrag vast te stellen.
Artikel 3.2 - Subsidievoorwaarden en -verplichtingen
1De werkgever aan wie een subsidie is verleend voor het organiseren van jobcoaching, als bedoeld in artikel 3.1, is in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.7, tweede lid, van de verordening verplicht:
a.de naam en contactgegevens mee te delen van de erkend deskundige die de jobcoaching uitvoert en van diens vervanger;
b.een bewijs van Noloc-certificering als Register Jobcoach of andere stukken te overleggen waaruit een vergelijkbare deskundigheid van de jobcoach en diens vervanger blijkt;
c.uiterlijk in de derde maand na aanvang van de jobcoaching een coachingsplan te overleggen dat is opgesteld in samenspraak met de werknemer en werkgever;
d.uiterlijk in de laatste maand van de subsidieperiode een verslag te overleggen van de uitvoering van het coachingsplan en, indien van toepassing, het bijgestelde coachingsplan;
e.het college zo snel mogelijk te informeren over wijzigingen in het dienstverband of de werkplek van de werknemer.
2Het college kan nadere voorwaarden en voorschriften verbinden aan de aanspraak op de subsidie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.3 - Realiseren van interne werkbegeleiding
1In aanvulling op de aandacht die een jobcoach hieraan geeft, kan het college aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen beter in staat te stellen interne werkbegeleiding te bieden, als bedoeld in artikel 3b.1 van de verordening.
2Wanneer een werkgever als gevolg van bijzondere omstandigheden ook met de ondersteuning, bedoeld in het vorige lid, en met de aandacht die hieraan bij jobcoaching wordt gegeven, in aanzienlijke mate interne werkbegeleiding moet bieden om een werknemer in de doelgroep Participatiewet in staat te stellen de aan hem opgedragen taken te verrichten in een zo goed mogelijk passende functie en werkomgeving, kan het college de werkgever op basis van maatwerk een subsidie verlenen als tegemoetkoming voor de hiermee samenhangende kosten.
Hoofdstuk 4 Tijdelijke loonkostensubsidie
Artikel 4.1 Verlening loonkostensubsidie.
1De werkgever die met een of meer personen uit de doelgroep Participatiewet, met uitzondering van werkenden op een Perspectiefbaan, die voor arbeidsinschakeling zijn aangewezen op ondersteuning door het college, een arbeidsovereenkomst sluit of beoogt te sluiten, kan in aanmerking komen voor een tijdelijke loonkostensubsidie volgens de regels in dit hoofdstuk.
2Indien sprake is van een payrollconstructie kan het college een loonkostensubsidie verstrekken aan de materiële werkgever in plaats van aan de juridisch werkgever.
Artikel 4.2 Eisen aan de arbeidsovereenkomst.
1De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor minimaal zes maanden of voor onbepaalde tijd.
2De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor minimaal 16 uur per week.
3De werkgever betaalt het rechtens geldende loon.
4In de arbeidsovereenkomst mag geen beperking worden gesteld aan het aanvaarden van een dienstverband bij een nieuwe werkgever.
5Indien de werkgever de werknemer wenst te detacheren, dient een overeenkomst met de inlenende partij en zo nodig aanvullend bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt, dat de werknemer daadwerkelijk voor de in het eerste en tweede lid aangegeven periode en arbeidsuren aan het werk gaat.
6Een subsidieverzoek van de werkgever wordt niet gehonoreerd indien de werkgever korter dan 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag een andere medewerker die met een tijdelijke loonkostensubsidie bij hem in dienst was en naar behoren functioneerde, geen contractverlenging heeft aangeboden.
Artikel 4.3 Eisen aan de kandidaat.
1De (beoogde) werknemer heeft een uitkering van de gemeente ontvangen of gesubsidieerd werk verricht.
2De (beoogde) werknemer die een niet-uitkeringsgerechtigde is, is minimaal drie maanden begeleid door het college en zal, naar het oordeel van het college, zonder de inzet van Tijdelijke loonkostensubsidie niet of nauwelijks kunnen uitstromen naar een dienstverband bij een werkgever.
Artikel 4.4 Aanvraag en overdracht van rechten.
1Een aanvraag om loonkostensubsidie dient te zijn ingediend voor het verstrijken van de rechtsgeldige arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 4.2.
2Wanneer een gesubsidieerd werkende gedurende de looptijd van de tijdelijke loonkostensubsidie in dienst treedt bij een nieuwe werkgever, kan de nieuwe werkgever voor de resterende looptijd aanspraak maken op voortzetting van de subsidie.
Artikel 4.5 Hoogte en duur van de subsidie.
1De tijdelijke loonkostensubsidie betreft minimaal zes en maximaal twee keer zes maanden, als aan de subsidievoorwaarden is voldaan. De periodes van twee maal zes maanden dienen op elkaar aan te sluiten.
2De tijdelijke loonkostensubsidie bedraagt maximaal € 5.000 per jaar voor een voltijd dienstverband. De loonkostensubsidie wordt voor 6 maanden verstrekt voor maximaal € 3.000 subsidie. Indien er vervolgens wederom een arbeidsovereenkomst van zes maanden wordt gesloten, kan subsidie voor het tweede half jaar worden toegekend voor maximaal € 2.000
3Indien de werknemer niet gedurende de hele subsidieperiode en/of niet voltijds aan het werk is geweest en/of het wettelijk minimumjeugdloon ontvangt, stelt het college de subsidie naar rato vast. Bij een verhoging van de contracturen tijdens de subsidieperiode kan het college de subsidie naar rato aanpassen.
Artikel 4.6 Vaststelling en betaling van de subsidie.
1Nadat de werkgever de benodigde bewijsstukken heeft verstrekt, stelt het college het recht op loonkostensubsidie binnen een maand vast.
2Het college betaalt de subsidie binnen een maand na de vaststelling van de subsidie, onder aftrek van een eventueel betaald voorschot (zie lid 3).
3Het college kan een maand na aanvang van het dienstverband een voorschot betalen op de subsidie mits voldoende aannemelijk is dat de werkgever aan de subsidievoorwaarden voldoet en zal blijven voldoen.
Artikel 4.7 Handhaving.
1Bij onvoldoende naleving van subsidievoorwaarden door de werkgever waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan onderzoek naar de vervulling van de subsidievoorwaarden, kan het college de subsidie lager vaststellen of intrekken en latere subsidieaanvragen door de betrokken werkgever weigeren.
2Subsidies of voorschotten waarop de werkgever ten tijde van de verlening of naderhand geen recht had, kan het college terugvorderen, dan wel verrekenen met nog te betalen subsidies.
Artikel 4.8 Overgangsregeling
[vervallen]
Hoofdstuk 5 Leerstage en proefplaats
Artikel 5.1 - Leerstage.
1Het college kan aan een persoon behorend tot de doelgroep Participatiewet, die zijn of haar werknemers- en beroepsvaardigheden nog moet ontwikkelen om met een beperkte begeleiding productief te kunnen zijn bij een werkgever, een leerstage aanbieden, zo mogelijk bij een werkgever, waarbij de inzet van de deelnemer in het productieproces ondersteunend is aan het ontwikkelen van werknemers- en beroepsvaardigheden.
2De plaats waar de leerstage plaatsvindt wordt vastgesteld na samenspraak met de belanghebbende, waarbij deze in de gelegenheid wordt gesteld zelf een plaats voor te stellen.
3De leerstage wordt aangegaan door middel van een overeenkomst.
4Onderdelen van het aanbod van een leerstage zijn:
a.beschrijving van te behalen leerdoelen, waaronder eventuele certificaten met betrekking tot beroepsvaardigheden:
b.ondersteuning van het college en de eventuele plaatsaanbieder bij het behalen van deze leerdoelen en eventuele certificaten;
c.dagelijkse begeleiding door de plaatsaanbieder;
d.regelmatige tussenevaluaties en een eindevaluatie.
5Het college kan nadere voorwaarden stellen die onderdeel zijn van het aanbod van een leerstage.
6Het college biedt de leerstage aan om de kans van betrokkene om succesvol uit te stromen naar werk te vergroten. Onder succesvolle uitstroom wordt verstaan: uitstroom uit de uitkering naar een dienstverband.
7Indien de leerstage niet direct leidt tot een dienstverband zoals bedoeld in het vorige lid, biedt het college zo nodig een andere voorziening aan.
Artikel 5.2 - Proefplaats
Het college kan met inachtneming van artikel 1.8 van de verordening een proefplaats aanbieden aan een persoon in de doelgroep Participatiewet en verleent aan een uitkeringsgerechtigde toestemming voor een proefplaats, als bedoeld in de verordening, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.de proefplaats is voor de werkgever en de betrokkene redelijkerwijs nodig om te bepalen of de betrokkene goed kan functioneren op de werkplek;
b.de werktijden en werkzaamheden op de proefplaatsing zijn in overeenstemming met de krachten en bekwaamheden van de betrokkene;
c.de werkgever heeft naar het oordeel van het college de serieuze intentie de betrokkene bij goed functioneren na afloop van de proefplaats een arbeidscontract zonder proeftijd- of uitzendbeding aan te bieden van minimaal zes maanden en met minimaal dezelfde arbeidsduur als bij de proefplaats;
d.de werkgever biedt de betrokkene passende begeleiding en
e.de werkgever heeft ten behoeve van de betrokkene een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten.
Hoofdstuk 6 Re-integratievoorzieningen ten behoeve van werknemers en zelfstandigen
Artikel 6.1 - Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing.
1Een persoonlijke voorziening bij werk of scholing, als bedoeld in artikel 3c.1 van de verordening, kan worden verleend wanneer de mogelijkheden van de belanghebbende om op eigen kracht en met gebruikelijke inzet van de werkgever of van anderen uit zijn sociale netwerk, dan wel gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen, die als voorliggend zijn te beschouwen, niet tot een oplossing leiden.
2Het college verleent een voorziening op aanvraag van de belanghebbende, dan wel nadat een voorgenomen voorziening en eventuele alternatieven met deze zijn besproken. Indien van toepassing motiveert het college waarom geen uitvoering wordt gegeven aan de door de belanghebbende gewenste ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
3Een voorziening wordt verleend indien en zolang de inzet hiervan noodzakelijk en doelmatig is. Het college kan hierover advies van een externe deskundige vragen.
4Een persoonlijke voorziening kan bestaan uit het feitelijk beschikbaar stellen daarvan of uit vergoeding van de kosten.
5Wanneer de voorziening bestaat uit een vergoeding van de kosten is de hoogte daarvan gelijk aan de werkelijke kosten van de voorziening, voor zover die naar het oordeel van het college noodzakelijk en doelmatig is.
6Aan de toekenning van een persoonlijke voorziening kunnen voorwaarden worden verbonden die zijn gericht op een goed gebruik ervan voor het doel waarvoor zij is verleend.
Artikel 6.2 – Persoonlijke voorzieningen zelfstandigen
Met inachtneming van artikel 3c.2 van de verordening is het bepaalde in artikel 6.1 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen, behorend tot de doelgroep Participatiewet, die arbeid als zelfstandige verrichten of zich hierop voorbereiden.
Hoofdstuk 7 Re-integratievoorzieningen ten behoeve van werkgevers
Artikel 7.1 – Methodiek voor vaststellen loonwaarde.
[vervallen]
Artikel 7.3 - Compensatie voor bedrijfskosten sociale firma’s
1Het college kan op aanvraag of ambtshalve als compensatie voor bedrijfskosten een subsidie toekennen aan een onderneming die is erkend als sociale firma, wanneer deze een of meer personen in dienst heeft voor wie het college loonkostensubsidie Participatiewet verstrekt.
2De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt tweemaal per jaar verleend op basis van het aantal werknemers die op een peildatum voor ten minste twintig uur per week met loonkostensubsidie Participatiewet in dienst zijn bij de onderneming, die is erkend als sociale firma, en voor wie het college tevens in een periode van ten minste zes maanden voorafgaand aan de peildatum loonkostensubsidie Participatiewet heeft verleend.
3De jaarlijks door het college gehanteerde peildata zijn 1 januari en 1 juli.
4De subsidie bedraagt € 1.000 per werknemer bij wie aan de voorwaarden is voldaan en wordt telkens binnen twee maanden na de peildatum verleend. De verlening is tevens te beschouwen als de vaststelling.
Artikel 7.4 Low-Riskpolis tijdens looptijd forfaitaire loonkostensubsidie
1Met betrekking tot een werknemer voor wie het college over een deel van de periode vanaf 1 juli 2025 tot en met 1 juli 2027 forfaitaire loonkostensubsidie verleent, is tijdens de looptijd van de forfaitaire loonkostensubsidie vanaf 1 juli 2025 tot en met uiterlijk 31 december 2027 een Low-Riskpolis van toepassing onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden. Onder forfaitaire loonkostensubsidie wordt verstaan loonkostensubsidie Participatiewet die wordt verleend met toepassing van artikel 10d, vijfde lid, van de wet.
2De Low-Riskpolis, bedoeld in het eerste lid, is van toepassing met betrekking tot de werknemer die:
a.een dienstverband heeft waarbij het college forfaitaire loonkostensubsidie verleent,
b.niet behoort tot de doelgroep Banenafspraak, en
c.niet behoort tot de doelgroep Beschut Werk.
3Indien en zolang de Low-Riskpolis van toepassing is, verleent het college compensatie voor loonkosten tijdens een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, hierna te noemen ziekteverzuim, en wel vanaf de achtste dag van het ziekteverzuim tot en met de laatste dag daarvan, dan wel de laatste dag waarover aanspraak bestaat op forfaitaire loonkostensubsidie.
4Om voor compensatie als bedoeld in het vorige lid in aanmerking te komen, dient de werkgever tijdig via het mailadres sw.loonwaardesubsidie@amsterdam.nl melding te maken van het begin en van het einde van het ziekteverzuim. Een ziekmelding en een hersteldmelding wordt als tijdig beschouwd wanneer deze uiterlijk op de achtste dag vanaf het begin, respectievelijk het einde van het ziekteverzuim is gedaan.
5Bij een niet-tijdige melding van het ziekteverzuim verleent het college de compensatie in afwijking van het derde lid vanaf de dag van de melding. Bij een niet-tijdige melding van het einde van het ziekteverzuim kan het college de compensatie vaststellen in afwijking van het derde lid, dan wel deze geheel weigeren.
6De compensatie, bedoeld in het derde lid, wordt vastgesteld overeenkomstig de forfaitaire loonkostensubsidie, waarbij voor de hoogte van het minimumloon het bedrag wordt gehanteerd dat geldt ten tijde van de vaststelling.
7Uitbetaling van de compensatie, bedoeld in het derde lid, vindt plaats binnen zes weken na afloop van de looptijd van de forfaitaire loonkostensubsidie.
8Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2029.
Hoofdstuk 8 Beschut werk
Artikel 8.1 - Voorziening beschut werk.
1Het college kan een werkgever in staat stellen een dienstbetrekking aan te gaan of voort te zetten in het kader van beschut werk met een persoon, ten aanzien van wie het college met toepassing van artikel 10b, derde lid, van de wet heeft vastgesteld dat deze uitsluitend in beschut werk mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
2Voordat het college toepassing geeft aan het eerste lid, overtuigt het college zich ervan dat de werkgever voldoende is toegerust voor het organiseren van beschut werk, zowel in algemene zin als voor de betrokken werkzoekende in het bijzonder.
3Wanneer de werkgever, bedoeld in het eerste lid, de werknemer wil detacheren, zijn hieraan voorafgaand instemming van de werknemer en toestemming van het college nodig. Voordat het college deze toestemming verleent, overtuigt het college zich ervan dat de inlener voldoende is toegerust voor het organiseren van beschut werk.
Artikel 8.2 - Nadere voorwaarden beschut werk.
1De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor minimaal zes maanden, waarbij de werkgever de bedoeling heeft om de betrokkene aansluitend een dienstverband aan te bieden van nog eens minimaal zes maanden, of voor onbepaalde tijd.
2De werkgever betaalt het rechtens geldende loon.
3Wanneer de persoon bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, voor aanvang van de dienstbetrekking uitkeringsgerechtigde is, heeft de dienstbetrekking bij aanvang in beginsel een zodanige omvang dat de betrokkene niet langer uitkeringsgerechtigd is.
4In de arbeidsovereenkomst mag geen beperking worden gesteld aan het aanvaarden van een dienstverband bij een nieuwe werkgever.
Artikel 8.3 - Subsidie voor organiseren beschut werk
1Op diens aanvraag maakt de werkgever vanaf de start van een dienstbetrekking van 36 uur per week in het kader van beschut werk aanspraak op een subsidie van € 10.500 per jaar voor extra organisatiekosten, zoals werkplekaanpassingen en persoonlijke voorzieningen.
2Bij een dienstverband met een overeengekomen arbeidsduur die korter of langer is dan 36 uur per week en/of met een kortere looptijd dan een jaar wordt de subsidie, bedoeld in het vorige lid, op basis van evenredigheid verleend.
3Het college betaalt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, in beginsel aan de werkgever uit tegelijk met de betaling van de loonkostensubsidie Participatiewet. De betaling is te beschouwen als vaststelling van de subsidie tot en met de periode waarop de betaling betrekking heeft.
4Met ingang van een nieuw kalenderjaar wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, gewijzigd met het percentage waarmee het minimumloon gestegen is ten opzichte van het minimumloon dat gold met ingang van het voorafgaande kalenderjaar, en afgerond op een veelvoud van € 100. Gewijzigde bedragen en de ingangsdatum hiervan worden door of namens het college bekendgemaakt in het Gemeenteblad.
Artikel 8.5 - Beëindigen van de subsidie voor beschut werk.
1De subsidie, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, wordt door het college beëindigd:
a.wanneer het dienstverband eindigt;
b.wanneer de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
c.uiterlijk twaalf maanden nadat de werknemer is verhuisd naar een andere gemeente;
d.uiterlijk twaalf maanden nadat het college op advies van het UWV heeft besloten dat de werknemer niet langer behoort tot de doelgroep beschut werk;
e.wanneer de werkgever naar het oordeel van het college niet langer is toegerust op het organiseren van beschut werk of anderszins de voorwaarden voor het ontvangen van de loonkostensubsidie Participatiewet of de subsidie voor beschut werk onvoldoende nakomt.
2Wanneer het college overweegt toepassing te geven aan het eerste lid, onderdeel e, stelt het de werkgever hiervan schriftelijk in kennis. De werkgever krijgt daarbij ten minste twee maanden de tijd de voorwaarden alsnog naar behoren na te komen.
Artikel 8.6 - Tijdelijke tegemoetkoming voor loonkosten beschut werk
1Het college kan een tijdelijke tegemoetkoming voor loonkosten beschut werk verlenen aan de werkgever die in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027 in het kader van beschut werk een of meer werknemers in dienst heeft voor wie de werkgever aanspraak maakt op loonkostensubsidie Participatiewet waarbij de loonwaarde van de werknemer ten minste 33 procent bedraagt, dan wel op loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet.
2De tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt op aanvraag of ambtshalve verleend en zo veel mogelijk maandelijks uitbetaald. De uitbetaling is te beschouwen als de vaststelling.
3De hoogte van de tegemoetkoming voor een werknemer als bedoeld in het eerste lid bedraagt per maand:
OAD/36 x 0,68 WML x 1,08 x 1,25 – LKS.
Hierbij staat:
•OAD voor de overeengekomen arbeidsduur in uren per week van de werknemer;
•0,68 WML voor 68 procent van het minimumloon, geldend op de peildatum;
•1,08 voor de vermeerdering van het minimumloon met 8% vakantiebijslag overeenkomstig artikel 10d van de wet;
•1,25 voor de vermeerdering van het minimumloon en de vakantiebijslag met de vastgestelde vergoeding voor werkgeverslasten overeenkomstig artikel 10d van de wet; en
•LKS voor het bedrag van de loonkostensubsidie Participatiewet waarop de werkgever over de betreffende maand aanspraak maakt voor de werknemer.
Hoofdstuk 9 Perspectiefbaan
Artikel 9.1 - Voorziening Perspectiefbaan
1Het college kan een werkgever in staat stellen een dienstbetrekking aan te gaan in het kader van een Perspectiefbaan met een persoon, behorend tot de doelgroep van de Participatiewet, die voor zijn of haar arbeidsinschakeling is aangewezen op ondersteuning door het college.
2Een Perspectiefbaan is een baan, bestaande uit een combinatie van werken en scholing, met als doel de deelnemers door te laten stromen naar een ongesubsidieerde baan.
3Voordat het college toepassing geeft aan het eerste lid, overtuigt het college zich ervan dat de werkgever voldoende is toegerust voor het aanbieden van een Perspectiefbaan.
4Het college maakt afspraken met de werkgever over de duur van de Perspectiefbaan, de scholing en de begeleiding op de werkplek.
Artikel 9.2 - Nadere voorwaarden Perspectiefbaan.
1De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor minimaal zes maanden en maximaal twee jaar.
2De duur van de Perspectiefbaan wordt overeengekomen op basis van een ontwikkelplan dat wordt opgesteld door de werkgever en door het college goedgekeurd dient te worden.
3De omvang van de arbeidsduur van deze arbeidsovereenkomst ten behoeve van de werknemer, is in het geval van een uitkeringsgerechtigde zodanig dat de persoon niet langer uitkeringsgerechtigd is.
4De werkgever betaalt het rechtens geldende loon.
5In de arbeidsovereenkomst mag geen beperking worden gesteld aan het aanvaarden van een dienstverband bij een nieuwe werkgever.
6Wanneer de werkgever zoals bedoeld in art 9.1, eerste lid, de persoon zoals bedoeld in art 9.1, eerste lid (de werknemer) wil detacheren, is hier aan voorafgaand toestemming van het college nodig. Voordat het college deze toestemming verleent, overtuigt het college zich ervan dat de inlener voldoende is toegerust voor het aanbieden van een Perspectiefbaan.
7De Perspectiefbaan betreft een baan van waaruit de werknemer zich ontwikkelt naar een functie waar structurele krapte wordt verwacht op middellange termijn.
Artikel 9.3 - Hoogte subsidie Perspectiefbaan.
1Vanaf de start van de dienstbetrekking maakt de werkgever die de Perspectiefbaan aanbiedt aanspraak op een bijdrage, bestaande uit de volgende onderdelen:
a.Voor de duur van de dienstbetrekking, met een maximum van twee jaar, een bedrag per jaar van € 8.500;
b.Indien de werknemer aansluitend aan de Perspectiefbaan doorstroomt naar ongesubsidieerd werk waarmee de deelnemer uitkeringsonafhankelijk blijft, een eenmalige premie van:
–€ 3.000 indien sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van minimaal zes maanden, dan wel
–€ 6.000 indien sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2Bij een aanstelling met een arbeidsduur die korter is dan de normale arbeidsduur en/of met een andere looptijd dan een jaar wordt de bijdrage, bedoeld in lid 1.a, naar rato vastgesteld.
3Een subsidieverzoek van de werkgever wordt niet gehonoreerd indien de werkgever korter dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag een andere medewerker die met een tijdelijke loonkostensubsidie bij hem in dienst was en naar behoren functioneerde, geen contractverlenging heeft aangeboden.
4Een subsidieverzoek van de werkgever wordt niet gehonoreerd indien de werkgever korter dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag een werknemer (regulier of gesubsidieerd) ontslagen heeft op een soortgelijke functie.
Artikel 9.4 - Eisen aan de werkgever.
1De werkgever voldoet aan de eis voor goed werkgeverschap bij het aangaan, het uitvoeren en het beëindigen van het dienstverband met de werknemer.
2De werkgever heeft de intentie om, na het beëindigen van de Perspectiefbaan, de werknemer wederom een arbeidsovereenkomst te bieden van minimaal zes maanden en met een arbeidsduur waarmee de deelnemer uitkeringsonafhankelijk blijft.
Artikel 9.5 - Aanvraag van de subsidie Perspectiefbaan
Een aanvraag voor de subsidie dient door de werkgever te zijn ingediend voor het eindigen van de rechtsgeldige arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid.
Artikel 9.6 - Vaststelling en betaling van de subsidie
1Nadat de werkgever de benodigde bewijsstukken heeft verstrekt, stelt het college het recht op subsidie binnen een maand vast.
2Het college betaalt de subsidie binnen een maand na de vaststelling van de subsidie, onder aftrek van een eventueel betaald voorschot (zie lid 3).
3Het college kan een maand na aanvang van het dienstverband een voorschot betalen op de subsidie mits voldoende aannemelijk is dat de werkgever aan de subsidievoorwaarden voldoet en zal blijven voldoen.
Artikel 9.7 - Subsidieplafond
1Het subsidieplafond bedraagt:
a.€ 977.500 voor de jaren 2015 en 2016 samen;
b.€ 850.000 jaarlijks met ingang van 2017.
2Het college verdeelt het beschikbare subsidiebudget in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.
Artikel 9.8 - Hardheidsclausule
[vervallen]
Hoofdstuk 10 Amsterdamse Werkbrigade
Artikel 10.1 - Amsterdamse Werkbrigade
1Het college houdt uiterlijk tot en met 30 juni 2026 een Werkbrigade in stand, als voorziening waar werknemers tijdelijk aan het werk zijn en zich daarbij maximaal ontwikkelen richting regulier werk.
2Door de Werkbrigade worden werkzaamheden uitgevoerd, zo veel mogelijk in aanvulling op regulier werk en werk in het kader van de sociale werkvoorziening, die bijdragen aan de werkcompetenties en kansen op doorstroom voor de deelnemers.
3Bij de start van het dienstverband komt de belanghebbende in aanmerking voor een arbeidsovereenkomst voor zes maanden. Bij voldoende inzet van de belanghebbende en de beschikbaarheid van voldoende werk kan het dienstverband tot tweemaal worden verlengd, tot een totale duur van maximaal twee jaar.
Artikel 10.2 – Premie bij doorstroom vanuit Werkbrigade
1Het college kan aan de persoon met een dienstverband bij de Werkbrigade die doorstroomt naar een ander dienstverband, een premie toekennen van € 1.250.
2Bij de uitbetaling van de premie neemt het college het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onder j, van de Participatiewet in acht.
Artikel 10.3 - Experimenteren met innovatieve werkwijzen Werkbrigade
[vervallen]
Artikel 10.4 - Eisen aan de werkgever
[vervallen]
Artikel 10.5 - Nadere voorwaarden
[vervallen]
Artikel 10.6 - Vergoeding werkgever
[vervallen]
Artikel 10.7 - Vaststelling en betaling van de vergoeding werkgever
[vervallen]
Artikel 10.8 - Handhaving
[vervallen]
Hoofdstuk 11 Banen in het jongerenwerk
Artikel 11.1 - Baan in het jongerenwerk
1Het college kan een werkgever in staat stellen in aanvulling op diens reguliere formatie een arbeidsovereenkomst aan te gaan in het kader van een baan in het jongerenwerk met een jongere, die voor zijn of haar arbeidsinschakeling is aangewezen op ondersteuning door het college.
2Een baan in het jongerenwerk betreft een combinatie van werk en scholing, in de vorm van een tijdelijk gesubsidieerd dienstverband dat door een werkgever wordt aangegaan met een jongere met als doel het versterken van het jongerenwerk en het ontwikkelen van de competenties van de jongere om door te stroom naar regulier werk of een opleiding.
Artikel 11.2 - Eisen aan de werkgever
1Onder een werkgever zoals genoemd in artikel 11.1 wordt verstaan een stichting of organisatie, die als doelstelling heeft het aanbieden van jongerenwerk in Amsterdam en een reeds bestaande subsidierelatie heeft met de gemeente Amsterdam op grond van de Subsidieverordening sociale basis Amsterdam 2025-2030.
2De werkgever is voldoende toegerust op het begeleiden van de jongere en het aanleren van competenties.
Artikel 11.3 - Nadere voorwaarden baan in het jongerenwerk.
1De arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, kan voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd langer dan 12 maanden worden aangegaan, mits de subsidie vanuit de regeling beperkt blijft tot maximaal 12 maanden.
2De werkgever betaalt het rechtens geldende loon.
3In de arbeidsovereenkomst mag geen beperking worden gesteld aan het aanvaarden van en dienstverband bij een nieuwe werkgever.
4De arbeidsplaats waarop de jongere werkzaam wordt, dient bovenformatief te zijn en mag niet leiden tot verdringing van regulier personeel.
5Wanneer de werkgever zoals bedoeld in artikel 11.1, de jongere waarmee deze een dienstverband is aangegaan wil detacheren, is hieraan voorafgaand toestemming van het college nodig. Op de inlener is artikel 11.2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.4 – Vergoeding werkgever
1Vanaf de start van het dienstverband tot en met uiterlijk de twaalfde maand daarvan maakt de werkgever aanspraak op een vergoeding bestaande uit de volgende onderdelen, die betrekking hebben op het in dienst hebben van de jongere en het begeleiden bij de ontwikkeling van competenties van de jongere:
a.voor de duur van het dienstverband, met een maximum van een jaar, een maandelijks bedrag, ter hoogte van het geldend cao-loon, inclusief vakantietoeslag, voor de salariskosten van de deelnemer;
b.de onder a. behorende werkgeverslasten;
c.een begeleidingsvergoeding ter hoogte van € 6.000 per deelnemer per jaar.
2Bij een deeltijddienstverband wordt de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, naar rato vastgesteld.
Artikel 11.5 – Maximumaantal plekken per jaargang
1Een aanvraag voor toepassing van artikel 11.1 voor de jaargang 2025 kan uiterlijk op 30 juni 2025 worden gedaan.
2Een aanvraag voor toepassing van artikel 11.1 voor de jaargang 2026 kan worden ingediend vanaf 2 maart 2026 en uiterlijk op 1 juni 2026.
3De regeling Banen in het Jongerenwerk kent per jaargang een maximum van vijftien deelnemers.
Artikel 11.6 – Vaststelling en betaling van de vergoeding werkgever
1Nadat de werkgever de benodigde bewijsstukken heeft verstrekt, stelt het college het recht op de vergoeding werkgever binnen een maand vast.
2Het college betaalt de vergoeding binnen een maand na de vaststelling daarvan, onder aftrek van een eventueel betaald voorschot, als bedoeld in het derde lid.
3Het college kan vanaf een maand na aanvang van de arbeidsovereenkomst een voorschot betalen op de vergoeding.
Artikel 11.7 – Handhaving
1Bij onvoldoende naleving van voorwaarden door de werkgever waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan onderzoek naar de vervulling van de voorwaarden voor de vergoeding, kan het college de vergoeding aan de werkgever lager vaststellen of intrekken en latere aanspraken door de betrokken werkgever weigeren.
2Vergoedingen of voorschotten waarop de werkgever ten tijde van de verlening of naderhand geen recht had, kan het college terugvorderen, dan wel verrekenen met nog te betalen vergoedingen.