Gemeentelijke regelgeving

Nadere regels behorend bij Verordening Werken in de Openbare Ruimte Amsterdam (2024)

Gemeente Amsterdam · geldt sinds 31 oktober 2024

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op Artikel 149 Gemeentewet,

besluit de bestaande regeling Nadere Regels Werken in de Openbare Ruimte (2021) in te trekken en de volgende regeling vast te stellen:

Nadere Regels behorend bij Verordening Werken in de Openbare Ruimte Amsterdam (2024)

Hoofdstuk 3. WIOR-proces

3.4. Onderdelen van het WIOR-proces

3.4.1 Programmeren

Grote strategische opgaven moeten vroegtijdig, jaren voor uitvoering, bij Stedelijke Programmering van Stadsregie kenbaar worden gemaakt. Uiteindelijk beslist het DO-OR over de opgaven en wijst Stadsregie een tijdperiode voor uitvoering aan.

3.4.1.1 Doorlooptermijn

De opgaven moeten zo vroeg en spoedig mogelijk worden aangemeld. Zelfs als er nog veel onzekerheden zijn over de uitvoering. Hoe eerder de opgaven kenbaar worden gemaakt, hoe beter de werkzaamheden kunnen worden geprogrammeerd en uiteindelijk uitgevoerd. Nadat Stedelijke Programmering een tijdperiode heeft vastgesteld kan de coördinatie-aanmelding worden gedaan.

3.4.2 Intake

De intake start met de coördinatie-aanmelding die voor alle (strategische en niet-strategische) werkzaamheden verplicht is. Voor calamiteiten kan een uitzondering worden gemaakt.

De initiatiefnemer doet de coördinatie-aanmelding op basis van een account wat geldig blijft voor alle andere aanvragen in de toekomst.

Onder het account kan WIOR-proces verder worden doorlopen. Ook de financieel-administratieve handelingen.

Voor het verkrijgen van een account moet contact worden opgenomen met Stadsregie: wior@amsterdam.nl Een account wordt alleen verleend aan net- en assetbeheerders of in hun mandaat aan opdrachtnemers.

Op basis van de coördinatie-aanmelding wordt de samenwerking tussen de net- en assetbeheerders vormgegeven (werk met werk maken etc) en afspraken gemaakt over tracé-akkoord en BLVC-plan, waarna de vergunning of instemming kan worden aangevraagd. Latere aanmelding kan leiden tot lastiger én later inplannen van de werkzaamheden.

Op basis van de coördinatie-aanmelding van een initiatiefnemer:

•Stelt de procesbegeleider vast of de aanmelding voldoet aan de indieningsvereisten Coördinatiestelsel.

•Stelt de procesbeleider de categorie (klein, middelgroot, groot) vast op basis van het afwegingskader artikel 3. 6 Nadere Regels.

•Stelt de procesbegeleider het te doorlopen proces vast (bijvoorbeeld behandeling in Planvormingsoverleg, inschakelen casemanager bovengrondse voorziening, ontwerpvoorstel maken, wenstracéprocedure doorlopen, WWU etc.)

•Doet de casemanager Bovengrondse Voorzieningen aan de hand van de Routekaart Inpassing bovengrondse nutsvoorzieningen een procesvoorstel om te komen tot overeenstemming over locatie, vormgeving, beheer van bovengrondse voorzieningen die onder de classificatie ‘groot’ vallen van het afwegingskader 3.6 alvorens de consultatieronde wordt gestart.

•Kan verkennend vooroverleg plaatsvinden vóórdat het initiatief verder gaat in het WIOR-proces.

•Worden net- en assetbeheerders geconsulteerd of zij ‘mee’ willen in de werkzaamheden of bezwaar hebben tegen de werkzaamheden

•Worden gemeentelijke adviseurs, bijvoorbeeld voor het goed inpassen van bovengrondse voorzieningen, betrokken.

•Geeft de procesbegeleider akkoord op het verder doorlopen van het WIOR-proces.

Initiatieven kunnen worden aangemeld als:

•Concept, nog niet gereed voor het aanvangen van het WIOR-proces.

•Ter registratie ten behoeve van verkennend vooroverleg met de gemeente en andere assetbeheerders over bijvoorbeeld de juiste inpassing van een bovengrondse voorziening.

•Indienen, definitieve opvoer gereed voor het verder doorlopen van het WIOR-proces.

Bij het samenvoegen van de verschillende initiatieven kiezen de verschillende initiatiefnemers wie het project gaat organiseren. Vanaf dit moment spreken we van dé initiatiefnemer en mede-initiatiefnemers. De werkzaamheden van de initiatiefnemer ten behoeve van de gecombineerde werkzaamheden vallen onder de (te verdelen) proceskosten.

Als er bezwaren worden ingebracht tegen het initiatief dan moeten de initiatiefnemer en de inbrenger(s) van de bezwaren deze gezamenlijk oplossen. De initiatiefnemer legt in overleg met de betreffende assetbeheerder de uiteindelijke overeenstemming schriftelijk vast in de ICT applicatie van het coördinatiestelsel. Als partijen er niet uitkomen intervenieert de gemeente.

In reactie op de aanmelding geven assetbeheerders ook aan of er ongebruikte kabel- en leidingnetwerken in het projectgebied aanwezig zijn. De consultatie is daarmee tevens het Verzoek tot Informatie (VTI) als vastgesteld in de Uitvoeringsafspraken Verwijderen Ongebruikte Telecom (UVOT).

De reactietijd op een initiatief bedraagt 11 werkdagen. Als er binnen die tijd geen reactie wordt gegeven dan zijn de geconsulteerden akkoord en wensen verder geen bemoeienis met het initiatief.

Indieningsvereisten coördinatie-aanmelding:

•Intekenen van het werk

•Beschrijving van het werk

•werktekening

•Naam Project

•(Wens)planning

•Soort werk

•Werkmethode

•Eventueel eigen kenmerk van het werk

•Tracélengte

•Werktijden

•Contactpersonen

Als van toepassing:

•Aanvullingen op locatie

•Asfaltherstel vereist

•Functie locatie

•Stremmingen

Bij vergunningplichtige kabel- en leiding werken:

Tracé en werklocatie ingetekend op Oriëntatiemelding KLIC

Bij bovengrondse voorzieningen van kabel- en leidingnetwerken:

•Maatvoering

•afbeelding van de betreffende voorziening

•Afbeelding streetview

Doorlooptermijnen

De termijn waarop de aanmelding voor start van de werkzaamheden moet worden gedaan is afhankelijk van de complexiteit en of het werk bijvoorbeeld gezamenlijk of solo wordt uitgevoerd.

De onderstaande termijnen zijn minimale termijnen, maar de initiatiefnemer wordt uitgenodigd ook deze altijd zo vroeg mogelijk te melden, eventueel in concept, zodat er voldoende tijd is voor een goede voorbereiding (en daardoor een vlotte uitvoering). De organisatie van werken in de openbare ruimte van Amsterdam vraagt veel aandacht gezien de vele netwerken, de vele belanghebbenden en het intensieve gebruik van de openbare ruimte. Als de voorbereiding is afgerond (bijvoorbeeld voor de inpassing van bovengrondse voorzieningen!) en de stukken zijn op orde kan vergunning of instemming worden aangevraagd.

Tegelijkertijd kunnen werken ook sneller door het WIOR-proces als de situatie zich daarvoor leent. De gemeente streeft naar een efficiënt en effectief proces, met zo kort mogelijke doorlooptijden.

Kern is dat de verlening van vergunning en instemmingsbesluit is gebaseerd op een goede voorbereiding binnen het Coördinatiestelsel. De verder in het proces aan te vragen vergunning en instemming en het beslissen daarop, zijn niet het begin, maar het sluitstuk van de voorbereiding.

•De aanmelding van groot gecombineerd WIOR-werk waarbij de initiatiefnemer gaat samenwerken met andere initiatiefnemers gebeurt, ten behoeve van de organisatie van de gezamenlijke uitvoering, minimaal 12 maanden vóór aanvraag vergunning en instemmingsbesluit. Na het correct doorlopen van het WIOR-proces kan de vergunning of instemmingsbesluit worden aangevraagd die op basis van het doorlopen WIOR-proces wordt verleend.

•De aanmelding voor groot WIOR-werk dat solo wordt uitgevoerd en definitief kan worden aangemeld gebeurt minimaal acht weken vóór definitieve aanvraag vergunning of instemming (deze wordt immers verleend op basis van het doorlopen WIOR-proces). De behandeltermijn (WIOR-proces) van acht weken kan worden verlengd met ten hoogste acht weken.

•De aanmelding voor middelgroot WIOR-werk waarbij de initiatiefnemer gaat samenwerken met andere initiatiefnemers gebeurt, ten behoeve van de organisatie van de gezamenlijke uitvoering, minimaal 6 maanden vóór aanvraag vergunning en instemmingsbesluit. Na het correct doorlopen van het WIOR-proces kan de vergunning of instemmingsbesluit worden aangevraagd die op basis van het doorlopen WIOR-proces wordt verleend.

•De aanmelding voor middelgroot WIOR-werk dat solo wordt uitgevoerd en definitief kan worden aangemeld, gebeurt minimaal acht weken vóór definitieve aanvraag vergunning of instemming (deze wordt immers verleend op basis van het doorlopen WIOR-proces). De behandeltermijn (WIOR-proces) van acht weken kan worden verlengd met ten hoogste acht weken.

•Klein werk wordt minimaal vijf werkdagen voor geplande start van de werkzaamheden gemeld.

•Calamiteiten worden drie werkdagen voor start uitvoering gemeld, tenzij dit door de urgentie niet mogelijk is.

3.4.3 Ontwerp

Projecten die als middelgroot of groot zijn gekwalificeerd en waarbij kabel- en leidingnetwerken worden aangelegd of verlegd, doorlopen de stap ‘ontwerp’. Daarin zijn drie varianten, ’bovengrondse voorzieningen’ ‘solo’ en ‘gecombineerd’.

3.4.3.1 Bovengrondse voorzieningen

Gezien de problematiek van inpassing van bovengrondse voorzieningen dient het ontwerpvoorstel van de bovengrondse voorzieningen die onder de classificatie ‘groot’ vallen (afwegingskader 3.6) te zijn gebaseerd op goedkeuring door de gemeente van locatie, vormgeving en beheer dat is bereikt tijdens de intakefase of in het Plaberum- en PBI-proces. De casemanager van Stadsregie begeleidt dit.

3.4.3.2 Solo

Solo werken (alleen de initiatiefnemer heeft werk) doorlopen de stap ‘ontwerp’ door het indienen van een ontwerpvoorstel aan de gemeente.

3.4.3.3 Gecombineerd

Bij gecombineerde werken wordt een wenstracéprocedure doorlopen. De initiatiefnemer kan. mede namens de meegaande initiatiefnemers de wenstracéprocedure inkopen bij het IB of andere ingenieursbureaus.

Tijdens deze wenstracéprocedure stelt de initiatiefnemer, of indien deze is uitbesteed het IB of een ander ingenieursbureau, samen met de betrokken net- en assetbeheerders het ontwerpvoorstel op voor de nieuwe onder- en bovengrondse ordening van de kabel- en leidingnetwerken mede in relatie tot de overige assets.

In het belang van de voortgang van het initiatief worden de volgende doorlooptijden gehanteerd:

•Na ontvangst ‘aanvraag wenstracé’ hebben assetbeheerders 5 weken de tijd om te reageren. Op basis van de reacties wordt een akkoord wenstracé door de gemeente opgesteld.

•Na ontvangst ‘akkoord wenstracé’ hebben assetbeheerders 5 weken de tijd om te reageren. Op basis van de reacties wordt een Ontwerpvoorstel opgesteld

•Het Ontwerpvoorstel wordt voorgelegd aan de gemeente. Op basis van het Ontwerpvoorstel stelt de gemeente al dan niet een Tracé-akkoord vast

Bij werkzaamheden waarin de gemeentelijke assetbeheerder participeert, geeft deze opdracht tot het tot stand komen van de wenstracéprocedure en het opstellen van het uiteindelijke ontwerpvoorstel.

Naast het gezamenlijke ontwerp leent de wenstracéprocedure zich ook voor het onder de initiatiefnemers vaststellen van de verdeelsleutel van de projectkosten, het in beeld brengen van de verleggingen, het opruimen ongebruikte netwerken en het medegebruik.

Informatie over het doorlopen van de wenstracéprocedure is te vinden op de website van de gemeente Amsterdam.

Na goedkeuring van het ontwerp stelt de gemeente een Tracé-akkoord vast. Dit Tracé-akkoord wordt onderdeel van vergunning of instemmingsbesluit.

Ontwerpvoorstel

Ontwerpen voor solo en gecombineerde initiatieven voldoen aan de volgende voorwaarden:

•Huidige situatie middels oriëntatiemelding KLIC Kadaster.

•Het nieuwe tracé en/of de onderhoudswerken van de betreffende kabel- of leiding en de inpassing van de eventuele bovengrondse voorziening: locatie, inpandig, ondergronds, in combi, vormgeving aangepast aan de omgeving en beheeraspecten.

•Onderbouwing van het voorstel en als van toepassing expliciet aangeven waar en waarom wordt afgeweken van hoofdstuk 2 Algemene Uitvoeringsvoorschriften 2.4).

•Bij bovengrondse voorzieningen de overeenstemming met R&D, gebiedsbeheer en gebiedsmakelaar en eventueel het verslag van de stafbehandeling portefeuillehouder stadsdeel waarin de toestemming voor plaatsing is opgenomen.

•De wijze waarop eventuele bezwaren van derden uit de intakefase of wenstracéprocedure zijn weggenomen.

•Als het ontwerpvoorstel afwijkt van de eerdere aanmelding van het initiatief bij het Coördinatiestelsel dan moet in het ontwerpvoorstel worden aangegeven hoe ook de belanghebbende net – en assetbeheerders die niet zijn betrokken in de wenstracéprocedure hebben gereageerd op dit ontwerpvoorstel.

•De mogelijkheden van medegebruik.

•De niet meer gebruikte kabel- en leidingnetwerken op de locatie en voorstel tot opruimen.

•Gevectoriseerd ontwerp tekening conform het NLCS, voorzien van maatvoering in X, Y en Z-as.

•Ontwerp is voorzien van een heldere legenda, conform NLCS.

•Bij boringen het boorprofiel en de afweging waarom gekozen is voor een bepaalde sleufloze techniek, zoals persen of gestuurd boren.

Tracé-akkoord

Het ontwerpvoorstel wordt getoetst door de gemeente en bij akkoord wordt een Tracé-akkoord op het ontwerp gegeven.

Het tracé-akkoord is (als van toepassing) tevens het verzoek tot:

•Verleggen, ex art. 21 WIOR en

•Verwijderen, ex art. 20 WIOR en op basis van de Uitvoeringsafspraken Verwijderen Ongebruikte Telecom (UVOT)

•Medegebruik, ex. art. 8 WIOR

3.4.4 Projectaanpak

Na het verkrijgen van het Tracé-akkoord dient de initiatiefnemer een uitvoeringsplan (BLVC-plan Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie) in, over de fasering en de wijze van uitvoering. Dit doet hij op basis van de omgevingsscan. Doel is om de omgevingshinder en de (maatschappelijke) schade zo laag mogelijk te houden (zie de algemene uitvoeringsvoorschriften, het handboek ZWIA en de communicatiemogelijkheden). Bij gecombineerde werken doet hij dat namens de mede-initiatiefnemers.

Op basis van de impactbepaling tijdens de intake wordt de initiatiefnemer uitgenodigd voor de WWU of krijgt hij een schriftelijke reactie op het BLVC-plan.

Bij de behandeling van het BLVC-plan in de WWU krijgt de initiatiefnemer advies over eventuele aandachtspunten die aan het plan moeten worden toegevoegd.

Bij de behandeling van het plan in de WWU, adviseert de WWU de vergunningverlener (zie ook 3.8) of het plan goed is of niet. Bij geen akkoord kan het plan, na aanpassing, opnieuw geagendeerd worden voor de WWU.

Indieningsvereisten BLVC-plan

In een BLVC-plan komen (als van toepassing) de volgende zaken aan de orde:

Mogelijke effecten van het werk op de bereikbaarheid en te nemen maatregelen:

•Type stremming: wegafsluiting, verminderde doorgang, éénrichtingsverkeer, om-en-om, overig, geen stremming

•Effect stremming op modaliteiten: autoverkeer, fietsverkeer, voetgangers, openbaar vervoer (tram, metro en bus), nood- en hulpdiensten, overig (bijvoorbeeld taxi en touringcars)

•Omgevingsfactoren: scholen, ziekenhuizen, religieuze instellingen, ondernemers, in- en uitritten, andere factoren.

•Maatregelen per modaliteit: omleiding, verkeersregelaars, doorsteek, instelling VRI, loopschotten, tijdelijke ontheffing, anders

•Check: sluiten de maatregelen op elkaar aan en op eventuele andere omleidingen in de buurt?

Mogelijke effecten van het werk op de leefbaarheid en te nemen maatregelen:

•Geluidshinder

•werkzaamheden tussen 19.00 uur en 7.00 uur (de onderbouwing van de noodzaak van uitvoering in de avond of nacht en de maatregelen om de hinder zo klein mogelijk te houden en de extra communicatieactiviteiten).

•trillingen

•stankoverlast

•andere overlast (zoals fel licht)

•afname parkeervoorzieningen

•effecten op afvalvoorzieningen

•openbare toiletten, speelplekken en andere publieke voorzieningen niet toegankelijk

•pinautomaten en brievenbussen niet bereikbaar

•reclameborden niet zichtbaar

•private voorzieningen minder, slecht of niet toegankelijk: ondernemers, anders

•kunstobjecten op of naast werkterrein (zoals fonteinen, standbeelden)

•(beschermde) flora en fauna op of naast werkterrein

Mogelijke effecten van het werk op de veiligheid en te nemen maatregelen ten aanzien van:

•inzet VRI's

•openbare veiligheidsvoorzieningen (zoals camera’s)

•route waarop materiaal wordt aan- en afgeleverd: gewicht (op bruggen en kademuren) en gevaarlijke stoffen

•afscherming werkterrein en verkeersmaatregelen (toepassen CROW)

•bijzondere bodeminformatie (zoals geologische schatten, vervuiling, bommen)

•verlichting

•opslag materiaal en materieel

•ruimte om werk te passeren: alle modaliteiten

Maatregelen voor de Communicatie:

•Wie wordt wanneer en hoe over het werk geïnformeerd?

•Communicatiekalender met doelgroepen, boodschap per doelgroep, middelen per doelgroep en moment.

Voor werken op de plus- en hoofdnetten Infrastructuur gelden specifieke aandachtspunten:

•Verkeershinder op de corridors van de plus- en hoofdnetten Infrastructuur mag in principe alleen plaatsvinden tussen 22.00 uur en 06.00 uur en vanaf zaterdag 22.00 uur tot maandag 06.00 uur mits er afdoende maatregelen worden genomen om de hinder zo klein mogelijk te houden.

•In het BLVC-plan moet speciaal aandacht zijn voor het afwikkelen van het verkeer tijdens de spitstijden (06.30 – 09.30 uur en van 15.30 – 19.00 uur. Op koopavonden van 15.30 – 21.30 uur).

•Een project werkt niet op een omleidingsroute van een ander project en/of leidt geen verkeer om over wegen waar gewerkt wordt.

•Een project veroorzaakt geen hinder op parallelle (hoofd)routes.

•Niet meerdere afsluitingen op één traject (tenzij positief voor de bereikbaarheid en in overleg met de WWU).

•Een project zorgt ervoor dat in gebieden waar veel projecten uitgevoerd worden, de beoogde aan- en afvoerroutes voor het bouwverkeer de extra verkeersdruk zonder stagnatie kunnen verwerken.

•Een project leidt bij werkzaamheden rond op- en afritten van snelwegen verkeersdeelnemers via het onderliggend wegennet terug naar de oorspronkelijke afslagen.

•Als er sprake is van een onvermijdelijke samenloop van een evenement en een werk dan dient het project zodanig af te stemmen (in overleg met de vergunningverlener) dat de bereikbaarheid van het gebied gewaarborgd blijft. Let daarbij vooral op de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten.

•Bij werkzaamheden die veel overlast voor de omgeving en/of voor de weggebruikers veroorzaken, gaat de WWU na of alternatieven als ‘dubbele ploegen’, langere werktijden (7.00 tot 19.00), meer dagen per week werken, projectregie bijzondere werken (PBW), vierkant afsluiten (allemaal vormen van kort- en hevig werken) zijn overwogen. De WWU kan voorwaarden stellen aan de uitvoeringsduur (en daardoor aan de wijze van uitvoering).

Vergunning en instemmingsbesluit aanvragen

Nu Tracé-akkoord en BLVC-plan zijn vastgesteld, kan de initiatiefnemer de vergunning of instemming aanvragen voor hemzelf én de mede-initiatiefnemers.

Bij deze aanvraag hoeven geen nieuwe of aanvullende gegevens te worden versterkt. De aanvraag geschiedt geheel op basis van het account en de tijdens het WIOR-proces gegenereerde gegevens (Tracé-akkoord, BLVC-plan).

De vergunningaanvraag of de aanvraag voor instemming wordt binnen vijf werkdagen behandeld.

Eventueel kan de vergunning of het instemmingsbesluit worden gewijzigd gedurende het verleende tijdvak.

Hoofdstuk 4. Financiële regelingen

4.3 Coördinatiestelsel

4.3.1 Contributie

1Het Coördinatiestelsel wordt voor circa 2/3 deel gefinancierd uit de algemene middelen van de gemeente Amsterdam. De overige kosten worden gezamenlijk gefinancierd door de partners van het Coördinatiestelsel, te weten de betrokken gemeentelijke directies en de kabel- en leidingbeheerders.

2Jaarlijks wordt door STR een voorstel gemaakt voor de contributiehoogte. Deze wordt vervolgens vastgesteld in het Strategisch Overleg Coördinatiestelsel werken aan de weg.

4.3.2 Kostenverdeling project-kosten bij gecombineerd werk

Hieronder staan de uitgangspunten en de procedure die gelden voor gecombineerde werkzaamheden.

Uitgangspunten kostenverdeling project-kosten bij gecombineerd werk:

1Ieder draagt de kosten die toe te rekenen zijn aan de eigen werkzaamheden.

2Iedere meegaande partij maakt hiervoor een reservering in de begroting voor de eigen werkzaamheden.

3Er worden zo weinig mogelijk facturen verstuurd tussen partijen onderling.

4De kostenverdeling vindt plaats op basis van de tijd die elk van de meegaande partijen binnen het gecombineerde werk nodig heeft om de eigen werkzaamheden uit te voeren.

5De initiatiefnemer coördineert de werkzaamheden. De specifieke kosten ten behoeve van de gezamenlijke voorbereiding en uitvoering, bijvoorbeeld: het namens het gecombineerde project bijwonen van overleggen, organiseren samenwerking, het opstellen BLVC-plan en de BLVC maatregelen tijdens de uitvoering. Dubbele kosten voor de initiatiefnemers worden hiermee voorkomen en initiatiefnemers hebben hier gezamenlijk baat van. Iedere partij draagt de kosten (met name menskracht, uren) voor de eigen bijdrage in dit coördinatieproces.

6In overleg kunnen altijd afwijkende afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld wanneer met gezamenlijke bestekken of gezamenlijke directievoering wordt gewerkt of andere innovatieve uitvoeringswijzen worden afgesproken. In de praktijk blijkt dit vaak voor alle partijen gunstiger uit te pakken.

7Het maakt voor de kostenverdeling (de keuze wie initiatiefnemer wordt of mede-initiatiefnemer) niet uit wie een werk als eerste heeft aangemeld, zodat er geen belemmering is om vroegtijdig de werkzaamheden aan te melden.

Procedure kostenverdeling Projectkosten bij gecombineerd werk:

1Aan het eind van de wenstracéprocedure geven alle bij het gecombineerde werk betrokken partijen aan de initiatiefnemer op hoeveel dagen groot werk ze nodig hebben. Dit geldt ook voor eventuele gedwongen werkzaamheden zoals verplaatsing van kabels en leidingen.

2Partijen die maximaal één week nodig hebben hoeven niet mee te betalen aan de projectkosten. Uitgangspunt hierbij is dat uitvoering van deze werkzaamheden niet of nauwelijks tot verhoging van de totale projectkosten leidt.

3De noodzakelijke BLVC-maatregelen worden door de initiatiefnemer in overleg met alle meegaande initiatiefnemers opgesteld en vastgelegd in een BLVC-plan.

4Op basis van de voorlopige kostenverdeling en de raming van de kosten stuurt de initiatiefnemer offertes uit naar de meegaande partijen, waarna deze partijen opdracht verlenen aan de initiatiefnemer.

5Wanneer er gedurende het project extra BLVC-kosten moeten worden gemaakt die voor verdeling over alle betrokken partijen in aanmerking komen en die vooraf niet waren voorzien (bijvoorbeeld het inzetten van (extra) verkeersregelaars op advies van de WWU), dan worden alle betrokken partijen hiervan zo spoedig mogelijk door de initiatiefnemer op de hoogte gesteld.

6Wanneer er gedurende het project (extra) BLVC-kosten moeten worden gemaakt die duidelijk zijn toe te rekenen aan de werkzaamheden van een of een aantal der partijen, dan dragen die partijen die kosten.

7De (eind)afrekening gebeurt op basis van werkelijk gemaakte kosten. Dit geldt zowel voor de kosten zelf als voor de kostenverdeling. Wanneer een partij langer of korter heeft gewerkt dan vooraf ingeschat, dan wordt de kostenverdeling daarop aangepast.

8Facturering en betaling vinden plaats middels de bij partijen algemeen gebruikelijke wijze.

4.3.3 Kostenverdeling gevolgen werkzaamheden in vuile grond

1Bij een gecombineerd werk waarin de gemeente mee gaat zorgt de gemeente voor het historisch bodemonderzoek en draagt hiervoor de kosten.

2Bij een gecombineerd werk waarin de gemeente meegaat tbv werkzaamheden waarbij de wegverharding wordt vervangen, draagt de gemeente voor het (bovenste) deel van de bodem waarin de gemeente werkt (het CUnet), de kosten voor nader bodemonderzoek en de kosten ten gevolge van bodemverontreiniging of grond die door puin of bodemgesteldheid niet voldoende verdichtbaar is.

3Kabel- en leidingbeheerders die binnen een gecombineerd werk dieper willen werken, dragen voor dat diepere deel van de bodem zelf de onder 2 genoemde kosten.

4Bij eigen werkzaamheden is iedere partij zelf verantwoordelijk voor de onder 1 en 2 genoemde zaken en de bijbehorende kosten.

5Chemisch verontreinigde grond die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet tijdelijk mag worden uitgeplaatst, wordt op kosten van de gemeente vervangen.

Het betreft de volgende kosten:

-de kosten voor extra onderzoek;

-de kosten van extra ontgraven;

-de kosten van aanvullende PBM’s;

-het afvoeren en laten verwerken van de verontreinigde grond en het toeleveren van geschikte grond (naar het oordeel van het bevoegd gezag).

Alle overige kosten komen voor rekening van het project, zoals bijvoorbeeld vertragingskosten en terugplaatsen geschikte grond.

4.3.4 Vertragingsschade

De kosten ten gevolge van vertragingschade kunnen op de veroorzaker verhaald worden als deze verwijtbaar het gevolg zijn van afwijkingen aan afgesproken planning, werkvolgorde of uitvoeringswijze.

4.4 Herstel schade openbare ruimte (ex Artikel 26 verordening WIOR)

4.4.1 Berekening tarief standaard wegverhardingen

Uitgangspunten

De gemeente hanteert marktconforme tarieven en legt deze telkens het eind van het kalenderjaar voor het aan de partners van het Coördinatiestelsel.

4.4.2 Opbouw tarief

Het tarief betreft de beheerkosten, degeneratiekosten en onderhoudskosten. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer(s), die zelf zorg dragen voor herstel. Garantie wordt binnen het tarief afgekocht Het tarief en de opbouw zullen jaarlijks worden geëvalueerd en indien noodzakelijk worden bijgesteld.

4.4.3 Berekening tarief wegverhardingen, niet zijnde elementenverhardingen

Wegverhardingen zoals bijvoorbeeld sierbestrating, half verhardingen, natuursteen verhardingen en asfalt vallen niet onder het standaard tarief.

1Het staat de gemeente vrij om voor deze wegverhardingen herstel tarieven vast te stellen, conform de berekeningsmethodiek van de standaardtarieven en op basis van onderbouwde en marktconforme uitvoeringskosten, hierbij inbegrepen de zgn. BLVC kosten (maatregelen voor bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van de werkzaamheden)

2Indien er geen herstel tarief is vastgesteld wordt herstel van wegverharding afgerekend conform werkelijk gemaakte kosten zoals beschreven in de volgende paragraaf.

4.4.4 Overige openbare ruimte

Voor de doorberekening van overige herstelkosten (bijvoorbeeld groenvoorzieningen, bruggen, walmuren, trambanen) is geen overeengekomen berekeningssystematiek van standaardtarieven voorhanden. De doorberekening van de aan de vergunninghouder te rekenen kosten geschiedt middels onderstaande werkwijze.

1De gemeente kan een nulmeting verlangen voor rekening van de (initiatiefnemer, op basis waarvan een offerte wordt opgesteld.

2Herstel van de openbare ruimte (exclusief wegverhardingen) en realiseren en terugdraaien van tijdelijke voorzieningen geschiedt op basis van werkelijke kosten. De betreffende vergunninghouder krijgt inzicht in de gemaakte kosten.

3Als door de vergunninghouder geen opdracht tot herstel verstrekt wordt dan zal de gemeente uit eigen beweging daartoe overgaan en de kosten in rekening brengen van de desbetreffende vergunninghouder.

4.4.5 Kostensoorten

Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten bestaan uit personeelskosten, transportkosten, kosten van materiaal en uitvoeringskosten

Onderhoudskosten

De onderhoudskosten dienen ter dekking van het onderhouden van het herstelde straatwerk gedurende het eerste jaar na herstel.

Degeneratiekosten

De degeneratiekosten dienen ter dekking van het feit dat de bestrating, als gevolg van de opbreking, eerder dan gebruikelijk toe is aan groot onderhoud dan wel vernieuwing.

Beheerkosten

De beheerkosten dienen ter dekking van de kosten van toezicht op de uitvoering van het herstel, waaronder inbegrepen:

•toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel

•toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van herstel

•monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de onderhoudsperiode

•administratiekosten

4.5 Verlegregeling Amsterdam (ex Artikel 21 verordening WIOR)

4.5.1 Afbakening en begripsomschrijving

1Deze verlegregeling beschrijft de kosten die de gemeente, ter uitvoering van artikel 21 lid 2a van de verordening Werken in de Openbare Ruimte, aan de kabel- en leidingbeheerder vergoedt voor het uitvoeren van gedwongen verleggingen, waaronder wordt verstaan het nemen van maatregelen, zoals het verplaatsen van kabel- en leidinginfrastructuur, die nodig zijn voor het uitvoeren van gemeentewerken.

2Deze verlegregeling geldt voor alle kabel- en leidinginfrastructuur in de openbare ruimte in de gemeente Amsterdam met uitzondering van

•gemeentelijke riolering en toebehoren zoals putten en kolken, deze vallen onder de definitie van gemeentewerk. Verplaatsing hiervan komt voor rekening van de veroorzaker;

•kabel- en leidinginfrastructuur waarvoor een specifieke wettelijke regeling, zoals de Telecommunicatiewet, voorziet in een kostenregeling voor het verleggen hiervan;

•kabel- en leidinginfrastructuur waarvoor een nog niet beëindigde overeenkomst tussen de kabel- of leidingbeheerder en de gemeente voorziet in een kostenregeling voor het verleggen hiervan.

3Onder kabel- en leidinginfrastructuur wordt verstaan de definitie als opgenomen in de WIOR artikel 1 onder g.

4Deze verlegregeling maakt voor wat betreft ondergrondse kabels en leidingen een onderscheid in kabels en leidingen met een distributiefunctie en een transportfunctie.

5Distributiekabels en –leidingen zijn kabels en leidingen die geen transportfunctie hebben.

6Transportkabels en –leidingen zijn kabels en leidingen bestemd voor het transport tussen opwekkingsbronnen/productie-eenheden onderling en van opwekkingsbron/productie-eenheid naar wijkniveau (bijvoorbeeld wijkcentrale, onderstation), waarop niet rechtstreeks huisaansluitingen zijn aangesloten. Voor de volgende soorten kabels en leidingen is specifiek vastgesteld wat als transportkabel of –leiding wordt gedefinieerd:

soort kabel of leiding

definitie transportfunctie

elektriciteitskabels

kabels met een nominale spanning van 50 kV en hoger

gasleidingen

leidingen met een nominale druk van 1 bar en hoger

waterleidingen

leidingen met een nominale diameter van 300 mm en groter

warmte- en koudeleidingen

leidingen met een nominale diameter van 300 mm en groter

4.5.2 Inspanningsverplichting

1De gemeente en de kabel- en leidingbeheerder(s) spannen zich gezamenlijk in teneinde gedwongen verleggingen zo veel mogelijk te voorkomen door het zoeken naar reële alternatieven.

2De gemeente en de kabel- en leidingbeheerder(s) spannen zich tijdens de wenstracéprocedure gezamenlijk in teneinde de (maatschappelijke) kosten van gedwongen verleggingen zoveel mogelijk te beperken middels uitvoeringswijze en planning, bijvoorbeeld door rekening te houden met het stookseizoen.

4.5.3 Kostenvergoeding

1De gemeente vergoedt voor gedwongen verleggingen van distributiekabel- en leidinginfrastructuur aan de kabel- en leidingbeheerder een percentage van de werkelijk gemaakte kosten overeenkomstig onderstaande tabel.

leeftijd kabel/leiding in jaren

1-5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

>15

vergoeding door gemeente

100%

90%

81%

72%

63%

54%

45%

36%

27%

18%

9%

0%

2De gemeente vergoedt voor gedwongen verleggingen van transportkabels en leidingen aan de kabel- en leidingbeheerder een percentage van de werkelijk gemaakte kosten overeenkomstig onderstaande tabel.

leeftijd kabel/leiding in jaren

1-10

11

12

13

14

15

16

17

vergoeding door gemeente

100%

95%

90%

85%

80%

75%

70%

65%

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

28

29

>29

60%

55%

50%

45%

40%

35%

30%

25%

20%

15%

10%

5%

0%

3De leeftijd van de kabel- en leidinginfrastructuur wordt gerekend vanaf de datum waarop de vergunning tot leggen en/of plaatsen van de kabel- en leidinginfrastructuur in werking is getreden.

4Indien een vergunning ontbreekt, wordt de leeftijd gerekend vanaf de datum waarop het leggen en/of plaatsen volgens de (veldwerk)registratie van de kabel- en leidingbeheerder is voltooid.

5Indien de kabel- en leidingbeheerder niet kan aantonen op welke datum vergunning werd verleend, dan wel op welke datum het leggen en/of plaatsen is voltooid, wordt er voor de toepassing van deze verlegregeling van uitgegaan dat de betreffende kabel- en leidinginfrastructuur ouder is dan 15 jaar, dan wel 30 jaar of ouder is indien het transportkabels- en leidingen betreft.

6In afwijking van het onder 1 en 2 van deze paragraaf bepaalde is geen vergoeding verschuldigd indien in de voor de aanleg van de kabel- en leidinginfrastructuur verleende vergunning expliciet vermeld wordt dat binnen de termijn van 15 jaar, of 30 jaar indien het transportkabels- en leidingen betreft, verlegging ervan wordt voorzien, waarbij deze te verwachten verlegging duidelijk en niet uitsluitend in algemene termen dient te zijn omschreven.

7In afwijking van het onder 1 en 2 van deze paragraaf bepaalde vergoedt de gemeente 100% van de werkelijk gemaakte kosten indien:

a.de kabel- en leidingbeheerder niet of verwijtbaar te laat door de gemeentelijke planvoorbereider is betrokken;

b.het gaat om verplaatsing van bovengrondse voorzieningen, zoals trafostations, gasregelstations en warmte-/koude-overdrachtstations, waarvoor een recht van opstal is verleend;

c.het gaat om verplaatsing van kabels en leidingen die als rechtstreeks gevolg van de onder sub b. genoemde verplaatsing noodzakelijkerwijze dienen te worden verlegd;

d.het gaat om gedwongen verleggingen die uitsluitend worden veroorzaakt door particuliere initiatieven waarbij geen gemeentelijk belang aan de orde is en waarbij de gemeente, indien en voor zover dat in haar macht lag, heeft nagelaten aan de kabel- en leidingbeheerder een zakelijk recht te verlenen dan wel de betreffende particulier te verplichten de verlegging of verplaatsing aan de kabel- en leidingbeheerder te vergoeden. Voorbeelden van bedoelde particuliere initiatieven zijn het aanbrengen van een lift aan een bestaand gebouw, het veranderen van gevels, kleine rooilijnoverschrijdingen, het uitgeven van kleine stukjes (snipper)groen en dergelijke.

e.het gaat om in het kader van de gedwongen verlegging gemaakte herbestratings¬kosten. In de meeste gevallen waarbij sprake is van gedwongen verleggingen gaat het om zogenaamde ‘gecombineerde werken’ waarbij de gemeente zelf zorg draagt voor herbestrating en dus zelf de kosten daarvan voor haar rekening neemt.

8Uitgangspunt bij de hiervoor onder 7 sub b, c en d bedoelde vergoeding door de gemeente is dat verplaatsing en verlegging van gelijkwaardige kabel- en leidinginfrastructuur plaatsvindt.

a.Indien sprake is van een capaciteitstoename en/of andere kwantificeerbare voordelen wordt daarvoor een in redelijkheid tussen partijen vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de vergoeding door de gemeente.

b.Indien sprake is van een aantoonbare, niet gewenste, capaciteitsafname of van een aantoonbare, kwantificeerbare kwaliteitsvermindering zal naast de vergoeding een in redelijkheid tussen partijen vast te stellen bedrag worden vergoed.

9Indien vanwege de gemeentelijke werkzaamheden sprake is van meerdere (tijdelijke) verleggingen van dezelfde kabel- en leidinginfrastructuur, is op de eerste tijdelijke verlegging deze verlegregeling van toepassing en komen de kosten van de overige verleggingen ten laste van de gemeente, tenzij hierover tijdens de planvormings- of voorbereidingscoördinatie tussen de gemeente en de kabel- en leidingbeheerder andere afspraken zijn gemaakt.

10Het hiervoor onder 9 bepaalde geldt niet indien het gaat om:

c.werkzaamheden aan kunstwerken, zoals bruggen, waarin de kabel- en leidinginfrastructuur is verwerkt en waarbij de uitvoeringswijze onherroepelijk met zich meebrengt dat de kabel- en leidinginfrastructuur tijdelijk buiten het kunstwerk moet worden gebracht en hiervoor geen ander definitief tracé beschikbaar is.

d.werkzaamheden aan de riolering in straten en stegen die dusdanig smal zijn dat de riolering en de overige kabel- en leidinginfrastructuur gedwongen zodanig dicht bij elkaar liggen dat tijdelijke verlegging van de overige kabel- en leidinginfrastructuur tijdens de uitvoering onherroepelijk is.

In deze gevallen worden de totale verlegkosten van alle benodigde tijdelijke verleggingen vergoed op grond van de leeftijd van de oorspronkelijke kabel- en leidinginfrastructuur, volgens de hiervoor onder 1 en 2 weergegeven tabellen.

4.5.4 Werkelijk gemaakte kosten

1Werkelijk gemaakte kosten bestaan uit de volgende posten:

•materiaalkosten;

•kosten van het uit en in bedrijf stellen;

•kosten van ontwerp en begeleiding;

•uitvoeringskosten.

2Onder materiaalkosten wordt verstaan kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen kabel- en leidinginfrastructuur. Hieronder wordt in elk geval verstaan de kosten van kabel- en/of leidingcomponenten, kosten van werkbouwkundige en civieltechnische materialen, alsmede kosten van bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht.

3Onder kosten van uit en in bedrijf stellen wordt verstaan:

•kosten van het spanning- of produktloos maken van de kabel- en leidinginfrastructuur alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen hiervan;

•kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard. Tijdelijke voorzieningen van operationele aard zijn voorzieningen die benodigd zijn om de levering tijdens de uitvoering van een verlegging te waarborgen.

4Onder kosten van ontwerp en begeleiding wordt verstaan kosten van:

•onderzoek;

•voorontwerp;

•definitief ontwerp;

•bestek;

•aanbesteding en gunning;

•detaillering ten behoeve van de uitvoering;

•directievoering;

•oplevering;

•onderhoud- en garantietermijn.

5Onder uitvoeringskosten wordt verstaan:

•kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaam-heden (zoals werkputten en ondersteuningen);

•kosten samenhangend met de uitvoering van het verwijderen van ten gevolge van de gedwongen verlegging verlaten kabel- en leidinginfrastructuur. De ter plaatse vrijgekomen materialen zijn c.q. worden eigendom van de leidingbeheerder;

•kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen die nodig zijn in verband met de aanraking van het infrastructuurwerk (zoals overkluizingen en mantelbuizen).

•vergunningaanvraag, CAR verzekering.

4.5.5 Procedure

1De gemeente meldt voorgenomen gemeentelijke werkzaamheden, duidelijk omschreven en voorzien van duidelijke tekeningen, in een zo vroeg mogelijk stadium bij het Coördinatiestelsel en voert tijdig overleg over de consequenties met betrekking tot gedwongen verleggingen en eventuele alternatieven.

2Het aanmelden van werkzaamheden en het overleg gebeurt conform de procedures beschreven in hoofdstuk 3 (coördinatieproces).

3Ten behoeve van de wenstracéprocedure geeft de netbeheerder de gemeente goed inzicht in de ligginggegevens van de kabel- en leidinginfrastructuur.

4Gedurende de wenstracéprocedure geeft de netbeheerder aan de gemeente op basis van het gekozen alternatief een inschatting van de te verwachten werkelijke kosten van gedwongen verleggingen, zodanig dat de gemeente de te verwachten vergoeding voor de gedwongen verleggingen kan meenemen in de planvorming, (bestuurlijke) besluitvorming en voorbereiding van de gemeentelijke werkzaamheden.

5Bij deze kosteninschatting worden vermeld:

•het type kabel- en leidinginfrastructuur;

•de leeftijd van de kabel- en leidinginfrastructuur;

•de conform paragraaf 4.5.4. onderbouwde begrote/geraamde werkelijke kosten van de gedwongen verleggingen per type kabel- en leidinginfrastructuur (distributie, transport, gebouwde voorzieningen).

6Voor gemeentelijke werkzaamheden ten gevolge van stedebouwkundige plannen en/of ten behoeve van het bouwrijp maken van gronden en voor grote infrastructurele werkzaamheden geldt dat het overleg begint in het Planvormingsoverleg. De afspraken op basis van de behandeling in het Planvormingsoverleg worden overgenomen in de wenstracéprocedure.

7Voor overige werkzaamheden geldt dat het overleg begint bij de wenstracéprocedure.

8Voor alle gedwongen verleggingen geldt dat de wenstracéprocedure leidt tot het definitief vaststellen van de benodigde gedwongen verleggingen en van het nieuwe tracé na de gedwongen verlegging.

9Uitkomst van de wenstracéprocedure is het ontwerpvoorstel (zie artikelen 3.4.3.1 en 3.4.3.2) wat door de gemeente in behandeling wordt genomen en waar op basis hiervan een tracé-akkoord (ex artikel 1 onder s. verordening WIOR) wordt vastgesteld.

10Voorafgaand aan de vaststelling van het tracé-akkoord wordt tussen de gemeente en de kabel- en leidingbeheerder op basis van deze verlegregeling de begrote/geraamde kosten van de gedwongen verlegging en de mate van vergoeding hiervan door de gemeente vastgesteld.

11Het vaststellen van het Tracé-akkoord door de gemeente aan de kabel- en leidingbeheerder geldt als formeel verzoek tot verlegging.

12Indien de gemeente (een deel van) de gedwongen verlegging vergoedt, verstuurt de kabel- en leidingbeheerder naar aanleiding van het Tracé-akkoord de definitieve, conform paragraaf 4.5.4. onderbouwde kostenopgave aan de gemeente, waarna de gemeente hiervoor een betalingsopdracht verstrekt.

13Eventuele significante meerkosten komen slechts in aanmerking voor een vergoeding door de gemeente indien deze voordat ze zijn gemaakt door de kabel- en leidingbeheerder, aan de gemeente zijn gemeld en de gemeente hiermee schriftelijk akkoord is gegaan.

14Facturering en betaling vinden plaats middels de bij partijen algemeen gebruikelijke wijze.

4.5.6 Geschillen over de kostenvergoeding

1Indien geen overeenstemming wordt bereikt over de vergoeding door de gemeente dan kan aan Stadsregie worden verzocht hierover een advies te geven conform hoofdstuk 3, paragraaf 3.10

2Indien het advies van Stadsregie niet leidt tot overeenstemming over de vergoeding door de gemeente, dan neemt het college van burgemeester en wethouders hierover een besluit.

3Een geschil over de door de gemeente te betalen vergoeding zal in geen geval mogen leiden tot vertraging van werkzaamheden. De gemeente zal in die gevallen waarin nog geen overeenstemming is over de vergoeding door de gemeente en waarin B&W nog geen besluit hieromtrent hebben genomen, op voorlopige basis 50% van de door de kabel- en leidingbeheerder schriftelijk onderbouwde kosten, waarop de kabel- en leidingbeheerder op basis van deze verlegregeling recht meent te hebben, aan de kabel- en leidingbeheerder vergoeden. Na het besluit door B&W, of indien van toepassing, na afhandeling van het bezwaar en beroep hiertegen, vindt de definitieve verrekening plaats tussen de gemeente en de kabel- en leidingbeheerder.

Artikel A

De oude regeling Nadere Regels WIOR (2021) wordt ingetrokken zodra de nieuwe regeling Nadere Regels WIOR (2024) in werking treden.

Artikel B

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.

Artikel C

Deze regeling wordt aangehaald als Nadere Regels WIOR 2024.

Toelichting op de regeling Nadere Regels WIOR

Voorschriften van de verordening WIOR

De WIOR reguleert alle werkzaamheden in de openbare ruimte:

•werkzaamheden worden geprogrammeerd

•werkzaamheden worden zoveel mogelijk gecombineerd.

•kabel- en leidingnetwerken (niet zijnde openbare elektronische communicatienetwerken) worden vergund.

o bij openbare elektronische communicatienetwerken kunnen om redenen van openbare orde, veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, dan wel ondergrondse ordening in het instemmingsbesluit voorschriften worden opgenomen.

o de ligging en inpassing van kabels en leidingnetwerken (inclusief de bovengrondse voorzieningen) wordt bepaald.

•maatregelen worden voorgeschreven om de bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie (BLVC) bij werkzaamheden in stand te houden.

•Het maaiveld na afloop van de werkzaamheden weer wordt hersteld.

Doel van de Nadere Regels WIOR

Aan de verordening zijn Nadere Regels verbonden. Op hoofdlijnen zijn in de Nadere Regels de volgende onderwerpen opgenomen:

•Algemene uitvoeringsvoorschriften

Deze hebben betrekking op de wijze waarop werkzaamheden in de openbare ruimte plaatsvinden, op het herstel van de openbare ruimte (herstraten) en op de totstandkoming van kabel- en leidingentracés.

•WIOR-proces

Hierin zijn de indieningsvereisten voor het verkrijgen van vergunning en instemmingsbesluit opgenomen en het proces en de rollen, taken en verantwoordelijkheden vastgelegd waarmee de regie en de coördinatie tot stand komt. Tevens zijn vastgelegd de overlegorganen en een beschrijving van het coördinatieproces per type werkzaamheden.

•Financiële Regelingen

Hierin zijn vastgelegd de kostenverdeling van de projectkosten bij gezamenlijke (gecombineerde) werkzaamheden en de kosten ten gevolge van vuile grond bij gecombineerde werkzaamheden. Ook de berekeningssystematiek voor het herstraattarief en de verlegregeling kabels en leidingen zijn vastgelegd.

Bijlage 2 Voorschriften herstel verhardingen Amsterdam

Vanaf medio 2024 worden in Amsterdam opbrekingen hersteld door de nuts- en telecompartijen. Hieronder de eisen en randvoorwaarden die gelden bij dit herstel.

Het betreft herstel van elementenverhardingen. Asfalt en sierbestrating (natuursteen en niet standaard patronen zoals bijv. Dam) wordt definitief hersteld door gemeente. Uitgangspunt is dat de situatie van de ondergrond, de verharding en groenvoorzieningen (gras, struiken) teruggebracht dient te worden in de bestaande staat. Groenvoorzieningen worden o.b.v. verrekening werkelijke kosten hersteld door gemeente.

Hersteltermijn

Het herstel van wegen, voet- en fietspaden dient direct na voltooiing van het werk te worden uitgevoerd. In overleg met Stadswerken, afdeling Infra en Civiel, team HOOR, kan hier zo nodig van worden afgeweken. Totdat de weg geheel is hersteld dient de netbeheerder of hersteller de afzettingen en verkeersvoorzieningen in stand te houden. De hersteller dient het werk gereed te melden.

Kwaliteit herstel verhardingen

Uitgangspunt is dat voor herstel van elementenverhardingen geldt dat deze conform de aangetroffen staat terug gebracht dienen te worden. Tenzij met de toezichthouder HOOR van de gemeente anders is overeengekomen geldt dat alle weer aangebrachte elementenverhardingen ten opzichte van de ongeroerde elementen vlak bestraat dienen te worden. Binnen het weer aangebrachte straatwerk mogen geen oneffenheden voorkomen. Het straatwerk dient onder hetzelfde profiel en verband te worden bestraat als voor de werkzaamheden aanwezig was. Uitgevoerd straatwerk dient te worden afgetrild en ingeveegd met brekerzand.

Indien de toezichthouder HOOR constateert dat de herstelde verharding niet aan de gestelde eisen voldoet, zal hij de hersteller daarvan in kennis stellen. Dit vindt uiterlijk plaats de dag van herstel of de dag daarna. Daarna heeft de hersteller de gelegenheid om dit binnen vijf werkdagen te herstellen. Indien de kwaliteit dan nog niet voldoet aan de gestelde eisen zal gemeente herstel uitvoeren en in rekening brengen bij betreffende netbeheerder.

Opbrekingen in asfalt- en overige gesloten verhardingen dienen door de netbeheerder/ hersteller tijdelijk te worden dichtgeblokt met door gemeente aan te leveren betonklinkers, tenzij met de toezichthouder HOOR anders is overeengekomen. Opgebroken funderingsmateriaal mag teruggeplaatst worden onder de voorwaarde dat dit materiaal niet vermengd is met zand of grond. Is dit wel het geval dan dient dit afgevoerd en vervangen te worden. Opgebroken gebonden funderingen (hydraulisch) dienen altijd afgevoerd en vervangen te worden.

(funderingsmateriaal; menggranulaat is een korrelvormige bouwstof die wordt verkregen door het breken en zeven van beton- en metselwerkpuin. Hydraulisch (meng)granulaat is een mengsel van menggranulaat en hydraulisch slakmateriaal)

Nieuwe menggranulaat, steenkorrel aanbrengen van 30 cm dik tot 15 cm onder bovenkant maaiveld. Straatlaag (zandbed) aanbrengen tot 10 cm onder bovenkant maaiveld.

Na het afwerken van de bestrating mag geen puin, grond, zand en/of afval van de werkzaamheden op het werk meer voorkomen.

Stortbonnen en of leverbonnen voor bijvoorbeeld zand en steenkorrel, dienen beschikbaar gesteld te worden aan de toezichthouder HOOR. Dit zowel bij asfalt- als opbrekingen in elementenverhardingen.

Bestratingsmaterialen en straatmeubilair

Opbreken van verhardingen dient zorgvuldig te gebeuren, breuk van materialen moet voorkomen worden. Alle bestratingsmaterialen, trottoirbanden, opsluitbanden, palen, banken, enz. dienen in oorspronkelijke staat en onbeschadigd te worden teruggebracht. Gemeente levert vervangend materiaal indien nodig. Te leveren materialen dienen tijdig bij de toezichthouder HOOR aangegeven te worden. Wanneer blijkt dat er meer dan 5% breuk in de uit te breken bestrating voorkomt dan dient de opbrekende partij dit voor de aanvang van de werkzaamheden te melden bij de toezichthouder HOOR. Deze zorgt dan voor levering van de benodigde materialen.

Herstel ondergrond

Aanvullen: grondlagen terugplaatsen in aangetroffen staat en om de 20 cm verdichten. Bij vermenging van grondlagen deze afvoeren en nieuw materiaal aanvoeren. De grondroerder dient de stortbon over te dragen aan de toezichthouder HOOR.

De sondeerwaarde van de aanvullingen onder verhardingen dient na verdichting ten minste 95% te bedragen van de sondeerwaarde zoals deze voorafgaand aan de werkzaamheden op- of op korte afstand van de sleuf wordt aangetroffen referentiewaarde.

De controle op het aanvullen en verdichten van de sleuven dient plaats te vinden door of namens de grondroerder. De grondroerder dient de referentiewaarden en de gemeten sondeerwaarden vast te leggen. De metingen dienen verricht te worden met een (hand)sondeerapparaat of met een nucleaire verdichtingsmeter (of eventueel door middel van de proctorproef). Indien de toezichthouder HOOR hierom vraagt dient de grondroerder de meetgegevens te overleggen. Op aanwijzing van de toezichthouder HOOR dient de grondroerder steekproeven uit te voeren. De toezichthouder kan ook zelf steekproeven (laten) uitvoeren.

Indien de toezichthouder HOOR constateert dat de aanvulling c.q. verdichting niet aan de gestelde eisen voldoet, zal hij de grondroerder daarvan in kennis stellen. Daarna heeft de grondroerder de gelegenheid om dit binnen vijf werkdagen te herstellen. Eventueel te treffen BLVC maatregelen komen ten laste van de grondroerder/ hersteller.

Indien de oorzaak van slechte verdichtingsresultaten is, dat de uitgekomen grond niet voor aanvulling/verdichting geschikt is dient deze afgevoerd te worden. De grondroerder dient dan nieuwe voor aanvulling benodigde grond en/of zand op het werk te leveren en opnieuw te verwerken. Daarna vindt wederom een controle door de toezichthouder plaats.

Stortbonnen van af te voeren grond dienen beschikbaar gesteld te worden aan de toezichthouder HOOR.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.