Gemeentelijke regelgeving

Bodemenergieplan Buikslotermeerplein

Gemeente Amsterdam · geldt sinds 17 juli 2025

Aanhef

Gezien de voordracht van burgemeester en wethouders van 8 juli 2025

Gelet op:

-artikel 9.220 van het omgevingsplan gemeente Amsterdam, in samenhang met artikel 5.8 Omgevingswet,

besluit de volgende regeling vast te stellen:

Het gewijzigde Bodemenergieplan Buikslotermeerplein

Artikel 1 Begrippen in deze beleidsregel wordt verstaan onder:

a.Bodemenergiesysteem: bodemenergiesysteem als bedoeld in bijlage I, bij artikel 1.1. van het Besluit activiteiten leefomgeving;

b.Gesloten bodemenergiesysteem: gesloten bodemenergiesysteem als bedoeld in bijlage I, bij artikel 1.1, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

c.Interferentie: onderlinge thermische beïnvloeding van open en gesloten bodemenergiesystemen onderling, die kan leiden tot een hoger of later rendement van een bodemenergiesysteem;

d.Interferentiegebied Buikslotermeerplein: het door de afdelingsmanager op 6 mei 2025 aangewezen gebied ter voorkoming van negatieve interferentie tussen gesloten of bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van doelmatig gebruik van bodemenergie zoals bedoeld in artikel 22.260, derde lid, Invoeringsbesluit Omgevingswet;

e.Omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit aan leggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem of omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit open bodemenergiesysteem.

Artikel 2 Reikwijdte

Het bodemenergieplan Buikslotermeerplein, zoals hierna opgenomen vormt het toetsingskader voor het verlenen van omgevingsvergunningen.

Artikel 3 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 4 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Bodemenergieplan Buikslotermeerplein

3 Algemene toelichting

3.1 Principe bodemenergie

Artikel 3.1.1 Open en gesloten systemen

Open systemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open systemen worden meestal toegepast op dieptes tussen de 20 tot 250 meter beneden maaiveld. Een open systeem is met name rendabel bij de grotere ontwikkelingen zoals kantoren, utiliteitgebouwen, appartementencomplex of meerdere woningen.

Gesloten systemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd, bestaan uit flexibele kunststof lussen in de bodem waarmee warmte en koude aan de bodem wordt onttrokken door middel van geleiding. Er wordt geen grondwater onttrokken. Gesloten systemen worden over het algemeen gerealiseerd tot een diepte van circa 200 meter beneden maaiveld. Een systeem kan al interessant zijn voor één woning. Daarnaast worden gesloten systemen ook toegepast bij kleine utiliteitsbouw (scholen, kleine kantoren), maar in toenemende mate ook bij grotere ontwikkelingen, zoals kantoorgebouwen en appartementen complexen.

3.1.2 Indeling open systemen

De categorie van open systemen kan nader onderscheiden worden naar concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude.

Doublet en monobron

Open systemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen. Een monobron bestaat uit slechts één bron, waarbij twee filters op ongelijke diepte in de bodem gepositioneerd worden. Hierbij vormen de warme en koude bel zich onder elkaar.

Opslagsystemen en recirculatiesystemen

Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief systeem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de ene bron en geïnfiltreerd in de andere bron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd.

In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven.

Open: doublet (opslag)

Open: monobron (opslag)

Open: doublet (recirculatie)

Gesloten: bodemwarmtewisselaars

Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie

3.2 Bodemeigenschappen

3.2.1 Bodemopbouw

De bodemopbouw in de directe omgeving van Buikslotermeerplein is beschreven op basis van de volgende gegevens:

•Grondwaterkaart van Nederland;

•Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS);

•boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket;

•boorbeschrijvingen van gerealiseerde open bodemenergiesystemen in de omgeving.

Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in een aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Tabel 3.1 geeft de globale bodemopbouw in het plangebied weer. Lokaal kan de bodemopbouw variëren. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor elk individueel systeem nader te worden beschouwd.

Tabel 3.1 | Schematisatie van de bodem

diepte [m-mv]*

lithologie

geohydrologie

0– 15

klei, en zand met schelpenresten

deklaag

15– 25

matig fijn tot uiterst grof zand

1ewatervoerend pakket

25– 70

klei, leem en zand

1escheidende laag

70- 240

matig grof tot zeer grof zand met enkele kleilagen

gecombineerde 2e/3e watervoerend pakket

> 240

klei en fijn zand

hydrologische basis

* het maaiveld bevindt zich op circa -3,5 m NAP

3.2.2 Bodemgeschiktheid open bodemenergiesystemen

De bodem is geschematiseerd in twee watervoerende pakketten. Het eerste watervoerende pakket is technisch niet geschikt vanwege de geringe diepte en dikte. Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket is technisch en juridisch geschikt voor toepassing van open bodemenergiesystemen. De samenstelling van de bodem dieper dan circa 180 m-mv is onzeker vanwege de beperkte beschikbare informatie. Op basis van de boorbeschrijving van een bron van het nabijgelegen open bodemenergiesysteem van ROC, van het open bodemenergiesysteem van Hotel Asterweg (2 km ten zuidwesten) en van het open bodemenergiesysteem van NDSM (3 km ten westen) is de bodem tot (in ieder geval) een diepte van ruim 200 m-mv geschikt voor het plaatsen van bronfilters. Dit beeld komt overeen met een diepe boring uit DINOLoket op grotere afstand (circa 2 km ten noordoosten). Op basis van de beschikbare informatie wordt daarom verwacht dat tot in ieder geval 200 m-mv geschikte zandlagen aanwezig zijn waarin bronfilters geplaatst kunnen worden.

Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket is geschikt voor een open bodemenergiesysteem met een broncapaciteit van 250 m³/uur. De haalbare capaciteit van een monobron bedraagt circa 60 – 80 m³/uur.

3.2.3 Overige geohydrologische eigenschappen

De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2.

Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een open bodemenergiesysteem

Artesisch grondwater

De stijghoogte in het eerste en het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket kan boven maaiveld uitkomen. Dit wordt spanningswater of artesisch grondwater genoemd. Wanneer er een boorgat gemaakt wordt tot in deze pakketten, kan het boorgat instorten tijdens het boren door onvoldoende overdruk in het boorgat. Om dit te voorkomen moet de boorstelling verhoogd opgesteld worden. Daarnaast dient hiermee in het ontwerp van de bronkopconstructie rekening gehouden te worden, zodat eventueel onderhoud aan de bronnen goed uitgevoerd kan worden.

Zoet-/brak-/zoutovergangen en redoxovergang

Tussen 50 – 80 m-mv bevindt zich een overgang van brak naar zout grondwater en bevindt zich hiermee mogelijk in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket (opslagpakket). Op basis van ervaringen bij open bodemenergiesystemen in Amsterdam kan de overgang van brak naar zout grondwater een indicatie zijn van meer grondwaterkwaliteitsverschillen. Bij menging van grondwater met verschillende waterkwaliteiten kunnen redoxreacties optreden die verstopping van de bronnen van een open bodemenergiesysteem kan veroorzaken. Bij het, inmiddels buiten gebruik gestelde, bodemenergiesysteem van het Stadsdeelkantoor zijn dergelijke verstoppingen opgetreden. Hier volgt uit metingen in de uitgevoerde proefboring dat het grondwater bovenin het pakket brak is.

Om menging van grondwater met verschillende waterkwaliteiten te voorkomen wordt geadviseerd om de bronfilters op voldoende verticale afstand tot de overgang aan te houden. Op basis van beschikbare boorbeschrijvingen worden kleilagen op een diepte van circa 90 – 100 m-mv verwacht. Geadviseerd wordt om de bronfilters onder deze kleilagen te realiseren. Bij afwezigheid van deze kleilagen wordt geadviseerd de bronfilters vanaf circa 120 m-mv te realiseren.

Bijlage 3 - Wettelijke kaders

3.1OPEN SYSTEMEN

Het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem is onder het regime van de Omgevingswet een zogeheten milieubelastende activiteit. Op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is hiervoor een omgevingsvergunning vereist (artikel 3.19). Het Bal is een uitvoeringsbesluit onder de Omgevingswet. Op grond van het Bal gelden een aantal algemene regels (artikel 4.1148 t/m artikel 4.1157a). Dit betekent dat deze regels op rijksniveau niet als voorschriften aan de Omgevingsvergunning hoeven te worden verbonden. De provincie (Gedeputeerde Staten) is op grond van artikel 5.10, eerste lid, onder c van de Omgevingswet juncto artikel 4.6, eerste lid, onder c en tweede lid, van het Omgevingsbesluit het bevoegd gezag voor de verlenen van de omgevingsvergunning open bodemenergiesystemen.

Op grond van het Bal (artikel 2.16) is in de provinciale omgevingsverordening bepaald dat van de hiervoor vermelde vergunningplicht voor open bodemenergiesystemen wordt afgeweken als:

•het doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer dit toelaat, en

•het systeem niet meer dan 10 m³/uur onttrekt.

In deze gevallen moet het plaatsen van een open bodemenergiesysteem worden gemeld.

Als bijlage bij de vergunningaanvraag dienen de effecten van het systeem in een effectenstudie te worden gekwantificeerd. De belangrijkste aspecten bij een vergunningaanvraag zijn samengevat in Tabel 1.

Tabel 1 | Belangrijkste aspecten vergunning open systemen

aspect

toelichting

bevoegd gezag

provincie Noord-Holland

vergunningplicht

alle open bodemenergiesystemen binnen bodemenergieplan, alle open bodemenergiesystemen > 10 m³/uur buiten een bodemenergieplan

doorlooptijd

reguliere procedure (beslistermijn 8 weken) of in bepaalde gevallen de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (beslistermijn 6 maanden)

leges/publicatiekosten

de provincie rekent leges voor aanvragen voor open bodemenergiesystemen

Nadat de provincie besluit geeft genomen om het onderhavige bodemenergieplan te betrekken bij de beoordeling van vergunningsaanvragen voor open bodemenergiesystemen zal de provincie nieuwe vergunningaanvragen voor open bodemenergiesystemen, naast de op grond van het Bal algemeen geldende rijksregels, toetsen aan de beleidsregels zoals opgenomen in het bodemenergieplan.

Procedure vergunning i.h.k.v. de Omgevingswet

Voor het aanvragen van een vergunning voor een open bodemenergiesysteem geldt in principe de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Voor deze procedure geldt een beslistermijn van 8 weken. In aantal uitzonderingsgevallen zal de provincie op de aanvraag moeten beslissen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht). Deze uitzonderingsgevallen betreffen:

•als een milieueffectrapportage nodig is

•in aangewezen gevallen (artikel 10.24 Omgevingsbesluit)

•op verzoek of met instemming van de aanvrager (de provincie mag niet zelf beslissen of uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren)

Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt een beslistermijn van 6 maanden. Binnen deze procedure wordt, afwijkend van de reguliere procedure, eerst een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, voordat het definitieve besluit tot stand komt.

3.2GESLOTEN SYSTEMEN

De aanleg van gesloten systemen wordt in het kader van de Omgevingswet, gereguleerd op grond van het Bal (artikel 4.1135 t/m artikel 4.1147a). Voor het aanleggen van een gesloten systeem geldt op grond van het Bal een meldingsplicht. De gemeente (het college van burgemeester en wethouders) is op grond van het Bal (artikel 2.3) het bevoegd gezag in het kader van deze meldingsplicht.

De ten aanzien van gesloten bodemenergiesystemen geldende regels op grond van het Bal zijn niet uitputtend bedoeld. Dit betekent dat de gemeente in het omgevingsplan zogeheten (gebiedsgerichte) maatwerkregels kan opnemen of (voor individuele gevallen) maatwerkvoorschriften mag opleggen aan een initiatiefnemer, die afwijken van de algemeen geldende rijksregels dan wel deze regels aanvullen. Een maatwerkregel kan bijvoorbeeld inhouden dat – in afwijking van de in het Bal algemeen geregelde meldingsplicht (artikel 4.1136) – voor een in het omgevingsplan aangewezen gebied een omgevingsvergunning is vereist voor gesloten systemen.

Bij ontvangst van een melding of vergunningaanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem beoordeelt de gemeente of het voorgenomen systeem voldoet aan de algemene regels op rijksniveau (Bal) of aan de maatwerkregels die door de gemeente zijn opgenomen in het omgevingsplan.

De belangrijkste aspecten voor de melding of een mogelijke vergunningverlening voor gesloten systemen zijn samengevat in Tabel 2.

Tabel 2 | Belangrijkste aspecten melding en vergunning gesloten systemen

aspect

toelichting

bevoegd gezag

gemeente Amsterdam

melding

alle gesloten bodemenergiesystemen

vergunningplicht

op basis van maatwerkregel in het omgevingsplan

doorlooptijd

melding: 4 weken voor start werkzaamheden

vergunning: 8 weken beslistermijn

Overgangsrecht: vergunningplicht Bruidsschat omgevingsplan

Hiervoor is uiteengezet dat gemeenten onder de Omgevingswet ten aanzien van gesloten systemen – in afwijking van de algemeen geldende meldingsplicht - mogen bepalen waar en in welke gevallen een vergunningplicht van toepassing is. De gemeente moet deze vergunningplicht zelf regelen in een omgevingsplan. Echter, in het kader van de zogeheten Bruidsschat van de Omgevingswet geldt voor een overgangsperiode tot 2032 een vergunningplicht, die overeenkomt met het oude recht. De Bruidsschat betreft het tijdelijk deel van het omgevingsplan, dat vanaf 1 januari 2024 in werking is getreden. Op grond van artikel 22.260 Bruidsschat geldt voor gesloten systemen in de volgende gevallen een vergunningplicht:

•de aanleg of het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem binnen een door de gemeente aangewezen interferentiegebied;

•de aanleg of het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

In de tussentijd, d.w.z. tot het einde van de overgangsperiode tot 2032, mag een gemeente er voor kiezen de hiervoor genoemde vergunningplicht in de Bruidsschat te laten vervallen, aan te passen of uit te breiden.

Overgangsrecht: gemeentelijke verordening aanwijzing interferentiegebieden

Op het moment dat het plangebied van Buikslotermeerplein is aangewezen als interferentiegebied via een gemeentelijke verordening, gaat – in het kader van het overgangsrecht Omgevingswet (met bijzondere verwijzing naar het hierboven vermelde artikel 22.260 Bruidsschat) – voor alle gesloten bodemenergiesystemen als overgangsperiode tot 2032 een vergunningsplicht gelden. Een door de gemeente vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) vastgestelde gemeentelijke verordening voor aanwijzing interferentiegebieden blijft – in het kader van het overgangsrecht Omgevingswet -afzonderlijk bestaan buiten het omgevingsplan tot het einde van de overgangsperiode. Dit betekent dat uiterlijk 2031 een reeds aangewezen interferentiegebieden en de daarvoor geldende regels door de gemeente in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Als de aanwijzing van nieuwe interferentiegebieden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft plaatsgevonden, dan zal de gemeente deze gebieden en daarvoor geldende regels direct in het omgevingsplan moeten vastleggen.

In de gemeentelijke verordening is niet vastgelegd waarop een vergunningaanvraag getoetst wordt. Hiervoor kan de gemeente een gemeentelijke beleidsregel vaststellen en verankeren. In de gemeentelijke beleidsregel kan de gemeente voor het Buikslotermeerplein de regels ten aanzien van gesloten bodemenergiesystemen uit dit bodemenergieplan vastleggen. Op basis van deze regels wordt een vergunningaanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem getoetst. Hierdoor zullen gesloten bodemenergiesystemen met verticale bodemwarmtewisselaars toegestaan zijn tot een diepte van 60 m-mv. Deze regels zijn gebaseerd op het voorkomen van interferentie tussen systemen en het bevorderen van doelmatig gebruik van de ondergrond.

3.3LOZINGEN

Er zijn verschillende momenten waarop lozingen, en daarmee de wettelijke kaders voor lozingsactiviteiten, aan de orde zijn.

Boren van de bronnen (boorspoelwater)

Voor de aanleg van de bronnen van open bodemenergiesystemen moet worden geboord. Tijdens het boren komt spoelwater vrij (boorspoelwater). De hoeveelheid water die hierbij vrijkomt is beperkt, maar bevat vaak boorspoeling (bentoniet en polymeren) en vrijgekomen grond (zand, klei).

Ontwikkelen van open bronnen (ontwikkelwater)

Direct na het boren worden de bronnen van een open systeem eenmalig schoon gepompt (ontwikkelen). Het doel hiervan is om resten van het geboorde materiaal uit de bronnen te verwijderen (zand en slibdeeltjes), zodat deze niet voor verstoppingen kunnen zorgen. Tijdens het ontwikkelen komt grondwater vrij met een debiet tot maximaal 130% van het ontwerpdebiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Om de lozingshoeveelheid en het lozingsdebiet te verlagen kan gebruik worden gemaakt van filtertechnieken om vaste bestanddelen te verwijderen, waarbij het water grotendeels weer geïnfiltreerd wordt in de bodem. Het blijft echter noodzakelijk dat een gedeelte van het vrijkomende grondwater geloosd kan worden, om onder andere de filterunits terug te spoelen. Door deze manier van ontwikkelen kan het lozingsdebiet beperkt worden.

Onderhoud van open bronnen (spuiwater)

In verband met preventief onderhoud van de bronnen worden deze een aantal keer per jaar gespoeld. Bij deze actie wordt uit de bronnen enige tijd grondwater onttrokken met het maximale debiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Middels een onderhoudsfilter in de technische ruimte kan ervoor gezorgd worden dat er geen grondwater geloosd hoeft te worden. Bij een onderhoudsfilter wordt het vuil afgevangen met een zogenaamd kaarsenfilter met zeer kleine poriën. Het grondwater wordt uit de bronfilters opgepompt en wordt via het onderhoudsfilter in de bypass van het leidingcircuit in een andere bron geïnjecteerd.

Regulering van lozingen en voorkeursroutes

Voor open bodemenergiesystemen geldt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een omgevingsvergunningplicht voor het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater. Het waterschap geldt op grond van het Bal als bevoegd gezag. De voorkeursvolgorde voor lozingsroutes zal als voorschrift aan de omgevingsvergunning worden verbonden. In het Bal is op dit punt t.a.v. open bodemenergiesystemen geen algemeen geldend voorschrift opgenomen. Dit is wel het geval t.a.v. gesloten bodemenergiesystemen. In het Bal is een algemeen geldend voorschrift opgenomen voor lozingsroutes als het gaat om te lozen spoelwater. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater moet het te lozen spoelwater afkomstig van het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem worden geloosd in een vuilwaterriool of op of in de bodem. Wel kan de gemeente (als bevoegd gezag) d.m.v. van het stellen van een zogeheten maatwerkvoorschrift afwijken van dit algemeen geldend voorschrift en een andere lozingsroute toestaan.

De lozingen van het water voor het ontwikkelen van bronnen voor een open bodemenergiesysteem geeft de grootste lozingsvolumes. Volgens de voorkeursvolgorde voor lozingen heeft het terugbrengen van het grondwater de voorkeur. Dit is echter een kostbare en inefficiënte methode, omdat aanvullende voorzieningen voor filtering en infiltratie aangelegd moeten worden en het ontwikkeldebiet verlaagd moet worden om te kunnen infiltreren. Hierdoor kost het meer tijd om te bronnen te ontwikkelen en is de kans groter dat niet alle restverstoppingen verwijderd worden. Daarnaast is het nog steeds nodig om een kleine waterhoeveelheid te lozen. Het lozen van het ontwikkelwater op het oppervlaktewater heeft daarom de voorkeur. Mocht dit niet mogelijk zijn, moet het grondwater geloosd worden op een vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel. Aanbevolen wordt om in een vroeg stadium in overleg te treden met het bevoegd gezag om de mogelijkheden voor lozen te bespreken.

Ten aanzien van het lozen op oppervlaktewater is hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier bevoegd gezag. Het beleid en informatie over het indienen van een vergunning of doen van een melding staat beschreven op de website van het hoogheemraadschap.

Voor het lozen van grondwater op het riool zijn in de gemeente Amsterdam in het omgevingsplan regels opgenomen. De belangrijkste regels

2Deze regels gelden op het moment van schrijven (oktober 2024) maar kunnen in de toekomst gewijzigd worden.

, niet uitputtend, zijn dat er maximaal 5 m³/uur geloosd mag worden en dat bij onderhoud van nieuwe bodemenergiesystemen lozen op het riool niet is toegestaan.

Bijlage 4 – Kentallen en uitgangspunten

4.1KENTALLEN

Tabel 1 | Kentallen gebouwfuncties op basis van BENG (nieuwbouw) bepaald per gebruiksoppervlakte (GO)

gebouwfunctie

warmtevraag ruimteverwarming

[kWh/m²/jaar]

tapwater vraag

[kWh/m²/jaar]

warmtevermogen

[W/m²]

koudevraag

[kWh/m²/jaar]

koelvermogen

[W/m²]

Werk & utiliteit

38

-

40

45

65

Woning (sociaal/midden)

33

28

35

12

15

Woning (vrije sector)

33

19

35

12

15

Tabel 2 | Energetische uitgangspunten: dT, COP en SPF

warmtelevering

koeling

dTontwerp

6,0

8,0

dTgemiddeld

5,0

5,0

COP/SPF ruimteverwarming-/koeling

4,5

4,5

COP/SPF tapwater

3,0

-

Tabel 3 | Verdeling jaarlijkse energievraag en vermogens

passief

(direct uit bronnen)

actief

(via warmtepomp)

verwarmingsvermogen

-

100%

warmtevraag

-

100%

koelvermogen

100%

-

koudevraag

100%

-

4.2BOUWPROGRAMMA – SAMENVATTING

Tabel 4 | Bouwprogramma per deelgebied ([m²] BVO per gebouwfuntie)

Deelgebied

Woning (sociaal/midden)

[m²] BVO

Kantoor/utiliteit

[m²] BVO

Woning (vrije sector)

[m²] BVO

Centrumplein

67.174

68.718

16.794

Winkelcentrum

103.720

84.166

25.930

Olof Palmeplein

14.994

10.050

3.749

Totaal

185.889

162.934

46.472

4.3BOUWPROGRAMMA – DETAIL

Tabel 5 | Bouwprogramma detail ([m²] BVO

Naam gebouw

Deelgebied

Gebouwsfunctie 1

Oppervlakte

Gebouwsfunctie 2

Oppervlakte

[m²]

[m²]

A1

Centrumplein

Woning (sociaal/midden)

21.666

Woning (vrije sector)

5.417

A2

Centrumplein

Woning (sociaal/midden)

16.656

Woning (vrije sector)

4.164

A3

Centrumplein

Woning (sociaal/midden)

10.480

Woning (vrije sector)

2.620

A4

Centrumplein

Woning (sociaal/midden)

-

Woning (vrije sector)

-

A5

Centrumplein

Woning (sociaal/midden)

18.372

Woning (vrije sector)

4.593

A6

Centrumplein

Woning (sociaal/midden)

-

Woning (vrije sector)

-

Bioscoop

Centrumplein

Woning (sociaal/midden)

-

Woning (vrije sector)

-

B1

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

12.800

Woning (vrije sector)

3.200

B2

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

24.800

Woning (vrije sector)

6.200

B3

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

-

Woning (vrije sector)

-

B4

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

9.600

Woning (vrije sector)

2.400

B5

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

31.160

Woning (vrije sector)

7.790

B6

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

-

Woning (vrije sector)

-

B7

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

17.360

Woning (vrije sector)

4.340

B8

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

8.000

Woning (vrije sector)

2.000

B9

Winkelcentrum

Woning (sociaal/midden)

-

Woning (vrije sector)

-

Olof Palmeplein

Olof Palmeplein

Woning (sociaal/midden)

14.994

Woning (vrije sector)

3.749

Tabel 6 | Bouwprogramma detail ([m²] BVO vervolg

Naam gebouw

Deelgebied

Gebouwsfunctie 3

Oppervlakte

[m²]

A1

Centrumplein

Kantoor/utiliteit

11.082

A2

Centrumplein

Kantoor/utiliteit

8.251

A3

Centrumplein

Kantoor/utiliteit

5.160

A4

Centrumplein

Kantoor/utiliteit

1.800

A5

Centrumplein

Kantoor/utiliteit

4.925

A6

Centrumplein

Kantoor/utiliteit

24.000

Bioscoop

Centrumplein

Kantoor/utiliteit

13.500

B1

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

14.750

B2

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

11.710

B3

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

-

B4

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

6.789

B5

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

28.382

B6

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

1.270

B7

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

11.055

B8

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

2.150

B9

Winkelcentrum

Kantoor/utiliteit

8.060

C1

Olof Palmeplein

Kantoor/utiliteit

10.050

Bijlage 5 - Bronnen uitgangspunten

Tabel 1 | Bronnen uitgangspunten

bron

gebruikt bij

bronhouder

datum ontvangen

240319_centrumplein_programma.pdf

energieinventarisatie

gemeente

19-03-2024

240318_bsmp_centrumplein inc programma.pdf

energieinventarisatie

gemeente

19-03-2024

initiatieven overzicht_Totaal.jpg

energieinventarisatie

gemeente

14-05-2024

WAA-000-000 - Buikslotermeerplein - Rev.G.pdf

energieinventarisatie

Vattenfall

25-04-2024

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.