Aanhef
Gezien de voordracht van burgemeester en wethouders van 29 november 2022 ;
Gelet op:
artikel 2.1, eerste lid, onder i, in samenhang met artikel 2.4. eerste lid Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 2.2a, zesde lid, Besluit omgevingsrecht,
besluit de volgende regeling vast te stellen:
Bodemenergieplan Klaprozenbuurt Amsterdam
Artikel 1Begrippen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a.college: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Amsterdam;
b.gesloten bodemenergiesysteem: installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig;
c.interferentie: onderlinge thermische beïnvloeding van open en gesloten bodemenergiesystemen onderling, die kan leiden tot een hoger of lager rendement van een bodemenergiesysteem;
d.interferentiegebied Klaprozenbuurt Amsterdam: het door het college op 29 november 2022 aangewezen gebied ter voorkoming van negatieve interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van doelmatig gebruik van bodemenergie zoals bedoeld in art. 2.2b Besluit omgevingsrecht.
e.omgevingsvergunning beperkte milieutoets gesloten bodemenergiesysteem: vergunning voor gesloten bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 2.2a lid 6 Besluit omgevingsrecht.
f.open bodemenergiesysteem: installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen en warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening.
Artikel 2 Reikwijdte
Dit bodemenergieplan vormt het toetsingskader voor het bevoegd gezag en de vergunningverlenende instanties die de vergunningaanvragen voor bodem energiesystemen in Klaprozenbuurt behandelen.
Artikel 3 Doel van het bodemenergieplan
Het doel van het bodemenergieplan is om in interferentiegebied Klaprozenbuurt Amsterdam het gebruik van bodemenergie te optimaliseren, negatieve interferentie en ondoelmatig gebruik van bodemenergie te voorkomen.
Artikel 4 Toetsingskader vergunningaanvraag gesloten bodemenergiesysteem gelegen in interferentiegebied Klaprozenbuurt Amsterdam
Door het bodemenergieplan Klaprozenbuurt vast te stellen, besluit het College de gebruiksregels zoals opgenomen in het bodemenergieplan Klaprozenbuurt leidend te laten zijn als toetsingskader bij het verlenen van vergunningen voor bodemenergiesystemen in het plangebied Klaprozenbuurt.
Artikel 5 Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.
Artikel 6 Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als Bodemenergieplan Klaprozenbuurt.
3 Algemene toelichting
3.1 Principe bodemenergie
3.1.1 Open en gesloten systemen
Open systemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open systemen worden meestal toegepast op dieptes tussen de 20 tot 250 meter beneden maaiveld. Een open systeem is met name rendabel bij de grotere ontwikkelingen vanaf circa 50 woningen, kantoren en andere utiliteitgebouwen.
Gesloten systemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd, bestaan uit flexibele kunststof lussen in de bodem waarmee warmte en koude aan de bodem wordt onttrokken door middel van geleiding. Er wordt geen grondwater onttrokken. Gesloten systemen worden over het algemeen gerealiseerd tot een diepte van circa 200 meter beneden maaiveld. Een systeem kan al interessant zijn voor één woning. Daarnaast worden gesloten systemen ook toegepast bij kleine utiliteitsbouw (scholen, kleine kantoren), maar in toenemende mate ook bij grotere ontwikkelingen, zoals kantoorgebouwen en appartementen complexen.
3.1.2 Indeling open systemen
De categorie van open systemen kan nader onderscheiden worden naar concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude.
Doublet en monobron
Open systemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen. Een monobron bestaat uit slechts één bron, waarbij twee filters op ongelijke diepte in de bodem gepositioneerd worden. Hierbij vormen de warme en koude bel zich onder elkaar.
Opslagsystemen en recirculatiesystemen
Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief systeem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de ene bron en geïnfiltreerd in de andere bron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd.
In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven.
Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie
3.2 bodemeigenschappen
3.2.1 Bodemopbouw
De bodemopbouw in de directe omgeving van de Klaprozenbuurt is beschreven op basis van de volgende gegevens:
-Grondwaterkaart van Nederland
-Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS)
-Boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket
-Boorbeschrijvingen van omliggende bodemenergiesystemen
Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in een aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Tabel 3.1 geeft de globale bodemopbouw in het plangebied weer. Lokaal kan de bodemopbouw variëren. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor elk individueel systeem nader te worden beschouwd.
Tabel 3.1 | Schematisatie van de bodem
diepte [m-mv]*
lithologie
geohydrologie
0– 15
klei, en zand met schelpenresten
deklaag
15– 30
matig fijn tot uiterst grof zand
1ewatervoerend pakket
30- 65
klei
1escheidende laag
65- 240
matig grof tot zeer grof zand met enkele kleilagen
gecombineerde 2e/3e watervoerend pakket
> 240
klei en fijn zand
hydrologische basis
* het maaiveld bevindt zich op circa 1 m+NAP
3.2.2 Bodemgeschiktheid open bodemenergiesystemen
De bodem is geschematiseerd in twee watervoerende pakketten. Het eerste watervoerende pakket is technisch niet geschikt wegens de geringe diepte en geringe dikte. Het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket is technisch en juridisch geschikt voor toepassing van open bodemenergie. Dit pakket is geschikt voor een open bodemenergiesysteem met een broncapaciteit van 250 m³/uur. De haalbare capaciteit van een monobron bedraagt circa 60 – 80 m³/uur.
3.2.3 Bodemgeschiktheid gesloten bodemenergiesystemen
Voor het benutten van het maximale potentieel aan bodemenergie in de Klaprozenbuurt is een scheiding tussen de open en gesloten bodemenergiesystemen aangehouden. Voor een eenduidige en eenvoudig ordening is het uitgangspunt dat open bodemenergiesystemen toegepast kunnen worden in het tweede of het derde watervoerende pakket vanaf een diepte van 100 m-mv en de gesloten systemen tot een diepte van 90 m-mv. Hiermee kan kavel specifiek worden gekozen en is het ook mogelijk om open en gesloten bodemenergiesystemen “boven” elkaar te realiseren.
3.2.4 Overige geohydrologische eigenschappen open en gesloten bodemenergiesystemen
De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open en gesloten bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2.
Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een bodemenergiesysteem
1Zoet-/brak-/zoutovergangen en redoxovergang
Tussen 50 – 80 m-mv bevindt zich een overgang van brak naar zout grondwater en bevindt zich hiermee mogelijk in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket (opslagpakket). Op basis van ervaringen bij open bodemenergiesystemen in Amsterdam kan de overgang van brak naar zout grondwater een indicatie zijn van meer grondwaterkwaliteitsverschillen . Bij menging van grondwater met verschillende waterkwaliteiten kunnen redoxreacties optreden die verstopping van de bronnen van een open bodemenergiesysteem kan veroorzaken.
Om deze menging te voorkomen wordt geadviseerd om de bronfilters op voldoende verticale afstand tot de overgang aan te houden. Op basis van beschikbare boorbeschrijvingen worden kleilagen op een diepte van circa 90 – 100 m-mv verwacht. Geadviseerd wordt om de bronfilters onder deze kleilagen te realiseren. Bij afwezigheid van deze kleilagen wordt geadviseerd de bronfilters vanaf circa 120 m-mv te realiseren.
Dit aspect speelt geen rol bij het toepassen van gesloten bodemenergiesystemen.
3.4 Juridische kader bodemenergie
3.4.1 Open bodemenergiesystemen
Het onttrekken en infiltreren van grondwater met een open bodemenergiesysteem met een capaciteit groter dan 10 m³/uur is in de provincie Noord-Holland vergunningplichtig in het kader van de Waterwet. Binnen een interferentiegebied zijn alle open bodemenergiesystemen vergunningplichtig conform de Waterverordening provincie Noord-Holland. Als bijlage bij de vergunningaanvraag dienen de effecten van het systeem in een effectenstudie te worden gekwantificeerd. De belangrijkste aspecten bij een vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet zijn samengevat in Tabel 3.6 en daaronder nader toegelicht.
Tabel 3.6 | Belangrijkste aspecten vergunning open systemen
aspect
toelichting
bevoegd gezag
provincie Noord-Holland
vergunningplicht
alle open systemen binnen interferentiegebieden en systemen > 10 m³/uur buiten interferentiegebieden
doorlooptijd
Reguliere procedure: 8 weken tot publicatie definitieve beschikking.
Uitgebreide procedure: 6 maanden tot publicatie definitieve beschikking.
leges/publicatiekosten
De provincie rekent leges voor open bodemenergiesystemen. De voorwaarden en tarieven
zijn vastgelegd in de provinciale Legesverordening en Legestarieventabel.
juridische voorwaarden
-uitvoeren m.e.r. beoordeling
-een open bodemenergiesysteem moet in één watervoerende pakket gerealiseerd worden;
-de gemiddelde infiltratietemperatuur in de bronnen mag niet hoger zijn dan 25 °C;
-vanaf het moment dat het bodemenergiesysteem twee jaar in gebruik is, bedraagt de productiviteit in ieder daarop volgend kalenderjaar tenminste 0,00465 MWh/m³ (delta T van minimaal 4°C);
-bodemenergiesystemen mogen geen negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving;
-verzilting van het zoete grondwater dient te worden voorkomen;
-een koudeoverschot is toegestaan en een warmteoverschot in principe verboden, de provincie heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken indien dat in het belang is van doelmatig gebruik van bodemenergie.
De genoemde juridische voorwaarden zijn afgeleid uit de Wet milieubeheer, het Waterbesluit, de Verkenning Ondergrondvisie Noord-Holland, de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en het Milieubeleidsplan 2015-2018. Een deel van deze (en andere) voorwaarden gesteld aan het installeren en het in werking hebben van een open systeem staan in meer detail in de artikelen 6.11a tot en met 6.11i van het Waterbesluit.
Procedure
Voor een vergunningaanvraag Waterwet geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure duurt circa 8 weken. De provincie heeft de mogelijkheid om op de aanvraag te beslissen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht). Deze procedure duurt circa 6 maanden. Binnen deze procedure wordt, afwijkend van de reguliere procedure, eerst een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, voordat het definitieve besluit uitkomt.
Voor elke vergunningaanvraag voor een bodemenergiesysteem in het kader van de Waterwet dient een formele m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Voor systemen met een waterverplaatsing van minder dan 1.500.000 m³/jaar geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling en hoeft bij het indienen van de vergunningaanvraag Waterwet geen m.e.r.-beoordelingsbesluit toegevoegd te worden. De m.e.r.-beoordeling kan plaatsvinden parallel aan de procedure van de vergunningaanvraag Waterwet. Middels een korte notitie wordt het initiatief aangemeld voor de m.e.r.-beoordeling.
Nadat de gemeente een interferentiegebied heeft aangewezen, kan zij een verzoek indienen bij de provincie om het bodemenergieplan te gebruiken bij de vergunningverlening in het kader van de Waterwet. De provincie zal dan, na goedkeuring van het bodemenergieplan, nieuwe vergunningaanvragen Waterwet voor open bodemenergiesystemen toetsen aan de gebruikersregels uit het bodemenergieplan.
3.4.2 Gesloten bodemenergiesystemen
Gesloten systemen zijn meldings- en soms vergunningplichtig. Alle gesloten systemen moeten tenminste gemeld worden (conform het Besluit lozen buiten inrichting of Activiteitenbesluit milieubeheer). Voor gesloten systemen met een bodemzijdig vermogen groter dan of gelijk aan 70 kW, alsmede alle systemen die in een interferentiegebied worden gerealiseerd, moet ook een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (gemeente Amsterdam). De belangrijkste aspecten voor de melding en vergunningverlening voor gesloten systemen zijn samengevat in Tabel 3.7 en daaronder nader toegelicht.
Tabel 3.7 | Belangrijkste aspecten melding en vergunning gesloten systemen
aspect
toelichting
bevoegd gezag
gemeente Amsterdam
melding
alle systemen
vergunningplicht
≥ 70 kW of ligging in interferentiegebied
doorlooptijd
melding: 4 weken voor start werkzaamheden
vergunning: 8 weken tot publicatie definitieve beschikking (OBM)
belangrijkste algemene regels
-de temperatuur van de circulatievloeistof mag niet hoger zijn dan 30 °C en niet lager zijn dan -3 °C, de gemeente heeft de mogelijkheid om een hogere temperatuur toe te staan;
-bij vermoedelijke lekkage: onmiddellijk buiten werking stellen en circulatievloeistof verwijderen (tenzij de circulatievloeistof uit alleen water bestaat);
-gesloten bodemenergiesystemen mogen geen ontoelaatbare negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving;
-een koudeoverschot is in principe toegestaan en een warmteoverschot verboden, de gemeente heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken.
Deze (en andere) voorschriften gesteld aan het installeren en het in werking hebben van gesloten bodemenergiesystemen zijn opgenomen in hoofdstuk 3a van het Besluit lozen buiten inrichting en paragraaf 3.2.8 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Op het moment dat de Klaprozenbuurt is aangewezen als interferentiegebied via een gemeentelijke verordening, gaat voor alle gesloten bodemenergiesystemen een vergunningsplicht gelden. Door het vaststellen en verankeren van een gemeentelijke beleidsregel kan de gemeente vastleggen op basis van welke regels een vergunningaanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem wordt getoetst. Deze regels zijn gebaseerd op het voorkomen van interferentie tussen systemen en het bevorderen van doelmatig gebruik van de ondergrond voor zowel open als gesloten bodemenergiesystemen. Dit kan betekenen dat de gemeentelijke beleidsregel beperkingen oplegt aan de aanleg van gesloten systemen.
3.4.3 Lozingen
Er zijn verschillende momenten waarop lozingen, en daarmee de wettelijke kaders voor lozingsactiviteiten, aan de orde zijn.
Boren van de bronnen/lussen (boorspoelwater)
Voor de aanleg van de bronnen van open systemen en de lussen van gesloten systemen moet worden geboord. Tijdens het boren komt spoelwater vrij (boorspoelwater). De hoeveelheid water die hierbij vrijkomt is beperkt, maar bevat vaak boorspoeling (bentoniet en polymeren) en vrijgekomen grond (zand, klei).
Ontwikkelen van open bronnen (ontwikkelwater)
Direct na het boren worden de bronnen van een open systeem eenmalig schoon gepompt (ontwikkelen). Het doel hiervan is om resten van het geboorde materiaal uit de bronnen te verwijderen (zand en slibdeeltjes), zodat deze niet voor verstoppingen kunnen zorgen. Tijdens het ontwikkelen komt grondwater vrij met een debiet tot maximaal 130% van het ontwerpdebiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Om de lozingshoeveelheid en het lozingsdebiet te verlagen kan gebruik worden gemaakt van filtertechnieken om vaste bestanddelen te verwijderen, waarbij het water grotendeels weer geïnfiltreerd wordt in de bodem. Het blijft echter noodzakelijk dat een gedeelte van het vrijkomende grondwater geloosd kan worden, om onder andere de filterunits terug te spoelen. Door deze manier van ontwikkelen kan het lozingsdebiet beperkt worden.
Onderhoud van open bronnen (spuiwater)
In verband met preventief onderhoud van de bronnen worden deze een aantal keer per jaar gespoeld. Bij deze actie wordt uit de bronnen enige tijd grondwater onttrokken met het maximale debiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Middels een onderhoudsfilter in de technische ruimte kan ervoor gezorgd worden dat er geen grondwater geloosd hoeft te worden. Bij een onderhoudsfilter wordt het vuil afgevangen met een zogenaamd kaarsenfilter met zeer kleine poriën. Het grondwater wordt uit de bronfilters opgepompt en wordt via het onderhoudsfilter in de bypass van het leidingcircuit in een andere bron geïnjecteerd.
Regulering van lozingen en voorkeursroutes
Met de inwerkingtreding van de AMvB Bodemenergie zijn voorkeursvolgordes voor lozingen gedefinieerd. Hierbij worden twee type lozingen onderscheiden:
-lozen van boorspoelwater (open en gesloten systemen);
-lozen van ontwikkel- en beheerwater (alleen open systemen).
Door de specifieke kenmerken van deze stromen geldt er een voorkeursvolgorde voor de lozingsroute. Lokale omstandigheden kunnen aanleiding zijn om af te wijken van deze volgorde. Onderstaande tabel geeft de voorkeursvolgorde weer.
Tabel 3.8 | Voorkeursvolgorde lozen vanuit AMvB Bodemenergie
type afvalwater
voorkeursvolgorde lozing (bevoegd gezag)
Boorspoelwater
(open en gesloten systemen)
1vuilwaterriool (gemeente)
2op de bodem (gemeente)
3overige lozingsmethoden
In de bodem en op het schoonwaterriool is niet toegestaan
Ontwikkel- en beheerwater
(open systemen)
1in de bodem (provincie)
2oppervlaktewater (Waterschap of Rijkswaterstaat)
3schoonwaterriool (gemeente)
4vuilwaterriool (gemeente)
5externe verwerker
Het Besluit lozen buiten inrichtingen bevat regels voor een groot aantal categorieën van lozingen die het gevolg zijn van activiteiten die plaatsvinden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Lozingen vanuit inrichtingen vallen onder het Activiteitenbesluit. Het besluit geldt voor alle lozingsroutes: zowel lozingen op oppervlaktewater, de bodem als de riolering.
De lozingen van het water voor het ontwikkelen van open bronnen geeft de grootste lozingsvolumes. Conform de voorkeursvolgorde voor lozingen heeft het terugbrengen van het grondwater de voorkeur. Dit is echter een kostbare methode en door het beperken van het ontwikkeldebiet kunnen de bronnen niet optimaal ontwikkeld worden. Daarnaast is het nog steeds nodig om een kleine waterhoeveelheid te lozen. Het lozen van het ontwikkelwater op het oppervlaktewater (het IJ) heeft daarom de voorkeur. Mocht dit niet mogelijk zijn dan geldt conform het beleid van Waternet en Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied dat zoveel mogelijk grondwater wordt teruggebracht in de bodem en dat een beperkt debiet (maximaal 5 m³/uur) geloosd mag worden op een vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel. De verplichtingen die hieraan verbonden zijn, zijn te lezen in de Memo lozingsbeleid open bodemenergiesysteem 11 maart 2019, welke op te vragen is bij de omgevingsdienst. Aanbevolen wordt om in een vroeg stadium in overleg te treden met het bevoegd gezag om de mogelijkheden voor lozen te bespreken.
Het beleid ten aanzien van het lozen op oppervlaktewater wordt vastgesteld door de beheerder van het betreffende water. In het geval van het IJ wordt dit beleid geformuleerd en uitgevoerd door Rijkswaterstaat.
Bijlage II Tabellen bouwprogramma en energie
In deze bijlage zijn additionele tabellen weergeven waarin de geleverde informatie uitgesplitst is per deelgebied. Ook zijn hier de resultaten van de uitgevoerde berekeningen opgenomen.
Tabel 1 | Oppervlaktes bouwblokken in m² BVO in de Klaprozenbuurt. Dit is inclusief een extra marge van 15% bovenop de vastgestelde oppervlaktes.
bouwblokken
woningen
werk & utiliteit
totalen
A1
13.800
3.450
17.250
A2
20.240
5.060
25.300
A3
25.208
6.302
31.510
A4
13.800
3.450
17.250
B
22.382
2.487
24.869
C9-C14
23.391
2.599
25.990
C1-8
24.323
2.703
27.025
D
40.020
10.005
50.025
E
27.140
6.785
33.925
F
-
-
-
G
22.080
7.360
29.440
Hgis
-
11.500
11.500
J
20.700
5.175
25.875
K1+2
230
230
460
L
-
361
361
M
-
230
230
Totaal
253.313
67.696
321.010
Tabel 2 | Gebouwzijdige vraag en vermogens in de Klaprozenbuurt
bouwblokken
warmtevraag ruimteverwarming [MWh]
warmtevraag tapwater [MWh]
verwarmingsvermogen [kW]
koudevraag [MWh]
koelvermogen [kW]
tapwatervermogen [kW]
A1
520
330
550
300
400
290
A2
760
480
800
430
590
430
A3
950
600
1.000
540
730
540
A4
520
330
550
300
400
290
B
720
530
770
340
450
480
C9-C14
750
560
800
360
470
500
C1-8
780
580
830
370
490
520
D
1.160
950
1.230
450
580
850
E
1.020
650
1.080
580
790
580
F
-
-
-
-
-
-
G
900
530
950
560
760
470
Hgis
440
-
460
520
750
-
J
780
490
820
440
600
440
K1+2
20
10
20
10
20
-
L
10
-
10
20
20
-
M
10
-
10
10
10
-
Totaal
9.340
6.040
9.880
5.230
7.060
5.390
Tabel 3 | Bodemzijdige vraag en vermogens in de Klaprozenbuurt
bouwblokken
warmtevraag [MWh]
verwarmingsvermogen [kW]
koudevraag [MWh]
passief koelvermogen [kW]
onbalans bodem (warmte-koude) [MWh]
A1
620
430
300
400
330
A2
910
630
430
590
480
A3
1.140
780
540
730
600
A4
620
430
300
400
330
B
920
600
340
450
580
C9-C14
960
620
360
470
600
C1-8
1.000
650
370
490
630
D
1.540
960
450
580
1.080
E
1.220
840
580
790
640
F
-
-
-
-
-
G
1.050
740
560
760
490
Hgis
340
360
520
750
-180
J
930
640
440
600
490
K1+2
20
10
10
20
-
L
10
10
20
20
-10
M
10
10
10
10
-
Totaal
11.290
7.710
5.230
7.060
6.060
Tabel 4 | Benodigde waterverplaatsing en debiet in de Klaprozenbuurt
bouwblokken
waterverplaatsing warmtelevering [m³/jaar]
waterverplaatsing koeling [m³/jaar]
debiet warmtelevering [m³/h]
debiet koeling [m³/h]
A1
107.000
107.000
60
60
A2
157.000
157.000
90
90
A3
196.000
196.000
110
110
A4
107.000
107.000
60
60
B
158.000
158.000
90
80
C9-C14
165.000
165.000
90
80
C1-8
172.000
172.000
90
90
D
265.000
265.000
140
120
E
211.000
211.000
120
120
F
-
-
-
-
G
181.000
181.000
110
110
Hgis
89.000
89.000
60
80
J
161.000
161.000
90
90
K1+2
3.000
3.000
-
-
L
3.000
3.000
-
-
M
2.000
2.000
-
-
Totaal
1.977.000
1.977.000
1.110
1.090
Bijlage III Kentallen en uitgangspunten
Tabel 1 | Kentallen gebouwfuncties op basis van BENG (nieuwbouw) bepaald per gebruiksoppervlakte (GO)
gebouwfunctie
warmtevraag ruimteverwarming [kWh/m²/jaar]
tapwater vraag [kWh/m²/jaar]
warmtevermogen [W/m²]
koudevraag [kWh/m²/jaar]
koelvermogen [W/m²]
Werk & utiliteit
45
0
47
53
76
Wonen
33
25
35
12
15
Tabel 2 | Energetische uitgangspunten: dT, COP en SPF
warmtelevering
koeling
dTontwerp
6,0
8,0
dTgemiddeld
5,0
5,0
COP/SPF ruimteverwarming-/koeling
4,5
4,5
COP/SPF tapwater
3,0
-
Tabel 3 | Verdeling jaarlijkse energievraag en vermogens
passief
(direct uit bronnen)
actief
(via warmtepomp)
verwarmingsvermogen
-
100%
warmtevraag
-
100%
koelvermogen
100%
-
koudevraag
100%
-