Gemeentelijke regelgeving

Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam)

Gemeente Amsterdam · geldt sinds 3 september 2026

Aanhef

De burgemeester van Amsterdam,

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 13b van de Opiumwet, artikelen 172, derde lid, 174a en 175 van de Gemeentewet en artikel 2.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008,

besluit vast te stellen de volgende regeling:

Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam

Hoofdstuk 1: Inleiding

1.4 Belangenafweging

1.4.1 Tijdsverloop

Wanneer sprake is van een groot tijdsverloop tussen de geconstateerde overtreding en het moment van (beoordeling van een) sluiting, kan dit betekenen dat van een sluiting wordt afgezien. Dat is overigens niet altijd het geval. In sommige gevallen is de situatie dermate ernstig dat ondanks het tijdsverloop wordt gesloten. Dit is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

1.4.2 Omstandigheden van de belanghebbenden

In de afweging of een sluiting van een woning evenredig is, weegt de burgemeester in ieder geval de volgende omstandigheden mee:

▪ de aanwezigheid van kinderen of andere kwetsbare personen;

▪ de mogelijkheid tot alternatieve huisvesting;

▪ de mate van verwijtbaarheid;

▪ de consequenties voor de huurovereenkomst.

In de afweging of een sluiting van een ander pand dan een woning evenredig is, weegt de burgemeester in ieder geval de volgende omstandigheden mee:

▪ de veiligheidsmaatregelen die een ondernemer zelf treft;

▪ de mate van verwijtbaarheid;

▪ de financiële gevolgen voor de belanghebbende en eventuele werknemers.

In geval bovengenoemde omstandigheden zich (deels) voordoen, is de burgemeester nog steeds bevoegd tot sluiting over te gaan. Bij de afweging of tot sluiting wordt overgegaan worden alle omstandigheden betrokken, waaronder de openbare orde risico’s. Dat een sluiting veel nadelige gevolgen voor een belanghebbende heeft, betekent niet dat de sluiting per definitie onevenredig is. Alle omstandigheden worden in samenhang bekeken en afgewogen tegen de belangen van de openbare orde. De opsomming is niet cumulatief noch uitputtend.

1.4.3 Bijzondere omstandigheden van de pandeigenaar

Naast de belangen van een bewoner van een woning en/of gebruiker van een pand, kunnen ook omstandigheden van een pandeigenaar of verhuurder een rol spelen bij het besluit om een pand al dan niet te sluiten. Deze belanghebbende moet zelf, met onderbouwende documentatie, aannemelijk maken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Van een bijzondere omstandigheid kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer een pandeigenaar proactief heeft samengewerkt met een overheidsinstantie, waardoor een hennepplantage in het pand is opgespoord en ontmanteld. Ook kan van sluiting worden afgezien als de pandeigenaar kan aantonen dat door zijn toedoen de drugshandel is opgespoord en dat hij regelmatig controles heeft uitgevoerd gericht op het gebruik van het pand. Het louter ondervinden van financieel nadeel wordt in beginsel niet als een bijzondere omstandigheid beschouwd en is in de meeste gevallen geen reden om van sluiting af te zien.

Ondanks bijzondere omstandigheden aan de kant van de pandeigenaar of verhuurder, kan bij de belangenafweging het belang van de openbare orde zwaarder wegen dan het individuele belang van deze direct belanghebbende.

1.7 Procedure sluiting

1.7.1 Zienswijze

Als er aanleiding is om handhavend op te treden door middel van een sluiting, wordt het voornemen tot sluiting aan de belanghebbende medegedeeld. Vervolgens worden de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Na het inwinnen van de zienswijze worden alle feiten en omstandigheden afgewogen. Daarna neemt de burgemeester een beslissing. In spoedeisende situaties kan worden afgezien van het inwinnen van een zienswijze, zoals vermeld in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

1.7.2 Sluitingsbevel en brochure

De toepassing van bestuursdwang op grond van de Opiumwet, de APV en/of de Gemeentewet vindt plaats door middel van een sluiting van het pand. Ook als er enige tijd is verstreken tussen het moment van constatering en de ondertekening van het bevel, kan spoedeisende bestuursdwang worden toegepast. In het sluitingsbevel staat waarom, wanneer en hoelang het pand wordt gesloten.

Het sluitingsbevel houdt in dat het de rechthebbende verboden is om zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden. Dit verbod is van toepassing op alle sluitingen op grond van artikel 2.10, lid 5, 6 en 7 van de APV, de Opiumwet en de Gemeentewet.

Naast de huurder of exploitant (indien van toepassing) wordt standaard de pandeigenaar zo snel mogelijk na het besluit op de hoogte gebracht. In bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 175 Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een mondeling bevel af te geven. Dit bevel wordt vervolgens op een later moment - zo snel mogelijk en indien van toepassing - schriftelijk vastgelegd.

De belanghebbende ontvangt het sluitingsbevel in ieder geval per e-mail. Ook ontvangt de belanghebbende een brochure waarin de procedure wordt uitgelegd.

1.7.3 Effectuering van de sluiting

Het sluiten vindt plaats door middel van een fysieke en zichtbare afsluiting van toegangsdeuren en ramen, bijvoorbeeld met folie en/of hout, een nieuw slot, een verzegeling en een poster op de deur. Door deze fysieke afsluiting wordt zichtbaar dat het pand is gesloten.

Daarnaast verspreidt de gemeente een persbericht waarin wordt vermeld in welke straat en op welke grond een inrichting of woning is gesloten. Hiermee wordt een signaal afgegeven aan de buitenwereld dat de burgemeester optreedt tegen ernstige verstoringen van de openbare orde en dat de situatie is beëindigd. Het opstellen van dit persbericht gebeurt overeenkomstig de geldende privacyregels.

1.7.4 Inschrijving basisregistratie en gebouwen

Alle bestuurlijke maatregelen in het kader van artikel 174a Gemeentewet en de Opiumwet worden ingeschreven in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de gemeente en het Kadaster volgens de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb). Deze beperking geldt alleen gedurende de sluitingsperiode.

Hoofdstuk 2: Sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet

2.2 Verruimde sluitingsbevoegdheid artikel 13b, eerste lid, onder b, Opiumwet: voorbereidingshandelingen

2.2.1 Harddrugs: handelshoeveelheid en handelsindicaties

Harddrugs staan op lijst I van de Opiumwet. Voor harddrugs geldt dat er sprake is van een handelshoeveelheid wanneer meer dan 0,5 gram, 5 pillen of 5 milliliter GHB wordt aangetroffen.

De volgende omstandigheden gelden als handelsindicaties:

▪ de drugs zijn verpakt op een manier die erop wijst dat ze voor verkoop bestemd zijn;

▪ er zijn attributen aangetroffen, zoals weegschalen, verpakkingsmateriaal, mallen, persen, geldtelmachines, versnijdingsmiddelen of andere relevante hulpmiddelen;

▪ er is handelsgeld aangetroffen;

▪ er zijn vuurwapens en munitie aangetroffen;

▪ er is administratie aangetroffen die verband houdt met drugshandel;

▪ de belanghebbenden hebben antecedenten op het gebied van de Opiumwet;

▪ er is sprake van een toeloop naar het pand door dealers of gebruikers;

▪ er is sprake van overlast.

Een grote hoeveelheid harddrugs kan op zichzelf voldoende zijn om aan te nemen dat er sprake is van drugshandel.

Deze lijst met indicatoren is cumulatief noch uitputtend. Ook andere feiten en omstandigheden die wijzen op drugshandel kunnen als indicatie worden meegewogen.

2.2.2 Softdrugs: handelshoeveelheid en handelsindicaties

Softdrugs staan op lijst II van de Opiumwet. Voor softdrugs geldt dat er sprake is van een handelshoeveelheid wanneer meer dan 30 gram wordt aangetroffen of meer dan 5 hennepplanten.

Voor lachgas, dat ook als softdrug wordt beschouwd, geldt dat vervolging plaatsvindt vanaf 2 ampullen. Vanaf deze hoeveelheid is er in principe sprake van een handelshoeveelheid. Voor de aanwezigheid van lachgasflessen, ook wel bekend als tanks of cilinders, geldt dit vanaf een nettogewicht van 0,5 kilogram per fles.

De handelsindicaties die gelden bij harddrugs, gelden ook bij softdrugs.

Bij het aantreffen van lachgas gelden ook de volgende omstandigheden als handelsindicaties:

▪ er is sprake van een (zeer) grote hoeveelheid lachgasflessen of ampullen;

▪ de lachgasflessen hebben een groot formaat;

▪ er is geen sprake van een duidelijke toepassing als voedingsadditief;

▪ er is geen sprake van andere legale toepassing, bijvoorbeeld voor technische doeleinden;

▪ de context waarin het lachgas is aangetroffen wordt daarbij meegenomen.

Bij het aantreffen van een hennepplantage wordt ook gekeken naar het bedrijfsmatige karakter van de hennepplantage. Hierbij gelden de volgende omstandigheden als handelsindicaties:

▪ de hoeveelheid planten;

▪ er wordt gebruik gemaakt van apparatuur voor de planten zoals assimilatielampen, kweektenten, een irrigatiesysteem of andere grootschalige opzet

▪ de stroom wordt op illegale wijze afgetapt

▪ er is eerder een oogst geweest.

Deze lijsten met indicatoren is niet cumulatief noch uitputtend. Ook andere feiten en omstandigheden die wijzen op drugshandel kunnen als handelsindicatie gelden.

2.5 Hard- en softdrugs in publieke en niet-publiek toegankelijke panden, inrichtingen en lokalen

2.5.1 Harddrugs

Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs volgt in principe een sluiting, mits er sprake is van een of meer van de hierboven genoemde handelsindicaties. Daarnaast kan het enkele aantreffen van een handelshoeveelheid in een inrichting leiden tot een sluiting, indien er sprake is van een slechte of gebrekkige bedrijfsvoering. Van een sluiting kan worden afgezien als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Indien een inrichting niet wordt gesloten, wordt een bestuurlijke waarschuwing gegeven.

2.5.2 Softdrugs

Ook wanneer softdrugs worden aangetroffen in een publiek toegankelijke inrichting of lokaal, wordt allereerst gekeken naar de aanwezigheid van één of meer handelsindicaties.

Indien sprake is van een handelshoeveelheid softdrugs of hennepplanten, volgt in principe een sluiting, mits één of meer van de genoemde indicaties aanwezig zijn. Daarnaast kan het enkel aantreffen van een handelshoeveelheid in een inrichting eveneens leiden tot sluiting, indien er sprake is van een slechte of gebrekkige bedrijfsvoering. De genoemde indicatoren zijn niet uitputtend. Van sluiting kan worden afgezien indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Indien een inrichting niet wordt gesloten, wordt er in ieder geval een bestuurlijke waarschuwing gegeven.

2.5.3 Coffeeshops

Bij coffeeshops geldt bij een overtreding van de AHOJG-criteria in beginsel het bestaande handhavingsstappenplan voor coffeeshops.

2Op grond van de AHOJGI-criteria is het voor een coffeeshop verboden te: afficheren, harddrugs te verhandelen, overlast te veroorzaken, jeugdigen onder de 18 jaar in de coffeeshop toe te laten of aan hen te verkopen, grote hoeveelheden te verhandelen (niet meer dan 5 gram per persoon per transactie) of op voorraad te hebben (niet meer dan 500 gram) en toegang te verlenen en te verkopen aan anderen dan Ingezetenen van Nederland. Het stappenplan voor de handhaving op coffeeshops is te vinden op www.amsterdam.nl.

Als bij overtreding van één van de criteria gevaar voor de openbare orde en veiligheid ontstaat, bijvoorbeeld bij grote hoeveelheden aangetroffen harddrugs, kan worden afgezien van handhaving volgens het stappenplan en kan er worden overgegaan tot sluiting.

Hoofdstuk 3: Sluiting op grond van artikel 174a Gemeentewet

3.1 De sluitingsgrond in artikel 174a Gemeentewet

3.1.1 De sluitingsgrond in artikel 174a, lid 1 onder a Gemeentewet: ernstige overlast

De burgemeester kan op basis van deze grond tot sluiting overgaan als sprake is van gedragingen in de woning, het lokaal of op het erf, waardoor de openbare orde daaromheen ernstig wordt verstoord.

Deze grond wordt niet toegepast bij ernstig geweld, maar bij ernstige overlast. Het moet gaat om langdurige en herhaaldelijke overlast van maatschappelijk onaanvaardbare aard. Hierbij kan worden gedacht aan overlast die de veiligheid en gezondheid van omwonenden bedreigt, zoals structurele en ernstige woonoverlast.

De burgemeester weegt in de afweging mee hoe ernstig de openbare ordeverstoring is, hoe lang die al voortduurt, hoe groot het risico op herhaling is en of er andere, lichtere middelen zijn ingezet.

3.1.2 De sluitingsgrond in artikel 174a, lid 1 onder b Gemeentewet: ernstig geweld of een ernstige vrees daarvoor

De burgemeester kan op basis van deze grond tot sluiting overgaan als sprake is van ernstig geweld in of een bedreiging daarmee in of rond de woning.

Van ernstig geweld in of rondom de woning is sprake bij bijvoorbeeld een beschieting, een explosie, het neerleggen van een explosief of brandstichting. Deze grond tot sluiting kan ook worden gebruikt als met zulke incidenten wordt gedreigd. De openbare orde rond het pand moet daardoor ernstig zijn verstoord of er is een ernstige vrees voor het ontstaan van zo’n ernstige verstoring.

De burgemeester weegt bij de beoordeling van het openbare orderisico in ieder geval de volgende omstandigheden mee:

▪ er is sprake van een risico op herhaling, wat bijvoorbeeld kan blijken uit meerdere incidenten in een kort tijdsbestek;

▪ het incident heeft veel impact gehad op de omgeving;

▪ eerdere bestuurlijke maatregelen, zoals cameratoezicht, hebben een incident niet weten te voorkomen;

▪ het incident heeft de veiligheid van bewoners en omstanders ernstig in gevaar gebracht;

▪ maatregelen die de belanghebbende zelf heeft genomen, hebben niet geholpen of zijn onvoldoende om het risico op herhaling te verkleinen;

▪ uit het opsporingsonderzoek blijkt dat mogelijk sprake is van een conflict;

▪ er zijn signalen van verwijtbaarheid.

3.1.3 De sluitingsgrond in artikel 174a, lid 1 onder c Gemeentewet: wapenvondst en het openbare ordecriterium

De burgemeester kan op basis van deze grond tot sluiting overgaan wanneer in de woning, het lokaal of op het erf een wapen wordt aangetroffen. De openbare orde rondom de woning, het lokaal of het erf moet door de vondst van het wapen ernstig zijn verstoord, of er moet een gegronde vrees bestaan voor een dergelijke verstoring. Dat betekent dat alleen de vondst van een wapen niet genoeg is om tot sluiting over te gaan.

Hieronder wordt uiteengezet wanneer er sprake is van een wapen en wanneer er sprake is van een verstoring van de openbare orde na de vondst daarvan.

3.1.3.1Wapens, munitie en vuurwerk

Van een wapen is sprake als dat valt onder de Wet wapens en munitie. Als er alleen munitie is aangetroffen, kan er niet worden gesloten.

Illegaal vuurwerk kan in sommige gevallen als wapen als bedoeld in artikel 2 Wet wapens en munitie worden aangemerkt. Dit is het geval als het vuurwerk bestemd is voor het treffen van personen of zaken door vuur of ontploffing. Vuurwerk kan ook als wapen worden aangemerkt als, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder het wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het is bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

3.1.3.2Het openbare ordecriterium bij de wapenvondst

De wapenvondst moet ook hebben geleid tot een openbare ordeverstoring of de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Of daarvan in een specifiek geval sprake is, hangt af van de volgende omstandigheden:

▪ of het pand bekend is binnen het criminele circuit. Hiervan is in ieder geval sprake in het geval van (aanwijzingen voor) wapenhandel;

▪ of er een risico is dat er opnieuw wapens in het pand aanwezig zullen zijn;

▪ het type wapen en de aard en omstandigheden waaronder het wapen is aangetroffen.

▪ of sprake is van grote impact of maatschappelijke onrust door de wapenvondst;

Deze opsomming is niet cumulatief noch uitputtend.

Hoofdstuk 4: Sluiting op grond van artikel 2.10 APV

4.5 Artikel 2.10 eerste lid, aanhef en onder e – Overige omstandigheden

4.5.1 Geweld van buitenaf zoals explosies en beschietingen

Bij geweld van buitenaf zoals explosies of beschietingen kan een pand worden gesloten. Bij de afweging om tot sluiting over te gaan, staan de belangen van de openbare orde voorop. De belangen van de openbare orde worden altijd afgewogen tegen de gevolgen voor de belanghebbenden zoals weergegeven onder 1.5. Er wordt terughoudend omgegaan met het sluiten van panden na geweld van buitenaf. Er kan worden overgegaan tot sluiting als sprake is van verzwarende omstandigheden.

De volgende omstandigheden kunnen gelden als verzwarend:

▪ er is sprake van herhaling;

▪ het incident heeft veel impact gehad op de omgeving;

▪ het incident heeft de veiligheid van bewoners en omstanders ernstig in gevaar gebracht;

▪ er is sprake van een risico op herhaling, wat ook kan blijken uit meerdere incidenten in een kort tijdsbestek;

▪ eerdere bestuurlijke maatregelen, zoals cameratoezicht, hebben een incident niet weten te voorkomen.

▪ maatregelen die de belanghebbende zelf heeft genomen, hebben niet geholpen of zijn onvoldoende om het risico op herhaling te verkleinen;

▪ uit het opsporingsonderzoek blijkt dat mogelijk sprake is van een conflict;

▪ er zijn signalen van verwijtbaarheid.

Deze opsomming is niet cumulatief noch uitputtend.

4.5.2 Illegale arbeid, uitbuiting of zeer ernstige geweldsincidenten

Ook bij illegale arbeid en uitbuiting, of ernstige geweldsincidenten zoals zware vechtpartijen kan tot sluiting van de inrichting worden overgegaan. Daarnaast kan de bevoegdheid in 2.10, eerste lid, aanhef en onder e, APV worden aangewend indien er sprake is van andere wapens (die niet voorkomen op de lijst WWM), of bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van munitie. Ook de aanwezigheid van jammers, waarvan het gebruik op grond van de Telecommunicatiewet verboden zijn, kunnen onder dit artikel vallen.

4.5.3 Witwassen en andere omstandigheden

Wanneer aannemelijk is dat er sprake is van witwassen of ondergronds bankieren (waarbij de aanwezigheid van grote contante geldbedragen het risico op ripdeals, overvallen en andere factoren die de openbare orde kunnen verstoren vergroot), kan dit ook vallen onder artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder e. Andere voorbeelden die onder artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder e vallen, zijn het bieden van gelegenheid tot prostitutie- en escortactiviteiten in of vanuit de inrichting.

Hoofdstuk 5: Vervroegde heropening en tijdelijke betreding

5.1 Vervoegde heropening

5.1.1 Heropeningsverzoek woningen

Omstandigheden die onder andere worden meegenomen in de beoordeling van het heropeningsverzoek zijn:

▪ de aanleiding van de bestuurlijke maatregel en het actuele risico op herhaling, waarvoor politie-informatie en stadsdeelinformatie wordt opgevraagd;

▪ of sprake is van verwijtbaarheid;

▪ de openbare orde situatie in en in de directe omgeving van een inrichting en de tijd die nodig is om de rust en orde in de buurt te herstellen, waarbij geldt dat kort na sluiting een periode van rust nodig is voor heropend kan worden;

▪ of eventueel sprake is van de beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden.

5.1.2 Heropeningsverzoek panden met (niet) publiek toegankelijke inrichtingen en lokalen

Voorbeelden van maatregelen ter voorkoming van herhaling van openbare orde verstoringen bij (niet) publiek toegankelijke panden zijn:

▪ inzet van beveiliging(scamera’s) bij het pand;

▪ gewijzigd deur- of betalingsbeleid;

▪ regelmatige controles gericht op het gebruik van het pand;

▪ regelmatig contact met de politie.

Voor opheffing van een sluiting zijn worden in ieder geval de volgende aspecten meegewogen:

▪ de aanleiding van de bestuurlijke maatregel en het actuele risico op herhaling, waarvoor politie-informatie en stadsdeelinformatie wordt opgevraagd;

▪ of sprake is van verwijtbaarheid;

▪ de openbare orde situatie in en in de directe omgeving van een inrichting en de tijd die nodig is om de rust en orde in de buurt te herstellen, waarbij geldt dat kort na sluiting een periode van rust nodig is voor heropend kan worden;

▪ het type inrichting: het karakter en de uitstraling van de zaak en het type bezoeker spelen een rol bij de mate waarin er vertrouwen ontstaat dat de openbare orde langdurig wordt hersteld. Onder andere afhankelijk van het type inrichting wordt gekeken welke maatregelen noodzakelijk worden geacht om de openbare orde te herstellen. Bij een nachtclub worden bijvoorbeeld andere voorwaarden gesteld dan bij een restaurant;

▪ de afspraken tussen de burgemeester en de belanghebbende met betrekking tot het beheer van de te heropenen inrichting. Deze afspraken worden doorgaans als voorwaarden in het heropeningsbesluit opgenomen;

▪ het vertrouwen van de burgemeester dat bovengenoemde afspraken ook zullen worden nagekomen. Daarbij speelt met name de mate van verwijtbaarheid van de belanghebbende een rol. De burgemeester dient ervan overtuigd te zijn dat de feiten die ten grondslag lagen aan de sluiting zich niet meer voor zullen doen en dat de belanghebbende zijn zaak of pand zodanig zal beheren dat er geen nieuwe openbare orderverstoringen zullen plaatsvinden;

▪ hierbij zijn de bereidheid en de bekwaamheid van een belanghebbende om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen ook van belang. Bij een horeca inrichting kan hierbij gedacht worden aan herinrichting van het bedrijf, verscherping van toelatingsbeleid of het aannemen van (ander) personeel. Dit wordt over het algemeen vastgelegd in een veiligheidsplan;

▪ ook als er zich een nieuwe huurder/ondernemer of pandeigenaar aandient, zal beoordeeld worden (o.a. aan de hand van een bedrijfsplan) of het nieuwe bedrijf en de wijze van bedrijfsvoering vertrouwen geven dat de openbare orde duurzaam wordt hersteld.

Bij een sluiting wegens handel/dan wel aanwezigheid van harddrugs weegt daarnaast mee in hoeverre het pand tot aantrekkingspunt voor verslaafden en dealers was geworden. Het kost enige tijd, zo is de ervaring, om een bestaande loop van drugsverslaafden en –handelaren op een inrichting te doorbreken. Ook voor panden waar illegale gokactiviteiten plaatsvonden, geldt dat er tijdsverloop nodig is om de loop weg te nemen en een krachtig signaal af te geven.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.