Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels afwijking omgevingsvergunning

Gemeente Amsterdam · geldt sinds 16 december 2023

Aanhef

Het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam heeft op 5 december 2023 de tweede herziening van de nota ‘Beleidsregels afwijkingen omgevingsvergunning’ vastgesteld (ook wel het Afwijkingenbeleid genoemd). Met deze tweede juridisch-technische aanpassing wordt de nota, die op 23 maart 2021 voor het eerst juridisch-technisch is aangepast, herzien. De oorspronkelijke nota is vastgesteld op 2 juli 2019 en is destijds integraal en inhoudelijk aangepast. Die nota werd toen vastgesteld in het kader van de zorgen van bewoners over de gevolgen van de ‘bouwdynamiek’ in de stad, waarbij onder meer werd gesteld dat deze beleidsregels te ruim waren.

In de nota zijn beleidsregels opgenomen voor veelvoorkomende bouwplannen die afwijken van de geldende bestemmingsplannen. Die beleidsregels geven burgers, bedrijven en instellingen snel inzicht welke afwijkingen het stadsdeel bereid is toe te staan, zodat hiervoor een grote mate van zekerheid bestaat wanneer hiervoor een aanvraag omgevingsvergunning wordt aangevraagd. De beleidsregels zijn in het verleden opgesteld voor relatief kleine bouwplannen, de zogenaamde ‘kruimelgevallen’ aan de hand van door het rijk vastgestelde categorieën van bouwwerken in het Besluit omgevingsrecht. De beleidsregels uit de nota richten zich hoofdzakelijk op veelvoorkomende bouwwerken zoals dakkapellen, dakterrassen op hoofdbebouwing en aanbouwen, toegangen tot een dakterras, aan- en uitbouwen of bijgebouwen, ondergrondse bouwwerken aan de voor- en achterzijde, gebouwde terrassen, balkons, mengformules horeca en ventilatiesystemen (en bijbehorende afvoerpijpen en leidingkokers).

Het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid tot juridisch-technische aanpassing van de nota komt -kort samengevat- voort uit de vaststelling van de bestemmingsplannen Museumkwartier-Valeriusbuurt 2022 en Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt 2022 en een advies van de commissie bezwaarschriften. Er zijn geen nieuwe beleidskeuzes gemaakt en om deze reden is er dan ook geen inspraak toegepast op deze tweede juridisch-technische herziening van de nota.

De aangepaste nota en inwerkingtreding

De aangepaste nota is na deze kennisgeving hier digitaal raadpleegbaar. Tegen de vaststelling van de aangepaste nota is geen bezwaar en beroep mogelijk. De aanpassing treedt in werking op de dag na deze bekenmaking en is van toepassing op aanvragen om een omgevingsvergunning die met ingang van de dag van inwerkingtreding worden ingediend.

Deel 1 – Algemeen

Hoofdstuk 1 - Inleiding

1.1 Inleiding: nieuwe balans

1.2 Wettelijke grondslag

1.3 Beleidsregels bedoeld voor veel voorkomende aanvragen

1.4 Ad hoc-beoordelingen en maatwerk

1.5 Doel beleidsregels en discretionaire bevoegdheid

1.6 Ook doorwerking naar binnenplanse afwijkingen

1.7 Van oude naar nieuwe balans

1.8 Leeswijzer

1.9 Herziening maart 2021

1.10 Herziening maart 2023

Hoofdstuk 2 – Aanverwante regelgeving

2.1 Rijksregelgeving

2.1.1 Vergunningsvrij bouwen

2.1.2 Lijst met standaard gevallen

2.2 Bestemmingsplannen

2.3 Welstand

2.4 Publiekrecht vs privaatrecht / belangen van omwonenden

Hoofdstuk 3 – Toepassing beleidsregels

3.1 Voor enkele categorieën geen beleidsregels

3.2 Inwerkingtreding nieuwe beleidsregels

3.3 Bijzondere omstandigheden

3.4 Verschil in interpretatie

3.5 Planschade

3.6 Geen gelding in enkele gebieden: grootstedelijke gebieden Zuidas / NZ-lijn, bedrijventerrein Schinkel, projectgebied Havenstraatterrein en gebieden ‘groen en water’

Hoofdstuk 4 – Gebieden en bebouwingstypen

Deel 2 – Beleidsregels

Onderdeel I

1Dakkapellen

2Dakterrassen op hoofdbebouwing

3Dakterrassen op eenlaagse aan- en uitbouwen (bijbehorende bouwwerken)

4Toegang tot een dakterras

5Aan- en uitbouwen of bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken)

6Ondergrondse bouwwerken achterzijde (waaronder kelders)

7Ondergrondse bouwwerken voorzijde (koekoek)

8Gebouwde terrassen

9Balkons en dichtbouwen balkons

10Mengformules horeca

11Ventilatiesystemen met bijbehorende afvoerpijpen en leidingkokers

II Algemene bepalingen

1Uitsluiting gebieden

2Wijze van meten

3Afwijken van de beleidsregels

4Medewerking bij ontbreken expliciete beleidsregels

5Financiële overeenkomst bij afwijking

6Inwerkingtreding beleidsregels

Bijlage 1 Begripsbepalingen

Bijlage 2 Zichtbaarheidsregel

Bijlage 3 Uitgesloten gebieden

Bijlage 4 artikel 4 van bijlage II Bor (‘Kruimel-gevallenlijst’)

Bijlage 5 Vergelijking oude en nieuwe beleidsregels

Deel 1 - Algemeen

Hoofdstuk 2 – Aanverwante regelgeving

2.1 Rijksregelgeving

2.1.1 Vergunningsvrij bouwen

Bij de toetsing van bouwplannen wordt eerst beoordeeld of een bouwplan voldoet aan de voorwaarden van vergunningsvrij bouwen uit artikel 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Indien toch een omgevingsvergunning nodig is, kan een bouwplan binnen het bestemmingsplan passen (met of zonder toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid). Als dat niet het geval is, dan wordt beoordeeld of het bouwplan kan worden aangemerkt als een bouwplan conform artikel 4 van bijlage II van het Bor (afwijken van het bestemmingsplan). Wanneer dit het geval is, wordt beoordeeld of de voorliggende beleidsregels voorwaarden bevatten voor het betreffende bouwplan.

Sinds november 2014 is in landelijke wetgeving een aanzienlijke verruiming mogelijk gemaakt ten aanzien van vergunningsvrij bouwen, waaronder het realiseren van aanbouwen. De mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen zijn opgenomen in Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en zijn via de website www.rijksoverheid.nl te raadplegen.

2.1.2 Lijst met standaard gevallen

In artikel 4 van bijlage II van de Bor worden de kruimelgevallen limitatief opgesomd. De beleidsregels uit deze nota hebben betrekking op de hierin genoemde lijst van categorieën. In bijlage 4 van deze nota is een tabel opgenomen waarin artikel 4 bijlage II Bor is opgenomen. Hier worden ze kort samengevat:

1een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom (zonder nadere beperkingen) of buiten de bebouwde kom (met enkele aanvullende eisen);

2een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening (met enkele aanvullende eisen);

3een bouwwerk, geen gebouw zijnde (met enkele aanvullende eisen);

4een dakkapel, dakterras, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw;

5een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;

6een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling;

7een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door mestbewerking;

8het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

9het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten (met enkele aanvullende eisen);

10het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning (met enkele aanvullende eisen);

11ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

De onder 1, 3, 4 en 9 beschreven categorieën komen in Zuid het meeste voor. Sommige komen helemaal niet voor. De beleidsregels uit deze nota richten zich alleen op de veelvoorkomende categorieën.

Toelichting algemene bepalingen

Ad 1

In paragraaf 3.6 is dit al nader toegelicht.

Ad 2

De hier opgenomen wijze van meten is ontleend aan de genoemde artikelen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor). Aangezien de categorieën bouwwerken uit deze nota ook uit bijlage II van het Bor komen, is het logisch voor wat betreft de wijze van meten hierop aan te sluiten.

Ad 3

Al vanaf het eerste moment dat er beleidsregels werden vastgesteld voor de medewerking aan ‘planologische kruimelgevallen’, komt het voor dat er van de beleidsregels wordt afgeweken. Met deze algemene bepaling wordt de juridische basis voor afwijking van de beleidsregels verankerd. De beleidsregels zijn bedoeld voor veel voorkomende bouwplannen. Deze binden meestal het bestuur op een wijze zoals bedoeld in artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht. Het stadsdeel is echter groot en kent een veelheid aan gevarieerde situaties, die zich nu eenmaal niet altijd en overal uniform in de beleidsregels laten vertalen. Er zijn allerlei afwijkende situaties denkbaar die afwijking van de beleidsregels kunnen rechtvaardigen.

Met name bij de onder a en b genoemde situaties is het aan de aanvrager om hiervoor de noodzakelijke onderbouwing aan te leveren. Daarbij kan het noodzakelijk zijn in te gaan op onderstaande aspecten. Naarmate deze een zwaarwegender rol spelen in de afweging of de afwijking aanvaardbaar is, wordt de ruimte om af te wijken kleiner en nemen de eisen aan de onderbouwing van de afwijking toe. Relevante aspecten zijn onder meer:

-de mate van aanvaardbaarheid voor wat betreft de hinder die optreedt voor naastgelegen percelen wat betreft bezonning, privacy en/of uitzicht,

-de mate waarin het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt aangetast,

-de verkeersveiligheid,

-de ruimtelijke structuur of samenhang van de omgeving,

-de mate waarin een adequate parkeeroplossing wordt gerealiseerd,

-de mate waarin sprake is van een toename van de milieubelasting in de omgeving,

-de aanwezige waarden van (naastgelegen) monumentale gebouwen/objecten of andere cultuurhistorische waarden.

De bepaling onder c ziet op situaties waarbij een aanvraag weliswaar past binnen de beleidsregels, maar waarbij de effecten op de omgeving ongewild groot zijn, dan wel de belangen van derden zodanig onevenredig worden aangetast, dat de benodigde afwijking alsnog dient te worden geweigerd.

Ad 4

Deze nota bevat hoofdzakelijk beleidsregels voor veel voorkomende bouwplannen. Er zijn echter meerdere soorten van bouw- of gebruiksinitiatieven, waarvoor geen beleidsregels zijn vastgesteld (zie bijv. paragraaf 4.4). Ook kan het zijn dat nieuwe categorieën worden gecreëerd door de wetgever. In die gevallen dienen maatwerkafwegingen te worden gemaakt per aanvraag. Met het opnemen van deze bepaling wordt de juridische basis hiervoor steviger verankerd.

Ad 5

Indien er sprake is van een groot financieel risico kan het noodzakelijk zijn dat een planschadeovereenkomst wordt afgesloten met de initiatiefnemer waarbij afspraken worden gemaakt over de vergoeding van planschadekosten. Deze overeenkomst kan ook eventueel onderdeel vormen van een te sluiten anterieure overeenkomst. Meestal wordt aan de hand van een planschaderisicoanalyse vastgesteld of sprake is van een financieel risico. Een planschadeovereenkomst maakt geen onderdeel uit van de afwijking en de omgevingsvergunning, maar is een aparte overeenkomst tussen de vergunninghouder en de gemeente.

Ad 6

De regeling voor de inwerkingtreding van deze nota is een – voor dit type beleidsnota – gebruikelijke bepaling.

Overigens dient er ten aanzien van dit type beleidsregels inspraak plaats te vinden op grond van de Algemene inspraakverordening van de gemeente. Pas na beantwoording van de inspraakreacties en eventuele wijziging van de beleidsregels (als gevolg hiervan), kan het beleid worden vastgesteld en vervolgens bekend gemaakt. Pas na formele bekendmaking kan het vastgestelde beleid in werking treden.

Bijlage 1 Begripsbepalingen

Aanbouw

Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Achtererfgebied

Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen (artikel 1 Bijlage II Bor).

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak (artikel 1 Bijlage II Bor).

Balkon

Buiten de gevel stekende constructieve open buitenruimte van een gebouw die niet verbonden is met de begane grond of een aan- of uitbouw.

Balkongalerij

Een balkongalerij is een verzameling van balkons die een verticale of horizontale geleding hebben en als eenzelfde architectuureenheid in hetzelfde bouwblok zijn gemaakt.

Binnentuin

Hiermee wordt hetzelfde bedoeld als “binnenterrein”.

Binnenterrein

a.Bij gesloten bouwblokken worden hiermee bedoeld de gronden achter de oorspronkelijke achtergevels van woongebouwen of andere hoofdgebouwen.

b.Bij afwezigheid van gesloten bouwblokken worden bedoeld alle gronden grenzend aan de oorspronkelijke achtergevels en zijgevels van de hoofdbebouwing, met uitzondering van gronden met een openbare bestemming.

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke (in ieder geval niet meer dan 1,50 meter verschillende) hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen.

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Bijgebouw

Een op zichzelf staand, wel of niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Bijzondere bouwlaag

Kelder, souterrain, kap.

Dak

Vlakke of hellende afdekking van een gebouw.

Dakkapel

Van ramen voorziene uitbouw aan een kap met aanhechtingen die zich in zijn geheel binnen het hellende dakvlak bevinden, die niet de volledige breedte van het dakvlak beslaat.

Daklaag

Een bouwwerk op het platte dak, uitgebouwd vanuit de (schijn-)kap, dat dient ter vergroting van het bestaande oppervlak.

Dakopbouw

Een gedeelte van een gebouw van beperkte omvang op het platte deel van het dak van de hoofdbebouwing, niet zijnde een bouwlaag.

Dakrand

Daklijst, omtimmerde dakgoot, lijst als beëindiging en overgang tussen dak en gevel, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. Met dien verstande dat als sprake is van een kap boven de dakrand, het snijpunt van het schuine dakvlak en het platte dak wordt aangehouden.

Dakterras

Onoverdekte buitenruimte op een dak, voorzien van een afschermend hekwerk.

Dakuitbouw

Een bouwwerk in het schuine dak, niet zijnde een dakkapel, dat dient ter vergroting van het bestaande oppervlak al dan niet in combinatie met toegang tot een dakterras.

Dakvlak

Een plat of hellend deel van het dak.

Dakvoet

Laagste punt van een schuin dak.

Detailhandel

Het anders dan voor directe consumptie bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Gevel

De buitenmuur van een gebouw, overstekken of daarmee gelijk te stellen ondergeschikte bouwdelen daar niet onder begrepen.

Gevelbank

Een bank die gebruikt mag worden ten behoeve van mengformules horeca. Deze bank staat tegen de gevel van het pand. De doorloop op het trottoir wordt door de gevelbank niet onevenredig verstoord.

Grondgebonden woning

Een uit één of meerdere lagen bestaande woning inclusief kap, met een voordeur die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen aansluit op het maaiveld. Grondgebonden woningen hebben meestal een op de grond gelegen terras en/of een tuin. Een grondgebonden woning staat, figuurlijk gezien, tegenover gestapelde woningen.

Grondwaterneutraal bouwen van kelders

De stand en stroming van het grondwater veranderen niet of nauwelijks door de aanleg van een kelder; waar mogelijk zal deze verbeteren, en er treden geen negatieve grondwatereffecten op.

Hoofdbebouwing

Hiermee wordt hetzelfde bedoeld als met een hoofdgebouw.

Hoofdgebouw

Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Horeca

In deze notitie worden onder horeca álle zelfstandige vormen bedoeld van het bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren verstrekken en/of het bedrijfsmatig logies verstrekken, waarbij deze activiteit (of combinaties van deze activiteiten) als hoofdactiviteit moet worden aangemerkt. Hieronder worden in ieder geval begrepen: fastfoodrestaurants, cafetaria’s, snackbars, shoarmazaken, dancings/discotheken, zaalverhuurbedrijven, cafés, bars, restaurants, eetcafés, koffie-/theehuizen, lunchrooms, ijssalons, hotels.

Horeca van categorie 4

Een inrichting die geheel gericht is op het voor directe consumptie verstrekken van maaltijden, (kleine) etenswaren, dan wel van alcoholvrije dranken, die uitsluitend ter plaatse aan tafel genuttigd worden, eventueel aangevuld met een afhaalfunctie, en in zoverre deze inrichting niet valt onder horeca van categorie 1 en horeca van categorie 3, daaronder worden in elk geval begrepen: restaurant, eetcafé, lunchroom, koffie-/theehuizen, juicebars en ijssalons.

Kap

Bijzondere bouwlaag waarvan tenminste één buitenwand onder een hoek kleiner dan 90 graden met het horizontale vlak staat.

Kelder

Bijzondere bouwlaag waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag onder dan wel gelijk aan het gemiddeld aangrenzend straatpeil is gelegen.

Koekoek

Bouwkundige voorziening (vaak in het trottoir, dus in de openbare ruimte), waarbij een kleine open ruimte wordt gecreëerd ten behoeve van de lichttoetreding en/of de ventilatie in de aangrenzende kelders of souterrains.

Niet-woonfuncties

Alle andere gebruiksfuncties van gebouwen dan de woonfunctie.

Ondergronds bouwwerk

Een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil.

Ondersteunende horeca (mengformule)

Niet-zelfstandige horeca, uitsluitend zijnde horeca van categorie 4 die wordt of is gerealiseerd binnen een vestiging en daar naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt aan is, welke uitsluitend toegankelijk is via de vestiging en waarvan de openingstijden zijn aangepast aan de openingstijden van de vestiging en waarbij een terras niet is toegestaan.

Oorspronkelijk hoofdgebouw

De originele authentieke vorm van een hoofdgebouw.

Oorspronkelijke voorgevel

De bij de oprichting van de hoofdbebouwing gerealiseerde voorgevel.

Oorspronkelijke achtergevel

De bij de oprichting van de hoofdbebouwing gerealiseerde achtergevel.

Overstek

Gedeelte van een dak of kap dat buiten de gevel van een gebouw steekt.

Openbaar toegankelijk gebied

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

Perceelsgrens

Hiermee wordt de kadastrale perceelsgrens bedoeld. Dit is een lijn die een bouwperceel van een ander bouwperceel, ander terrein of van de openbare weg scheidt.

Plan Zuid

Het gebied dat is aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht.

Plat dak

Een horizontaal vlak, ter afdekking van de bovenste bouwlaag van een gebouw, dat ten behoeve van afvoeren van hemelwater een maximaal afschot van 4% mag hebben. Het horizontale vlak kan uit één deel, maar ook uit samengestelde (in hoogte verschillende) delen bestaan die samen de bovenste bouwlaag vormen.

(totaal beschikbare) Platte dakoppervlak

Een dak is de vlakke (of licht hellende) afdekking van een gebouw en vormt met de onderliggende bouwlaag de hoogste bouwlaag van een gebouw. Elk plat deel van deze bovenste bouwlaag wordt gerekend tot totaal beschikbare platte dakoppervlak. Bij twijfel is een redelijke uitleg van de afbeeldingen op p. 18 en 21 doorslaggevend. Het platte deel van een dakkapel in een kap wordt bijvoorbeeld niet tot het totaal beschikbare platte dakoppervlak gerekend.

Privacyschot

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat wordt gebruikt om de privacy te waarborgen. Een privacyschot is in de regel vergunningsvrij, toch moet een privacyschot beperkt worden tot functionele afmetingen en zich beperken tot neutrale aardse kleuren.

Rooilijn

De rooilijn betreft in Nederland de begrenzing van het hoofdgebouw. De voor- en achtergevelrooilijn bepalen de plaats van de voor- en achtergevel van een gebouw. Ondergeschikte bouwdelen en aan- en uitbouwen kunnen de rooilijn overschrijden. Ten opzichte van de rooilijn kunnen gevelvlakken terug liggen.

Souterrain

Bijzondere bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddelde aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,5 meter boven het gemiddeld aangrenzend straatpeil is gelegen.

Vlakke achtergevel

De vlakke achtergevel van de hoofdbebouwing volgt de denkbeeldige lijn die de terugliggende oorspronkelijke achtergevel volgt, voor zover deze achtergevel over meerdere bouwlagen recht is opgetrokken. Zie ook afbeelding p. 22.

Voorerfgebied

Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.

Voorgevelrooilijn

Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening.

Verblijfsruimte

Ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden.

Woning

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Woongebouw

Een gebouw dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.

Wolfskuil

Bouwkundige voorziening in de vorm van een (bak)-constructie, waarbij een open buitenruimte wordt gecreëerd ten behoeve van de lichttoetreding en/of de ventilatie in de aangrenzende kelders of souterrains en toegang tot de tuin.

Uitbouw

Een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Zijdelingse perceelgrens

Al dan niet kadastrale begrenzing tussen twee percelen of terreinen waarop hoofdbebouwing aanwezig is.

Bijlage 2 Zichtbaarheidsregel

De zichtbaarheidsregel wordt toegepast om dakterrassen zo min mogelijk zichtbaar te laten zijn vanuit de openbare ruimte. De zichtbaarheidsregel schrijft voor dat op de volgende wijze moet worden gemeten:

Vanaf een punt op een hoogte van 1,80 meter van het maaiveld op de gevel van het aan de overzijde van de openbare ruimte gelegen gebouw wordt een rechte lijn getrokken naar het snijpunt van het verticale gevelvlak en het horizontale dakvlak van het betreffende gebouw.

Duidelijk zichtbare dakterrassen

Indien er sprake is van een borstwering (tenzij deze zo hoog is dat de borstwering als hekwerk gaat fungeren of het zich aan het hekwerk ontneemt) of een overstek blijft de wijze van meten hetzelfde. Bij kapconstructies schuift het snijpunt echter naar de hoek die het horizontale dakvlak maakt met de kapconstructie. Hieronder zijn illustraties opgenomen ter verduidelijking van de wijze van meten.

Voor Plan Zuid geldt geen zichtbaarheidsregel. De cultuurhistorische waarde van dit rijksbeschermde stadsgezicht is zo groot, dat hierbij de regel wordt gehanteerd dat minimaal 4 meter afstand moet worden aangehouden van de dakrand, daar waar de dakrand grenst aan het voorerfgebied of aan het openbaar toegankelijk gebied. Hetzelfde geldt voor panden gelegen (aan straten) aan het water. Daar gelden vaak aanmerkelijk lagere zichtlijnen. Omdat daar de zichtlijnen sterk verschillen, wordt ook hier een afstand van 4 meter aangehouden. Ook vanuit het oogpunt van toetsbaarheid.

Zichtbaarheidsregel panden op T-splitsing

Op T-splitsingen van straten ontstaat een lange zichtlijn. Het is voor panden die in het verlengde van de zichtlijn zijn gelegen niet mogelijk om aan de zichtbaarheidsregel te voldoen. Op grond van het beleid is het niet mogelijk om op deze locaties een dakterras te realiseren, terwijl op naastgelegen panden een dakterras wel tot de mogelijkheden behoort. Hierdoor ontstaat een onredelijke situatie.

Bij panden gelegen in het verlengde van een T-splitsing wordt dezelfde zichtbaarheidsregel toe gepast als bij de naastgelegen panden. In dit geval wordt de zichtbaarheid gemeten vanaf een hoogte van 1,80 meter vanaf het maaiveld op de fictieve doorgetrokken gevelwand aan de overzijde van de straat. Zo kunnen dakterrassen op deze panden voldoen aan de beleidsregels.

Hierbij geldt als voorwaarde dat het niet mag gaan om een orde 1 of orde 2 pand, en een orde 3 pand, voor zover deze laatstgenoemde ordecategorie is gelegen binnen de stedenbouwkundige zones A en B (dit zijn beschermingswaardige zone met een nadrukkelijke stedenbouwkundige verbijzondering of zelfs een dragende structuur van een hooggewaardeerd stadsgezicht).

Bijlage 3 Uitgesloten gebieden

De grootstedelijke gebieden Zuidas en Noord-Zuidlijn

Bedrijventerrein Schinkel

projectgebied Havenstraatterrein

Groen en water: Stadsparken, begraafplaatsen en Sport- en recreatiegebieden

Bijlage 4 artikel 4 van bijlage II Bor (‘Kruimel-gevallenlijst’)

Hoofdstuk IV. Categorieën gevallen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

2een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 5 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

3een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.niet hoger dan 10 m, en

b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

4een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

5een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;

6een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

7een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

8het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

9het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;

10het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

b.de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,

c.de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

d.de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;

11ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Bijlage 5 Vergelijking oude en nieuwe beleidsregels

Oud (geldend t/m 10-7-2019)

Nieuw (geldend m.i.v.11-7-2019)

NB de herziening in maart 2021 en december 2023 is hierin niet opgenomen.

1Dakkapellen

In het hele stadsdeel – met uitzondering van het gebied ‘plan Zuid’ - wordt voor het bouwen van dakkapellen (op het voor-, zij- en/of achterdakvlak) die in strijd zijn met het bestemmingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend wanneer wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand.

1Dakkapellen

In het hele stadsdeel – met uitzondering van het gebied ‘Plan Zuid’ – mogen dakkapellen op het voor-, zij- en/of achterdakvlak die in strijd zijn met het bestemmingsplan, alleen worden gebouwd wanneer wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand.

2aDakterrassen op hoofdbebouwing

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van dakterrassen die in strijd zijn met het bestemmingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend onder de volgende voorwaarden:

1het dakterras wordt niet gebruikt ten behoeve van horeca;

2het dakterras wordt gebouwd op legaal aanwezige hoofdbebouwing;

3het dakterras wordt gerealiseerd op een plat dak

4de constructiehoogte van het dakterras bedraagt niet meer dan 30 cm;

5de afstand van het hekwerk tot de dakrand is minimaal 1,20 meter daar waar de dakrand grenst aan het voorerfgebied of aan het openbaar toegankelijk gebied;

6de hoogte van het hekwerk is maximaal 1,20 meter (excl. constructie);

7bij ligging in het ‘Plan Zuid’ wordt minimaal 4 meter afstand van de dakrand daar waar de dakrand grenst aan het voorerfgebied of aan het openbaar toegankelijk gebied;

8bij lager gelegen delen van het oorspronkelijk hoofdgebouw wordt voor de privacy buiten de 2 metergrens vanaf de vlakke achtergevel, een minimale afstand van 2 meter tot de perceelsgrens aangehouden.

2Dakterrassen op hoofdbebouwing

In het stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van dakterrassen die in strijd zijn met het bestemmingsplan een afwijking verleend onder de volgende algemene voorwaarden:

1het dakterras wordt niet gebruikt ten behoeve van horeca;

2het dakterras wordt gebouwd op het legaal aanwezige oorspronkelijke hoofdgebouw (zie begripsomschrijving ‘hoofdgebouw’);

3de hoogte van het hekwerk is maximaal 1,20 meter (excl. constructie);

4de constructiehoogte van het dakterras bedraagt niet meer dan 30 cm; voor de hoogte van de toegang tot het dakterras wordt een maximum aangehouden van 50 cm;

5de minimale afstand tot de dakrand aan de achterzijde bedraagt 1,20 m (inclusief overstek, indien aanwezig).

Voor (nagenoeg) geheel platte daken - waarbij eventuele verticale niveauverschillen kleiner zijn dan een meter - gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

6het dakterras mag niet groter zijn dan 30% van het (totaal beschikbare) platte dakoppervlak; de eventueel aan te brengen benodigde constructie is hiervan uitgezonderd;

7voor wat betreft de aan te houden afstand van het hekwerk (incl. constructie-hoogte) tot de dakrand aan de voorzijde van het pand, wordt de zichtbaarheids-regel toegepast (zie bijlage 2), tenzij sprake is van een borstwering die als hekwerk fungeert of het zicht vanuit de openbare ruimte ontneemt aan het hekwerk;

8de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt 1 meter; dit geldt alleen niet, voor de toegang tot het dakterras wanneer deze redelijkerwijs alleen geheel of gedeeltelijk in deze strook kan worden aangelegd (zie afbeeldingen p. 16 en 17).

Voor dakterrassen achter een ‘schijnkap’, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

9alleen wanneer minimaal een verticale afstand aanwezig is tussen de nok van de schijnkap en de bovenkant van het terras van 2,40 meter, mag een dakterras worden gebouwd (zie afbeelding p. 17);

10het dakterras moet tegen de schijnkap worden aangebouwd, waarbij de toegang tot het dakterras in de dakvoet wordt aangebracht en waarbij de toegang onder de nok blijft en maximaal de breedte van een deur heeft;

11wanneer de platte delen achter de schijnkap een getrapt verloop kennen (door eerder gerealiseerde dakuitbouwen of daklagen etc.) mag het dakterras niet groter zijn dan 40% van het (totaal beschikbare) platte dakoppervlak, waarbij de eventueel aan te brengen benodigde constructie is uitgezonderd;

12er dient een privacyschot te worden aangebracht.

Als gebieds- en bebouwingsgerichte voorwaarden gelden verder de volgende voorwaarden:

13in afwijking van de voorwaarde onder 7 wordt minimaal 4 meter afstand gehouden tot de dakrand daar waar de dakrand grenst aan het voorerfgebied of aan het openbaar toegankelijk gebied in de volgende situaties:

-bij ligging in ‘Plan Zuid’;

-bij panden gelegen (aan straten) aan het water, aan een openbaar plein en aan een openbaar park;

-bij panden met de orde 1, orde 2 en een orde 3 (voor zover deze laatstgenoemde ordecategorie is gelegen binnen de stedenbouwkundige zones A en B), wanneer deze zich op een T-splitsing bevinden;

14bij ligging in het AUP-gebied en de historische kernen, linten en fragmenten geldt dat dakterrassen op grondgebonden woningen niet zijn toegestaan, tenzij sprake is van een terugspringende derde bouwlaag (waarop geen dakterras is toegestaan); hiervoor geldt dat het dakterras tegen de terugspringende bouwlaag dient te worden aangebouwd en niet dieper mag zijn dan 2 meter; de algemene voorwaarde onder 5 is daarbij niet van toepassing;

15dakterrassen bij orde 1-panden (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en panden met een vergelijkbare cultuurhistorische waarde) zijn alleen toegestaan, indien deze voldoen aan de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden voor dakterrassen bij geheel platte daken en/of achter schijnkappen, voorwaarde 12 én indien deze de monumentwaardigheid van het pand niet aantasten; dit laatste is ter beoordeling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit;

Voorwaarden lagere gelegen uitgebouwde delen hoofdbebouwing

16voor lager gelegen (gestapelde en) uitgebouwde delen van het oorspronkelijk hoofdgebouw geldt dat het dakterras tegen de vlakke achtergevel moet worden gebouwd, niet dieper mag zijn dan 2 meter (zie afbeelding p. 19) en dat een privacyschot moet worden aangebracht.

Uitsluiting:

Wanneer in het verleden een (bouw- of omgevings-)vergunning is verleend voor een extra bouwlaag of een daklaag, of een aanvraag omgevingsvergunning voor een extra bouwlaag of daklaag wordt ingediend, die in strijd is met het geldende bestemmingsplan en die met een binnenplanse of buitenplanse afwijkingsmoge- lijkheid is vergund of kan worden vergund, wordt geen afwijking verleend voor een dakterras op deze extra bouwlaag of daklaag.

2bDakterrassen op aan-, uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken)

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van dakterrassen op aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken) welke in strijd zijn met het bestemmingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend onder de volgende voorwaarden:

1het dakterras wordt niet gebruikt ten behoeve van horeca;

2het dakterras wordt gemaakt op aan-, uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken) in het achtererfgebied;

3de afstand van het hekwerk tot de dakrand is minimaal 1,20 meter daar waar de dakrand grenst aan het voorerfgebied of aan het openbaar toegankelijk gebied;

4het dakterras wordt gebouwd op legaal aanwezige bijbehorende bouwwerken;

5het dakterras reikt niet dieper dan tot de helft van de diepte van het achtererfgebied gemeten vanaf de vlakke achtergevel van het hoofdgebouw;

6het dakterras wordt gerealiseerd op een (deel van het) plat dak;

7het dakterras dat buiten de 2 meter grens vanaf de vlakke achtergevel steekt ligt minimaal 2 meter uit de perceelsgrens in verband met de privacy.

3Dakterrassen op eenlaagse aan- en uitbouwen (bijbehorende bouwwerken)

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van dakterrassen op eenlaagse aanbouwen en uitbouwen (bijbehorende bouwwerken) die in strijd zijn met het bestemmingsplan, een afwijking verleend onder de volgende voorwaarden:

1het dakterras wordt niet gebruikt ten behoeve van horeca;

2het dakterras wordt gemaakt op legale – op het moment van inwerkingtreding van het beleid aanwezige - aan- en uitbouwen (bijbehorende bouwwerken) in het achtererfgebied of op een te bouwen – in principe – vergunningsvrije aan-/uitbouw (bijbehorende bouwwerken) van maximaal 2,5 m diep; dit laatste geldt alleen voor vergunningsvrije aanbouwen buiten De Pijp;

3het dakterras mag maximaal 2 meter diep zijn vanaf de vlakke achtergevel van het hoofdgebouw (voor uitleg van dit begrip: zie afbeelding p. 18);

4de afstand van het hekwerk tot de dakrand is minimaal 1,20 meter daar waar de dakrand grenst aan het voorerfgebied of aan het openbaar toegankelijk gebied (zie afbeelding hieronder);

5het dakterras wordt gerealiseerd op een (deel van het) plat dak;

6een trap vanaf het dakterras naar de tuin is niet toegestaan;

7er moet een privacyschot worden aangebracht (aan beide zijden, indien aan de orde);

Als gebiedsgerichte voorwaarden gelden verder de volgende voorwaarden:

8in de Pijp zijn dakterrassen op nieuwe eenlaagse aanbouwen en uitbouwen (bijbehorende bouwwerken) niet toegestaan, tenzij een bestaand balkon (aanwezig op het moment van inwerkingtreding van dit beleid) daarbij wordt omgezet naar een dakterras; de eis tot aanleg van een groen dak wordt dan losgelaten.

3Toegang tot een dakterras

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van een bouwwerk dat toegang biedt tot een dakterras op de hoofdbebouwing (dakopbouw) en in strijd is met het bestem-mingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend onder de volgende voorwaarden:

1het dakterras wordt niet gebruikt ten behoeve van horeca;

2minimaal 2½ meter afstand van de dakrand in het voorerfgebied wordt aangehouden;

3het een oppervlak heeft van maximaal 6 m² (inclusief overstekken e.d.);

4de hoogte niet meer bedraagt dan 2,5 meter;

5het wordt uitgevoerd met minimaal 60% transparante wanden;

6bij ligging in het ‘Plan Zuid’ wordt minimaal 4 meter afstand van de dakrand daar waar de dakrand grenst aan het voorerfgebied of aan het openbaar toegankelijk gebied;

7niet worden toegepast bij monumenten en orde 1 en orde 2 panden van de welstandsnota.

8dat het gebruik van een bestaande dakop-bouw of een nog te maken dakuitbouw bij een (schijn)kap, als toegang van het dakterras niet mogelijk is.

4Toegang tot een dakterras

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van een bouwwerk dat toegang biedt tot een dakterras op de hoofdbebouwing (dakopbouw) en in strijd is met het bestemmingsplan, geen afwijking meer verleend.

4aAan- en uitbouwen of bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken).

In het hele stadsdeel, met uitzondering van Plan Zuid, wordt voor het bouwen en gebruiken van op de grond staande aan-, uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), wanneer deze in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan geen ‘omgevingsvergunning a2’ verleend.

4bAan- en uitbouwen of bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken) in Plan Zuid

In Plan Zuid wordt voor het bouwen en gebruiken van op de grond staande aan-, uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), wanneer deze in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend, onder de volgende voorwaarden:

Het bijbehorende bouwwerk:

1wordt in het achtererfgebied gerealiseerd en is niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte;

2wordt binnen een afstand van 2,5 meter tot het oorspronkelijke hoofdgebouw gerealiseerd;

3mag niet hoger zijn dan:

a.5 m;

b.0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

c.het hoofdgebouw

4mag niet leiden tot meer dan 50 % bebouwing van het achtererfgebied, inclusief het oppervlak van gebouwen die op basis van het betreffende bestemmingsplan opgericht zijn of zouden kunnen worden.

5Aan- en uitbouwen of bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken)

A. Voor het realiseren van aan- en uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), wanneer deze in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, wordt geen afwijking verleend, met uitzondering van het bepaalde onder B en C.

B. Voor het realiseren van aan- en uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken) wanneer deze in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, wordt in Plan Zuid – met uitzondering van dat deel van Plan Zuid dat in De Pijp ligt – voor het bouwen en gebruiken van op de grond staande aan- en uitbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken) een afwijking verleend onder de volgende voorwaarden:

Een aan-/uitbouw (bijbehorende bouwwerk):

1wordt in het achtererfgebied gerealiseerd en is niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte;

2wordt binnen een afstand van 2,5 meter tot de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw gerealiseerd;;

3mag niet meer dan één bouwlaag zijn en niet hoger zijn dan:

a.5 m;

b.0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

c.het hoofdgebouw;

4mag niet leiden tot meer dan 50 % bebouwing van het achtererfgebied, inclusief het oppervlak van gebouwen die op basis van het betreffende bestemmingsplan opgericht zijn of zouden kunnen worden.

Een vrijstaand bijgebouw (bijbehorend bouwwerk) mag gerealiseerd worden met een maximum bruto vloeroppervlakte van 9 m ² en een maximum bouwhoogte van 3 meter;

C. Wanneer een – in principe – vergunningsvrije aan-/uitbouw (bijbehorende bouwwerken) van 2,5 m diep achter de oorspronkelijke achtergevel wordt gecombineerd:

-met een uitbreiding van een kelder of souterrain, zoals bedoeld in beleidsregel 6, en de aan-/uitbouw daarmee vergunningsplichtig wordt en aan de voorwaarden uit beleidsregel 6 wordt voldaan;

-met het integreren van een bestaand bovenliggend balkon(waardoor deze feitelijk een dakterras wordt) of een nieuw te bouwen dakterras en deze voldoet aan de voorwaarden uit beleidsregel 3,

wordt hiervoor een afwijking verleend wanneer deze in strijd is met het bestemmingsplan.

D. De onderdelen B en C uit deze beleidsregel zijn niet van toepassing op de uitbreiding van een hotel of een andere overnachtingsvorm zoals bedoeld in het overnachtingsbeleid van de gemeente.

5aOndergrondse bouwwerken achterzijde

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van ondergrondse bouwwerken (onder andere koekoek, wolfskuil en vergroten van kelder en souterrain) grenzend aan de achtergevel van het hoofdgebouw in het achtererfgebied, die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend onder de volgende voorwaarden:

1het bouwwerk wordt gebruikt ten behoeve van verblijfsruimten van het hoofdgebouw;

2het bouwwerk steekt niet dieper dan 2,5 meter in de tuin gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw;

3het realiseren van een kelder of een souterrain onder het hoofdgebouw is op grond van het bestemmingsplan of een afwijkingsbesluit toegestaan;

4het bouwwerk mag de grondwaterstand, grondwaterstromen, en archeologische vondsten niet verstoren;

5aanwezige bomen blijven ongemoeid;

6het bouwwerk is maximaal 1 bouwlaag diep;

7als er een aan- of uitbouw of gebouwd terras wordt gebouwd boven een ondergronds bouwwerk mag voor noodzakelijke daglicht toetreding een koekoek van 50 centimeter diep worden aangebracht (in totaal dus 3 meter diep) en mag buiten de 2,5 meter grens vanaf de oorspronkelijke achtergevel een trap naar de tuin worden gemaakt met een functionele breedte van 1 meter en een maximale maat van 2 m2.

8niet meer dan 50% van de tuin (achtererf-gebied) wordt bebouwd.

6Ondergrondse bouwwerken achterzijde (waaronder kelders)

In het hele stadsdeel wordt - met uitzondering voor hotels of hiermee gelijk te stellen overnachtingsvormen - voor het bouwen en gebruiken van ondergrondse bouwwerken (onder andere koekoek, wolfskuil en vergroten van kelder en souterrain) grenzend aan de achtergevel van het hoofdgebouw in het achtererfgebied, die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, een afwijking verleend onder de volgende algemene voorwaarden:

1het bouwwerk wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van de legaal aanwezige verblijfsruimten van het hoofdgebouw;

2de realisering van de bebouwing mag nooit tot gevolg hebben dat meer dan 50% van de tuin (achtererfgebied) wordt bebouwd;

Voor kelders of souterrains gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

3een bestaande legale kelder of souterrain onder het hoofdgebouw mag worden doorgetrokken tot 2,5 meter diep de tuin in, gemeten vanaf de vlakke achtergevel van het hoofdgebouw ( zie afbeelding p. 18), waarbij:

a.niet meer dan één bouwlaag diep in de grond wordt gebouwd;

b.de maximale vestigingsgrootte uit het bestemmingsplan voor niet-woonfuncties, niet mag worden overschreden;

c.voor noodzakelijke daglichttoetreding:

-een koekoek van 50 centimeter diep (exclusief constructie) mag worden aangebracht (samen met de aanbouw van 2,5 m dus in totaal dus 3 meter diep), waarbij de breedte van de koekoek aansluit bij de maatvoering (gevelindeling) van de bovengelegen achtergevel (zie afbeelding p. 24);

-een koekoek als een (bak-)constructie (wolfskuil) mag worden aangebracht om constructieve redenen; dit mag over de volle breedte van de kelder/het souterrain, maar met een maximum diepte van 2,5 achter de vlakke achtergevel (zie afbeelding p. 24);

d.de diensten die belast zijn met de zorg op het terrein van milieu- en bouwtoezicht en de bescherming van monumenten en archeologie, mogen geen bezwaar hebben tegen de ontwikkeling;

e.geen substantiële belemmering voor de stroom van het grondwater mag optreden, volgend uit stedelijke kaders; dit ter beoordeling van de dienst die belast is met het (grond)waterbeheer;

f.er moet zijn aangetoond dat de ontwikkeling in de tuin niet ten koste gaat van (waardevolle) bomen in de (binnen-)tuin;

4het bepaalde onder 3 geldt ook bij een nieuw te bouwen kelder of souterrain onder de hoofdbebouwing, waarbij eveneens geldt dat de nieuw te bouwen kelder of souterrain onder de hoofdbebouwing wel moet kunnen worden toegestaan op grond van het bestemmingsplan (met inbegrip van de daarin gestelde voorwaarden);

5het bepaalde onder 3 en 4 kan wordengecombineerd met een (in principe vergunningsvrije) aanbouw tot 2,5 meter diep de tuin in (eveneens gemeten vanaf de vlakke achtergevel van het hoofdgebouw), waarbij voor noodzakelijke daglichttoetreding een koekoek of wolfskuil als beschreven onder 3c mag worden en waarbij voor eventueel benodigde betreding van de tuin een trap naar de tuin worden gemaakt met een functionele breedte van 1 meter en een maximale maat van 2 m²;

6de koekoek, wolfskuil en tuintrap onder 5 zijn ook toegestaan voor noodzakelijke daglichttoetreding van een bestaande of nieuw te bouwen kelder / souterrain (die toegestaan zijn of kunnen worden toegestaan op grond van het bestemmingsplan), zonder dat een aanbouw met daaronder een kelder of souterrainuitbreiding wordt gerealiseerd, waarbij de afmetingen voor de koekoek en de tuintrap hetzelfde zijn als onder resp. 3 c en 5 en waarbij voor de wolfskuil een maximum diepte geldt van 1,5 m achter de vlakke achtergevel.

5bOndergrondse bouwwerken voorzijde; koekoek

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van koekoeken in de voorgevel (straatgevel en zijgevel in het voorerfgebied), die in strijd zijn met het geldende bestem-mingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend onder de volgende voorwaarden:

1de koekoek moet noodzakelijk zijn voor de daglichttoetreding en/of ventilatie van een kelder of souterrain;

2de breedte van de koekoek sluit aan bij de maatvoering (gevelindeling) van de bovenge-legen voorgevel van het hoofdgebouw (voorerfgebied);

3het gebruik van de kelder of het souterrain is toegestaan op grond van het geldende bestem- mingsplan of afwijkingsbesluit;

4de koekoek steekt maximaal 30 centimeter uit in de openbare ruimte (exclusief constructie van de koekoek);

5de koekoek steekt niet boven het naastgele-gen openbaar toegankelijke trottoir uit en wordt bij ligging in openbaar toegankelijk gebied afgedekt met een beloopbaar rooster.

7Ondergrondse bouwwerken voorzijde (koekoek)

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van koekoeken in de voorgevel (straatgevel en zijgevel in het voorerfgebied), die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, een afwijking verleend onder de volgende voorwaarden:

1de koekoek moet noodzakelijk zijn voor de daglichttoetreding en/of ventilatie van een kelder of souterrain;

2de breedte van de koekoek sluit aan bij de maatvoering (gevelindeling) van de bovengelegen voorgevel van het hoofdgebouw (voorerfgebied);

3het voorgenomen gebruik van de kelder of het souterrain is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan of afwijkingsbesluit;

4de koekoek steekt maximaal 30 centimeter uit in de openbare ruimte (exclusief constructie van de koekoek);

5de koekoek steekt niet boven het naastgelegen openbaar toegankelijke trottoir uit en wordt bij ligging in openbaar toegankelijk gebied afgedekt met een beloopbaar rooster.

6Gebouwde terrassen

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van een terras(constructie) en een tuintrap in de achtertuin (achtererfgebied) welke in strijd is met het bestemmingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend onder de volgende voorwaarden:

1het terras wordt gebouwd aan de oorspronkelijke achtergevel van de hoofdbebouwing;

2de hoofdbebouwing niet voor horeca wordt gebruikt;

3het te bouwen terras is maximaal 2,5 meter diep gemeten vanaf de oorspronkelijke achter-gevel van de hoofdbebouwing;

4niet meer dan 50% van de tuin (achtererf-gebied) wordt bebouwd;

5het te bouwen terras sluit aan bij de verdiepingsvloer van de begane grond of bij de verdiepingsvloer van de beletage, mits deze niet hoger is dan 1,5 meter vanaf het aangrenzende afgewerkte maaiveld;

6maximaal 1 tuintrap buiten de 2,5 meter grens wordt aangebracht voor de overbrugging van een hoogteverschil tussen het terras (veranda) en de aansluitende tuin aan de achterzijde van het oorspronkelijke hoofdgebouw (achtererfgebied). Deze trap heeft een functionele breedte van maximaal 1 meter en is niet groter dan 2 m².

7aanwezige bomen en wortels blijven ongemoeid.

8Gebouwde terrassen

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van een terras(constructie) en een tuintrap in de achtertuin (achtererfgebied) die in strijd zijn met het bestemmingsplan, een afwijking verleend onder de volgende voorwaarden:

1het terras wordt gebouwd direct aan de oorspronkelijke achtergevel van de hoofdbebouwing;

2de hoofdbebouwing wordt niet voor horecagebruikt;

3het te bouwen terras is maximaal 2,5 meter diep gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel van de hoofdbebouwing;

4niet meer dan 50% van de tuin (achtererfge- bied) wordt bebouwd;

5het te bouwen terras sluit aan bij de verdiepingsvloer van de begane grond of bij de verdiepingsvloer van de beletage, mits deze niet hoger is dan 1,5 meter vanaf het aangrenzende afgewerkte maaiveld;

6maximaal 1 tuintrap buiten de 2,5 meter grens wordt aangebracht voor de overbrugging van een hoogteverschil tussen het terras (veranda) en de aansluitende tuin aan de achterzijde van het oorspronkelijke hoofdgebouw (achtererfgebied). Deze trap heeft een functionele breedte van maximaal 1 meter en is niet groter dan 2 m².

7aanwezige bomen en wortels blijven ongemoeid.

7Balkons

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van een balkon aan het hoofdgebouw, welke in strijd is met het bestemmingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’, verleend wanneer onder de volgende voorwaarden:

1het balkon is aangebracht aan de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw (achtererfgebied);

2het balkon is maximaal 2 meter diep, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw;

3het balkon wordt niet aangebouwd aan een (zich feitelijk in de binnenterreinen bevindend) uitgebouwd deel van de oorspronkelijke (verspringende) achtergevel;

4het dichtbouwen van een balkon kan alleen als het gaat om een bestaand balkon dat onderdeel uitmaakt van een verticale of horizontale balkongalerij van een groter geheel in een bouwblok.

9Balkons en dichtbouwen balkons

A. In de 19de-eeuwseRing, de gordel 20 – 40 en de historische kernen/ linten/ fragmenten wordt voor het bouwen en gebruiken van een balkon aan de achterzijde van het hoofdgebouw, dat in strijd is met het bestemmingsplan, een afwijking verleend onder de volgende voorwaarden:

1het balkon is aangebracht aan de oorspronkelijke vlakke achtergevel van het hoofdgebouw (achtererfgebied);

2het balkon is maximaal 1,25 meter diep, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw;

3voor wat betreft de maximale breedte wordt de maatvoering van de buitenste raamkozijnen aangehouden;

4het balkon wordt niet aangebouwd aan een (zich feitelijk in de binnenterreinen bevindend) uitgebouwd deel van de oorspronkelijke (verspringende) achtergevel;

5bij regelmatig verspringende achtergevels mag – tussen de verspringende gevels – een maximale diepte van 1,50 meter worden gehouden, waarbij het balkon niet voorbij de verspringende gevel uit mag steken; aan voorwaarde 3 hoeft dan niet te worden voldaan;

6Indien een te bouwen balkon binnen twee meter afstand tot een ander (bestaand of ook nieuw) naastgelegen balkon is gesitueerd, moet een privacyschot worden aangebracht.

B. In het AUP-gebied en in de ‘Woongebieden na 1985’ wordt voor het bouwen en gebruiken van een balkon aan het hoofdgebouw, dat in strijd is met het bestemmingsplan, geen afwijking verleend.

C. Bij orde 1-panden (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en panden met een vergelijkbare cultuurhistorische waarde) geldt dat de hiervoor gehanteerde maatvoering alleen kan worden aangehouden, indien deze de architectuur van het pand niet aantasten; dit laatste is ter beoordeling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

D. Het dichtbouwen van een balkon is in het hele stadsdeel niet toegestaan.

8Mengformules horeca

In het hele stadsdeel wordt voor het gebruik van een bestaand bouwwerk van een bepaalde commerciële niet- woonfunctie, indien horeca in strijd is met het bestemmingsplan, een ‘omgevingsvergunning a2’ verleend ten behoeve van een ‘mengformule horeca’ wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

1het deel van het netto verkoopvloeropper-vlakte dat in gebruik is als horeca is bij de mengformule ten hoogste 30% van dat netto verkoopvloeroppervlakte, tot een maximum van 30m2.

2de mengformule past in een lichte categorie horeca (IVb, o.a. koffie- en theeschenkerij, lunchroom, ijssalon);

3de mengformule mag geen eigen ingang aan de straat hebben en mag geen terras exploiteren (met uitzondering van een ‘gevelbank’).

10Mengformules horeca

In het hele stadsdeel wordt voor het gebruik van een bestaand bouwwerk met een publieksgerichte commerciële niet-woonfunctie, indien horeca in strijd is met het bestemmingsplan, een afwijking verleend ten behoeve van een ‘mengformule horeca’ wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

1het deel van het netto verkoopvloeroppervlakte dat in gebruik is als horeca is bij de mengformule ten hoogste 20% van dat netto verkoopvloeroppervlakte, tot een maximum van 20m²;

2de mengformule past in een lichte categorie horeca (uitsluitend zijnde horeca van categorie 4, IVb, o.a. koffie- en theeschenkerij, lunchroom, ijssalon);

3een mengformule met activiteiten die overeenkomen met of lijken op café, fastfood, nachtzaak, discotheek of zalenverhuur, is niet toegestaan; uitgesloten van het voeren van een mengformule zijn: automatenhal, belwinkel, geldwisselkantoor, seksinrichting, smartshop en massagesalon;

4de mengformule mag geen eigen ingang aan de straat hebben en mag geen terras exploi- teren (met uitzondering van een ‘gevelbank’).

9Ventilatiesystemen met bijbehorende afvoerpijpen en leidingkokers

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van een voor het hoofdgebruik noodzakelijk ventilatiesysteem met bijbehorende afvoerpijpen en leidingkokers, een omgevingsvergunning a2’ verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

1het is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van het hoofdgebruik;

2inpandig oplossen is aantoonbaar niet mogelijk;

3bij vergroten capaciteit worden de bestaande afvoerpijpen vervangen;

4de akoestische specificaties tonen aan dat wordt voldaan aan wettelijke normen;

5de omvang en capaciteit is aantoonbaar met akoestische specificaties niet groter dan noodzakelijk;

6voor de plaatsing wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met overlast voor omwonenden;

7het uiterlijk sluit aan bij de omgeving en is niet reflecterend;

8in plan Zuid voldoen de leidingen en kokers aan redelijke eisen van welstand.

11Ventilatiesystemen met bijbehorende afvoerpijpen en leidingkokers

In het hele stadsdeel wordt voor het bouwen en gebruiken van een voor het hoofdgebruik noodzakelijk ventilatiesysteem met bijbehorende afvoerkanalen en leidingkokers, alleen een afwijking verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

1het is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van het hoofdgebruik;

2situering aan gevels grenzend aan de openbare ruimte is niet toegestaan;

3er moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan wettelijke normen (voor met name geur en geluid);

4het uiterlijk sluit aan bij de omgeving en is niet reflecterend.

Daarnaast geldt voor afvoerpijpen aanvullend:

-bij het vergroten van de capaciteit van een ventilatiesysteem worden de bestaande afvoerpijpen vervangen.

Voor airco-units, drycoolers, condensors en soortgelijke installaties die buitenlucht nodig hebben om te functioneren, geldt aanvullend:

a.installaties die niet inpandig kunnen worden gerealiseerd, worden op een plat dak (van het hoofdgebouw of een aanbouw) gesitueerd, waarbij de grootst mogelijke afstand tot (de verblijfsruimten van) omliggende woningen wordt aangehouden; aanvullend op deze afstand wordt de zichtbaarheid vanaf de begane grond tot het minimum beperkt;

b.bij meerdere installaties op een dak moeten deze worden geclusterd en worden voorzien van een ombouw;

c.installaties op een aanbouw of een bijgebouw in een binnenterrein, dienen altijd te worden voorzien van een ombouw.

Voor overige installaties, die een afzuigende werking hebben, geldt aanvullend:

a.alleen ondergeschikte delen van de hier bedoelde installaties kunnen uitwendig wordengerealiseerd;

b.de hiervoor genoemde onderdelen a, b en c die gelden voor airco-units, drycoolers, condensors en soortgelijke installaties, zijn van overeenkomstige toepassing.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.