Aanhef
Procesafspraken over de handhaving van de integriteit van het gemeentebestuur.
Een uitvoeringsprotocol over hoe te handelen bij een vermoeden van een integriteitsschending.
Fase 1 – Bespreken en melden
Sectie 1 Route voor raadsleden
1.1Betreft: eigen handelen
a) Een raadslid twijfelt over een eigen nog uit te voeren handeling
•Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de voorgenomen handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
•Als het raadslid en de griffier er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de voorgenomen handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. De burgemeester formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
•Het raadslid volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid of de burgemeester dit in beginsel aan de gemeenteraad. Denk hierbij aan een korte stemverklaring bij mogelijke (schijn van) belangenverstrengeling. In uitzonderlijke gevallen kan ervoor gekozen worden eerst de fractievoorzitters te informeren, die vervolgens beslissen of het voorliggende vraagstuk gedeeld dient te worden met de gehele gemeenteraad.
Communicatie
Als een raadslid in een persoonlijk gesprek een advies krijgt van de burgemeester, kan dit desgewenst door de griffier op schrift worden gesteld en meegegeven aan het raadslid. Adviezen die worden opgevolgd blijven vertrouwelijk. In principe weten alleen het betrokken raadslid, de burgemeester en de griffier ervan.
b) Een raadslid twijfelt over een eigen al uitgevoerde handeling
•Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
•Als het raadslid en de griffier er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de uitgevoerde handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. Als de gedeelde conclusie van dit gesprek is dat er inderdaad sprake is van een schending, zal het raadslid in ieder geval het presidium informeren en indien mogelijk de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De burgemeester beoordeelt de zwaarte van de schending en maakt dit zwaarte-oordeel bekend aan het presidium. Behalve bij de mildst mogelijke sanctie (‘binnenskamers aanspreken’, zie pagina 22) is het uiteindelijk aan de raad het eindoordeel te vellen en te besluiten over een eventuele sanctie (zie verder fase 3).
•Als er geen sprake is van een gedeelde conclusie, is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.2Betreft: handelen van een collega-raadslid
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van een ander raadslid
•Het raadslid bespreekt dit met de ander en verwoordt zijn/haar twijfels.
•Als het gesprek tussen de raadsleden niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt het twijfelende raadslid de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
•Bij aanhoudende twijfel gaat het raadslid naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan het raadslid van wie een voorgenomen handeling vragen heeft opgeroepen.
•Dit raadslid volgt het advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid dit zelf aan de gemeenteraad. Laat het raadslid dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een ander raadslid
•Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
•Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat het raadslid in gesprek met het collega-raadslid, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de ander erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert deze zelf de burgemeester en de gemeenteraad hierover (Zie verder onder 1.1.b).
•Bij aanhoudende twijfel doet het raadslid melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.3Betreft: handelen van een wethouder
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van een wethouder
•Het raadslid bespreekt dit met de wethouder en verwoordt zijn/haar twijfels.
•Als het gesprek tussen het raadslid en de wethouder niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt het raadslid de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
•Bij aanhoudende twijfel gaat het raadslid naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de wethouder.
•De wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder of de burgemeester dit in de collegevergadering en aan het fractievoorzittersoverleg. De fractievoorzitters beslissen vervolgens of het voorliggende vraagstuk gedeeld dient te worden met de gehele gemeenteraad.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een wethouder
•Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
•Bij aanhoudende twijfel doet het raadslid melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.4Betreft: handelen van de burgemeester
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van de burgemeester
•Het raadslid vraagt de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
•Indien het raadslid en de griffier concluderen dat de handeling een schending kan zijn, gaan zij samen naar de burgemeester. Bij een verschil van inzicht met de griffier, gaat het raadslid zelf naar de burgemeester.
•De burgemeester overweegt of advies door de CdK gewenst is, voordat zij een besluit neemt over de eigen voorgenomen handeling.
•Indien de burgemeester afziet van advisering door de CdK en het raadslid houdt ernstige twijfels over de voorgenomen handeling van de burgemeester, kan het raadslid ervoor kiezen om zelf naar de CdK te gaan.
•De CdK formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de burgemeester.
•De burgemeester volgt dit advies in beginsel op. Als de burgemeester toch van het advies van de CdK afwijkt, meldt de burgemeester dit zelf aan de gemeenteraad en het college.
•Indien de burgemeester dit nalaat te doen, dan informeert de CdK de locoburgemeester hierover. Deze zal vervolgens, eventueel na het informeren van de burgemeester, het college en de gemeenteraad informeren.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de burgemeester
•Het raadslid vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
•Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat het raadslid in gesprek met de burgemeester, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de burgemeester erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf bij de CdK en informeert het college en de gemeenteraad hierover. (Zie verder onder 3.1.b.)
•Als het gesprek tussen het raadslid en de burgemeester niet leidt tot een gedeelde conclusie, kan het raadslid melding doen bij de CdK. Het is dan aan de CdK om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.5Betreft: handelen van de griffier
4Indien een raadslid twijfelt over een (voorgenomen of uitgevoerde) handeling van een raadsadviseur of griffiemedewerker, bespreekt het raadslid dit met de griffier, die hier het gemandateerd bevoegd gezag is. De griffier besluit, in overleg met de burgemeester – bij een uitgevoerde handeling – of een melding doorgezet moet worden naar de gemeentesecretaris in lijn met de geldende interne regeling voor alle ambtenaren. Op deze wijze kan de griffier als direct leidinggevende de zorgfunctie richting vermeende schender, mogelijke melder alsook de rest van de griffie vervullen, terwijl tegelijkertijd de zorgvuldigheid van het (voor)onderzoek geborgd is. Een en ander valt logischerwijs buiten het bestek van de Procesafspraken Integriteit. Aangezien kwesties die individuele ambtenaren betreffen in de regel niet in de gemeenteraad komen is de griffier gemandateerd om over te gaan tot eventuele sanctionering.
a) Een raadslid twijfelt over een voorgenomen handeling van de griffier
•Het raadslid bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels.
•Bij aanhoudende twijfel gaat het raadslid naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de griffier.
•De griffier volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de griffier dit zelf aan de werkgeverscommissie. Laat de griffier dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een raadslid twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de griffier
•Het raadslid bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de griffier erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf bij de burgemeester en informeert ook de gemeenteraad hierover. Indien mogelijk zal de griffier de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De werkgeverscommissie beoordeelt of er daarnaast ook een sanctie nodig is (zie verder fase 3).
•Bij aanhoudende twijfel doet het raadslid melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
1.6Betreft: handelen van een ambtenaar uit de organisatie
Een raadslid twijfelt over een (voorgenomen of uitgevoerde) handeling van een ambtenaar
•Het raadslid bespreekt zijn/haar twijfels met de burgemeester.
•Als de burgemeester daar reden toe ziet, informeert de burgemeester de gemeentesecretaris, die het gemandateerde bevoegd gezag is over alle ambtenaren. De gemeentesecretaris besluit, bijgestaan door de daartoe aangewezen adviseurs, bij een uitgevoerde handeling, of een melding wordt opgepakt. Communicatie met de melder verloopt steeds via de burgemeester. Een en ander valt logischerwijs buiten het bestek van de Procesafspraken Integriteit. Kwesties die individuele ambtenaren betreffen, komen in de regel niet in de gemeenteraad.
•In geval van twijfel over het handelen van de gemeentesecretaris zelf, informeert de burgemeester de andere leden van het college. Bij eventuele vervolgstappen worden interne of externe deskundigen betrokken.
Sectie 2 Route voor wethouders
2.1 Betreft: eigen handelen
a) Een wethouder twijfelt over een eigen nog uit te voeren handeling
•De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de voorgenomen handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
•Als de wethouder en de gemeentesecretaris er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de voorgenomen handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. De burgemeester formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
•De wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder of de burgemeester dit in de collegevergadering en aan het presidium. In het presidium wordt besloten of het voorliggende vraagstuk gedeeld dient te worden met de gehele gemeenteraad.
Communicatie
Als een wethouder in een persoonlijk gesprek een advies krijgt van de burgemeester, kan dit desgewenst door de gemeentesecretaris op schrift worden gesteld en meegegeven aan de wethouder. Adviezen die worden opgevolgd blijven vertrouwelijk. In principe weten alleen de betrokken wethouder, de burgemeester en de gemeentesecretaris ervan.
b) Een wethouder twijfelt over een eigen al uitgevoerde handeling
•De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
•Als de wethouder en de gemeentesecretaris er niet uitkomen – vanwege een verschil van inzicht of er blijft twijfel bestaan over de uitgevoerde handeling – gaan ze samen naar de burgemeester. Als de gedeelde conclusie van dit gesprek is dat er inderdaad sprake is van een schending, zal de wethouder in ieder geval het college en de gemeenteraad informeren en indien mogelijk de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De raad beoordeelt zelfstandig de politieke consequenties, zonder dat de burgemeester eerst een zwaarte-oordeel heeft geveld (zie verder fase 3).
•Als er geen sprake is van een gedeelde conclusie, is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.2 Betreft: handelen van een raadslid
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van een raadslid
•De wethouder bespreekt dit met het raadslid en verwoordt zijn/haar twijfels.
•Als het gesprek tussen de wethouder en het raadslid niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt de wethouder de griffier om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
•Bij aanhoudende twijfel gaat de wethouder naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan het raadslid.
•Het raadslid volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid dit zelf aan de gemeenteraad. Laat het raadslid dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een raadslid
•De wethouder vraagt de griffier om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
•Bij aanhoudende twijfel doet de wethouder melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.3 Betreft: handelen van een collega-wethouder
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van collega-wethouder
•De wethouder bespreekt dit met de andere wethouder en verwoordt zijn/haar twijfels.
•Als het gesprek tussen de wethouders niet leidt tot een gedeelde conclusie, vraagt de twijfelende wethouder de gemeentesecretaris om advies: is de voorgenomen handeling een schending?
•Bij aanhoudende twijfel gaat de wethouder naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de wethouder van wie een voorgenomen handeling vragen heeft opgeroepen.
•De betrokken wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder dit zelf in de collegevergadering en aan de gemeenteraad. Laat de wethouder dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een collega-wethouder
•De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
•Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat de wethouder in gesprek met de collega-wethouder, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de ander erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert deze zelf het college B&W en de gemeenteraad hierover. (Zie verder onder 2.1.b. tweede bullet)
•Bij aanhoudende twijfel doet de wethouder melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.4 Betreft: handelen van de burgemeester
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van de burgemeester
•De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is de voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
•Indien de wethouder en de gemeentesecretaris concluderen dat de handeling een schending kan zijn, gaan zij samen naar de burgemeester. Bij een verschil van inzicht met de gemeentesecretaris, gaat de wethouder, eventueel vergezeld door de gemeentesecretaris, naar de burgemeester.
•De burgemeester overweegt of advies van de CdK gewenst is, voordat zij een besluit neemt over de eigen voorgenomen handeling.
•Indien de burgemeester afziet van advisering door de CdK en de wethouder houdt ernstige twijfels over de voorgenomen handeling van de burgemeester, kan de wethouder ervoor kiezen om zelf naar de CdK te gaan.
•De CdK formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de burgemeester.
•De burgemeester volgt dit advies in beginsel op. Als de burgemeester toch van het advies van de CdK afwijkt, meldt de burgemeester dit zelf aan de gemeenteraad en het college.
•Indien de burgemeester dit nalaat te doen, dan informeert de CdK de locoburgemeester hierover. Deze zal vervolgens, eventueel na het informeren van de burgemeester, het college en de gemeenteraad informeren.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de burgemeester
•De wethouder vraagt de gemeentesecretaris om advies: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
•Als na dit gesprek de twijfel niet is weggenomen, gaat de wethouder in gesprek met de burgemeester, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de burgemeester erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt de burgemeester dit zelf bij de CdK en informeert het college en de gemeenteraad hierover. (Zie verder onder 3.1.b.).
•Als het gesprek tussen de wethouder en de burgemeester niet leidt tot een gedeelde conclusie, kan de wethouder melding doen bij de CdK. Het is aan de CdK om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.5 Betreft: handelen van de griffier
a) Een wethouder twijfelt over een voorgenomen handeling van de griffier
•De wethouder bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels.
•Bij aanhoudende twijfel gaat de wethouder naar de burgemeester. Deze formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de griffier.
•De griffier volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de griffier dit zelf aan de werkgeverscommissie. Laat de griffier dit na, dan doet de burgemeester het.
b) Een wethouder twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de griffier
•De wethouder bespreekt dit met de griffier en verwoordt zijn/haar twijfels, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de griffier erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf bij de burgemeester en informeert ook de gemeenteraad hierover. Indien mogelijk zal de griffier de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De werkgeverscommissie beoordeelt of er daarnaast ook een sanctie nodig is (zie verder fase 3).
•Bij aanhoudende twijfel doet de wethouder melding bij de burgemeester. Het is aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
2.6 Betreft: handelen van een ambtenaar uit de organisatie
Een wethouder twijfelt over een (voorgenomen of uitgevoerde) handeling van een ambtenaar
•De wethouder bespreekt zijn/haar twijfels met de burgemeester.
•Indien de burgemeester daar reden toe ziet, informeert zij de gemeentesecretaris, die het gemandateerde bevoegd gezag is over alle ambtenaren. De gemeentesecretaris besluit, bijgestaan door de daartoe aangewezen adviseurs, bij een uitgevoerde handeling, of een melding wordt opgepakt. Eventuele communicatie met de melder verloopt via de burgemeester. Een en ander valt logischerwijs buiten het bestek van de Procesafspraken Integriteit. Kwesties die individuele ambtenaren betreffen komen in de regel niet in de gemeenteraad.
•In geval van twijfel over het handelen van de gemeentesecretaris zelf, informeert de burgemeester de andere leden van het college en betrekt hij/zij interne of externe deskundigen bij eventuele vervolgstappen.
Sectie 3: Route voor de burgemeester
3.1 Betreft: eigen handelen
a) De burgemeester twijfelt over een eigen nog uit te voeren handeling
•De burgemeester vraagt om advies in het driehoeksoverleg met de griffier en de gemeentesecretaris: is deze voorgenomen handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat de voorgenomen handeling geen schending is, is de zaak afgedaan.
•Bij aanhoudende twijfel gaat de burgemeester naar de CdK. De CdK formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
•De burgemeester volgt dit advies in beginsel op. Als de burgemeester toch van het advies van de CdK afwijkt, meldt deze dit zelf aan de CdK, in het college en, mogelijk, na consultatie met het presidium, aan de gemeenteraad.
•Indien de burgemeester dit nalaat te doen, dan informeert de CdK de locoburgemeester hierover. Deze zal vervolgens, eventueel na het informeren van de burgemeester, het college en de gemeenteraad informeren.
b) De burgemeester twijfelt over een eigen al uitgevoerde handeling
•De burgemeester vraagt om advies in het driehoeksoverleg met de griffier en de gemeentesecretaris: is deze handeling een schending? Als de gedeelde conclusie is dat er geen sprake is van een schending, is de zaak afgedaan.
•Bij aanhoudende twijfel gaat de burgemeester naar de CdK. Als de gedeelde conclusie van dit gesprek is dat er inderdaad sprake is van een schending, zal de burgemeester in ieder geval de wethouders en de gemeenteraad informeren en indien mogelijk de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De raad beoordeelt zelfstandig de politieke consequenties (zie fase 3).
•Als er geen sprake is van een gedeelde conclusie, is het aan de CdK om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.2 Betreft: handelen van een raadslid
a) De burgemeester twijfelt over een voorgenomen handeling van een raadslid
•De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de griffier) zijn/haar twijfels met het raadslid.
•Als dit gesprek met het raadslid niet leidt tot een gedeelde conclusie, formuleert de burgemeester (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan het betrokken raadslid.
•Het raadslid volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt het raadslid dit zelf aan de gemeenteraad. Laat het raadslid dit na, dan doet de burgemeester het.
b) De burgemeester twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een raadslid
•De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de griffier) haar twijfels met het raadslid, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als het raadslid erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert hij/zij de gemeenteraad hierover. (Zie verder onder 1.1.b.).
•Bij aanhoudende twijfel is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.3 Betreft: handelen van een wethouder
a) De burgemeester twijfelt over een voorgenomen handeling van een wethouder
•De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de gemeentesecretaris) haar twijfels met de wethouder.
•Als dit gesprek met de wethouder niet leidt tot een gedeelde conclusie, formuleert de burgemeester (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies aan de betrokkenen wethouder.
•De wethouder volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de wethouder dit zelf in de collegevergadering en aan de gemeenteraad. Laat de wethouder dit na, dan doet de burgemeester het.
b) De burgemeester twijfelt over een al uitgevoerde handeling van een wethouder
•De burgemeester bespreekt (eventueel na overleg met de griffier) haar twijfels met de wethouder, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de wethouder erkent mogelijk een schending te hebben begaan, informeert deze zijn collega-wethouders en de gemeenteraad hierover. (Zie verder onder 2.1.b.).
•Bij aanhoudende twijfel, is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.4 Betreft: handelen van de griffier
a) De burgemeester twijfelt over een voorgenomen handeling van de griffier
•De burgemeester bespreekt dit met de griffier, verwoordt zijn/haar twijfels en formuleert (eventueel na raadpleging van interne en/of externe deskundigen) een advies.
•De griffier volgt dit advies in beginsel op. Als er toch van het advies van de burgemeester wordt afgeweken, meldt de griffier dit zelf aan de werkgeverscommissie. Laat de griffier dit na, dan doet de burgemeester het.
b) De burgemeester twijfelt over een al uitgevoerde handeling van de griffier
•De burgemeester bespreekt dit met de griffier en verwoordt haar twijfels, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen (zie kader ‘Aanspreken: wanneer niet?’, pagina 7).
•Als de griffier erkent mogelijk een schending te hebben begaan, meldt deze dit zelf aan de gemeenteraad. Indien mogelijk zal de griffier de schending ongedaan maken of de schade herstellen. De werkgeverscommissie beoordeelt of er daarnaast ook een sanctie nodig is (zie verder fase 3).
•Bij aanhoudende twijfel is het aan de burgemeester om te besluiten of de stap naar fase 2 wordt gezet dan wel dat de zaak is afgedaan.
3.5 Betreft: handelen van een ambtenaar uit de organisatie
De burgemeester twijfelt over een (voorgenomen of uitgevoerde) handeling van een ambtenaar
•De burgemeester informeert de gemeentesecretaris, die het gemandateerde bevoegd gezag is over alle ambtenaren. De gemeentesecretaris besluit, bijgestaan door de daartoe aangewezen adviseurs, bij een uitgevoerde handeling, of een melding wordt opgepakt. De gemeentesecretaris verzorgt de communicatie met de melder (de burgemeester). Een en ander valt logischerwijs buiten het bestek van de Procesafspraken Integriteit. Kwesties die individuele ambtenaren betreffen, komen in de regel niet in de gemeenteraad.
•In geval van twijfel over het handelen van de gemeentesecretaris zelf, informeert de burgemeester het college van wethouders en betrekt zij interne of externe deskundigen bij eventuele vervolgstappen.
Fase 2 – Duiden en onderzoeken
Stap 1: Duiding en vooronderzoek
1.1 Betreft: handelen een raadslid, een wethouder of de griffier
Bij een melding van een mogelijke integriteitsschending door een raadslid, een wethouder of een griffiefunctionaris beoordeelt de burgemeester of er sprake is van een onderzoekswaardige
5Ook burgers, bedrijven of instanties kunnen twijfelen over het handelen van een politieke ambtsdrager. Als zij daarvan melding doen via de gemeentelijke klachtenprocedure of rechtstreeks bij de burgemeester, treedt fase 2 van het Uitvoeringsprotocol Integriteit in werking. De melder speelt in het traject verder geen rol; wel wordt hij geïnformeerd over wat er met de melding is gedaan. Ambtenaren die een melding over een politieke ambtsdrager overwegen, informeren de gemeentesecretaris voordat zij zich tot de burgemeester wenden. Als een klacht van een (oud)medewerker gaat over ongewenst gedrag van een politiek ambtsdrager dan heeft de gemeente de mogelijkheid om de klachtencommissie in te schakelen als bedoeld in de Klachtenregeling ongewenst gedrag.
melding. Dit is het geval indien:
•de melding een vermoedelijke schending van de gedragscode en/of wetgeving betreft, van een zekere ernst;
•de melding voldoende betrouwbaar en concreet is;
•de melding in redelijkheid onderzoekbaar is (dat wil zeggen: er zijn voldoende onderzoeksmogelijkheden).
Om de onderzoekswaardigheid te kunnen bepalen, vindt altijd een gesprek met de melder plaats. Daarna kan het vooronderzoek onder meer bestaan uit:
•het in kaart brengen van de feitelijke situatie;
•het checken van de beschikbaarheid van (administratieve) informatie;
•het nalopen van relevante wet- en regelgeving.
Ook een gesprek met degene op wie de melding betrekking heeft, zal deel uitmaken van het vooronderzoek. Een dergelijk gesprek vindt niet plaats als de vermoedelijke schending ernstig is en een eventueel vervolgonderzoek in gevaar kan komen als de betrokkene in dit stadium op de hoogte wordt gesteld.
De burgemeester is eindverantwoordelijk voor het vooronderzoek. In de regel zal zij ervoor kiezen zich te laten ondersteunen door een adviesgroep met specialisten die concrete taken uitvoeren. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld behoren:
•integriteitscoördinator, senior jurist, adviseur bestuurlijke zaken;
•externe deskundigen.
Adviezen van ondersteuners aan de burgemeester worden bij voorkeur op schrift gesteld. Op basis hiervan brengt de burgemeester advies uit. Er zij vier mogelijke scenario’s te onderscheiden:
1De burgemeester concludeert dat er geen grond is voor de verdenking dan wel dat de melding een kleinigheid betreft, onvoldoende betrouwbaar en concreet is en/of niet in redelijkheid onderzoekbaar is. De burgemeester informeert de melder hierover en, indien dat gepast is, ook degene op wie de melding betrekking had.
2Degene die onder verdenking is komen te staan erkent een schending te hebben begaan, de feiten zijn voldoende bekend en er is geen verder onderzoek nodig (zie Fase 3).
3De burgemeester concludeert dat er grond is voor de verdenking en dat de melding ook anderszins onderzoekswaardig is, maar er is geen sprake van erkenning door de betrokkene. In dit geval gelast de burgemeester een integriteitsonderzoek (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, paragraaf 2.1).
4De burgemeester concludeert dat er grond is voor de verdenking, het vermoeden betreft een ernstige schending en het risico bestaat dat het informeren van de betrokkene het onderzoeksbelang zou schaden. In dit geval gelast de burgemeester een integriteitsonderzoek zonder de betrokkene daar bij aanvang van op de hoogte te stellen (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, paragraaf 2.1).
Blijkt uit het vooronderzoek dat er sprake kan zijn van een strafbaar feit, dan kan de burgemeester hiervan aangifte doen bij de politie. Gaat het om een redelijk vermoeden van een ambtsmisdrijf, dan is de burgemeester hiertoe verplicht
6Artikel 162 Wetboek van Strafvordering.
.
1.2 Betreft: handelen van de burgemeester
Bij een melding van een mogelijke integriteitsschending door de burgemeester is de CdK verantwoordelijk voor een zorgvuldige procesgang. De behandeling van de melding verloopt analoog aan het handelingsproces zoals beschreven onder 1.1, waarbij de melding eerst wordt geduid en daarna desgewenst een vooronderzoek kan plaatsvinden. De CdK is in dat geval eindverantwoordelijk voor een deugdelijk vooronderzoek. In de regel zal de CdK er dan voor kiezen zich te laten ondersteunen door een adviesgroep van ondersteuners die in het kader van het vooronderzoek concrete taken uitvoeren. Hierin hebben minimaal de volgende gemeente-ambtenaren zitting: de integriteitscoördinator en een senior jurist. Desgewenst kan de CdK ook externe deskundigen inschakelen.
De CdK beoordeelt de resultaten van het vooronderzoek. Er zijn dan vier mogelijkheden:
1De CdK concludeert dat er geen grond is voor de verdenking dan wel dat de melding een kleinigheid betreft, onvoldoende betrouwbaar en concreet is en/of niet in redelijkheid onderzoekbaar is. Hiermee is de zaak afgedaan. De CdK informeert de melder en de burgemeester hierover.
2De burgemeester erkent een schending te hebben begaan, de feiten zijn voldoende bekend en er is geen verder onderzoek nodig (zie Fase 3).
3De CdK concludeert dat er grond is voor de verdenking en dat de melding ook anderszins onderzoekswaardig is, maar er is geen sprake van erkenning door de burgemeester. In dit geval gelast de CdK een integriteitsonderzoek (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, paragraaf 2.2).
4De CdK concludeert dat er grond is voor de verdenking, het vermoeden betreft een ernstige schending en het risico bestaat dat het informeren van de betrokkene het onderzoeksbelang zou schaden. In dit geval gelast de CdK een integriteitsonderzoek zonder de betrokkene daar bij aanvang van op de hoogte te stellen (zie stap 2: Integriteitsonderzoek, paragraaf 2.2).
Indien de verdenking van het plegen van een strafbaar feit de burgemeester betreft, is het de CdK die aangifte doet.
Communicatie
Als de conclusie van een vooronderzoek luidt dat de verdenking ongegrond is, blijft het vooronderzoek vertrouwelijk. In dit geval weten alleen de melder, degene over wie is gemeld, de burgemeester (of, indien de melding de burgemeester betreft, de CdK) en eventuele ondersteuners ervan.
Een besluit tot het instellen van een integriteitsonderzoek wordt genomen door de burgemeester (dan wel de CdK, in het geval van een vermoeden van een schending door de burgemeester). Het is belangrijk om de kring van betrokkenen niet groter te maken dan strikt nodig is.
De vermeende schender wordt altijd geïnformeerd over het instellen van een Integriteits-onderzoek. Hiervan wordt alleen afgezien indien dit het vervolgonderzoek in gevaar kan brengen.
In dit stadium kan de burgemeester (dan wel de CdK) er wel voor kiezen om de fractie-voorzitters vertrouwelijk te informeren. Als de kwestie onverhoopt al in de openbaarheid is gekomen, is dit sowieso raadzaam.
Stap 2: Integriteitsonderzoek
2.1 Betreft: handelen van een raadslid, een wethouder of de griffier
Als het vooronderzoek heeft geleid tot de conclusie dat een melding over een wethouder, een raadslid of een griffiefunctionaris onderzoekswaardig is, geeft de burgemeester – na al dan niet intern of extern deskundig advies te hebben ingewonnen – opdracht tot het uitvoeren van een integriteitsonderzoek. Tot het moment van openbaarmaking wordt geheimhouding opgelegd op alles wat met het onderzoek te maken heeft.
De onderzoeksopdracht wordt zo helder mogelijk geformuleerd en omvat ten minste de volgende zaken:
•de onderzoeksvraag (of -vragen);
•de wet- en regelgeving waaraan het handelen wordt getoetst;
•de termijn waarbinnen het onderzoek dient te zijn afgerond.
De burgemeester is eindverantwoordelijk voor het integriteitsonderzoek (in termen van kwaliteit, tijd en kosten). Concrete taken laat zij uitvoeren door:
•professionele onderzoekers uit de ambtelijke organisatie van de gemeente;
•en/of onderzoekers van een extern – gecertificeerd – onderzoeksbureau. In dit geval verstrekt het onderzoeksbureau een opdrachtbevestiging met daarin ten minste een weergave van in te zetten onderzoeksmethoden, zorgvuldigheidswaarborgen, een planning en een begroting.
In het kader van het onderzoek wordt in ieder geval degene geïnterviewd op wie de melding betrekking heeft. Daarnaast kan het onderzoek onder meer bestaan uit:
•het interviewen van andere betrokkenen;
•het verzamelen en beoordelen van schriftelijke informatie;
•het toetsen van relevante informatie aan wet- en regelgeving.
De burgemeester draagt er zorg voor dat alle personen gehoord in het onderzoek op voorhand voldoende zijn geïnformeerd zodat zij weten waar zij aan toe zijn, welke rechten zij hebben en welke instanties hen bij kunnen staan.
7Denk hierbij bijvoorbeeld aan de vereniging voor raadsleden of de vereniging voor wethouders.
Het onderzoek mondt uit in een schriftelijk rapport. Nadat de burgemeester de conceptversie heeft gelezen, wordt deze ter inzage voorgelegd aan degene wiens handelen is onderzocht in het kader van hoor en wederhoor. Feitelijke onjuistheden worden, indien vastgesteld, aangepast in het rapport. De eventuele op- en aanmerkingen bij de inhoudelijke vaststellingen in het conceptrapport worden schriftelijk vastgelegd en als bijlage toegevoegd aan het definitieve rapport. Dat blijft (vooralsnog) geheim.
2.2 Betreft: handelen van de burgemeester
Indien een onderzoekswaardige melding de burgemeester betreft, is het de CdK die opdracht geeft tot het instellen van een integriteitsonderzoek. Het onderzoekstraject voltrekt zich verder analoog aan het proces zoals hierboven geschetst, met twee verschillen:
•eventuele interne – zijnde niet van een extern onderzoeksbureau – professionele onderzoekers komen uit de provinciale ambtelijke organisatie en niet de eigen ambtelijke organisatie. Deze onderzoekers kunnen wel een beroep doen op de gemeentelijke organisatie voor het verkrijgen van relevante informatie;
•het concept-rapport gaat naar de CdK voordat dit ter inzage wordt voorgelegd aan de burgemeester.