Aanhef
Beleid voor hergebruik van grond en bagger
1 Inleiding
1.6. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid
1.6.1. Verantwoordelijkheid
De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook eenieder die op een bepaald moment in enig opzicht invloed heeft op (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het toepassen van grond te melden.
De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het grondverzet en de eigenaar/huurder van de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht:
•Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken.
•Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): eenieder die handelingen verricht, die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen.
•Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van 1975. In de Wet milieubeheer wordt hierop ingegaan in de artikelen 10.1 en 10.2. Bij bodemsanering gaat het dan om verontreinigd puin, sintels, teerresten et cetera.
1.6.2. Aansprakelijkheid
De bodemfunctieklassenkaart, de bodemkwaliteitskaart en deze Nota Bodembeheer zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. De bodemkwaliteitskaart biedt geen harde garanties voor de kwaliteit van een partij grond. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van grond blijft bij de initiatiefnemer voor het grondverzet en daarna eenieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie. Als twijfel bestaat over de kwaliteit van de grond, wordt geadviseerd een onderzoek te laten uitvoeren.
5 Hergebruik van grond
5.1. Eisen aan hergebruik
5.1.1. Lokaal Maximale Waarden
In het vorige hoofdstuk is onderbouwd aan welke eisen toe te passen grond moet voldoen. Dit is doorvertaald naar zogenaamde Lokaal Maximale Waarden (LMW) voor toepassen, welke zijn afgebeeld in onderstaande tabel. In Bijlage 3 staan per stof de bijbehorende gehalten in mg/kg. Omdat er in de ondergrond geen contactrisico’s bestaan is aangesloten bij de kwaliteit die de ondergrond nu al heeft indien deze kwaliteit minder goed is dan de functie.
Tabel 5.1: Lokaal Maximale Waarden voor het toepassen van grond (zie bijlage 3 voor gehalten).
Bodemkwaliteitszones
Lokaal Maximale Waarde bovengrond (0 – 0,5 m-mv)
Lokaal Maximale Waarde ondergrond (0,5 – 2 m-mv)
1A: Binnenstad Gouda
wonen
industrie
1B: Binnenstad Schoonhoven
wonen
industrie
1C: Kern Bodegraven
wonen
wonen
1D: Oude dorp Zoetermeer
wonen
wonen
1E: Historische en oude bebouwing Alphen aan den Rijn
wonen
wonen
2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
wonen
industrie
3: Historische bebouwing zeekleipolders
wonen
wonen
4: Oude bebouwing 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop
wonen
wonen
5: Uitbreidingen 1940-1990 (noord+oost)
wonen
wonen
6: Uitbreidingen 1940-1970 (zuid + west)
wonen
wonen
7: Recente uitbreidingen na 1970 a 1990 (hele regio)
wonen
wonen
8A: Lintbebouwing veenweidegebied
wonen
wonen
8B: Lintbebouwing Oude Rijn
wonen
wonen
9: Lintbebouwing op toemaakdek
wonen
wonen
10: Lintbebouwing Krimpenerwaard
wonen
wonen
11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
wonen
wonen
12: Lintbebouwing zeekleipolders
wonen
wonen
13: Oude industrie
industrie
4Met uitzondering in grondwaterbeschermingsgebieden. Zie paragraaf 5.3.6.
industrie
14: Lichte industrie en bedrijven
industrie4
industrie
15: Kantoren, bedrijven na 1990 en kassen
industrie4,
5Met uitzondering van kassen (glastuinbouw). Hier moet de kwaliteit van toe te passen grond voldoen aan Klasse Wonen.
industrie
16: Buitengebied – zeekleipolders incl rand
achtergrondwaarde
6M.u.v. molybdeen (zie hieronder)
achtergrondwaarde
17: Buitengebied – toemaakdek
achtergrondwaarde6
18: Buitengebied – boomkwekerijen Boskoop
wonen
19: Buitengebied – veenweide
achtergrondwaarde6
De Lokaal Maximale Waarden voor grond zijn op kaart afgebeeld op Kaartbijlage 3a en 3b. De Lokaal Maximale Waarden gelden voor het toepassen van partijen grond afkomstig uit het bodembeheergebied.
Molybdeen
De achtergrondwaarde voor molybdeen bedraagt 1,5 mg/kg. Dikwijls worden lichte overschrijdingen aangetroffen als gevolg waarvan grondverzet niet plaats kan vinden. In het landelijk gebied van de regio Midden-Holland en Zoetermeer worden op onverdachte percelen juist dikwijls verhoogde gehalten molybdeen aangetroffen. De 95-percentielwaarden van molybdeen in de zones van het landelijk gebied liggen rond 3,0 mg/kg. In het landelijk gebied wordt daarom een Lokaal Maximale Waarde van 3,0 mg/kg gehanteerd.
Aan de hand van de Risico Toolbox is bepaald of dit geoorloofd is. Voor de landbouw zijn geen normen (LAC-waarde; LAC=Landbouw Advies Commissie) beschikbaar. Voor de functie natuur zijn wel normen afgeleid, maar op basis van weinig beschikbare gegevens is de bepalingsgrens aangehouden [Nobo-rapport]. Voor het verspreiden va baggerspecie op het aangrenzend perceel geldt voor molybdeen een norm van 5 mg/kg ds. De LMW van 3,0 mg/kg is dus geoorloofd.
5.1.2. Bewijsmiddel
Als bewijsmiddel voor de kwaliteit van een partij grond gelden de volgende eisen:
•partijkeuring conform Besluit bodemkwaliteit;
•bodemkwaliteitskaart van de regio Midden-Holland en Zoetermeer in combinatie met een BIS-toets (zie paragraaf 5.3.1), of:
•bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente die is opgesteld conform de richtlijn [6] in combinatie met een BIS-toets (zie paragraaf 5.3.1). Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag Bbk. In bijlage 4 is een beoordelingssystematiek opgenomen om te bepalen of de BKK van een andere gemeente voldoet.
Ook een Waterbodemkwaliteitskaart kan een bewijsmiddel zijn, mits deze conform de richtlijn is opgesteld.
5.1.3. Bodembeheergebied
Het Besluit bodemkwaliteit gaat uit van stand-still op het niveau van een bodembeheergebied
7Definitie bodembeheergebied in het Besluit bodemkwaliteit: “Aaneengesloten, door de gemeente afgebakend deel van de oppervlakte van één of meer gemeenten.”
. Grond van buiten het bodembeheergebied moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de zone van toepassing. Dit zou betekenen voor zones 7, 14 en 15 relatief strenge eisen zouden geleden voor hergebruik van grond van buiten de regio. Gemeenten vinden het niet uitlegbaar bijvoorbeeld grond van Klasse Wonen van buiten de regio niet zou mogen worden toegepast in woonwijken, terwijl er in de regio door de slappe bodemproblematiek een tekort aan grond is. Uit de praktijk blijkt dat er in de regio weinig bruikbare grond vrijkomt. Grond moet dus dikwijls van buiten de regio worden aangevoerd. Ook in de relatief minder voor bodemdaling gevoelige Zuidplaspolder is grond nodig om van dit gebied een zogenaamde “klimaatbestendige polder” te maken. Het is onwenselijk en milieuhygiënisch ook niet relevant strengere eisen te stellen aan grond van buiten de regio ten opzichte van grond van binnen de regio.
De enige juridische mogelijkheid om het toepassen van klasse Wonen-grond in recente woonwijken en van klasse Industrie-grond op bedrijfsterreinen (na 1960) toe te staan met grond van buiten de regio is om het bodembeheergebied te vergroten. Daarom is besloten het beheergebied te vergroten tot de geografische omvang van de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht. Voor het uitgangspunt “standstill op het niveau van het beheergebied” wordt dus uitgegaan van de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht.
5.3. Aanvullende bepalingen
5.3.1. Grond van verdachte locaties of bekende bodemkwaliteit
Hergebruik van grond mag zonder keuring alleen indien de locatie van herkomst onverdacht is voor bodemverontreiniging van een puntbron. Om te bepalen of een locatie verdacht danwel onverdacht is, moet altijd een BIS-toets uitgevoerd. De BIS-toets is een controle op enkele essentiële gegevens in het Bodem Informatie Systeem. Hierbij wordt de volgende informatie geraadpleegd:
1voormalige bedrijven;
2gedempte sloten;
3ondergrondse tanks;
4huidige bedrijven;
5bodemonderzoekslocaties;
6toepassingslocaties.
Ad. 1 t/m 4: bodembedreigende activiteit
Indien uit de BIS-toets blijkt dat er op de onderzoekslocatie een bodembedreigende activiteit aanwezig is of aanwezig is geweest dienst eerst een gedetailleerder vooronderzoek uitgevoerd te worden: het Vooronderzoek Basisniveau conform de NEN 5725. Dit zal leiden tot een nauwkeuriger beeld van de bodembedreigende activiteit(en). Het vooronderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag Bbk:
•Indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie verdacht is, zal een bodemonderzoek of partijkeuring dienen te worden uitgevoerd. Blijkt hieruit dat de verdachte omstandigheid niet heeft geleid tot een afwijkende bodemkwaliteit (toetsing aan de generieke klassegrens, bijlage 3), dan kan men de vrijkomende grond gebruiken conform onderhavige Nota.
•Indien uit deze beoordeling blijkt dat de locatie onverdacht is, gelden de regels uit deze Nota.
Ad. 5: bodemonderzoekslocaties
Indien uit de BIS-toets blijkt dat er op de locatie reeds een bodemonderzoek is uitgevoerd, dienen de bekende gegevens meegenomen te worden bij de beschouwing of grondverzet geoorloofd is. De bruikbaarheid van het onderzoek dient echter wel altijd door het bevoegd gezag Bbk te worden gecontroleerd.
Een bodemonderzoek is geen wettelijk erkend bewijsmiddel, een bodemkwaliteitskaart wel. Toch kan een bodemonderzoek meer inzicht geven in de bodemkwaliteit van een locatie dan de bodemkwaliteitskaart. Dit inzicht kan worden gebruikt om te bepalen of grondverzet kan plaatsvinden. Het bodemonderzoek moet dan wel zijn uitgevoerd conform de NEN 5740, CROW307 of vergelijkbaar (aantal boringen en aantal geanalyseerde monsters). De waarden uit het bodemonderzoek worden gemiddeld. Op basis van dit gemiddelde wordt het vervolg bepaald volgens navolgende tabel.
Tabel 5.2: toetsing kwaliteit vrijkomende grond bij aanwezigheid bodemonderzoek
Ontgravingskwaliteit BKK
Resultaat bodemonderzoek
Vrijkomende grond wordt beschouwd als
AW
AW
AW
Wonen
AW
Industrie
Wonen
Wonen
AW
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
AW
Wonen
Wonen
Industrie
Industrie
Industrie
De resultaten van een bodemonderzoek kunnen weliswaar een betrouwbaarder beeld geven van de kwaliteit dan de BKK, ze moeten echter ook worden beschouwd in het licht van de totale verzameling aan gehalten die in een gebied kunnen voorkomen. Het achtergrondgehalte van een zone wordt immers gevormd door de totale dataset aan gehalten; lagere en hogere gehalten horen daar ook bij. Daarom wordt er voor gekozen een bodemonderzoek beperkte zwaarte te geven bij de beoordeling van de kwaliteit van vrijkomende grond: het bodemonderzoek kan niet meer dan één klasse verandering geven ten opzicht van de ontgravingskwaliteit uit de BKK.
Indien uit het bodemonderzoek blijkt dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging dient afstemming plaats te vinden met het bevoegd gezag Wbb. Sterk verontreinigde grond kan in principe niet worden hergebruikt, maar in sommige gevallen mag `herschikken binnen het geval`. Raadpleeg hiervoor de Nota VTH van de provincie Zuid-Holland [21].
Ad. 6: toepassingslocaties
Alle grond- en baggertoepassingen worden geregistreerd. Ten tijde van het Bouwstoffenbesluit zijn ook alle ophogingen van de bodem met categorie 1-grond geregistreerd. De bodemkwaliteit van deze toepassingen kan afwijken van de bodemkwaliteit van de omliggende zone.
Voorbeeld: er wordt Industrie-grond toegepast op een perceel op een recent bedrijfsterrein in zone 15. Zone 15 heeft de kwaliteit “Achtergrondwaarde”. Na enkele jaren komt er op hetzelfde perceel grond vrij. Op basis van de grondstromenmatrix is deze grond vrij toepasbaar in het landelijk gebied. Uiteraard is dit grondverzet niet toegestaan aangezien het Industrie-grond betreft die niet mag worden toegepast in het landelijk gebied.
Naast bovenstaande punten zijn er andere zaken waar bij grondverzet rekening mee moet worden gehouden. Bijvoorbeeld locaties met aardkundige of archeologische waarden. Het valt buiten de scope van dit bodembeheerplan alle bij grondverzet gerelateerde zaken te behandelen.
Er zijn ook locaties waar juist een betere kwaliteit kan worden verwacht dan de kwaliteit van de betreffende zone. Een voorbeeld hiervan zijn saneringslocaties of recent opgehoogde locaties. Deze betere kwaliteit dient echter altijd eerst bewezen te worden middels voldoende recent onderzoek of certificaat. Dit is ter beoordeling van het bevoegd gezag Bbk.
5.3.2. Bijmengingen en afwijkingen
Indien blijkt dat een partij grond in aanmerking komt om te kunnen worden hergebruikt, wil dit nog niet zeggen dat de partij ook zondermeer mag worden toegepast. Er blijft altijd een kans bestaan dat een partij grond afwijkt van de te verwachten kwaliteit. Dit dient te worden gecontroleerd aan de hand van zintuiglijke waarnemingen. Aandacht dient te worden besteed aan:
•hoeveelheid bodemvreemd materiaal, zoals puin, stenen, glas, slakken, asfalt en asbest (zie voor asbest ook paragraaf 5.3.3);
•geur, zoals olie, benzine en oplosmiddelen;
•oliefilm.
Indien een partij grond één van bovenstaande kenmerken heeft, mag de partij niet zondermeer worden toegepast. Vastgesteld moet worden of het percentage bodemvreemd materiaal toelaatbaar is. De beoordeling van het percentage bodemvreemd materiaal blijkt in de praktijk nog wel eens een subjectieve aangelegenheid. Uitvoerende partijen hanteren soms andere maatstaven dan vanuit milieuhygiënisch oogpunt wenselijk is. Daarnaast besteden de bodemonderzoeken soms onvoldoende of geen aandacht aan de aanwezigheid van “fysische” vervuiling met bodemvreemd materiaal, zodat er vooraf niet altijd een juist beeld van de werkelijke hoeveelheid bodemvreemd materiaal bestaat. Om deze problemen met (te veel) bodemvreemd materiaal te voorkomen dient, zodra uit het partij-onderzoek of bij het ontgraven blijkt dat er bodemvreemd materiaal aanwezig is in de grond die men wil hergebruiken, contact op te worden genomen met het bevoegd gezag Bbk, alvorens men deze grond op welke manier dan ook toepast. Het bevoegd gezag Bbk bepaalt bij dergelijke meldingen of het beoogde hergebruik als bodem verantwoord is. Het bevoegd gezag Bbk kan voorschrijven dat degene die de grond als bodem wil toepassen, de grove delen eerst uit de partij verwijdert of een aanvullend onderzoek uitvoert
8Zeven zonder dat een bodemkwaliteitsklasse-verbetering wordt beoogd, wordt in het kader van het Bbk niet beschouwd als een bewerking. Zeven bij tijdelijke uitname wordt ook niet als bewerking gezien. Uitzondering hierop is het (nat) zeven van asbesthoudende grond, wat namelijk als kwaliteitsverbetering wordt gezien.
.
Het Besluit bodemkwaliteit hanteert een maximum percentage van 20% aan bodemvreemde bijmengingen. Bevoegd gezag mag eisen stellen aan het maximum percentage bodemvreemd materiaal voor toepassingen volgens het gebiedsspecifiek regime. In de regio Midden-Holland en Zoetermeer wordt voor de oudere zones en bedrijfsterreinen aangesloten bij het maximumpercentage van 20%. Op bedrijfsterreinen is dit doorgaans geen belemmering en in vooroorlogse woonwijken is puinhoudende grond eerder regel dan uitzondering. In jongere woonwijken wordt echter een lager percentage van 10% gehanteerd en in het landelijk gebied 2%. Voor schone grond kunnen geen eisen gesteld worden
9Artikel 39 Bbk
.
Tabel 5.2: Maximale bijmengingen aan bodemvreemde materialen (gewichtspercentage).
Bodemkwaliteitszones
Percentage bijmenging
Historische zones van voor 1940: zones 1, 2, 3, 4, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, en 15
20%
Woonwijken na 1940: zones 5, 6 en 7
10%
Landelijk gebied: zones 16 t/m 19
2%*
*niet voor schone grond
5.3.3. Asbest
Het toepassen van sterk met asbest verontreinigde grond (interventiewaarde met concentraties hoger dan 100 mg/kgds gewogen, ook wel de ‘restconcentratienorm’) is niet toegestaan. Het toepassen van licht met asbest verontreinigde grond (concentratie lager dan 100 mg/kgds) is juridisch wel toegestaan. Er kunnen voor asbest geen Lokaal Maximale Waarden worden vastgesteld.
Toch kan in grond die voldoet aan de restconcentratienorm visueel asbest aanwezig zijn. Het toepassen van dergelijke grond is niet wenselijk in woongebieden en in het landelijk gebied (landbouw en natuur). Het kan namelijk terugkerende problemen opleveren (onrust, meldingen van asbestverontreiniging, beperkingen bij nieuw grondverzet e.d.).
Het beleid van de gemeenten in de regio Midden-Holland en Zoetermeer is daarom om visueel met asbest verontreinigde grond of baggerspecie in werken die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd niet toe te staan in gebieden met de bodemfunctieklasse wonen en/of landbouw/natuur.
Toepassingen van visueel met asbest verontreinigde grond die wel voldoet aan de restconcentratienorm die niet in opdracht van de gemeenten plaatsvinden kunnen niet worden verboden. Wel wordt geadviseerd dezelfde beschreven werkwijze te volgen.
5.3.4. Grondsoort
In het veenweidegebied, maar ook in de kleirijke zeekleipolders (zie kaartbijlage 7 van [8]), wordt het niet duurzaam geacht zand op te brengen als ophoging omdat hiermee de unieke eigenschappen van het veen en de klei teniet worden gedaan. Het waardevolle bodemecosysteem zal door het opbrengen van het veel zwaardere zand worden weggedrukt naar de ondergrond en in grote mate worden verstoord. Ook neemt de bodemvruchtbaarheid hierdoor af, terwijl dit in het landelijk gebied juist een belangrijke waarde is van de bodem. Organische stof is zeer belangrijk voor de biodiversiteit en vochtregulerend vermogen van de bodem.
De beperking voor zand in het landelijk gebied geldt niet als op de locatie na toepassing een woon- of bedrijfsfunctie of infrastructuur wordt gerealiseerd.
Hoewel ook klei zwaarder is dan veen worden hier geen beperkingen aan verbonden omdat klei ook dikwijls voorkomt in het landelijk gebied, met name langs de rivieren in het gebied. Wel is het raadzaam om klei in niet te grote laagdiktes in het veenweidegebied toe te passen. Dit geldt niet voor de aanleg of versteviging van dijken, waarbij een belangrijke eigenschap van de klei (ondoorlatendheid) juist wordt benut.
Er kunnen vanuit het Bbk geen eisen worden gesteld aan grondsoorten dus bovenstaande kan niet worden afgedwongen bij derden, maar is wel een uitgangspunt indien gemeenten opdrachtgever zijn.
5.3.5. Toekomstige functie
Hoewel de bodemfunctieklassenkaart een uitspraak doet over de bodemfunctie van een bepaalde zone of gebied, kan het zijn dat op bepaalde locatie binnen afzienbare tijd een andere functie zal worden gerealiseerd. Het kan wenselijk zijn hier bij het toepassen van grond rekening mee te houden.
Er worden twee situaties onderscheiden:
-Realiseren van een gevoeligere bestemming, bijvoorbeeld een bedrijfswoning op een industrieterrein. Bevoegd gezag Bbk kan in dergelijke gevallen een toepassing verbieden, ook als uit de toepassingskaart de toepassing wel blijkt te mogen.
-Realiseren van een minder gevoelige functie, bijvoorbeeld het bouwen van een woning in het landelijk gebied. Bevoegd gezag Bbk kan in dergelijke gevallen een toepassing toestaan, terwijl uit de toepassingskaart de toepassing niet mogelijk lijkt. Als planvorming voor de nieuwe functie in voorbereiding is, kan in overleg met de gemeente (ruimtelijke ordening) en bevoegd gezag Bbk toestemming worden gegeven.
Voorbeeld: op een bedrijfsterrein wordt een bedrijfswoning gerealiseerd, waarbij de bodem rondom de woning moet worden opgehoogd. De toepassingswaarde (LMW) op de toepassingskaart is Klasse Industrie. Omdat de toekomstige functie “wonen” is, moet de toe te passen grond aan de Klasse Wonen voldoen.
Ook als nu al bekend is dat een industrieterrein binnen nu en 5 jaar wordt getransformeerd naar “wonen”, dient de kwaliteit van toe te passen grond aan de Klasse Wonen te voldoen.
Ook als nu al bekend is dat een industrieterrein binnen nu en 5 jaar wordt getransformeerd naar “wonen”, dient de kwaliteit van toe te passen grond aan de Klasse Wonen te voldoen.
Ook kan het zijn dat op de BFK al rekening is gehouden met een toekomstige ontwikkeling en dat op de toepassingskaart de LMW is aangegeven die past bij de toekomstige functie. Het toepassen van grond met deze kwaliteit is alleen toegestaan als:
-planvorming voor de nieuwe functie in voorbereiding is; en
-in overleg met de gemeente (ruimtelijke ordening) en bevoegd gezag Bbk
5.3.6. Milieubeschermingsgebieden voor grondwater
Uit voorzorg worden ten behoeve van de bescherming van drinkwatervoorraden restricties gesteld aan het toepassen van grond in gebieden die door de provincie Zuid-Holland zijn aangewezen in haar Provinciale Milieuverordening (PMV):
o In waterwingebieden mag alleen schone grond worden toegepast;
o Binnen de boringsvrije zone mag industriegrond worden hergebruikt;
o Industriegrond van buiten het PMV-gebied mag in boringsvrije zone worden toegepast, tenzij:
■ het voldoet aan emissietoetswaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit, èn
■ toepassinglocatie ook industriekwaliteit is (stand-still)
o In grondwaterbeschermingsgebieden mag geen een industriegrond worden toegepast, tenzij:
■ afkomstig is vanuit hetzelfde gwb-gebied, èn
■ toepassinglocatie ook industriekwaliteit (stand-still)
o Voor grond van Klasse Wonen gelden geen restricties in boringsvrije zone en grondwaterbeschermingsgebieden, anders dan in deze Nota geformuleerd.
Bovenstaande regels zijn gevat in een aparte grondstormenmatrix, welke is opgenomen in Bijlage 5.
5.4. Specifieke situaties
5.4.1. Grond van onbekende kwaliteit
Partijen grond van locaties die niet binnen een zone van de bodemkwaliteitskaart zijn gelegen (niet gezoneerd), dienen altijd eerst een partijkeuring volgens het Besluit bodemkwaliteit te ondergaan. De partijkeuring dient te geschieden door een erkend en geaccrediteerd monsternemer.
Het bevoegd gezag moet kunnen toetsen of er naast de stoffen uit het NEN-pakket ook nog andere kritische stoffen zijn. Daarom kan het bevoegd gezag Bbk voor grond die afkomstig is van buiten de regio een historisch onderzoek verlangen van de herkomstlocatie. Hierbij dient minimaal inzicht gegeven te worden in de herkomst (saneringslocatie of niet) en de (voormalige) activiteiten op de locatie waar de grond vandaan komt. Wordt niet aan het verzoek van het bevoegd gezag Bbk voldaan, dan is hergebruik niet toegestaan.
De resultaten van de partijkeuring dienen voor toepassing in de betreffende zone te worden getoetst aan de LMW.
Partijen grond van locaties van buiten de regio, maar waarvan wel een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld, worden per geval beoordeeld door het bevoegd gezag Bbk.
5.4.2. Wegbermen en spoor
Wegbermen staan in het Bodem Informatie Systeem niet als verdachte locaties aangegeven. Van wegbermen is echter bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van:
■ depositie uitlaatgassen (PAK, lood);
■ afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood);
■ funderingsmateriaal (zware metalen en PAK);
■ toepassing van teerhoudend asfalt (PAK);
■ uitloging vangrails (zink).
De bodemkwaliteitskaart wordt niet representatief geacht voor wegbermen van wegen buiten de bebouwde kom en van doorgaande wegen binnen de bebouwde kom. Dit betekent dat de ontgravingskaart (zie kaartbijlage 2) niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt voor de kwaliteitsklasse van de grond die ter plaatse van deze bermen vrijkomt. De milieuhygiënische kwaliteit van uit bermen vrijkomende grond, waarvan men voornemens is om deze elders opnieuw toe te passen, dient derhalve altijd met een onderzoek te worden aangetoond.
Indien grond wordt toegepast in gemeentelijke wegbermen in de bebouwde kom (aanvulling) moet worden voldaan aan de LMW van de zone omdat deze wegen dikwijls dichtbij bebouwing of functie van het gebied zijn gesitueerd en ze hiermee rechtstreeks zijn te relateren aan de functie van het gebied. Voor de functieklasse van deze bermen wordt dus aangesloten bij de functieklasse van het omliggende gebied.
Langs gemeentelijke wegen in het landelijk gebied is de generieke eis van schone grond relatief streng. Dit zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot een schone strook grond (wegberm) in een verder diffuus verontreinigd gebied (veenweidegebied is veelal Klasse Wonen). Voor deze solitaire wegen in het landelijk gebied geldt daarom de kwaliteit van de betreffende zone als toepassingseis (bodemkwaliteitsklasse, tabel 3.1). Dit geldt ook voor wegen die door het waterschap in beheer zijn (in de Krimpenerwaard zijn nagenoeg alle wegen buiten de bebouwde kom in beheer bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard).
Voorbeeld: Langs een gemeentelijke weg in het landelijk gebied moeten de bermen worden opgehoogd. De weg ligt in zone 19. De LMW voor deze zone is landbouw/natuur (zie tabel 5.1). De bodemkwaliteit voor deze zone is Klasse Wonen (tabel 3.1). Voor de kwaliteit van de toe te passen grond in de berm mag worden afgeweken van de LMW en mag voldoen aan de Klasse Wonen.
Indien grond wordt toegepast in bermen van provinciale wegen, rijkswegen en spoorbanen (als aanvulling) mag dit gebeuren met kwaliteit Industrie, omdat dergelijke wegbermen als gevolg van het grote aantal voertuigen en intensieve gebruik verontreinigd zullen raken. Dit is in lijn met de wetgeving voor Grootschalige Bodem Toepassingen (GBT’s)
10Besluit bodemkwaliteit, artikel 63, lid 6
. Uitzondering zijn wegbermen die zijn gelegen in milieubeschermingsgebieden voor grondwater. Daar moet eerst de ontvangende bodem worden onderzocht. Alleen indien deze de kwaliteit Industrie heeft, mag er Klasse Industrie worden toegepast.
In tabel 5.3 zijn de regels voor het ontgraven en toepassen van grond in en op wegbermen en spoorgebonden gronden samengevat.4
Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij figuur 5.1. Deze is afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat [10]. Voor alle toepassingen is een maximum gesteld van 10 meter vanaf de rand van de verharding.
Figuur 5.1: begrenzing wegbermen.
Tabel 5.3: beleid voor wegbermen en spoor bij ontgraven en toepassen.
Soort wegberm
Ontgraven
Toepassen op berm
Kwaliteit bepalen door:
Toepassingseis
Binnenwegen bebouwde kom of onverhard
BKK
Functie (tabel 5.1)
Doorgaande wegen in bebouwde kom2
Partijkeuring1
Functie (tabel 5.1)
Gemeentelijke verharde wegen in landelijk gebied
Partijkeuring1
BKK (tabel 3.2)
Provinciale wegen door een zone met bebouwing
Partijkeuring1
Functie (tabel 5.1)
Provinciale wegen, rijkswegen en spoorgebonden gronden
Partijkeuring1
Industrie 3
1Indien er wordt ontgraven en opnieuw binnen dezelfde berm wordt hergebruikt volstaat een NEN 5740 (VED-HE). De diepte tot waarop het bodemonderzoek wordt uitgevoerd is de voorgenomen ontgravingsdiepte.
2meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal.
3uitgezonderd milieubeschermingsgebieden voor grondwater (zie ook paragraaf 5.3.6)
5.4.3. Grondverzet dieper dan 2 meter
De bodemkwaliteitskaart doet een uitspraak over de kwaliteit van de bodem tot 2 meter beneden maaiveld. De ondergrond (0,5–2 m –mv) is doorgaans schoner dan de bovengrond (0–0,5 m –mv). Dit gegeven kan worden gebruikt om grondverzet dieper dan 2 m –mv mogelijk te maken. Er wordt dan van uitgegaan dat de laag dieper dan 2 meter minstens zo schoon is als de laag 0,5 tot 2 m
-mv. Dit betekent dat voor vrijkomende grond van dieper dan 2 meter de kwaliteit van de bodemlaag 0,5–2 m –mv gebruikt kan worden om de afzetmogelijkheden te bepalen.
Voorbeeld 1: de ondergrond uit de zone 7 kan vrij worden hergebruikt in alle overige zones (groen vakje in de grondstromenmatrix). De diepere ondergrond kan dan ook vrij worden hergebruikt.
Voorbeeld 2: de ondergrond uit zone 3 mag alleen worden hergebruikt op industrieterreinen en in de eigen zone. Grondverzet van de diepere ondergrond van zone 3 is toegestaan, maar mag zonder keuring alleen toegepast worden op industrieterreinen en in de eigen zone.
Voor het toepassen van grond dieper dan 2 m –mv geldt het volgende. In gebieden met de functie Landbouw/natuur moet deze grond schoon zijn. Ter plaatse van woonwijken en industriegebieden (aangegeven zoals op de kaart met Lokaal Maximale Waarden voor toepassen, kaartbijlage 2A) mag tot 3 m-mv grond van kwaliteit Wonen worden toegepast (mits een aangetoond functionele toepassing). Industriegrond mag niet onder 2 m-mv worden toegepast en dieper dan 3 m-mv moet altijd schone grond worden toegepast. Dit met het oog op bescherming van het grondwater en het onderbreken van water scheidende lagen.
5.4.4. Geldigheid van keuringen
Een (in-situ) partijkeuring is twee jaar geldig. Bevoegd gezag Bbk kan extra informatie vragen over wat er met de grond gebeurd is in de periode van keuren tot toepassen. Indien een gekeurde partij meer dan twee jaar na onderzoek ergens anders wordt hergebruikt, dan dient een nieuwe keuring plaats te vinden.
5.4.5. Nazorg oude categorie 1- werken
Onder het regime van het Bouwstoffenbesluit zijn categorie 1-werken opgericht. In een dergelijk werk bevindt zich categorie 1-grond. Dit is licht verontreinigde grond die niet uitloogt. Uitgangspunt was altijd dat indien het werk zijn functie verliest, de grond weer moet worden teruggenomen. In de Nota VTH van de Omgevingsdienst Midden-Holland [11] is opgenomen hoe in de regio Midden-Holland er op wordt toegezien dat dit gebeurt.
5.4.6. Kabels en leidingen
In het Besluit bodemkwaliteit is beschreven dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering). De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit
de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht.
Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten, wordt binnen de reikwijdte van deze Nota toegestaan om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan kabels en leidingen, het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond niet strikt te handhaven. Dit betekent dat in het traject 0,0-3,0 m –maaiveld de boven- en ondergrond geroerd mag worden teruggeplaatst. Dit geldt alleen voor grondverzet binnen “het werk”.
Bij het terugplaatsen van de grond dient wel de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming in acht te worden genomen en de bepalingen in paragraaf 5.3.2.
Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. Uit Tabel 3.2 is af te leiden dat bij 10 van de 19 zones de kwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond zich ten opzichte van elkaar verschillen. De vermenging wordt echter geaccepteerd omdat:
•de kwaliteit van de bovengrond zal verbeteren (m.u.v. zone 14);
•er geen bodemhygiënische risico’s zullen optreden;
•na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating;
•de grond ter plaatse van leidingtracés in het verleden al vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) dan wel dat de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond.
Het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond kan ook bij herinrichting van terreinen een onevenredig zware inspanning eisen. Gedacht moet worden aan het graven van sloten en met deze vrijkomende grond andere watergangen in de directe nabijheid weer dempen. Omdat de ondergrond veelal schoner is dan de bovengrond zal dergelijk grondverzet dikwijls leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de contactzone (bovengrond) en hiermee gunstig zijn voor het gebruik van de bodem. Deze vorm van grondverzet kan daarom – na beoordeling van het bevoegd gezag Bbk- worden toegestaan.
6 Hergebruik van bagger
6.2. Gebiedsspecifiek beleid
6.2.1. Bagger direct toepassen
Natte bagger mag worden toegepast als deze voldoet aan de voor die zone geldende Lokaal Maximale Waarden voor grond (tabel 5.1). Het direct toepassen wordt dan niet gezien als verspreiden en er hoeft dus ook niet te worden getoetst met de msPAF-toets.
Deze toetsing geldt voor zowel bagger uit de regio Midden-Holland en Zoetermeer als voor bagger buiten de regio. In wezen wordt er bij direct toepassen geen verschil gemaakt tussen grond en bagger.
Voorbeeld. Er is een waterbodemonderzoek uitgevoerd. De analyseresultaten zijn getoetst aan Bijlage II van de Regeling Bodemkwaliteit (Achtergrondwaarden, Wonen en Industrie) waaruit blijkt dat de bagger voldoet aan Klasse Wonen. Ongeacht de uitkomst van de msPAF-toets mag de natte bagger dan direct worden toegepast in de zones 1 t/m 12 en 18 (Tabel 5.1).
Let wel: het gaat om direct toepassen. Indien eerst een depot wordt ingericht gelden andere regels (paragrafen 6.1 en 6.2.2).
6.2.2. Hergebruik van bagger tussen zones
Het kan voorkomen dat er in de zone van herkomst geen ruimte is om een weilanddepot of geotube aan te leggen. Dit is dikwijls het geval in het stedelijk gebied: als geotubes binnen de zone geen reële optie zijn, is een weilanddepot in het (aangrenzende) landelijk gebied vaak een goed alternatief. Omdat in dergelijke gevallen echter niet kan worden gesproken van bagger die afkomstig is uit aangrenzende watergangen valt dit niet onder het generieke kader.
Bij hergebruik van bagger in een andere zone wordt voor woongebieden en bedrijfsterreinen aangesloten bij de LMW voor grond, respectievelijk Klasse Wonen en Klasse Industrie (tabel 5.1).
De Lokaal Maximale Waarden voor grond in het landelijk gebied zijn vastgelegd op het niveau van de Achtergrondwaarden. Uit analyse van uitgevoerd waterbodemonderzoek blijkt dat bagger uit het stedelijk gebied dikwijls niet voldoet aan deze LMW. Daarom zijn speciaal voor het hergebruik van bagger in het landelijk gebied Lokaal Maximale Waarden afgeleid. Deze LMW zijn opgenomen als bijlage 6 en houden rekening met de huidige bodemkwaliteit van de ontvangende zone, de kwaliteit van de bagger uit bebouwd gebied en de bodemfunctie van het ontvangende perceel. Bij de afleiding is er eveneens rekening mee gehouden dat er geen risico’s mogen ontstaan. Vooruitlopend op nieuwe regels voor het verspreiden van bagger (Omgevingswet), wordt een maximale afstand gesteld aan het op deze wijze toepassen, namelijk 10 kilometer.
Consequentie is dat er in het landelijk gebied voor grond en bagger andere LMW gelden. De LMW voor bagger zijn ruimer dan die voor grond. Dit wordt gerechtvaardigd vanwege de grote maatschappelijke baggeropgave: er komt veel bagger vrij bij een noodzakelijke activiteit in het stedelijk gebied waar geen of weinig plaats is voor hergebruik. Voor grond is dit van minder groot belang: er komt weinig grond vrij en de grond kan eenvoudig in het stedelijk gebied worden hergebruikt.
De LMW voor bagger geldt voor bagger uit een andere bodemkwaliteitszone èn uit watersystemen met een afwijkende dynamiek. Zo hebben boezemwateren die de zone kruisen een eigen dynamiek en de daarin aanwezige bagger is niet zone-eigen. De LMW gelden ook voor geotubes in andere zones dan de zone van herkomst.
In figuur 6.3 worden verschillende situaties geïllustreerd en in figuur 6.4 is een beslisschema opgenomen
Figuur 6.3: de verschillende situaties met toetsingen geïllustreerd.
Met de LMW wordt een verruiming in de afzetmogelijkheden van stedelijke bagger gecreëerd, zonder dat er risico’s ontstaan. De LMW gelden ook voor bagger van buiten de regio, met een maximum van 10 kilometer gerekend vanaf de toepassingslocatie.
Om de kwaliteit van de bagger te bepalen is voor verdachte watergangen een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 noodzakelijk. Hier hoort ook een vooronderzoek aan vooraf te gaan. In bepaalde gevallen mag worden afgeweken van de eis uit de NEN van bemonstering per 0,5 meter sliblaag. Bij onderhoudsbaggeren mag de sliblaag tot de onderhoudsdiepte als één laag worden bemonsterd. Zie ook bijlage 8.
Omdat tijdens het pompen en/of vervoer de bagger vermengd raakt, mogen de analyseresultaten uit het waterbodemonderzoek worden gemiddeld. Voorwaarde hiervoor is wel dat de baggerkwaliteit redelijk homogeen moet zijn. Uitschieters (hoge waarden) in de baggerkwaliteit mogen niet worden “weggemiddeld”. Dit is altijd ter beoordeling aan het bevoegd gezag Bbk.
Kaartbijlagen
Kaartbijlage 1: Bodemfunctieklassenkaart
Kaartbijlage 2a: Bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) bovengrond
Kaartbijlage 2b: Bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) ondergrond
Kaartbijlage 3a: Lokaal Maximale Waarden (toepassingskaart) bovengrond
Kaartbijlage 3b: Lokaal Maximale Waarden (toepassingskaart) ondergrond
Kaartbijlage 4: Consequenties gebiedsspecifiek beleid
Bijlage 1: Begrippenlijst
AW2000, AW of achtergrondwaarde
Landelijk vastgestelde aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
Baggerspecie
Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm.
Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
Algemene Maatregel van Bestuur die op 1 juli 2008 in werking is getreden, met regels over de kwaliteit van bodem
Bestemmingsplanwijziging
wijziging van het gemeentelijk bestemmingsplan op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO).
BIS-toets
Controle van het Bodem Informatie Systeem op gegevens over voormalige bedrijven, gedempte sloten, ondergrondse tanks, huidige bedrijven, bodemonderzoekslocaties en bodemtoepassingen
Bodemfunctieklassenkaart (BFK)
Kaart met daarop een indeling van de gemeente of beheergebied in de volgende bodemfuncties: Landbouw/natuur, Wonen en Industrie
Bodeminformatiesysteem (BIS)
(Gemeentelijk) informatiesysteem (database) waarin digitaal de bekende bodemgegevens uit milieuonderzoeken zijn opgenomen.
Bodemkwaliteitsdata
Data opgeslagen in het bodeminformatiesysteem.
Bodemkwaliteitskaart (BKK)
Onder het begrip bodemkwaliteitskaart wordt zowel een set van kaarten als de karakteristiek van de gebiedseigen bodemkwaliteit door middel van kengetallen verstaan. De kaart bestaat als het ware uit verschillende ‘lagen’, waarbij elk van de lagen gericht is op de ruimtelijke rangschikking van een verschillend type informatie waarvoor verondersteld wordt dat deze bepalend is voor de gebiedseigen bodemkwaliteit.
Bodemkwaliteitszone
Deel van een beheersgebied waarvoor geldt dat er eenzelfde verwachting bestaat omtrent de bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit bepalend zijn.
College B & W
College van Burgemeester en Wethouders
DDT ‘s
Dichloor-diphenyl-trichloorethaan, een organisch chemisch insecticide
Diffuse bodemkwaliteit
Algehele bodemkwaliteit zoals die geldt voor het grootste gedeelte van een vooraf bepaalde zone. Het begrip diffuse bodemkwaliteit is het tegengestelde van een puntbron.
Duurzaam bodembeleid
Het nieuwe bodembeleid richt zich op bewuster en duurzamer bodemgebruik die de waarde van de bodem behoudt
Emissiewaarden
Uitloogwaarden van (licht) verontreinigde grond.
Gebiedsspecifiek beleid
Lokale regels inzake het toepassen van grond en bouwstoffen waarbij lokale maximale waarden aan stoffen gelden in bodemkwaliteitszones. Gebiedsspecifiek beleid is door de gemeenteraad vastgesteld..
Generiek beleid
Landelijk geldende regels voor het toepassen van grond en bouwstoffen.
Gezoneerd gebied
Gebied waarvoor een bodemkwaliteitszone is vastgesteld.
Grond
Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm, niet zijnde baggerspecie
Hergebruik van grond als bodem
Het hergebruiken van grond, zodanig dat deze een integraal onderdeel van de ontvangende bodem wordt. Dit is het geval in bijvoorbeeld ophogingen of aanvullingen van de bodem met uitsluitend grond
Heterogeniteit
Matig tot veel variatie in de bodemkwaliteit in de betreffende zone
Homogeniteit
Geen tot nauwelijks variatie in de bodemkwaliteit in de betreffende zone
Inrichting
Een locatie waar bedrijfsmatig activiteiten worden uitgevoerd binnen de reikwijdte van het begrip inrichting van artikel 1.1 lid 1 van de Wet Milieubeheer. Inrichtingen moeten gecategoriseerd zijn zoals omschreven in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit.
Interventiewaarde
Waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake is van ernstige of dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier
Kaderrichtlijn water (KRW)
Europese richtlijn ten behoeve van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater
Kwaliteitsbewijsmiddel
Bewijsmiddel conform het Besluit bodemkwaliteit van grond, baggerspecie of een bouwstof.
Landelijk meldpunt
Meldpunt voor het melden van het toepassen van grond conform het Besluit bodemkwaliteit. www.meldpuntbodemkwaliteit.nl
Licht verontreinigde grond
Grond die bij toetsing aan de achtergrondwaarden (AW2000) niet voldoet aan de streefwaarden bodemkwaliteit, maar waarbij voor géén van de stoffen sprake is van overschrijding van de tussen- en/of interventiewaarde
Lokaal Maximale Waarde (LMW)
Lokaal vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteit waaraan de toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen.
Ms-PAF methode
Meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen, zijnde een aanduiding voor ecologische risico’s als gevolg van bodemverontreiniging van waterbodems
NEN 5720
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van waterbodemverontreiniging. Deze norm geldt ook voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem en eventueel daaruit vrijkomende baggerspecie.
NEN 5725
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van een historisch vooronderzoek.
NEN 5740
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (in de rest van het document ‘bodem’ genoemd) en eventueel daaruit vrijkomende grond.
Overgangsrecht
Een artikel uit het Besluit bodemkwaliteit dat het mogelijk maakt voor een gemeente om maximaal 5 jaar na inwerking treding van het Besluit bodemkwaliteit nog gebruik te maken. Van de ‘bestaande’ bodemkwaliteitskaart en bijbehorend bodembeheersplan.
P50, P80 en P95 (50-, 80- en 95-percentielwaarde)
In dit document: concentratieniveau van een bepaalde stof; resp. 50%, 80 % en 95% van de beschikbare waarnemingen (analyseresultaten beschikbaar voor die stof binnen een bodemkwaliteitszone) ligt beneden dit concentratieniveau.
PAK
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Naam voor een verzameling van stoffen.
Partijkeuring (AP04)
Schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het Besluit kan worden toegepast.
Puntverontreiniging
Een (kern)belasting van de bodem, zoals lekkages, morsingen, verbrandingen etc. met beperkte omvang.
Risicotoolbox (RTB)
Een website van het RIVM waarop van concentraties van stoffen in bodem kan worden getoetst of deze bij bepaalde typen bodemgebruik risico’s met zich meebrengen.
Samenstellingswaarden
De gehalten aan stoffen in een partij grond.
Schone grond
Grond die bij toetsing aan de achtergrondwaarden (AW2000) uit de ‘Regeling bodemkwaliteit’ van 21 december 2007 en de ‘Wijziging Regeling bodemkwaliteit’ van respectievelijk 27 juni 2008 en 7 april 2009 de achtergrondwaarde niet overschrijdt.
Stand-still op klasse niveau
De mogelijkheid om grond uit te wisselen binnen een vastgesteld beheergebied zonder dat daarbij de actuele bodemkwaliteit, beoordeeld op bodemkwaliteitsklassen, in negatieve zin beïnvloed wordt.
Sterk verontreinigde grond
Grond die bij toetsing aan de interventiewaarden uit de ‘Circulaire bodemsanering 2009’ van 7 april 2009 de interventiewaarde overschrijdt.
Toemaakdek(-grond)
Het toemaakdek is een laag tot 50 cm dik, bestaande uit stadsafval, stalmest en baggerslib, die in de afgelopen eeuwen is opgebracht op de gronden van het veenweidegebied in het westen van Nederland om de bodem te verbeteren. In het Groene Hart ligt ongeveer 6000 hectare toemaakdek. Het dek is veelal licht verontreinigd met zware metalen, maar plaatselijk ernstig verontreinigd.
Veengrond
Bodemtype dat hoofdzakelijk bestaat uit plantaardig materiaal.
Verantwoordingsrapportage
Rapportage waarin de totstandkoming van het Gebiedsspecifiek bodembeleid wordt toegelicht.
Wbb-locatie
Locatie waar een geval van ernstige bodemverontreiniging is geconstateerd of een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien in de grond meer dan 25 m3 de interventiewaarde overschrijdt of in het grondwater meer dan 100m3 de interventiewaarde overschrijdt. De provincie Zuid-Holland is voor dergelijke locaties bevoegd gezag.
Weilanddepots
De tijdelijke opslag van baggerspecie over de aan de watergang grenzende percelen.
Zand
Ongeconsolideerd (los), korrelige grondsoort. Zand bestaat uit zeer kleine stukjes steen, zandkorrels, die in grootte variëren tussen 63 micrometer en 2 millimeter. Minimaal 70% van het materiaal moet binnen deze grens vallen.
Zorgplicht
Een artikel in de Wet Bodembescherming (zgn. kapstokartikel, 13) dat moet voorkomen dat door bewust menselijk handelen de bodem verontreinigd raakt, zonder dat ervoor verantwoordelijkheid wordt genomen door de veroorzaker.
Bijlage 2: Uitkomsten RisicoToolBox (Grond)
Tabel 1: Risicobeoordelingen bij verschillende bodemfuncties (op basis van P95)
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
1A: Binnenstad Gouda
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (3,84)
Kobalt (1,39)
Barium (1,22)
Koper (1,66)
Lood (4,88)
Nikkel (1,38)
Zink (6,21)
Minerale olie (1,30)
Som PAK (1,29)
Moestuin
Lood (8,72)
Kobalt (11,32)
Kinderspeelplaats
Lood (2,82)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,93)
Zink (1,73)
Zone 1B: Binnenstad Schoonhoven
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,86)
Koper (2,33)
Lood (3,63)
Zink (2,83)
Minerale olie (1,11)
Som PAK (1,62)
Moestuin
Lood (6,5)
Kobalt (5,59)
Kinderspeelplaats
Lood (2,1)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,44)
Zone 1C: Kern Bodegraven
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,86)
Kobalt (1,44)
Koper (1,32)
Lood (3,4)
Nikkel (1,11)
Zink (1,55)
Minerale olie (1,67)
Som PAK (3,94)
Moestuin
Lood (6,08)
Kobalt (11,76)
Kinderspeelplaats
Lood (1,97)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,35)
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
Zone 1D: Oude dorp Zoetermeer
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (3,5)
Koper (2,73)
Lood (4,46)
Nikkel (1,27)
Zink (4,61)
Som PAK (3,5)
Moestuin
Lood (7,96)
Kobalt (7,56)
Kinderspeelplaats
Lood (2,57)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,77)
Zink (1,28)
Zone 1E: Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,21)
Kobalt (1,03)
Koper (1,29)
Lood (2,81)
Nikkel (1,15)
Zink (3,44)
Minerale olie (1,93)
Som PAK (3,09)
Moestuin
Lood (5,02)
Kobalt (8,41)
Kinderspeelplaats
Lood (1,62)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,11)
Zone 2: Historische bebouwing Krimpenerwaard
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (1,92)
Koper (2,44)
Lood (2,44)
Nikkel (1,46)
Zink (3,24)
Minerale olie (1,26)
Som PAK (4,47)
Moestuin
Lood (4,37)
Kobalt (7,56)
Kinderspeelplaats
Lood (1,41)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone 3: Historische bebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,36)
Koper (1,31)
Lood (3,01)
Nikkel (1,05)
Zink (2,76)
Minerale olie (2,20)
Som PAK (2,69)
Moestuin
Lood (5,37)
Kobalt (6,84)
Kinderspeelplaats
Lood (1,74)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,19)
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
Zone 8a: Lintbebouwing Veenweidegebied
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,25)
Kobalt (1,15)
Koper (2,28)
Lood (2,86)
Nikkel (1,50)
Zink (2,93)
Som PAK (4,15)
Moestuin
Lood (5,10)
Kobalt (9,39)
Kinderspeelplaatsen
Lood (1,650
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,13)
Zone 8b: Lintbebouwing Oude Rijn
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (1,83)
Kobalt (1,57)
Minerale olie (1,57)
Som PAK (1,62)
Koper (1,92)
Lood (2,33)
Nikkel (1,36)
Zink (3,13)
Moestuin
Lood (4,17)
Kobalt (12,84)
Kinderspeelplaats
Lood (1,35)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone 9: Lintbebouwing op toemaakdek
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (2,38)
Kobalt (1,11)
Koper (2,07)
Lood (3,03)
Nikkel (1,41)
Zink (3,24)
Som PAK (3,03)
Moestuin
Lood (5,42)
Kobalt (9,04)
Kinderspeelplaats
Lood (1,75)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,20)
Zone 11: Dijkbebouwing Krimpenerwaard
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
-
Koper (1,56)
Lood (1,19)
Nikkel (1,34)
Zink (1,64)
Som PAK (1,31)
Moestuin
Lood (2,12)
Kobalt (6,44)
Kinderspeelplaatsen
-
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone 12: Lintbebouwing zeekleipolders
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
Lood (1,76)
Kobalt (1,11)
Minerale olie (1,11)
Som PAK (3,53)
Koper (1,38)
Lood (2,24)
Nikkel (1,39)
Zink (3,15)
Moestuin
Lood (4,01)
Kobalt (9,04)
Kinderspeelplaatsen
Lood (1,3)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Zone
Ontgravingskwaliteit
Toepassingseis
bodemfunctie
humane risico’s
ecologische risico’s
Zone 17: Buitengebied – toemaakdek
Industrie
Achtergrondwaarden
Wonen met tuin
Lood (2,75)
Koper (3,14)
Lood (3,49)
Nikkel (1,11)
Zink (2,35)
Som PAK (2,18)
Moestuin
Lood (10,47)
Kobalt (10,36)
Kinderspeelplaats
Lood (2,02)
Groen met natuurwaarden
-
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Lood (1,38)
Natuur
-
Som-PAK (9,87)
Barium (1,39)
Cadmium (1,43)
Koper (4,24)
Lood (14,68)
Kwik (9,47)
Nikkel (1,24)
Zink (3,36)
Molybdeen (2,00)
Zone 18: Buitengebied boomkwekerijen
Industrie
Wonen
Wonen met tuin
-
Som-drins (5,1)
Koper (1,3)
Lood (1,14)
Nikkel (1,25)
Moestuin
Lood (2,03)
Kobalt (6,67)
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
Som-drins (1,46)
Zone 19: Buitengebied - veenweide
Wonen
Achtergrondwaarden
Wonen met tuin
-
Koper (1,05)
Lood (1,1)
Nikkel (1,29)
Zink (1,08)
Moestuin
Lood (1,97)
Kobalt (6,75)
Kinderspeelplaats
-
Groen met natuurwaarden
-
Ander groen, bebouwing, infrastructuur
-
-
Natuur
-
Som-PAK (4,4)
Barium (1,1)
Cadmium (1,3)
Koper (1,42)
Lood (4,64)
Kwik (4,73)
Nikkel (1,44)
Zink (1,54)
Kobalt (1,01)
Molybdeen (2,28)
Toelichting: achter iedere stof staat de risico-index. Er zijn mogelijk risico’s bij een risico-index groter dan 1.
N.B.: Het gaat om het hergebruik van grond die binnen dezelfde zone vrijkomt.
N.B.: Kobalt is een stof waarvoor de humane risicogrenzen niet zijn meegenomen voor de onderbouwing van de Landelijke referentiewaarden, vanwege de relatief grote onzekerheid van de gewasopnameroute. (Nobo-rapport)
Tabel 2: Beoordeling ecologische risico’s bij de functie “ander groen, bebouwing, infrastructuur” (op basis van gemiddelde waarden)
zone en functie
kwaliteit
Toepassingseis (bij hergebruik binnen zone)
ecologische risico’s1
Zone 1A: Binnenstad Gouda
Industrie
Industrie
Lood (0,6)
Zink (0,48)
Zone 1B: Binnenstad Schoonhoven
Industrie
Industrie
Lood (0,75)
Zone 1C: Kern Bodegraven
Industrie
Industrie
Lood (0,41)
Zone 1D: Oude dorp Zoetermeer
Industrie
Industrie
Lood (0,70)
Zink (0,41)
Zone 1E: Historische en oude bebouwing < 1940 Alphen a/d Rijn
Industrie
Industrie
Lood (0,33)
Zone 3: Historische bebouwing zeekleipolders
Industrie
Industrie
Lood (0,39)
Zone 8A: Lintbebouwing veenweidegebied
Industrie
Industrie
Lood (0,38)
Zone 9: Lintbebouwing op toemaakdek
Industrie
Industrie
Lood (0,48)
Zone 17: Buitengebied – toemaakdek
Industrie
Industrie
Lood (0,47)
1hoogste risico van alle stoffen
Alle waarde-indexen zijn kleiner dan 1: er is geen sprake van ecologische risico’s bij het toepassen van zone-eigen grond bij het bodemgebruik ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur’.
Voor zones 2, 8B en 12 bleek al op basis van de P95 dat er bij de functie “ander groen, bebouwing en infrastructuur” geen ecologische risico’s optreden.
Bijlage 3: Toetsingswaarden (standaard bodem)
Tabel: Gehalten maximale waarden (mg/kg d.s. voor standaard bodem *)
Stof
Achtergrondwaarden
Wonen
Industrie
Interventiewaarde
Barium
190
550
920
920
Cadmium
0,6
1,2
4,3
13
Chroom
55
62
180
180
Kobalt
15
38
190
190
Koper
40
51
190
190
Kwik
0,15
0,83
4,8
36
Lood
50
210
530
530
Molybdeen
1,5
88
190
190
Nikkel
35
39
100
100
Zink
140
200
720
720
PAK’s
1,5
6,8
40
40
Minerale olie
190
190
500
5000
PCB’s
0,02
0,04
0,5
1
* standaard bodem heeft een organisch stofpercentage van 10 % en een lutumpercentage van 25 %
Bijlage 4: Beoordelingssystematiek BKK’s van andere gemeenten en regio’s
☐ De BKK is opgesteld voor het standaard stoffenpakket uit de NEN 5740 zoals van kracht sinds 1 juli 2008
☐ De BKK is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, september 2007*
☐ De BKK is vastgesteld door de betreffende gemeente
☐ De BKK is maximaal 5 jaar oud
☐ De indeling in zones is gebaseerd op: zonering in voorgaande bkk / huidig gebruik /
☐ historische ontwikkeling / etc.
☐ Indien de grond afkomstig is uit heterogene zones (zone met sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen), kan de bevoegd gezag Bbk bijv. een percentielwaarde die hoger ligt dan de gemiddelde waarde als te toetsen waarde hanteren. Dit is ter beoordeling aan de Milieudienst.
☐ Een andere optie is om bijvoorbeeld minimaal een verkennend onderzoek (NEN5740) te eisen
☐ van de herkomstlocatie.
☐ De locatie van herkomst is onverdacht voor bodemverontreiniging.
☐ Voor de locatie van herkomst zijn geen andere bewijsmiddelen beschikbaar die meer
☐ locatiespecifiek zijn.
☐ De klasse-indeling is gebaseerd op het gemiddelde.
*Voor alle stoffen in het nieuwe pakket dienen voldoende waarnemingen gebruikt te zijn, dwz:
-voor elke zone: 20 waarnemingen
-voor aaneengesloten zones: voldoende ruimtelijke spreiding: bij verdeling van zone in 20 vakken dient in minstens 10 vakken een of meerdere waarnemingen te liggen
-voor niet aaneengesloten zones: in elk losliggend deelgebied dienen minimaal 3 waarnemingen te liggen
Bijlage 5: volledige grondstromenmatrix
Grondstromenmatrix voor milieubeschermingsgebieden voor grondwater
Er worden restricties gesteld aan grondverzet in de milieubeschermingsgebieden voor grondwater. Deze gebieden zijn in de Provinciale Milieuverordening (PMV) van de provincie Zuid-Holland aangewezen en tevens afgebeeld op kaartbijlage 3A.
Er wordt onderscheid gemaakt in grondverzet binnen een “PMV-gebied” en het toepassen van grond van buiten naar een PMV-gebied.
Hergebruik van grond binnen hetzelfde PMV-gebied
Hergebruik van grond van buiten een PMV-gebied
! = mits de ontvangende bodem ook kwaliteit Industrie heeft èn het voldoet aan de emissietoetswaarden.
Bijlage 6: Lokaal Maximale Waarden voor bagger
Voor toepassen van bagger in het landelijk gebied, afkomstig van een andere zone
Voor bagger die vanuit een stedelijke zone wordt toegepast in het landelijk gebied gelden aparte Lokaal Maximale Waarden. Deze zijn als volgt afgeleid. Het betreft de hoogste waarde van:
•de 95-percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone waarin het weilanddepot is gelegen, en
•risiconorm bij de huidige functie. Hierbij is gebruik gemaakt van bijlagen 6 en 7 van het NOBO-rapport [17].
In het NOBO-rapport, welke ten grondslag ligt aan de toetsing in de RisicoToolBox, zijn in bijlage 6 specifieke normen gedefinieerd voor onder andere de volgende bodemfuncties:
•natuur met een hoog ecologisch beschermingsniveau
•natuur of landbouw met een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau, al dan niet met doorvergiftiging
•natuur of landbouw met een matig ecologisch beschermingsniveau, al dan niet met doorvergiftiging
Daarnaast worden in de RTB de LAC2006-waarden gebruikt voor onder andere de volgende in Midden-Holland, Alphen aan de Rijn en Zoetermeer voorkomende bodemgebruiken:
•beweid grasland
•akkerbouw voor veevoer
•akkerbouw
Door rekening te houden met het bodemgebruik ter plaatse van de eindbestemming van de bagger kunnen de specifieke LMW’s worden afgeleid. In onderstaande tabellen is dit gedaan voor de 4 zones van het landelijk gebied. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
1op landbouwpercelen in het veenweidegebied wordt rekening gehouden met een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau, omdat op veel veenweidepercelen ook natuurdoelen worden nagestreefd (met name voor weidevogels);
2op landbouwpercelen met akkerbouw (veelal in de Zuidplaspolder) wordt uitgegaan van een matig beschermingsniveau voor ecologie, omdat hier in principe geen natuurdoelen worden nagestreefd.
3Voor barium, kobalt en molybdeen bestaan geen LAC-waarden. Voor ecologie ligt de grens op de Interventiewaarde, dit wordt echter te hoog geacht en daarom wordt aangesloten bij de bestaande bodemkwaliteit. Indien de bestaande bodemkwaliteit lager is dan de Achtergrondwaarde, wordt de achtergrondwaarde gehanteerd. Voor barium hoeft geen toetsing plaats te vinden conform de Circulaire Bodemsanering.
4De LAC2006-waarde voor koper in veengebieden is 30 mg/kg, maar uit Alterra-rapport 1871 [14] blijken geen risico’s in toemaakdekgebieden, waar de kopergehalten een factor 3 hoger zijn dan in zone 19 (158 mg/kg!). De P95 van zone 19 is 58 mg/kg en dit gehalte wordt in de Krimpenerwaard nu ook niet als probleem ervaren.
5Van PAK is bekend dat deze gedurende de rijping in een depot (en daarna) verder afbreken, zodat met dit proces rekening kan worden gehouden in de toetsing van natte bagger [20]. Een afbraak van een factor 2 of 3 is heel reëel [20]. De lokale achtergrondgehalten (P95) in de vier verschillende bodemkwaliteitszones variëren van 3,7 tot 14,8 mg/kg. Deze hoogste waarde wordt te hoog geacht. Daarom wordt waarde 6,8 mg/kg (Klasse Wonen) gehanteerd: na afbraak zal het PAK-gehalte op het niveau van de P95 of lager liggen en zijn er niet meer risico’s dan in de huidige situatie. De LAC-waarde voor PAK is 3,4 mg/kg en ligt dus precies op de helft van 6,8 (en dus een afbraakfactor van 2).
Tabel 1: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 16 (Buitengebied Zeekleipolders) (naar standaard bodem omgerekende gehalten).
Stof
LMW akkerbouw
LMW akkerbouw veevoer
LMW beweid grasland
LMW natuur
Cadmium
2(LAC)
2(LAC)
1,2 (gem eco)
0,6 (AW)
Kobalt
15(AW)
15(AW)
15(AW)
15(AW)
Koper
160(LAC)
80(LAC)
54(gem eco)
40(AW)
Kwik
2(LAC)
2(LAC)
0,83 (gem eco)
0,15 (AW)
Lood
200(LAC)
200(LAC)
150(LAC)
50(AW)
Molybdeen
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
Nikkel
38(P95)
38(P95)
35(AW/gem eco)
35(AW)
Zink
350(LAC)
370(matig eco)
200(gem eco)
140(AW)
PAK
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
Minerale olie
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
Tussen haakjes staat waar de waarde van is afgeleid:
P95 = 95-percentielwaarde van de bodemkwaliteitskaart [8]
LAC = Waarden van de Landbouw Advies Commissie (bijlage 7 uit NOBO-rapport)
Gem eco = gemiddeld ecologisch beschermingsniveau (bijlage 6 uit NOBO-rapport)
Matig eco = matig ecologisch beschermingsniveau (bijlage 6 uit NOBO-rapport)
Tabel 2: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 17: Toemaakdek (naar standaard bodem omgerekende gehalten).
Stof
LMW grasland
LMW akkerbouw veevoer
LMW natuur
Cadmium
1,2 (gem eco)
1,2 (gem eco)
0,6 (AW)
Kobalt
15(AW)
15(AW)
15(AW)
Koper
170(P95)
80(LAC)
40(AW)
Kwik
0,83 (gem eco)
2(LAC)
0,15 (AW)
Lood
530(I)
200(LAC)
50(AW)
Molybdeen
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
Nikkel
43(P95)
43(P95)
35(AW)
Zink
470(P95)
470(P95)
140(AW)
PAK
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
Minerale olie
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
Tabel 3: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 19: “Landelijk gebied veenweide” (naar standaard bodem omgerekende gehalten).
Stof
LMW beweid grasland
LMW akkerbouw veevoer
LMW natuur
Cadmium
1,2 (gem eco)
1,2 (gem eco)
0,6 (AW)
Kobalt
15(AW)
15(AW)
15(AW)
Koper
54(gem eco)
80(LAC)
40(AW)
Kwik
0,83 (gem eco)
2(LAC)
0,15 (AW)
Lood
232(P95)
232(P95)
50(AW)
Molybdeen
3,0 (P95)
3,0 (P95)
3,0 (P95)
Nikkel
50(P95)
50(P95)
35(AW)
Zink
200(gem eco)
370(matig eco)
140(AW)
PAK
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
6,8 (2xLAC)
Minerale olie
380(2xAW)
380(2xAW)
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
0,04 (2xAW)
Tabel 4: LMW’s voor bagger vanuit andere zones naar zone 18 (Boomkwekerijen) (naar standaard bodem omgerekende gehalten). In deze zone vindt geen landbouw plaats en is ook geen natuurgebied gelegen. Daarom wordt (nagenoeg) volledig aangesloten bij de P95 van de zone.
Stof
LMW
Cadmium
0,5
Kobalt
15
Koper
70
Kwik
0,81
Lood
239
Molybdeen
3,0
Nikkel
49
Zink
183
PAK
6,8 (Wonen)
Minerale olie
380(2xAW)
PCB’s
0,04 (2xAW)
Bijlage 7: Uitkomsten toetsing LMW voor bagger in RisicoToolBox
Op grond van het Besluit bodemkwaliteit moet bij vaststelling van de LMW worden vastgesteld of sprake is van onaanvaardbare risico’s. Dit moet gebeuren met de RisicoToolBox (www.risicotoolboxbodem.nl, RTB). Met de RTB zijn de risico-indices berekend van de in bijlage 6 opgenomen LMW voor bagger.
Zone
Gebruik
Risico-index > 1
Eco
Humaan
Landbouw
Zone 16, (Buitengebied Zeekleipolders)
Beweid grasland
Geen
Geen
Koper 1,8 1
Lood in lever rundvee 1,72 2
Akkerbouw
Cadmium 1,67 3
Koper 2,96 3
Kwik 2,41 3
Zink 1,75 3
Geen
Lood in tarwe 2,26 4
Akkerbouw voor veeteelt/veevoer
Idem 3
Geen
Geen
Natuur
Geen
Geen
Geen
Zone 17 (Toemaakdek)
Beweid grasland
Koper 3,89 1
Lood 2,52 2
Zink 2,50 3
Lood 1,98 6
Koper 7,00 1
Lood 5,49 2
Akkerbouw
Koper 1,48 3
Kwik 2,41 3
Nikkel 1,08 3
Zink 2,50 3
Geen
Lood in tarwe 2,26 4
Zink 1,43 5
Akkerbouw voor veeteelt/veevoer
Idem 3
Geen
Geen
Natuur
Geen
Geen
Geen
Zone 19 (overig landelijk gebied)
Beweid grasland
Lood 1,18 2
Geen
Koper 1,8 1
Lood 2,7 2
Akkerbouw
Koper 1,48 3
Lood 1,18 3
Kwik 2,41 3
Nikkel 1,15 3
Zink 1,85 3
Geen
Lood in aardappel 1,02 5
Lood in tarwe 2,59 5
Akkerbouw voor veeteelt/veevoer
Idem
Geen
Lood 1,24 5
Natuur
Geen
Geen
Geen
Toelichting
1Ten aanzien van de berekende risico's voor koper geldt dat uit actueel onderzoek in het veenweidegebied door Alterra (rapport 1871: de invloed van toemaak op de kwaliteit van veevoer en inname door grote grazers, [14]) is gebleken dat er in de 7 onderzochte dieren geen verhoogde kopergehalten zijn aangetroffen. Het tegenovergestelde bleek zelfs waar: er werd in 1 van de 2 onderzochte koeien en in 2 van de 5 onderzochte schapen een te laag kopergehalte in de lever gemeten. De reden hiervoor is onbekend. De kopergehalten in toemaakdekgebieden zijn een factor 3 hoger dan de LMW. Dit gehalte wordt in de Krimpenerwaard nu ook niet als probleem ervaren.
2Ten aanzien van de berekende risico’s voor lood geldt voor enkele vormen van bodemgebruik een mogelijk risico. Uit onderzoek van Alterra [14] blijkt dat bij loodgehalten van circa 600 mg/kg in het toemaakdekgebied het gras te voldoen aan de norm voor groenvoer. Ook de loodgehalten in nier en lever voldoen aan de geldende warenwetnorm. De LMW voor bagger voldoen ruimschoots aan deze waarde, zodat er geen risico’s zijn te verwachten bij het toepassen van bagger.
3In de RTB is het niet mogelijk om het ecologisch beschermingsniveau te wijzigen. Standaard staat dit als “gemiddeld” ingesteld. Daarom worden in de RTB voor de LMW van bagger de risico-indices van 1 voor enkele stoffen overschreden. Voor akkerbouwpercelen in Midden-Holland wordt echter een matig beschermingsniveau geambieerd (zie ook bijlage 6). Door aan te sluiten bij de Maximale Waarden per bodemfunctie (bijlage 6, [17]) bij een matig beschermingsniveau zal er geen sprake zijn van risico’s.
4In Midden-Holland wordt niet of nauwelijks tarwe verbouwd. De kans dat bagger met een dergelijk gehalte wordt toegepast op een perceel waar tarwe wordt verbouwd, is te verwaarlozen.
5Een lichte overschrijding wordt geaccepteerd om bagger met relatief hoge gehalten te kunnen toepassen. Door aan te sluiten bij de 95-percentielwaarde van de zone wordt een gehalte geaccepteerd dat nu ook al in de zone aanwezig is. De kans dat bagger wordt toegepast op akkerbouwpercelen is bovendien erg klein, omdat er in deze zone niet of nauwelijks akkerbouw plaatsvindt.
6In de RTB wordt bij landbouw voor het afleiden van humane risico’s gerekend met een blootstellingsscenario dat overeen komt met het scenario "Wonen met tuin" en een humane biobeschikbaarheid van 0,74. Hiermee wordt onder andere rekening gehouden met grondingestie, gewasconsumptie uit eigen tuin en blootstelling via binnenlucht. Voor landbouwpercelen waar bagger wordt toegepast zal geen sprake zijn van grondingestie, gewasconsumptie en blootstelling via binnenlucht. Het werkelijke humane risico zal in de praktijk dus vele malen lager liggen en zelfs te verwaarlozen als wordt gerekend met een biobeschikbaarheid die meer recht doet aan de werkelijke opname van lood (tegenwoordig wordt uitgegaan van een biobeschikbaarheid van 0,4 of lager [25]).
Conclusie
Op basis van onderzoek van Alterra [12, 13, 14] kunnen risico’s worden uitgesloten op beweide graslanden bij het hanteren van de LMW voor bagger. Door voor akkerbouw aan te sluiten bij de LAC-waarden, kunnen ook hier risico’s worden uitgesloten. Daar waar niet de LAC-waarde is gebruikt maar de 95-percentielwaarde, wordt tenminste aangesloten bij de bodemkwaliteit die nu ook al voorkomt in de zone en die voor zover bekend niet tot problemen leidt. Als er al risico’s optreden bij het toepassen van bagger, worden deze in ieder geval niet groter dan nu al het geval is in de zone.
Bijlage 8: Bemonstering waterbodem
Inleiding
In de ´Toelichting bij NEN 5720 ´Verkennend waterbodemonderzoek´ (i.c.m. NEN 5717)´ staat vermeld:
“Bij mengmonsters in het laboratorium wordt maximaal per 0,5 m voor verschillende grondsoorten gezien vanaf de bovenkant van de waterbodem representatief gevonden voor de partij. De verontreiniging in de diepte kan verschillen vanwege de historische belasting en het sedimentatiepatroon in de tijd. Partijen met verschillende kwaliteit mogen conform de regeling bodemkwaliteit niet worden opgemengd. Meer dan 0,5 m wordt niet meer representatief gevonden voor een partij. Dit ook in relatie tot de toegestane indeling in deellocaties en vakken en de ruimte die hierin is geboden.”
Voor de waterschappen is het echter onwenselijk en praktisch moeilijk uitvoerbaar dat de te baggeren sliblaag in meerdere lagen wordt bemonsterd. In de praktijk zal er namelijk toch één laag worden gebaggerd. Bij de bestemming zal dan de kwaliteit van deze ene laag bekend moeten zijn in plaats van de kwaliteit van de aparte deellagen.
Strategie
Het apart bemonsteren van lagen van maximaal 0,5 m is pas zinvol als deze lagen ook apart gebaggerd kunnen worden. In het beheersgebied van Midden-Holland is het slib vaak waterig en dus niet steekvast. In dat geval wordt de hele sliblaag omgewoeld tijdens het baggeren en is het technisch niet mogelijk lagen van maximaal 0,5 m gescheiden te baggeren. Ook het gescheiden baggeren van lagen van maximaal 0,5 m steekvast slib is met de nu gangbare kleinschalige baggertechnieken niet haalbaar. Dat komt omdat het oppervlak van de sliblaag niet vlak horizontaal is, maar ‘golft’. Het gescheiden baggeren van lagen van maximaal 0,5 m volgens de toelichting bij NEN 5720 zou daarom alleen mogelijk zijn met behulp van geavanceerde apparatuur. De meerkosten van het inzetten van deze geavanceerd technieken zouden voor het baggeren van relatief smalle en ondiepe watergangen buitensporig kostbaar worden. Het gescheiden onderhoudsbaggeren van lagen van maximaal 0,5 m volgens de toelichting bij NEN 5720 is daarom in ons beheersgebied voor deze watergangen praktisch niet haalbaar.
Daarbij is het te baggeren slib in de polder- en boezemwatergangen in Midden-Holland naar verwachting in de laatste 10 tot 20 jaar afgezet. Deze watergangen worden namelijk in een cyclus van kleiner dan 20 jaar gebaggerd. We verwachten daarom in verticale richting in het algemeen een homogeen niveau van vervuiling, zodat het apart bemonsteren van lagen niet zinvol is. Een uitzondering hierop vormen de provinciale vaarwegen, die minder frequent worden gebaggerd.
In Midden-Holland wordt dan ook toegestaan bij onderhoudsbaggeren de sliblaag tot de onderhoudsdiepte als één laag te bemonsteren. Een uitzondering hierop wordt gemaakt bij:
•provinciale vaarwegen
•watergangen waarbij
o in de laatste 10 jaar een incident heeft plaatsgevonden waarbij de kwaliteit van de waterbodem is beïnvloed èn
o sinds het incident niet meer is gebaggerd
•watergangen op minder dan 250 m (of 500 m stroomafwaarts bij een duidelijke stroomrichting) van een overstort of lozingspunt van een awzi
Bij deze watergangen dienen aparte lagen van maximaal 0,5 m bemonsterd te worden volgens de toelichting bij NEN 5720.
Bovenstaand advies en argumentatie dienen in het vooronderzoek te worden opgenomen.