Hoofdstuk 4. Beoordelingskader voor het acceptabel geurhinderniveau
4.2. Relevante aspecten bij beoordeling geursituatie
4.2.1. Frequentie
De door een bepaalde bron uitgeworpen geur zal zich in de omgeving verspreiden. De geurconcentratie die daarbij op een bepaalde plaats wordt waargenomen is niet constant. De concentratie zal sterk fluctueren, omdat de windsnelheid en windrichting en ook de overige weersomstandigheden veranderen met de tijd. Ook de geurbron zelf hoeft geen constante emissie te hebben, waardoor de concentraties in de omgeving fluctueren.
De bij geur(hinder) toe te passen toetsingswaarden worden daarom gebaseerd op frequentie-verdelingen. Een frequentieverdeling geeft de relatie aan tussen concentraties en de frequentie (bijvoorbeeld het aantal uren binnen een periode van een jaar) dat deze niet worden overschreden.
Als toetsingswaarden worden de zogenoemde hogere percentielwaarden gehanteerd, omdat deze percentielen de beste correlatie geven met de ondervonden geurhinder. Landelijk is het gebruikelijk om de 98percentielwaarde te nemen. Een 98-percentiel geeft de waarde aan die 98 % van de tijd niet wordt overschreden en dus 2 % van de tijd wel. Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel geeft een locatie aan waar 2 % van de tijd (176 uren per jaar) de concentratie van 1 ouE/m3 wordt overschreden. Ook de 95-, 99,5 en 99,99-percentielwaarden worden in de praktijk toegepast. Deze geven de locaties aan waar respectievelijk gedurende 5 % van de tijd (438 uren per jaar), 0,5 % van de tijd (44 uren per jaar) en 0,01 % van de tijd (minder dan 1 uur per jaar) een bepaalde geurconcentratie wordt overschreden.
Het optreden van hinder en klachten is niet gekoppeld aan slechts één percentielwaarde, zoals de 98percentiel, maar aan het verloop van de gehele frequentieverdeling. Op basis van ervaringen kan geconcludeerd worden dat (nog) hogere percentielwaarden dan de 98-percentiel in veel situaties beter correleren met hinder en klachten. Bij een (relatief) hogere percentielwaarde hoort ook een (relatief) hogere geurconcentratie. Immers, een hoge geurconcentratie zal op een bepaalde plaats minder uren per jaar worden overschreden dan een lage geurconcentratie. De hoge(re) percentielen betreffen dus de hoge(re) concentraties gedurende een beperkt aantal uren. Het optreden van hinder en klachten kan juist door die kortdurende relatief hoge concentraties worden veroorzaakt.
De toetsingswaarde die de Gemeente Alphen aan den Rijn hanteert ter plaatse van een geurgevoelig object is in principe een toetsingslijn. Er wordt in principe niet op één percentielwaarde getoetst maar op de volledige frequentieverdeling (zie afbeelding 4.1). In de praktijk wordt echter gemakshalve volstaan met de beoordeling van één percentiel: de 98-percentiel voor continue bronnen en de 99,99-percentiel voor discontinue bronnen.
4.2.2. Geurconcentratie
De geurconcentratie geeft aan hoe sterk een bepaalde geur waarneembaar is. De geurconcentratie wordt uitgedrukt in Europese odour units per kubieke meter (ouE/m3). Voor het bepalen van geurconcentraties is een gestandaardiseerde meetmethode ontwikkeld (NEN-EN13725), waarbij de geurconcentratie in een laboratorium wordt bepaald met een olfactometer en een geselecteerd geurpanel. Meer informatie over het meten van geur is opgenomen in bijlage I.
4.2.3. Hedonische waarde
Voor een minder onaangename geur kan een hogere concentratie toelaatbaar zijn dan voor een meer onaangename geur. Om aan dit principe vorm te geven, is de zogenoemde ‘hedonische waarde’ in het geurhinderbeleid betrokken. De hedonische waarde (H) is een maat voor de (on)aangenaamheid van een geur.
De hedonische waarde wordt uitgedrukt op een schaal van H = -4 (uiterst onaangenaam) tot H = +4 (uiterst aangenaam) (bepaling van de hedonische waarde NVN 2818). De bepaling vindt plaats door een panel in een geurlaboratorium dat aan de hand van genoemde schaal telkens een oordeel geeft aan verschillende aangeboden geurconcentraties.
Meer informatie over het bepalen van hedonische waarden is opgenomen in bijlage I.
4.2.4. Geurgevoelige objecten
Het bevoegd gezag stelt in een specifieke situatie vast welke objecten beschermd moeten worden tegen geurhinder. Dit betreft woningen en andere locaties waar mensen zich bevinden en waar blootstelling aan geur tot hinder kan leiden. Het landelijk beleid op dit punt zoals geformuleerd in paragraaf 2.9.2 van de NeR en het geurhinderbeleid van de gemeente Alphen aan den Rijn komen nauw overeen.
Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten beschermd horen te worden tegen geurhinder, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting toegestaan worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In dergelijke situaties is de afweging tussen de te verwachten vermindering van de hinder en de redelijkheid van het uitvoeren van maatregelen belangrijk.
Voor het vaststellen van het benodigde beschermingsniveau zijn de volgende criteria van belang:
-verblijfsduur;
-omvang van de groep;
-functie van de omgeving;
-aanwezigheid van gevoelige groepen;
-bijzondere bestemmingen.
Een aantal voorbeelden van te beschermen objecten is hieronder vermeld. De lijst is niet-limitatief. Bij het vaststellen of het om een geurgevoelig object gaat en bij het vaststellen van de mate van bescherming zijn vooral de hierboven genoemde criteria van belang. In onderstaande lijst zijn de bestemmingen van type 1 het meest geurgevoelig, type 2 minder geurgevoelig en type 3 het minst geurgevoelig. Uit onderzoek blijkt dat type 2 en type 3 bestemmingen bij gelijke geurbelasting minder hinder ondervinden dan type 1 bestemmingen.
Uit diverse onderzoeken en ervaringscijfers blijkt dat voor type 2 bestemmingen daardoor een driemaal zo hoge geurbelasting toelaatbaar kan zijn. Voor type 3 bestemmingen moet ernstige geurhinder worden voorkomen.
Tabel 4.1 Niet-limitatieve lijst van geurgevoelige objecten
type 1: meest geurgevoelig
type 2: minder geurgevoelig
type 3: licht geurgevoelig
woonwijk, lintbebouwing
Bedrijfswoningen
bedrijfsterreinen en industriegebieden
ziekenhuizen, sanatoria, bejaarden-en verpleegtehuizen (verblijfsrecreatiegebieden)
woningen
in het landelijk gebied, verspreid liggende woningen recreatiegebieden (dagrecreatie)
woonwagenterreinen
Kantoren
woonboten
Winkels
asielzoekerscentra
scholen
dagverblijven
4.2.5. Nieuwe of bestaande situaties
Analoog aan het landelijk geurbeleid is in Alphen aan den Rijn bij nieuwe situaties het voorkómen van nieuwe hinder het uitgangspunt en bij bestaande situaties het beperken van bestaande hinder. In hoofdstuk 5 wordt dit aspect nader uitgewerkt.
4.3. Beoordelingskader acceptabel geurhinderniveau
4.3.1. Afwegingsgebied acceptabel hinderniveau
Conform de uitgangspunten van het geurhinderbeleid zal het acceptabel hinderniveau liggen in het gebied tussen het MTR niveau (geen ernstige hinder) en de streefwaarde (geen hinder), waarbij de streefwaarde voor nieuwe situaties het uitgangspunt is.
In Alphen aan den Rijn worden daarom bij het afwegingsproces ten behoeve van de vaststelling van het acceptabel hinderniveau de volgende twee grenzen gehanteerd:
-de hindergrens, de geurbelasting (in ouE/m3 bij een bepaald percentiel) waar beneden geurhinder verwaarloosbaar is (0 % hinder). Vanaf deze geurbelasting begint in feite de geurhinder;
-de ernstige hindergrens, de geurbelasting (in ouE/m3 bij een bepaald percentiel) waarboven ernstige geurhinder waarschijnlijk is. Boven deze geurbelasting is de geurhinder voor geurgevoelige objecten op voorhand onacceptabel. Klachten
1Uit analyse van klachtenregistraties en TLO’s blijkt dat minder dan 0,5 % van de geurgehinderden daadwerkelijk een geurklacht indient. Het aantal geurgehinderden is dus een veelvoud van het aantal klagers.
nemen zeer sterk toe als de geurbelasting toeneemt boven deze ernstige hindergrens.
Voor de bepaling van de hindergrenzen worden door de gemeente Alphen aan den Rijn met name de volgende objectieve hulpmiddelen gebruikt: de hinderenquête (TLO’s), klachtenregistratie/-analyse en hedonische waarden
2Hierbij zijn de TLO en de klachtenregistratie van groter belang dan de hedonische waarde, omdat deze een maat zijn voor de werkelijk ondervonden hinder. In gevallen waarbij geen informatie beschikbaar of toepasbaar is uit TLO’s of klachtenregistraties geeft de hedonische waarde een belangrijke indicatie voor de mogelijke hinder.
.
Het is niet uit te sluiten dat in de toekomst meerdere objectieve hulpmiddelen hun waarde bewijzen. Voor het gebruik van andere objectieve hulpmiddelen blijft ruimte bestaan. Een veelbelovende in ontwikkeling zijnde methode is de ‘elektronische neus’.
De provincie Zuid-Holland heeft sinds 1995 dosis-effectrelaties bepaald rond een aantal bedrijven op basis van TLO’s, waarbij een relatie is gelegd tussen geurbelasting en hinder/klachten. Tevens zijn bronsterkten en hedonische waarden (de (on)aangenaamheid van een geurtype) van specifieke processen en geuren verzameld. Op basis van de relatie tussen deze objectieve hulpmiddelen en ook de bevindingen uit de Evaluatie ‘Handreiking luchtkwaliteit en Ruimtelijke Ordening -module stank’ [ref. 4.] is het beoordelingskader voor het acceptabel geurhinderniveau van de provincie Zuid-Holland voor continue bronnen tot stand gekomen. De gemeente Alphen aan den Rijn sluit in dit beleid aan bij het door de provincie ontwikkelde beoordelingskader voor het acceptabel geurhinderniveau.
De hoofdconclusie is:
het afwegingsgebied voor het acceptabel geurhinderniveau voor een continue emissiebron bevindt zich tussen de volgende grenzen:
-hindergrens: deze ligt op een berekende geurconcentratie van 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel;
-ernstige hindergrens: deze wordt gevormd door de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -2 (cH-2) als 98-percentiel. Boven een concentratie van 5 ouE/m3 als 98-percentiel treedt altijd ernstige hinder op. Dit betekent dat deze waarde nimmer mag worden overschreden.
Afgeleid beoordelingskader:
Zoals eerder beschreven, zijn de toetsingswaarden die de gemeente Alphen aan den Rijn hanteert in principe een toetsingslijn. Er wordt niet op één percentielwaarde getoetst maar op de volledige frequentieverdeling (zie tabel 4.2 en afbeelding 4.1). In de praktijk wordt echter gemakshalve volstaan met de beoordeling van één percentiel: de 98-percentiel voor continue bronnen en de 99,99-percentiel voor discontinue bronnen. Tabel 4.2 geeft de frequentieverdeling bij continue bronnen uitgaande van de genoemde Hindergrens van 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Er wordt geen hinder verwacht indien de geurconcentratie in de leefomgeving (de geurimmissie) de waarden in tabel 4.2 niet overschrijdt.
tabel 4.2. Frequentieverdeling behorende bij de Hindergrens
0,5 ouE/m3 als 98-percentiel
1ouE/m3 als 99,5-percentiel
1,5 ouE/m3 als 99,9-percentiel
2,5 ouE/m3 als 99,99-percentiel
Op basis van tabel 4.2 is in afbeelding 4.1 de frequentieverdeling van geurconcentraties met de toetsingslijn voor hinder grafisch weergegeven
Noot:
De gepresenteerde toetsingslijn voor continue bronnen is in de praktijk per specifieke situatie afhankelijk van onder andere de ruwheidslengte van het receptorgebied, bron-/immissiehoogte en de afstand tot de bron. In werkelijkheid kan de verhouding van de concentratie van het 98-percentiel en het 99,99percentiel variëren tussen een verhouding 1:2 en 1:10. Daarmee kan voor een specifieke situatie, mits goed onderbouwd, worden afgeweken van de in tabel 4.2 gepresenteerde vaste verhouding van 1:5. Om te beoordelen of geurhinder door piekemissies wordt voorkomen, dient in een specifiek geval de (ernstige) hindergrens (frequentieverdeling) bepaald te worden overeenkomstig tabel 4.2 en afbeelding 4.1 zijnde een continue bron. Dit betekent dat de piekemissie als continue bron dient te worden ingevoerd in het verspreidingsmodel
Het afwegingsgebied:
Het acceptabel hinderniveau in een specifieke situatie ligt in het gebied tussen de hindergrens en de ernstige hindergrens. Dit is in afbeelding 4.2 schematisch weergegeven.
afbeelding 4.2. Hindergrenzen en afwegingsgebied acceptabel geurhinderniveau
In bijzondere regelingen (bedrijfstakonderzoeken) in de NeR en in geurbeleidsstukken van andere overheden wordt gebruikgemaakt van een tussenniveau, overeenkomstig de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -1 als 98-percentiel (voor continue bronnen). Dit tussenniveau is de zogenoemde 12 % hindercontour en wordt verder gedefinieerd in paragraaf 4.3.2. Dit niveau is bij uitstek geschikt bij de beoordeling van geur bij ruimtelijke plannen.
Nieuwe en bestaande situaties
Nieuwe hinder wordt voorkomen door nieuwe geurgevoelige bestemmingen te projecteren buiten de Hindergrens en nieuwe geurbronnen zodanig te projecteren of te beperken dat zich geen geurgevoelige bestemmingen binnen de Hindergrens bevinden. Dit beschermingsniveau is in bestaande situaties dikwijls niet haalbaar. Bij het beperken van bestaande hinder bevindt zich het afwegingsgebied voor het acceptabel hinderniveau tussen de hindergrens en de ernstige hindergrens.
Discontinue en fluctuerende bronnen: piekemissies
Fluctuerende bronnen geven een patroon te zien van wisselende emissieniveaus binnen één emissieuur elke niet op voorhand bekend zijn. Deze emissies hebben vaak een incidenteel karakter, bijvoorbeeld een korte piek waarna het niveau weer afneemt: voorbeelden zijn het laden en lossen of het opengaan van deuren van een loods. De ultieme vorm van een fluctuerende bron is de emissie afkomstig van een niet representatieve bedrijfsomstandigheid (= ongeval). De incidentgevoeligheid van een bedrijf is moeilijk in te schatten en hangt onder meer samen met de mate van good housekeeping van het desbetreffende bedrijf. In verspreidingsberekeningen wordt de bijdrage aan geurhinder door fluctuerende bronnen vaak onderschat door de geurcontouren te presenteren als 98-percentiel of door de bron geheel niet mee te nemen in berekeningen.
Voor bronnen met een fluctuerend of discontinu emissiepatroon (emissie gedurende minder dan 3.500 uur per jaar) geeft een 98-percentiel onvoldoende inzicht in de ondervonden hinder/klachten, omdat het effect op de leefomgeving door de berekende immissiecontour wordt onderschat. De hogere percentielen geven beter inzicht in die hogere immissieconcentraties. Voor discontinue bronnen, dat wil zeggen bronnen die minder dan 40 % van de tijd per jaar emitteren (minder dan 3.500 uur per jaar) wordt daarom niet het 98-percentiel als toetsingswaarde beschouwd maar wordt gekozen voor het 99,99-percentiel [ref. 11.]. Dit percentiel geeft aan waar een bepaalde (piek)geurconcentratie in 0,01 % van de tijd (dat wil zeggen < 1 uur per jaar) wordt overschreden.
De gemeente Alphen aan den Rijn hanteert als uitgangspunt dat er ten gevolge van discontinue bronnen geen hinder te verwachten is indien geen overschrijding optreedt van de concentraties van de frequentieverdeling behorende bij continue bronnen. Deze is weergegeven in tabel 4.2 en afbeelding 4.1. Voor discontinue bronnen zullen de hoogste percentielen daarbij maatgevend zijn.
Voor bronnen met minder dan 3.500 emissie-uren per jaar (t < 0,4) gelden daarom de volgende grenzen als 99,99-percentiel:
-de hindergrens ligt op 2,5 ouE/m3 als 99,99-percentiel;
-de ernstige hindergrens ligt bij de geurconcentratie die hoort bij een hedonische waarde van -2, vermenigvuldigd met een factor 5, als 99,99-percentiel. Boven 25 ouE/m3 als 99,99-percentiel treedt altijd ernstige hinder op.
4.3.2. Geurhindercontouren rond geurbronnen
Voor de meeste bedrijfstakken (typen geuren) is de relatie bekend tussen de hoeveelheid geur en de hinderlijkheid van de geur. Deze relatie is afgeleid vanuit geuronderzoek, op basis van geurmetingen, zoals dat de afgelopen jaren rond veel geuremitterende bedrijven is uitgevoerd in het kader van onderbouwing van het geurbeleid en bij milieuvergunningverlening. Deze gegevens zijn onder meer beschikbaar via de NeR [ref. 10.]. Op basis van deze ervaringskennis kan voor bestaande en nieuwe bedrijven worden berekend op welke plaats in de omgeving welke mate van geurhinder is te verwachten. Bij vergunningprocedures moet de aanvraag voldoende informatie bevatten om de mate van hinder te bepalen. Als dit niet het geval is, is de aanvraag op het aspect geur niet ontvankelijk.
De te verwachten geurkwaliteit van de omgeving wordt gekwalificeerd in de hieronder beschreven vier gradaties van afnemende milieukwaliteit. Hierbij wordt aanvullend op de boven genoemde hindergrens en ernstige hindergrens gebruik gemaakt van een tussenniveau dat ligt bij een geurconcentratie van H = -1 als 98percentiel. Dit tussenniveau wordt de 12 % hindercontour genoemd.
verwaarloosbare geurhinder (leefomgevingskwaliteit: goed)
-er is nauwelijks of geen geur waarneembaar, geurklachten zijn onwaarschijnlijk, de geurbelasting is lager dan 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel.
minder dan 12 % geurgehinderden (leefomgevingskwaliteit: redelijk)
-er is wel eens geur waarneembaar, die door sommigen als hinderlijk wordt ervaren. Geurklachten zijn weinig waarschijnlijk;
-de geurbelasting als 98-percentiel is hoger dan of gelijk aan een geurconcentratie van 0,5 ouE/m3 èn lager dan de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -1;
-in dit gebied correleert de hinder met een hinderniveau tussen 0 en 12 % gehinderden (soms/vaak last van geur).
meer dan 12 % geurgehinderden (leefomgevingskwaliteit: matig)
-er is regelmatig geur waarneembaar, die aanleiding geeft tot hinder, maar nauwelijks tot ernstige hinder;
-er kunnen enkele geurklachten zijn;
-de geurbelasting is lager dan het 98-percentiel van de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -2, maar hoger dan of gelijk aan het 98-percentiel de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -1. Ongeacht de hedonische waarden is de geurbelasting altijd lager dan 5 ouE/m3 als 98-percentiel;
-in dit gebied (concentraties liggen tussen H = -1 en H = -2) correleert de hinder met een hinderniveau tussen circa 12 -20 % gehinderden (soms/vaak last van geur).
ernstige geurhinder (leefomgevingskwaliteit: slecht)
-er zullen doorgaans veel geurklachten zijn;
-de geurbelasting is hoger dan of gelijk aan het 98-percentiel van de geurconcentratie behorende bij een hedonische waarde van -2. Ongeacht de hedonische waarden begint het gebied met ernstige geurhinder bij geurbelastingen hoger dan of gelijk aan 5 ouE/m3 als 98-percentiel;
-in dit gebied (concentraties zijn hoger of gelijk aan H = -2) correleert de hinder met een hinderniveau waarbij meer dan 20 % van de respondenten uit een telefonisch leefsituatie onderzoek (TLO) soms/vaak last van geur rapporteert. Bovendien wordt ernstige hinder gerapporteerd.
Aan deze vier gradaties van afnemende milieukwaliteit zijn hindercontouren gekoppeld. Een voorbeeld van deze geurcontouren is opgenomen in afbeelding 4.3.
-buiten de hindergrens (groene contour) is het gebied waar geurhinder verwaarloosbaar is. Verwaarloosbare hinder betekent echter niet dat er nooit geur kan worden waargenomen;
-de hindergrens wordt aangegeven met een groene lijn. Het gebied tussen de 12 % hindercontour (gele contour) en de Hindergrens (groene contour) is het gebied rond een inrichting waar 0-12 % hinder waarschijnlijk is;
-de 12 % hindercontour wordt aangegeven met een gele lijn. Het gebied tussen de ernstige hindergrens (rode contour) en de 12 % hindercontour is het gebied rond een inrichting waarbinnen 12-20 % geurhinder waarschijnlijk is;
-de ernstige-hindergrens wordt aangegeven met een rode contour rond een inrichting. Deze contour geeft de grens rond een inrichting aan waarbinnen ernstige geurhinder waarschijnlijk is.
Het geurbeoordelingskader is gebaseerd op informatie uit TLO’s (telefonische leefbaarheidsonderzoek onder een blootgestelde bevolkingsgroep). Hiermee wordt bescherming geboden aan de gemiddelde blootgestelde bevolking. Het heeft echter tot gevolg dat een individu met een bovengemiddeld reukvermogen minder bescherming kan worden geboden.
afbeelding 4.3. Voorbeeld van geurcontouren rond een inrichting
5. Toepassing in vergunningverlening en handhaving
5.2. Geurhinderbeleid en milieuvergunningen
5.2.1. Bestaande of nieuwe situatie
Een van de belangrijkste uitgangspunten in het landelijk geurbeleid is het voorkomen van nieuwe hinder. Bij het vaststellen van het acceptabel hinderniveau is het daarom van belang of een bepaalde geursituatie moet worden beschouwd als een reeds bestaande situatie of als een nieuwe situatie. Voor een nieuwe situatie zal het acceptabel hinderniveau lager liggen dan in een bestaande situatie.
5.2.2. Cumulatie van geuren
Cumulatie van geur is een effect van meerdere geurbronnen die elkaar beïnvloeden. Het effect van mengen van geuren op de waarneembaarheid en de hinderlijkheid op leefniveau is in veel gevallen moeilijk voorspelbaar.
In den lande bestaat geen vaste methodiek en worden meerdere methoden gebruikt om met cumulatie om te gaan. Aspecten die een rol spelen zijn onder meer: de hoogte van de bron, aard van de geur en de tijdsduur van de bron. Afhankelijk van de specifieke situatie zal een keuze gemotiveerd dienen te worden.
Onderstaand voorstel geeft mogelijke toepassingen welke niet beschouwd dienen te worden als hard, maar als mogelijke ondersteuning bij de besluitvorming.
Voorstel voor mogelijke toepassingen:
1voor geuren die sterk vergelijkbaar zijn, is naar verwachting optellen mogelijk. Voor deze bronnen zijn versterkende of verzwakkende effecten niet te verwachten. Alle bronnen kunnen ingevoerd worden in het verspreidingsmodel voor berekeningen waarna de cumulatieve geurcontour berekend kan worden. Op deze wijze is ook groepering van brontypen mogelijk. Deze groep van bronnen dient ten minste te voldoen aan het beoordelingskader voor dit type geur;
2verschillende typen geuren kunnen op dezelfde manier worden gemodelleerd als hierboven beschreven. Evenwel eerst nadat de emissie met een waarderingsfactor wordt gecorrigeerd voor de aard (hedonische waarde) van de geur. Om deze waarderingsfactor mee te nemen in de berekeningen verdient het aanbeveling om de emissies te normaliseren naar de bron die het meest onaangenaam wordt gevonden.
Voorbeeld:
Geur A
Geur B
geuremissie (ouE/uur)
100
25
hedonische waarde (CH = -2)
6
3
verhouding t.o.v. de meest onaangename geur
2
1
genormaliseerde geuremissie (ouE/uur)
50
25
Bij het vaststellen van het beoordelingskader voor het acceptabel geurhinderniveau is vervolgens de hedonische waarde van de bron, die het meest onaangenaam wordt gevonden, maatgevend (in het voorbeeld: geur B).
5.2.3. Gemotiveerd afwijken is mogelijk
In uitzonderlijke gevallen waarbij er gegronde redenen zijn, kan worden afgeweken van de in het onderhavige beleidsdocument beschreven methodiek. In de afweging of het hinderniveau acceptabel is, zijn onder andere de volgende aspecten van belang:
-de mate van hinder;
-de aard en waardering van de geur;
-omvang van de blootstelling;
-het klachtenpatroon;
-andere informatie over de hinder en mogelijke emissies;
-zijn geurreducerende maatregelen overeenkomstig BBT getroffen?
-technische en financiële consequenties;
-informatie over mogelijke extra geurreducerende maatregelen;
-de lokale situatie waarin onder meer de planologische situatie en de sociaaleconomische aspecten (bv. werkgelegenheid) een rol spelen;
-de historie van het bedrijf in zijn omgeving
-te verwachten toekomstige aantoonbare ontwikkelingen zoals de op termijn te verwachten geurmaatregelen aan de bron, het afbreken van geurgevoelige objecten.
BIJLAGE I Achtergronddocument geur
In de zeventiger en tachtiger jaren bleek steeds duidelijker uit onderzoek naar de samenstelling van geur dat de waarneembaarheid en aard/hinderlijkheid van de geur niet te meten is middels chemische analyses. De meeste geuren bestaan uit complexe mengsels van vaak honderden verschillende componenten, die in zodanig lage concentraties en in wisselende samenstelling aanwezig zijn, dat deze niet chemisch meetbaar waren en/of de meetresultaten niet vertaalbaar waren naar de waarneembaarheid en hinderlijkheid.
In de tachtiger jaren werd daarom de olfactometrie ontwikkeld tot een bruikbare methode voor milieuonderzoek, waarbij de menselijke neus als meetinstrument werd gebruikt. Het principe van olfactometrie bestaat eruit om een zak met geurhoudende lucht uit een schoorsteen (of andere geurbron) te halen, en deze middels een verdunningsapparaat (de zogenaamde olfactometer) aan een groep van panelleden ter beoordeling aan te bieden. Daarbij wordt die verdunning bepaald waarbij juist de helft van het panel de geurhoudende schoorsteenlucht weet te onderscheiden van schone lucht: bij die verdunning is per definitie 1 geureenheid per kubieke meter lucht aanwezig (1 ge/m3). Indien bijvoorbeeld de schoorsteenlucht hiertoe 1.000 keer moet worden verdund, bedraagt de geurconcentratie van het luchtmonster 1.000 ge/m3. Inmiddels is de standaardeenheid van geur gewijzigd van ‘ge’ in Europese odour units (ouE). Deze worden gemeten conform de NEN-EN13725. Een concentratie van 1 ouE per kubieke meter lucht is die verdunning waarbij de helft van het panel de geurhoudende lucht met zekerheid weet te onderscheiden van schone lucht.
Bij de geurmonstername aan de schoorsteen wordt tevens de hoeveelheid lucht gemeten die uit de schoorsteen komt, het debiet (uitgedrukt in m3/uur). Door vermenigvuldiging van het debiet (meestal in de ordegrootte van duizenden m3/uur) met de geurconcentratie in de schoorsteen (meestal in de ordegrootte van duizenden ouE/m3), wordt de geuruitstoot oftewel geuremissie uit de schoorsteen verkregen (veelal uitgedrukt in miljoenen ouE per uur (·106 ouE/uur). De methode van olfactometrische geuranalyse is gestandaardiseerd (NEN-EN13725) en er zijn diverse richtlijnen voor geurmetingen en de uitvoering van geuronderzoek. Hiervoor wordt verwezen naar de Nieuwe Technische Afspraken 9065 en het Praktijkblad L40 ‘meten van geur’ (L40-P13, Geur Periodieke meting, SenterNovem/Infomil, 2009).
Naast de bepaling van het aantal geureenheden, de geurconcentratie, een maat voor (de sterkte van) de waarneembaarheid van de geur, kan tevens aan de panelleden gevraagd worden hoe (on)aangenaam men de geur vindt. De (on)aangenaamheid wordt ook wel de hedonische waarde genoemd, en wordt doorgaans uitgedrukt op een schaal tussen -4 (extreem onaangenaam) via 0 (neutraal) en + 4 (extreem aangenaam).
Ook hedonische metingen zijn gestandaardiseerd (NVN2818).
Uit diverse onderzoeken is gebleken dat op basis van de combinatie van de geurconcentratie met de hedonische waarde een uitspraak gedaan kan worden over de te verwachten mate van geurhinder. Op basis van de meest recente inzichten op het gebied van geuronderzoek wordt deze combinatie van parameters ook in de toekomst als meest geschikte en meettechnisch haalbare voorspellende maat voor geurhinder beschouwd.
Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Bepalen van de geurconcentratie in de omgeving en voorspellen van geurhinder
In de vorige paragraaf is uiteengezet hoe geur aan de bron (bijvoorbeeld schoorsteen) gemeten kan worden.
Vervolgens wordt deze geuremissie in een verspreidingsmodel voor luchtverontreiniging ingevoerd, om de geurconcentratie in de omgeving te berekenen. Met dit model kan, rekening houdend met zowel de bronkarakteristieken (bijvoorbeeld bronhoogte, uitstroomsnelheid en emissieduur), omgevingskarakteristieken (bijvoorbeeld ruwheid van de omgeving), als wel lokale meteorologische omstandigheden zoals die zich gedurende het jaar voor zullen doen (bijvoorbeeld windrichting, windsnelheid en dergelijke) de geurconcentratie in de omgeving berekend worden (de zogenaamde geurimmissie oftewel geurbelasting). Deze wordt doorgaans uitgedrukt als percentielwaarde, waarbij bijvoorbeeld 1 ouE/m3 als 98percentielwaarde inhoudt dat op die plaats gedurende 98 % van de tijd van het jaar de geurconcentratie lager zal zijn dan 1 ouE/m3, en gedurende 2 % van de tijd de geurconcentratie hoger zal zijn. De geurbelasting in de omgeving van een geurbron wordt doorgaans op een topografische kaart van de omgeving weergegeven, door middel van een iso-geurconcentratielijn, een geurcontour.
Vergunningvoorschriften (NeR paragraaf 2.9.3)
Het resultaat van de afweging om te komen tot een acceptabel hinderniveau wordt vastgelegd in de considerans.
Hieruit volgen voorschriften die in de vergunning worden vastgelegd. De vergunningvoorschriften kunnen verschillende vormen hebben. Voorbeelden zijn middelvoorschriften en doelvoorschriften. Bij middelvoorschriften worden de bijbehorende specificaties over het functioneren van de te implementeren middelen aangegeven. Doelvoorschriften kunnen of een emissiegrens voorschrijven (bijvoorbeeld een te realiseren geurvracht in ouE/uur) of een immissiegrens voorschrijven (bijvoorbeeld een maximale geurbelasting in ouE/m3 als een bepaalde percentielwaarde).
Een immissiegrenswaarde die (in ouE/m3) in een voorschrift is vastgelegd, kan niet direct door een immissiemeting (concentratiemeting in het veld) worden gecontroleerd. Controle van zo’n voorschrift kan alleen via een geurconcentratie-en debietmeting aan de bron gevolgd door een verspreidingsberekening. Handhaving van de voorschriften moet gericht zijn op controle op de omvang van de emissie van geur, de omvang van de geurbelasting en op de eventuele aanwezigheid en de goede werking van voorzieningen. In de considerans moet de motivatie staan voor de voorschriften. Wanneer er geen sprake is van potentiële geurhinder dan moet dit in de considerans worden vastgelegd.
Bijlage 2 Beleidsdocument geurneutralisatiemiddelen Provincie Zuid-Holland
Bijlage II Beleidsdocument geurneutralisatiemiddelen Provincie Zuid-Holland
Geur Neutralisatie Middelen Beleidsdocument Provincie Zuid-Holland
De toepassing van nettsalisafie middelen voor geurbestrijding
Provincie Zuid-Holland
Directie Groen Water en Milieu
DCMR Milieudienst Rijnmond