Gemeentelijke regelgeving

Beleid, maatwerkvoorschriften en handhaving bij brijnlozingen

Gemeente Alphen aan den Rijn · geldt sinds 15 juni 2022

2 Achtergrondinformatie

2.3 Literatuurstudie en bestudering alternatieven

2.3.1 De effecten van brijnlozingen

Bij de beoordeling van de effecten van een brijnlozing wordt in de diverse studies zowel de grondwateronttrekking als de feitelijke lozing van het brijn in ogenschouw genomen.

Onttrekken van grondwater

Grondwateronttrekkingen kunnen effecten hebben op de omgeving:

•Beïnvloeding van andere onttrekkingen;

•Beïnvloeding van bodemenergiesystemen;

•Beïnvloeding van drinkwaterwinning;

•Verlaging van de grondwaterstand;

•Verhoging van het aantrekken van zoute kwel.

Omdat gemeenten wel het bevoegd gezag zijn in het kader van het lozen van brijn, maar geen bevoegdheden hebben ten aanzien van de grondwateronttrekking, worden de effecten van grondwateronttrekking verder niet in de afwegingen meegenomen.

Lozen van brijn

Bij de beoordeling van de lozing van brijn wordt vooral gekeken naar de milieuhygiënische effecten die samenhangen met de chemische samenstelling van het brijn.

Deltares en KWR hebben een model ontwikkeld om de effecten van brijnlozingen op de chlorideconcentratie in het grondwater (specifiek voor de regio Westland) te kwantificeren [lit. 3]. Daarbij is het uitgangspunt dat chloride een indicator is voor de aanwezigheid van andere milieu-eigen stoffen. Uit het model blijkt dat de effecten van brijnlozingen vooral lokaal optreden. Het regionale, autonome proces van verzilting/verzoeting is overheersend ten opzichte van het effect van de brijnlozingen. Ook blijkt dat de verspreiding van zware metalen in het grondwater van het tweede watervoerend pakket wordt beperkt door de binding van metalen aan bodemdeeltjes.

Uit onderzoek van Deltares blijkt dat er een kans bestaat dat de kwaliteit van het grondwater in het 1e watervoerende pakket is beïnvloed door menselijk handelen. Het is ongewenst om dit antropogeen beïnvloed water in het 2e watervoerend pakket te injecteren. Daarom moet het brijn onderzocht worden op milieuvreemde stoffen (o.a. bestrijdingsmiddelen).

De provincie Zuid-Holland heeft het interim-beleid ten aanzien van brijnlozingen (periode 2006-2013) geëvalueerd [lit. 18] en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat er milieuvreemde stoffen in het eerste watervoerend pakket of het brijn aanwezig zijn, die een milieuhygiënisch probleem vormen. Te hoge gehalten aan milieu-eigen stoffen in het brijn zouden een belemmering voor de lozing betekenen, omdat dan niet wordt voldaan aan het standstil-beginsel uit de KRW. Het is echter nog niet duidelijk of de inbreng van het brijn met verhoogde gehalten aan milieu-eigen stoffen in het 2e watervoerend pakket leidt tot negatieve effecten.

Figuur 3: Schematische bodemopbouw in de Zuidplaspolder.

In de navolgende kaders zijn de (voor onderhavige rapportage) belangrijkste conclusies opgenomen.

Ondergrondkwaliteit in relatie tot brijnlozingen [lit. 4]

Uit het rapport van Deltares blijkt dat in het geval van omgekeerde osmose (reversed osmosis, oftewel RO) middels installaties met een rendement van 50% het brijn in Boskoop en Zuidplas slechter van kwaliteit is, dan in bijvoorbeeld Westland en Oostland. Met name de concentraties chroom, lood en arseen in het brijn zijn verhoogd ten opzichte van de concentraties in het tweede watervoerend pakket, waarin het brijn geloosd wordt. Voor wat betreft barium worden in het rapport geen uitspraken gedaan, omdat de metingen van zowel het eerste als het tweede watervoerend pakket een groot bereik hebben (ver uit elkaar liggen). De concentratie chloride in het brijn is lager dan de concentratie in het tweede watervoerend pakket. De chlorideconcentratie in het brijn is daarom geen probleem voor lozing. De auteurs van het rapport stellen dat brijn dat geproduceerd wordt door een omgekeerde osmose-installatie met een rendement van 50%, op basis van de verhoogde concentraties van vooral concentraties chroom, lood en arseen niet geloosd kan worden in het tweede watervoerend pakket.

In 2010 zijn de resultaten van een vervolgstudie gepresenteerd [ref. 5], waarbij nieuwe analysemonsters zijn verzameld. In verband met een nieuwe analysetechniek is de detectielimiet lager, zodat de gemeten concentraties nu beter vergeleken kunnen worden met de toetswaarden. Uit de analyseresultaten blijkt dat specifiek voor de geanalyseerde bedrijven in de gemeente Zuidplas de stoffen nikkel, antimoon, vanadium, kobalt, barium en het chloridegehalte in het brijn de streefwaarden voor diep grondwater overschrijden.

N.B. Er wordt een relatief strenge toetsing voorgesteld, waarbij de P90 van het brijn getoetst wordt aan de P50 van het 2e watervoerend pakket. De toetsing pakt ongunstig uit voor de brijnlozingen: er zijn veel overschrijdingen, die voor een groot deel echter onder de streefwaarden liggen.

Evaluatie brijnbeleid provincie Zuid-Holland [ref. 19]

•Van 15 brijnanalyses (afkomstig van 63 bedrijven) in het Westland, Midden-Delfland en Zuidplas zijn bij geen van de analyses milieuvreemde stoffen aangetoond. Dit kan te maken hebben met de detectielimiet, die relatief hoog is door de analyses niet uit te voeren conform de AS3000-norm.

•Dit wijst erop dat milieuvreemde stoffen geen belemmering lijken te vormen voor het verlenen van een ontheffing.

NB: dit beeld is bevestigd door de analyses van Agro Advies in 2014.

Advies technische commissie bodembescherming [ref. 11]

In haar advies ziet de TCB het oppompen van brak grondwater en lozen van brijn niet duurzaam en als laatste optie. Haar voorkeur gaat uit naar het voorkomen ervan en de alternatieven (zie volgende paragraaf). Als het echt niet anders kan, hecht de TCB aan een aantal voorwaarden voor het lozen van brijn:

1De chloride concentratie van het brijn komt ongeveer overeen of is lager dan de chlorideconcentratie van het watervoerende pakket waarin het brijn wordt geloosd.

2De concentratie van andere stoffen in brijn voldoen aan de voor deze stoffen in het ontvangende water gestelde normen.

3Er dient een waterscheidende laag aanwezig tussen de laag waaruit het grondwater wordt opgepompt en de laag waarin het brijn wordt geloosd

1Deze scheidende laag is in Midden-Holland overal aanwezig.

.

4Een collectief systeem voor het oppompen van grondwater en lozen van brijn* is het uitgangspunt. Er is controle op het proces.

5Er vindt monitoring plaats van het grondwater in zowel het eerste als het tweede watervoerend pakket en van het te lozen brijn. Doel van de monitoring zou moeten zijn dat geverifieerd wordt of wordt voldaan aan het stand still principe. Als het huidige Nederlandse monitoringsnetwerk hierop niet is toegesneden, dan zou de aanbeveling zijn het netwerk hiervoor wel geschikt te maken.

In onderstaande tabel zijn de resultaten van de verschillende studies samengevat.

Tabel 3: Samenvatting studies

Milieu eigen stoffen

Milieuvreemde stoffen

Gevaarlijke stoffen

Niet-gevaarlijke stoffen

Bestrijdingsmiddelen, PCB’s, nitraat

Hg, Cd, Pb, As, Sb

overige zware metalen, Cl, SO4, NH4

Pas sinds 1 juli 2013 verplicht te onderzoeken voor bedrijven met ontheffing van pZH

Altijd al verplicht te onderzoeken voor bedrijven met een ontheffing van pZH

Wisselend beeld. Vooral vanadium, barium, kobalt en chloridegehalte1 overschrijden de streefwaarden voor diep grondwater 2. Nikkel en antimoon af en toe.

Geen overschrijdingen van detectielimieten 3

Norm:

-streefwaarden Circulaire bodemsanering

-Besluit kwaliteitseisen en monitoring water (BKMW, komt voort uit de KRW)

Norm: Streefwaarden Circulaire bodemsanering

1Streefwaarde voor chloride is 100, terwijl het natuurlijk gehalte ligt tussen 150 en 1000 ug/l (boven- en ondergrens van brak grondwater).

2Vanadium, Kobalt en barium overschrijden ook in het 1e WVP al de streefwaarden. Deze stoffen komen dus van nature verhoogd voor.

3Dit beeld wordt bevestigd door 7 analyseresultaten van brijn van 25 geclusterde bedrijven, december 2013. Alle analyses liggen beneden de detectielimiet.

Conclusie

De vraag roept zich op of brijnlozingen zo ongewenst zijn zolang de milieu-eigen stoffen in het brijn onder de streefwaarden liggen. Streefwaarden worden immers gedefinieerd als ”het niveau waaronder we spreken van een duurzame bodemkwaliteit. Bij dat niveau zijn de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier en plant volledig hersteld. Ook geven de streefwaarden het ijkpunt van de milieukwaliteit op lange termijn aan.”

2.3.2 Bestudering alternatieven: goed gietwater

In beginsel zijn brijnlozingen ongewenst en moeten op termijn beëindigd worden. Echter, omdat de opvang van hemelwater niet bij alle bedrijven volledig in de gietwaterbehoefte kan voorzien, is een alternatieve gietwaterbron benodigd. Door het ministerie van I&M is in samenwerking met een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van gemeenten, provincies, waterschappen en het bedrijfsleven een beleidskader opgesteld, verwoord in ‘Goed gietwater glastuinbouw’ [lit. 19].

Het ontstaan van brijn kan worden voorkomen door voor gietwater meer gebruik te maken van duurzame zoetwaterbronnen, zoals hemelwater, of schoon (gemaakt) ‘restwater’ uit de industrie of waterzuivering. Ook kan de hemelwateropslag vergroot worden door de aanleg van opslagruimte onder kassen, of de tijdelijke opslag van regenwater in watervoerende lagen in de bodem. Ook het creëren van collectieve opslag van hemelwater is een alternatief, met name in nieuwe gebieden zoals de Zuidplaspolder. Semi-collectieve hemelwateropslag (samenwerking tussen 2 tot 4 tuinders) is in bestaande situaties kansrijk vanwege het onderling kunnen afstemmen van het waterverbruik en de beperktere investeringskosten.

Uit het beleidskader ‘Goed gietwater glastuinbouw’ volgt dat de volgende bronnen voor goed gietwater beschikbaar zijn:

•Hemelwater

•Zoet grondwater

•Brak grondwater

•Oppervlaktewater

•Leidingwater

•Effluent RWZI

•Bedrijfsafvalwater glastuinbouw

Welke gietwaterbron in zijn algemeenheid (landelijk) de voorkeur heeft, is niet te zeggen. Elke bron brengt bepaalde eigenschappen en voor- en nadelen met zich mee. Deze zijn vaak heel verschillend van aard en daardoor niet goed objectief tegen elkaar af te wegen. Daarnaast is de beschikbaarheid van een bron mede afhankelijk van lokale omstandigheden. Zo is in het Westland op korte afstand effluent van een RWZI beschikbaar (Harnaschpolder), terwijl dit in Boskoop niet het geval is. Welke gietwaterbron de voorkeur heeft moet daarom regionaal worden afgewogen worden, waarbij alle ontwikkelingen in een gebied in samenhang en integraal worden beschouwd.

Beleidsmatig heeft het ministerie van I&M de voorkeur om uit te gaan van de volgende bronnen van gietwater (in volgorde):

1collectieve voorziening door opwerking effluent

2collectieve voorziening door productie bij een drinkwaterbedrijf

3collectieve dan wel individuele voorziening met hemelwater

4gebruik van zoet grondwater

5gebruik van drinkwater

6gebruik van brak grondwater met brijnlozing in de bodem

7gebruik van oppervlaktewater met onbekende bestemming voor het brijn

Het ministerie heeft als uitgangspunt dat preventie boven hergebruik gaat, en hergebruik boven het gebruik van primaire bronnen. In het kader van duurzaamheid en de cyclische economie, zou voor de lange termijn ingezet moeten worden op de eerste drie opties. Hierdoor raken de laatste 4 opties op termijn uit gefaseerd.

Overigens wordt door de sector toegewerkt naar een (nagenoeg) emissievrije glastuinbouw in 2027, waardoor de behoefte aan gietwater zal verminderen en op termijn het lozen van brijn niet meer benodigd is. De belangrijkste aandachtsvelden zijn daarbij:

1Voorkomen van het ontstaan van restwater

2Hergebruik van restwater

3Zuivering van restwater

4Gebiedsgerichte projecten

3 Beleidsvorming

3.3 Nieuwe situaties

3.3.1 Stap 1: hemelwateropslag voldoende groot?

Als een aanvraag binnenkomt, wordt in de eerste stap gecontroleerd of de aanvrager de beschikking heeft over een hemelwateropslag met een voldoende omvang. Hierbij wordt aangesloten bij de 70%-eis van de Groene Label Kas. Deze eisen staan hieronder afgebeeld.

Dit is in afwijking van het stappenplan, waarin getoetst wordt aan 500 m3/ha. De ODMH is van mening dat een verscherping van deze norm voor nieuwe aanvragen geen problemen oplevert, aangezien het merendeel van de huidige bedrijven met een ontheffing hier al aan voldoet. Bovendien werken de bedrijven aan de emissieloze kas en staat het voorkomen van het ontstaan van restwater daarbij als belangrijkste aandachtsveld genoemd. De door de ODMH gehanteerde aangescherpte norm beoogd hieraan bij te dragen.

Tabel 4: eisen aan hemelwateropvang per groep van gewassen.

Indien een aanvrager niet kan voldoen aan de gestelde eis voor de hemelwateropslag, wordt geen ontheffing verleend voor het lozen van brijn, tenzij:

•de aanvrager kan aantonen dat de realisatie van een grotere hemelwateropslag niet haalbaar is vanwege ruimtegebrek, én

•in het geval van ruimtegebrek (bij bedrijven kleiner dan 15.000 m2) de aanvrager kan aantonen dat hij de mogelijkheden voor een collectieve hemelwateropvang onderzoekt, of heeft onderzocht.

In Boskoop zal vermoedelijk eerder sprake zijn van ruimtegebrek dan in Zuidplas. Daarnaast is in de gemeente Zuidplas vaker sprake van nieuwe bedrijven, waarbij het creëren van hemelwateropvang (of alternatieve maatregelen) op de locatie makkelijker in te passen is, dan bij de bestaande bedrijven in Boskoop.

Als een ontheffing wordt verleend op basis van ruimtegebrek voor hemelwateropslag, dan is de ontheffing ten aanzien van dit aspect maximaal geldend tot aan het moment dat nieuwbouw of herstructurering van het bedrijf plaatsvindt.

3.3.2 Stap 2: alternatief voor omgekeerde osmose?

In de tweede stap wordt bepaald of de aanvrager de beschikking heeft over een alternatief voor omgekeerde osmose. Alleen als er geen alternatief voorhanden is, kan de aanvrager in aanmerking komen voor een ontheffing.

Bij deze toets wordt uitgegaan van:

•water dat kwalitatief gelijkwaardig is aan regenwater;

•er vindt geen afwenteling plaats naar andere milieucompartimenten;

•het alternatief is haalbaar (zowel met betrekking tot de techniek, als de beschikbaarheid, vergunningen en omgeving);

•het alternatief is betaalbaar (dat wil zeggen: het is bedrijfseconomisch verantwoord voor de glastuinbouwbedrijven).

Ondergrondse waterberging kan een optie zijn om de regenwateropslagcapaciteit te vergroten. Met name in de gemeente Zuidplas worden proeven gedaan met ondergrondse waterberging. Hieruit blijkt dat het rendement van de opslag hoger is waar het grondwaterpakket dunner en minder zout is en waar de stroming in dat pakket het geringst is. Niet alle locaties zijn dus geschikt voor kleinschalige wateropslagsystemen, maar op dergelijke plekken kunnen grotere en robuustere systemen (bijvoorbeeld collectief aangelegd) of slimme aanpassingen aan het putontwerp wel mogelijkheden bieden.

De provincie Zuid-Holland heeft in haar Verordening Ruimte en Mobiliteit opgenomen dat in (glas)tuinbouwgebieden het eerste watervoerende pakket als prioritair wordt beschouwd voor de toepassing van zoetwateropslag als (deel)oplossing voor de watervraag van de (glas)tuinbouw. Om te beoordelen of ondergrondse hemelwateropslag een optie of alternatief voor brijnlozing kan zijn, worden in eerste instantie de kaarten uit het rapport van KWR [lit. 20 en figuur 4 ] geraadpleegd.

Figuur 4. Mogelijkheden ondergrondse waterberging in Zuidplas [lit. 20]

De aanvrager dient bij de aanvraag aan te geven of hij zelf onderzoek heeft gedaan naar alternatieven (individueel niveau), of dat hij deelneemt of bijdraagt aan collectieve projecten. Deze bijdrage moet worden aangetoond middels een bewijs van lidmaatschap of deelname aan deze projecten.

3.3.3 Stap 3: alternatieve mogelijkheden voor lozing van brijn?

In de derde stap wordt bekeken of de aanvrager de beschikking heeft over alternatieve mogelijkheden voor de lozing van het brijn.

Voorbeelden van alternatieve lozingsmogelijkheden zijn de riolering en het oppervlaktewater. Uit studies en gesprekken blijkt dat dit eigenlijk geen reële alternatieven zijn. De concentratie aan stoffen in het brijn heeft een negatief effect op het rioleringsstelsel en de werking van de zuivering (bij gebrek aan organische stof moeten ijzerzouten worden toegevoegd om de defosfatering goed te houden). Ook is de capaciteit van de riolering vaak onvoldoende. Het lozen op oppervlaktewater is eveneens onwenselijk vanwege het effect van ijzer en chloride op het oppervlaktewater.

Wel is belangrijk dat er een brede, integrale en regionale afweging voor de alternatieven plaatsvindt. De aanvrager dient aan te tonen dat hij op individueel of collectieve niveau actief onderzoek doet naar alternatieven.

Artikel 3.3.4 Stap 4: effect van lozing brijn op ondergrond?

In de vierde stap wordt bepaald wat het effect is van het lozen van brijn in de ondergrond. Dit effect wordt afgewogen ten opzichte van de huidige situatie.

Bij deze afweging worden de volgende aspecten meegenomen [lit. 3]:

•De capaciteit van de osmose-installatie;

•De onttrekkingsdiepte van het grondwater en de diepte van het te retourneren brijn;

•De grondwaterkwaliteit op de betreffende dieptes (zouten, gewasbeschermings-middelen en metalen);

•De aanwezigheid van scheidende lagen in de ondergrond;

•Overige gebruiksfuncties in de ondergrond, zoals drinkwatervoorziening en koude-warmte-opslag;

•Milieubelasting van het bedrijf zonder toepassing van omgekeerde osmose, met name de toename van emissie van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten en de milieubelasting van de alternatieve gietwatervoorziening.

In Zuid-Holland zijn veel studies zijn gedaan en uit geen van deze studies blijkt dat er sprake is van grote milieueffecten. In deze stap kan derhalve naar de studies verwezen worden en omdat het effect acceptabel wordt veronderstelt, kan maatwerk worden toegepast.

Toelichting

Literatuur

1Folder Brijnlozingen provincie (oud)

2Afwegingen bij het gebruik van grondwater en de ondergrond, RIVM en Deltares januari 2014 http://www.grondwatercollectief.nl/upload/documents/producten/Afwegingen%20bij%20het%20gebruik%20van%20grondwater%20en%20de%20ondergrond%20Deltares%20RIVM%202013%20DEF.pdf

3Faneca Sànchez, M., Klein, J., Raat, K.J., Paalman, M., Oude Essink, G. (2012). Effecten van brijninjectie op de grondwaterkwaliteit en functies in het Westland. Deltares rapport 1205897-000- BGS-0007, KWR rapport 2012.096.

4Klein, J. & Passier, H.F. (2009). Ondergrond en grondwaterkwaliteit in relatie tot brijnlozingen in de provincie Zuid-Holland. Deltares-rapport 0912-0124.

5Klein, J. & Passier, H.F. (2010). Aanvullende beoordeling milieueigen stoffen brijn en grondwaterkwaliteit Provincie Zuid-Holland. Deltares-rapport 1202192-000-BGS-0004.

6Klein, J., Faneca Sànchez, M., Van Baaren, E. (2011). Systeemkennis ondergrond Westland ten behoeve van gietwatervoorziening glastuinbouw. Deltares-rapport 1205189-000-BGS-0005.

7Provincie Zuid-Holland (2010). Beleid voor brijnlozingen in de bodem in de glastuinbouw- en boomteeltsector.

8Raat, K.J., Stuyfzand, P.J., Boukes, H., Oosterhof, A.T., 2011. Waterquality changes following deep well injection of BWRO concentrate. Results from the BWRO pilots Noardburgum and Zevenbergen. KWR-rapport BTO 2011.105(s).

9Raat, K.J., Kooiman, J.W., 2012. Brak grondwater: niet mijden, maar gebruiken! Eindrapport BTO onderzoek pilots Noardburgum (Vitens) en Zevenbergen (Brabant Water). KWR rapport BTO 2011.048.

10Stuurman, R., Oude Essink, G., Broers, H.P., Van der Grift, B., 2006. Monitoring zoutwaterintrusie naar aanleiding van de Kaderrichtlijn Water “verzilting door zoutwaterintrusie en chloridevervuiling”. TNO-rapport 2006-U-R0080/A.

11TCB, 2010. Lozingen van brijn bij agrarische activiteiten. Technische commissie bodem. TCB A064(2010), 12 november 2010.

12TCB, 2012a. Advies grondwater. Technische commissie bodem

13TCB, 2012b. Duurzaam gebruik van de ondergrond. Gereedschap voor structuur en visie. Technische commissie bodem

14Website Provincie Zuid-Holland: http://www.zuidholland.nl/gietwater

15Deskstudie alternatieven brijn, evaluatie brijnbeleid 2010, Grontmij, project PN285718, referentienummer 99094818, 22 januari 2009.

16Alternatieven voor brijn in Zuid-Holland, kosten en milieu-effecten, Agrimaco, 1 oktober 2010

17Opwerking en hergebruik van brijn in de glastuinbouw, TNO-rapport TNO-060-UT-01079, 28 februari 2011

18Evaluatie brijnbeleid, tussentijdse evaluatie van interim beleid provincie Zuid-Holland. DHV, 12 maart 2010, C8678, WA-MS201001100

19Beleidskader Goed Gietwater, ministerie van I&M, november 2012

20Potentie van ondergrondse waterberging voor (glas)tuinbouw in Zuid-Holland, KWR, rapportnummer 2013.105, december 2013

Websites:

http://www.zuid-holland.nl/overzicht_alle_themas/c_landschap/water/c_e_thema_water_schoon_en_zoet_water/c_gietwater.htm

http://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/energie-besparen/platform-duurzame-glastuinbouw/onderwerpen/water

http://www.glastuinbouwwaterproof.nl/goed-gietwater/

http://www.groeiservice.nl/water-emissie

http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/handboek-water/activiteiten/lozen-per-activiteit/agrarische/zuiveren-water/

Bijlage 1 Wetgeving

Activiteitenbesluit milieubeheer

(van belang zijnde artikelen)

Artikel 2.2

1Het is verboden:

a.afvalwater te lozen op of in de bodem, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.5, 3.6a, 3.10k, 3.16h, 3.23d, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.104, 4.104b en 4.104c,

b.afvalwater en andere afvalstoffen te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.3, 3.6a, 3.60, 3.61, 3.62, 3.150, 4.74c en 4.104e.

2In afwijking van het eerste lid, onder a, is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.

3Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de lozing daartegen niet verzet.

4Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:

a.de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van de lozing en het meten en registreren daarvan;

b.te treffen maatregelen;

c.de duur van de lozing; en

d.de plaats van het lozingspunt.

5Het eerste lid, onder a, en het tweede lid zijn niet van toepassing op lozen in de bodem waaraan in een vergunning op grond van artikel 6.4 of artikel 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel een vergunning op grond van een verordening van het waterschap voorschriften zijn gesteld.

6Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid een lozing betreft die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben, is op de voorbereiding van het maatwerkvoorschrift afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 3.90

1Bij het lozen van het afvalwater afkomstig van het voor de waterbehandeling voor agrarische activiteiten zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.

2Het lozen in een vuilwaterriool is verboden.

3Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift of bij verordening bepalen dat het tweede lid niet van toepassing is en het lozen in het vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien het gehalte aan:

a.chloride ten hoogste 200 milligram per liter bedraagt;

b.ijzer ten hoogste 2 milligram per liter bedraagt.

5Indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of bij verordening bepalen dat de gehalten bedoeld in het vierde lid niet van toepassing zijn en kunnen hogere gehalten worden vastgesteld.

6Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

Artikel 6.3

1Een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, of tweede lid, wordt gedurende de resterende termijn van die ontheffing aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

2In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.

3Onverminderd artikel 6.2, derde en vierde lid, is het lozen vanuit een bodemsanering in het vuilwaterriool dat op het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een inrichting was toegestaan volgens het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, in afwijking van artikel 3.1, vijfde lid, toegestaan en worden de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste tot en met derde lid, 7, eerste lid, 8, 12, 13 en 14 van dat besluit aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.

4Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een inrichting het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.

5Voor het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, waarvoor op 24 april 2013 een ontheffing gold op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de wet, geldt gedurende de op die datum resterende termijn waarvoor de ontheffing was verleend, een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, waarvan de inhoud overeenkomt met de ontheffing.

6Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die worden aangemerkt als onderdeel van de voorschriften van de ontheffing of vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning.

Artikel 6.24o

In afwijking van artikel 6.3, eerste lid, wordt, bij een inrichting die per hectare waarop het telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt beschikt over een hemelwateropvang-voorziening van ten minste 500 kubieke meter, een ontheffing die is verleend voor het in de bodem lozen van afvalwater als gevolg van het voor de gietwatervoorziening bij de teelt van gewassen zuiveren van water door omgekeerde osmose en die in werking en onherroepelijk was op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.90 tot 1 juli 2022 aangemerkt als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

Nota van Toelichting

“In dit artikel is naar aanleiding van de motie Koopmans en Snijder-Hazelhoff (Kamerstukken II 2010/11, 29 383, nr. 158) overgangsrecht opgenomen voor brijnlozingen in de bodem vanuit de glastuinbouw waarvoor door het bevoegd gezag voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit reeds ontheffing is verleend. Brijn is water met een hoger zoutgehalte dan grondwater, dat resteert na het ontzouten van grondwater door omgekeerde osmose. Bepaald is dat indien een glastuinbouwbedrijf brijn loost in de bodem, maar het bedrijf voor gietwater ook beschikt over een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3 per hectare, de reeds verleende ontheffing voor het lozen van brijn in de bodem wordt verlengd tot 1 juli 2022. Indien er geen hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 m3 per hectare aanwezig is, blijft na het aflopen van de termijn waarvoor een ontheffing is verleend een individuele toestemming van het bevoegd gezag nodig. Het bevoegd gezag op grond van artikel 2.2, derde lid, bij maatwerkvoorschrift een nieuwe ontheffing verlenen.

Ook voor lozingen van brijn in de bodem die plaatsvinden na de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit blijft een individuele toestemming van het bevoegd gezag nodig, dit gelet op de vereisten van de Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn.

Het via het overgangsrecht verlengen van bestaande ontheffingen voor bedrijven die een hemelwaterbassin hebben, wordt aanvaardbaar geacht omdat door primaire inzet van hemelwater vanuit het bassin de hoeveelheid aanvullend gietwater en daarmee ook de hoeveelheid brijn aanzienlijk beperkter is dan de hoeveelheid brijn bij bedrijven die gedurende het jaar door omgekeerde osmose ontzout grondwater gebruiken als gietwaterbron. Daarnaast impliceert het feit dat voor de lozingen een ontheffing is verleend dat de lozingen door het bevoegd gezag aanvaardbaar werden geacht. Daar waar verlenging van de toestemming om te lozen wel tot onaanvaardbare gevolgen voor de bodem zou kunnen leiden heeft het bevoegd gezag op grond van artikel 8.42, vierde lid, van de Wm, de bevoegdheid om die verlengde ontheffing, die is omgezet in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2, derde lid, eerder in te trekken. Dat kan het geval zijn wanneer een duurzamer gietwateroplossing beschikbaar komt, of wanneer blijkt dat er ongewenste effecten optreden. Het bevoegd gezag heeft op grond van hetzelfde artikel van de Wet milieubeheer de bevoegdheid om de ontheffing (het maatwerkvoorschrift) te wijzigen. Dit kan nodig zijn wanneer de ontheffing van aanvullende voorschriften (bijvoorbeeld ten aanzien van monitoring) moet worden voorzien.”

NvT bij het besluit van 14 september 2012, Stb. 2012, 441, p. 194-195.

Bijlage 2: Stappenplan toetsingskader brijn

Dit stappenplan kan door bevoegd gezag gebruikt worden bij aanvragen van maatwerk voor het retourneren van brijn in de bodem afkomstig van omgekeerde osmose op grondwater.

TOELICHTING

Bij dit toetsingskader is uitgegaan van nieuwe installaties. In de praktijk kan het voorkomen dat de nieuwe installatie een bestaande installatie betreft waarvoor een procedure wordt opgestart in het kader van legalisatie. Het bevoegd gezag kan in dat geval bij het doorlopen van de stappen rekening houden met die specifieke situatie.

1Volgens het Activiteitenbesluit mag, als invulling van de verplichting tot hemelwateropslag, ook gebruik gemaakt worden van een vervangende bron van goed gietwater. In de praktijk zal de combinatie van omgekeerde osmose en vervangend goed gietwater weinig voorkomen.

1aVan ruimtegebrek is sprake bij bedrijven tot ca. 15.000 m². De eventuele ontheffing geldt dan tot vernieuwing/herstructurering/nieuwbouw.

2Hier moet gedacht worden aan collectieve dan wel individuele projecten als Gietwatervoorziening Bergerden, Delft Blue Water, AquaReUse en natriumarm leidingwater. Uitgangspunten zijn:

•water dat kwalitatief gelijkwaardig is aan regenwater;

•geen afwenteling naar andere milieucompartimenten;

•haalbaar (m.b.t. techniek, beschikbaarheid, vergunningen en omgeving);

•betaalbaar (bedrijfseconomisch verantwoord voor de glastuinbouwbedrijven).

Voor een eerste afweging bij dit punt kan gebruik worden gemaakt van het Beleidskader “Goed Gietwater Glastuinbouw”. Daarnaast kan ondergrondse waterberging een optie zijn om de regenwateropslagcapaciteit te vergroten.

3Voorbeelden zijn riolering en oppervlaktewater; belangrijke aandachtspunten zijn het effect van de concentratie aan stoffen op het rioleringsstelsel en de zuivering (bij gebrek aan organische stof moeten ijzerzouten worden toegevoegd om de defosfatering goed te houden), de capaciteit van de riolering, het effect van het ijzer het gebrek aan zuurstof op oppervlaktewater (voor oppervlaktewater geldt o.b.v. art. 3.90 van het Activiteitenbesluit een basiseis van max. 200 mg chloride per l, waarbij een hogere waarde kan worden toegestaan als de achtergrondconcentratie hoger is). Een ander belangrijk aspect is dat er een brede, integrale, regionale afweging plaatsvindt.

4Voor het bepalen van het effect zijn al verschillende onderzoeken uitgevoerd en afwegingen gemaakt, met name door en in opdracht van de provincie Zuid-Holland. Informatie hierover is door die provincie gerangschikt op haar website. Door de combinatie Deltares / KWR is in 2012 in opdracht van de glastuinbouwsector en provincie Zuid- Holland het onderzoek “Effecten van brijninjectie op de grondwaterkwaliteit en functies in het Westland” uitgevoerd. Aspecten om bij de afweging rekening mee te houden zijn (niet limitatief):

•Onttrekkingsdiepte en diepte retourneren brijn;

•Capaciteit van de installatie;

•Waterkwaliteit op de betreffende dieptes (zouten, gewasbeschermingsmiddelen en metalen);

•Aanwezigheid van scheidende lagen;

•Overige gebruiksfuncties in de ondergrond, zoals drinkwatervoorziening en koude-warmte-opslag;

•Milieubelasting van het bedrijf zonder toepassing van omgekeerde osmose op grondwater, met name de toename van emissie van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten en de milieubelasting van de alternatieve gietwatervoorziening.

Bron: http://www.glastuinbouwwaterproof.nl/fileadmin/user_upload/waterproof/Wetgeving/Toetsingskader_Brijn_def_jan2014.pdf

Bijlage 3: Analysepakket brijn

Let op: Het laboratorium moet geïnformeerd zijn dat het concentraat/brijn betreft i.v.m. het zoutgehalte van het water.

Stof / bepaling

Normstelling

EC (geleidbaarheid)

geen normstelling

Chloride

geen normstelling

Nitraat

50mg/l

P-tot

9,0 mg/l

Zware metalen

Nikkel (Ni)

30ug/l

Arseen (As)

15ug/l

Cadmium (Cd)

0,5 ug/l

Lood (Pb)

11ug/l

Barium (Ba)

200ug/l

Kobalt (Co)

20ug/l

Chroom (Cr)

2ug/l

Koper (Cu)

15ug/l

Kwk (Hg)

0,05 ug/l

Zink (Zn)

65ug/l

Molybdeen (Mo)

3,6 ug/l

OCB

Aldrin

0,010 ug/l

Dieldrin

0,010 ug/l

Endrin

0,010 ug/l

Som Aldrin/Dieldrin/Endrin (0.7 factor)

0,030 ug/l

Telodrin

0,010 ug/l

Isodrin

0,010 ug/l

o,p-DDT

0,010 ug/l

p,p-DDT

0,010 ug/l

Som DDT

0,020 ug/l

o,p-DDD

0,010 ug/l

p.p.-DDD

0,010 ug/l

Som DDD

0,020 ug/l

o.p-DDE

0,010 ug/l

p.p-DDE

0,010 ug/l

Som DDE

0,020 ug/l

Som DDT/DDE/DDD (0.7factor)

0,060 ug/l

alpha-HCH

0,010 ug/l

beta-HCH

0,010 ug/l

gamma-HCH

0,010 ug/l

delta-HCH

0,010 ug/l

Som a-b-c-d HCH (0.7 factor

0,040 ug/l

heptachloor

0,010 ug/l

cis-heptachloorepoxide

0,010 ug/l

trans-heptachloorepoxide

0,010 ug/l

Som heptachloorepoxide (0.7factor)

0,020 ug/l

alpha-endosulfan

0,010 ug/l

hexachloorbutadieen

0,010 ug/l

trans-chloordaan

0,010 ug/l

cis-chloordaan

0,010 ug/l

Som chloordaan (0.7 factor)

0,040 ug/l

Som OCB

0,025 ug/l

PCB’s

PCB-28 (6)

0,0050 ug/l

PCB-52 (6)

0,0050 ug/l

PCB-101 (6)

0,0050 ug/l

PCB-118

0,0050 ug/l

PCB-138 (6)

0,0050 ug/l

PCB-153 (6)

0,0050 ug/l

PCB-180 (6)

0,0050 ug/l

Som PCB’s (6)

0,030 ug/l

Som PCB’s (7)

0,035 ug/l

Bijlage 4: Maatwerkbesluit brijnlozingen

1Algemeen

1.1 De tijdelijke lozing van vloeistof in de bodem mag uitsluitend bestaan uit brijn dat ontstaat bij de productie van gietwater uit grondwater ten behoeve van het bedrijf Xxxx te Xxxx (gemeente xxx).

1.2 Ter voorziening van gietwater mogen de te lozen hoeveelheden brijn niet meer bedragen dan maximaal x m3 per uur, xxx m3 per etmaal, x.xxx m3 per maand en xx.xxx m3 per jaar. Red: Hiervoor kan eventueel verwezen worden naar de aanvraag.

1.3 Het filter van de lozingsput dient te zijn geplaatst in het tweede watervoerende pakket, tussen maaiveld -xx m en maaiveld -xx m. Red: Hiervoor kan eventueel verwezen worden naar de aanvraag.

1.4 Na het van kracht worden van de ontheffing dienen de volgende gegevens te worden toegezonden aan het bevoegd gezag:

a.een kaart waarop de coördinaten van de bron en lozingsput, de exacte plaats en de afwerking ten opzichte van het maaiveld zijn aangegeven;

b.een overzicht van het registratienummers van de te gebruiken watermeters, de daarbij behorende testrapporten en de plaatsen van inbouw.

1.5 In geval van een calamiteit dient de activiteit met betrekking tot het oppompen van grondwater en lozen van brijn direct te worden gestaakt.

2Meting en registratie

2.1 De inrichting houder draagt er zorg voor, dat de geloosde hoeveelheden brijn periodiek worden gemeten en geregistreerd:

a.bij het van kracht worden van dit maatwerkvoorschrift een registratie van de nulstand;

b.vervolgens maandelijks of in perioden van 4 weken.

2.2 De metingen dienen te geschieden door middel van een meter die is voorzien van een telwerk of een andere inrichting voor het doorlopend registreren van de door de meter stromende hoeveelheid vloeistof.

2.3 De meter dient geschikt te zijn voor het te meten debiet.

2.4 De meter is door een daartoe bevoegd deskundige en volgens de richtlijnen van de fabrikant geïnstalleerd.

2.5 De meter mag een maximale meetfout hebben van +/- 5%.

2.6 De meter dient volgens de door de fabrikant gestelde richtlijnen en frequentie, doch tenminste eenmaal per 3 jaar, te worden onderhouden en geïnspecteerd door een installateur.

2.7 De meter dient zodanig te zijn geplaatst dat deze goed toegankelijk en goed afleesbaar is.

2.8 De installatievoorschriften en een bewijs van de controle en het onderhoud dient binnen de inrichting aanwezig te zijn.

3Onderzoek te lozen brijn

3.1 De inrichting houder dient er zorg voor te dragen dat er binnen een maand nadat 5.000 m³ grondwater is onttrokken een monster wordt genomen van het te lozen brijn, nadat de installatie minimaal 24 uur aaneengesloten heeft gefunctioneerd. Het monsternamepunt dient derhalve te zijn gesitueerd op een plaats na de omgekeerde osmose-installatie en eventueel andere voorzuiveringen.

3.2 Bemonstering van het te lozen brijn dient te worden uitgevoerd door een medewerker van een onafhankelijk adviesbureau of laboratorium en volgens de meest recente NEN-, NVN of VPR-normen. Van dit monster dienen de concentraties van de in bijlage I genoemde parameters te worden bepaald, eveneens volgens de meest recente NEN-, NVN- of VPR-normen door een onafhankelijk laboratorium.

3.3 De inrichting houder zendt binnen één maand na het verkrijgen van de resultaten van de in de voorschrift 3.1 bedoelde onderzoek het bevoegd gezag deze resultaten.

3.4 Indien uit de analyseresultaten van de onder 3.1 bedoelde meting blijkt dat de algemeen geldende normen worden overschreden, dient binnen 3 maanden na de eerste meting opnieuw een meting te worden gedaan naar de overschreden stoffen. Indien de algemeen geldende normen wederom worden overschreden, treedt de inrichtinghouder binnen een maand na het bekend worden van de nieuwe analyseresultaten in overleg met bevoegd gezag.

3.5 Minimaal 2 jaar na de eerste monstername van het brijn (conform 3.1 t/m 3.4) wordt het brijn nogmaals op dezelfde wijze bemonsterd en geanalyseerd.

3.6 De inrichting houder dient schriftelijk aan te tonen dat er geen alternatieven beschikbaar zijn voor het verkrijgen van geschikt gietwater. Indien er geen alternatief beschikbaar is, dient de inrichting houder aantoonbaar bij te dragen aan onderzoek naar alternatieven voor het verkrijgen van gietwater op een andere wijze dan met het lozen van het brijn in de bodem. Red: dit artikel is eigenlijk overbodig, want dit moet uit de aanvraag blijken.

4Plaatsen en buitengebruik stellen van bron en lozingsput

4.1 Het plaatsen en het buiten gebruik stellen van de bron, lozingsput en eventuele peilputten dient te geschieden door een hiertoe erkend bedrijf. De werkzaamheden dienen plaats te vinden conform de vigerende protocollen.

4.2 De inrichting houder dient er zorg voor te dragen dat de bron, de lozingsput en de eventuele peilputten met een diameter groter dan 5 cm binnen één maand na de definitieve beëindiging van de lozing worden gedicht.

4.3 Ten minste twee weken vóór de aanvang van de werkzaamheden bedoeld onder 4.1 stelt de inrichting houder het bevoegd gezag voor de handhaving van de brijnlozing daarvan schriftelijk in kennis.

5Beschikbaarheid van gegevens en toezending van meetresultaten

De volgende zaken dienen, zodra deze beschikbaar zijn, op de locatie voor inzage aanwezig en toegankelijk te zijn tot het einde van de periode waarin de ontheffing in werking is:

-de complete aanvraag, eventuele onderbouwende rapportages en deze beschikking;

-een overzicht van de resultaten van alle verrichte metingen in verband met de lozing van brijn, zoals bedoeld in de voorschriften 2.1 en 3.1 tot en met 3.5.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.