Aanhef
Figuur 1: Publieke laadpaal in Almere Duin. Bron: Eigen Foto
2 Uitwerking beleidskeuzes
2.2 Locatie proces
2.2.1 Locatie proces bij een individueel verzoek
Bewoners en werknemers kunnen een verzoek indienen voor het bijplaatsen van laadinfrastructuur in de omgeving van de aanvrager. Een verzoek moet worden gedaan via https://laadpaal.mrae.nl. Als een verzoek is goedgekeurd, bepalen we per individueel verzoek wat hiervoor de beste locatie is.
Bij de locatiekeuze houden we onder andere rekening met de locatie criteria uit hoofdstuk 3 en locaties die op basis van de oude plankaart (2019) en nieuwe plankaart (2022) al op technische haalbaarheid gecontroleerd zijn. Wanneer een individueel verzoek of maatwerk verzoek niet aan een bestaande laadpaal locatie of een plankaart locatie kan worden gekoppeld, zal er een nieuwe locatie moeten worden gezocht.
2.2.2 Locatie proces bij de plankaarten
De oude plankaart uit 2019 is afgelopen jaren gebruikt als instrument voor procesoptimalisatie om de realisatietijd te verkorten. Aan de hand van deze plankaart waren locaties vooraf al op technische geschiktheid gecontroleerd, waarbij een optimaal spreidingsplan was gemaakt om een zo groot mogelijke dekking te creëren. Bij een individueel verzoek werd een locatie van de plankaart gebruikt die binnen 250m van de aanvrager was gesitueerd.
In 2022 is gewerkt aan een nieuwe plankaart, waarbij er 900 nieuwe laadpaal –(en laadplein) locaties zijn ingetekend om de laadbehoefte tot en met 2027 te voorzien. Locaties op de nieuwe plankaart zijn bepaald op basis van prognoses, aanvragen uit het verleden, statistieken van bestaande laadpalen en (verwachte) gebiedsontwikkelingen. Tevens is er een doorkijk gegeven met het verwachte aantal elektrische voertuigen en laadbehoefte in 2030.
Op basis van individuele verzoeken en data analyses van bestaande laadpalen worden de locaties van de nieuwe plankaart in gebruik genomen. De focus bij de nieuwe plankaart ligt daarbij meer op inbreiding en verdichting van het bestaande laadnetwerk, waarbij wordt uitgebreid tot laadpleinen op locaties waar de bestaande laadpalen goed gebruikt worden.
Figuur 4: Plankaart 2019
Figuur 5: Plankaart 2022
2.2.3 Locatie proces bij nieuwbouwgebieden
In nieuwbouwgebieden en inbreidingslocaties worden (toekomstige) laadinfrastructuur locaties al bepaald in de ontwerpfase. Door in de ontwerpfase de locaties al in te tekenen op de inrichtingsplannen kan er rekening gehouden worden met de ruimtelijke inpassing van laadinfrastructuur en de ligging van (toekomstige) kabels en leidingen tracés. Locaties op inrichtingsplannen worden getoetst aan de eisen genoemd in hoofdstuk 3 en worden vooraf afgestemd met de netbeheerder voor een netcapaciteit berekening. Tijdens de voorbereidende (grond) werkzaamheden wordt de benodigde bekabeling al aangelegd. Locaties worden bij voorkeur in nieuwbouwgebieden in laadpleinformatie ingetekend, waarbij er een enkele aansluiting per laadplein wordt aangelegd en gerealiseerd bij oplevering van de definitieve inrichting.
2.2.4 Locatie proces bij groot onderhoud gebieden
In wijken waar groot onderhoud plaats gaat vinden worden (toekomstige) laadinfrastructuur locaties bepaald in de ontwerpfase. Dit wordt gedaan op basis van de huidige (ondergrondse) inrichting en nieuwe (bovengrondse) inrichtingsplannen. Doordat in groot onderhoud gebieden de bestaande kabels en leidingen vaak niet verplaatst kunnen worden moet er gekeken worden naar de inpassingsmogelijkheden van laadinfrastructuur in het nieuwe inrichtingsplan. Locaties op inrichtingsplannen worden getoetst aan de eisen genoemd in hoofdstuk 3 en worden vooraf afgestemd met de netbeheerder voor een berekening van netcapaciteit. Wanneer er bewonersavonden of inspraakmomenten worden georganiseerd tijdens groot onderhoud worden de ingetekende locaties besproken en gepresenteerd aan de bewoners en belanghebbenden. Indien er tijdens groot onderhoud straat en/of grond werkzaamheden plaats vinden wordt de benodigde (toekomstige) bekabeling al aangelegd. Locaties worden bij voorkeur in laadpleinformatie ingetekend, waarbij er gezorgd wordt voor een aansluitkabel en/of mantelbuis naar elk laadplein.
Figuur 6: Bewonersavond Muziekwijk Fase 3
Figuur 7: Netcapaciteit berekening Muziekwijk
2.2.5 Locatie proces bij strategische locaties
Om te kunnen beschikken over een voldoende dekkend laadnetwerk worden waar mogelijk aanvullende locaties bepaald. Strategische locaties worden onder andere bepaald op basis van spreidingskaarten van bestaande laadpalen, verwachte (gebieds-)ontwikkelingen en aantal bezoekers en worden getoetst aan de eisen genoemd in hoofdstuk 3. Bij een strategische locatie wordt er gekeken naar de grootte van een parkeerterrein, het aantal vervoersbewegingen, soort voorzieningen in de buurt en de verwachte bezoekers met een laadbehoefte. Op basis van de strategie in 2.4 wordt er besloten of een strategische locatie noodzakelijk is voor het creëren van een dekkend laadnetwerk.
2.2.6 Locatie proces bij snellaadinfrastructuur locaties
Locaties voor snellaadinfrastructuur behoeven een ander locatieproces dan reguliere laadinfrastructuur vanwege de aanvullende technische (inpassings)eisen. Snelladen is duurder dan regulier laden, heeft een hogere doorlooptijd bij de plaatsing en heeft qua vervoersbewegingen een grotere impact op de omgeving. Snellaadinfrastructuur is daarom vooral gewenst op plaatsen waar een korte verblijfsduur gepaard gaat met een grote laadbehoefte en men bereid is daar meer voor te betalen.
We maken daarbij een onderscheid in het zoeken naar locaties tussen corridorlocaties en kort-parkeerlocaties. Corridorlocaties zijn locaties met veel vervoersbewegingen zoals een dreef of bijvoorbeeld de Hogering (N702). Kort-parkeerlocaties zijn locaties zoals een groot parkeerterrein bij een supermarkt of een sportcomplex. Al deze locaties zijn in beeld gebracht waarbij er potentiële snellaadlocaties zijn bepaald die technisch geschikt zijn en verder voldoen aan de voorwaarden uit deze plaatsingsregels. Voor de plaatsing van snellaadpalen stemmen we af met de netbeheerder en het kernteam netcongestie.
2.3 Soorten laadinfrastructuur
2.3.1 Reguliere laadinfrastructuur
De gemeente heeft een verantwoordelijkheid in de uitrol van reguliere publieke laadpalen en laadpunten. Onder reguliere laadinfrastructuur vallen de laadpalen, punten en laadpleinen met een maximale netaansluiting van 3x80A op het laagspanningsnet (een zogenoemde kleinverbruik aansluiting). Hieronder staan de drie reguliere soorten laadinfrastructuur beschreven.
a.Laadpalen
De reguliere laadpalen hebben een vermogen tot 22 kW en plaatsen we over het algemeen als losse palen in de openbare ruimte bij parkeervakken en worden standaard voorzien van 2 laadpunten.
b.Laadpunten
In gemeentelijke parkeergarages worden voornamelijk laadpunten geplaatst met vermogens die variëren tussen de 3,7 kW en 22 kW.
c.Laadpleinen
Op locaties waar veel behoefte is aan laadinfrastructuur en/of al een dekkend netwerk is gerealiseerd wordt er gekeken naar inbreidingslocaties en parkeerstroken waar laadpleinen gerealiseerd kunnen worden. Door het clusteren van laadpalen en het realiseren van laadpleinen heeft de gebruiker een grotere kans op een vrije laadplek en is de vindbaarheid beter. Een laadplein bestaat uit minimaal 4 laadpunten welke bij voorkeur gerealiseerd worden op een enkele netaansluiting, waarbij de beschikbare stroom op een slimme manier wordt verdeeld over de laadpunten.
2.3.2 Snellaadinfrastructuur
Snellaadinfrastructuur heeft een vermogen met meer dan 22 kW, waardoor elektrische voertuigen sneller kunnen opladen. Voor snellaadinfrastructuur worden de volgende subcategorieën onderscheiden:
a.Kortparkeerladen of semi-snelladen
Laadpunt met een vermogen tussen 22 en 125 kW, deze worden steeds meer geplaatst bij onder andere supermarkten, hotels en vergaderlocaties.
b.Ultrasnelladen voor personenvervoer
Laadpunt met een vermogen tussen 125 en 350 kW. Het grootste deel van de huidige beschikbare elektrische voertuigen is technisch geschikt om te laden met een snelheid van maximaal 50 kW. De nieuwere modellen en modellen in het hogere segment zijn geschikt voor de hogere vermogens. De laadvermogens tussen 125 kW en 350 kW worden tegenwoordig bij snellaadstations langs hoofdwegen geplaatst, bijvoorbeeld bij pompstations en wegrestaurants.
c.Ultrasnelladen voor openbaar vervoer en logistiek
Laadpunt met een vermogen hoger dan 350 kW, bijvoorbeeld een pantograaf. De laadpunten zijn geschikt om grote voertuigen zoals vrachtwagens en bussen in korte tijd te laden.
Snelladen is duurder dan regulier laden, heeft een hogere doorlooptijd bij de plaatsing en heeft qua vervoersbewegingen een grotere impact op de omgeving. Snellaadpalen zijn daarom vooral gewenst op plaatsen waar een korte verblijfsduur gepaard gaat met een grote laadbehoefte en men bereid is daar meer voor te betalen. Dit kan op openbare plekken, maar ook op semiopenbare of private locaties. Denk bijvoorbeeld aan taxistandplaatsen, supermarkten of verzorgingsplaatsen langs de snelweg.
De gemeente heeft een directe invloed op de publieke snellaadpunten, waarbij wij deze willen plaatsen op strategische openbare locaties met voldoende capaciteit op het stroomnet. Voor de plaatsing van snellaadpalen stemmen we af met de netbeheerder en het kernteam netcongestie. De locatie criteria voor de publieke snellaadpunten zijn opgenomen in hoofdstuk 3.
2.4 Plaatsingsstrategie
2.4.1 Vraaggestuurd plaatsen
Bewoners en werknemers kunnen een verzoek indienen voor het bijplaatsen van laadinfrastructuur in de omgeving van de aanvrager. Een aanvraag moet worden gedaan via laadpaal.mrae.nl waarna deze getoetst wordt aan de concessievoorwaarden die zijn afgesproken met de concessiehouder, de locatie criteria uit deze plaatsingsregels en de Integrale laadvisie laadinfrastructuur. De standaardvoorwaarden voor een goedgekeurde aanvraag zijn:
1De aanvrager woont of werkt minimaal 18 uur per week in de gemeente Almere;
2De aanvrager heeft elektrische auto die minimaal 45 km volledig elektrisch kan rijden;
3De aanvrager is voor het parkeren van de elektrische auto volledig afhankelijk van een openbare parkeerplaats op straat.
Daarnaast wordt er ook nog gekeken naar de bezettingsgraad van bestaande laadpalen binnen 200m.
In maatwerksituaties kan er onderbouwd afgeweken worden van deze voorwaarden, bijvoorbeeld bij een aanvraag van een bewoner met een gehandicapten parkeerkaart. Op basis van een goedgekeurde aanvraag wordt er gekeken naar een geschikte locatie volgens de criteria genoemd in 2.2 en hoofdstuk 3. Doordat een locatie proces en plaatsing pas in gang wordt gezet na een goedgekeurde aanvraag heeft deze werkwijze de langste doorlooptijd. Ook worden hiermee alleen de bewoners en forenzen voorzien, en niet de bezoekers van Almere met een elektrisch voertuig.
2.4.2 Plaatsing op basis van gebruiksdata
Vanwege het al grotendeels dekkende netwerk aan bestaande laadpalen zijn we in Almere in staat om op basis van gebruiksdata van deze laadpalen prognoses te maken. Het gebruik van bestaande laadinfrastructuur wordt continu gemonitord. Hierbij kijken we naar de bezettingsgraad, het aantal unieke gebruikers en het aantal geladen kWh. Bij goed gebruik volgt een uitbreiding van laadinfrastructuur in de omgeving of een inbreiding door het bijplaatsen van een laadpaal naast een bestaande laadpaal (het creëren van een laadplein). Het plaatsen op basis van prognoses en gebruiksdata verkort de doorlooptijd doordat er geen aanvraag aan vooraf gaat, zodat bewoners en forenzen niet onnodig lang op extra laadmogelijkheden hoeven te wachten.
2.4.3 Strategische plaatsingen
Naast de vraaggestuurde en data gestuurde plaatsingen worden er ook strategische laadpalen geplaatst in Almere. Strategische plaatsingen zijn op basis van verwachte (gebieds-)ontwikkelingen en laadbehoefte in de toekomst. Voorbeelden hiervan zijn op P&R-locaties, industrie en bedrijventerreinen, sportaccommodaties en grote parkeervelden met een hoog bezoekersaantal. Dit zijn locaties waar bewoners of forenzen geen aanvraag kunnen doen, maar waar wel een verwachte laadbehoefte is. Daarmee faciliteren we bezoekers van onze gemeente en wordt er een beter dekkend netwerk gecreëerd. Laadpalen die in nieuwbouwgebieden worden geplaatst vallen ook onder de strategische plaatsingen, indien er nog geen aanvragen aan vooraf gingen.
2.4.4 Het plaatsen van snellaadinfrastructuur
Snellaadinfrastructuur wordt geplaatst op aangewezen locaties die in beeld zijn gebracht in samenwerking met de MRA-e binnen de concessievoorwaarden. Het plaatsingsproces duurt langer dan bij reguliere laadinfrastructuur doordat er in veel gevallen een zwaardere netaansluiting nodig is. We plaatsen snellaadinfrastructuur op strategische locaties die in eigendom en beheer zijn van de gemeente, zoals bijvoorbeeld bij taxistandplaatsen, sportcomplexen, supermarkten, bedrijventerreinen of verzorgingsplaatsen langs wijkontsluitingswegen en de dreven.
3 Realisatie en locatiecriteria
3.1 Technische inpasbaarheid
3.1.1 Onderscheid soorten laadinfrastructuur en bijzondere locaties
We maken onderscheid in de eisen voor het type laadinfrastructuur en voor bijzondere locaties. Dit vanwege het verschil in werkwijze en de technische eisen die er zijn. Voor de bestaande stad worden er eisen gesteld aan de inpassing van laadinfrastructuur in de bestaande openbare ruimte. Hierbij wordt er onderscheid gemaakt tussen reguliere en snellaadinfrastructuur in de openbare ruimte en laadinfrastructuur in parkeergarages.
Bijzondere locaties zijn nieuwbouwgebieden, inbreidingslocaties en groot onderhoudsgebieden. Voor deze locaties gelden aanvullende eisen waar op getoetst wordt tijdens de ontwerpfase en uitvoeringsfase. Hier is in veel gevallen een andere werkwijze nodig bij het plaatsen van laadinfrastructuur als bij de bestaande stad en zijn er minder beperkingen doordat er in een vroeg stadium afgestemd kan worden. Door in het ontwerp al rekening te houden met laadinfrastructuur kunnen de locaties afgestemd worden met de (toekomstige) ligging van kabels en leidingen en de inpassing in de openbare ruimte. Dit vergemakkelijkt de plaatsing en vergoot de inpassingmogelijkheden. Realisatie en voorbereiding van laadinfrastructuur in nieuwbouwgebieden, inbreidingslocaties en groot onderhoud gebieden bespaart kosten, stimuleert elektrisch vervoer en zorgt voor vermindering van overlast door werkzaamheden na oplevering. Daarnaast worden in de ontwerpfase de locaties al vastgesteld en de verkeersbesluiten al genomen, wat bezwaren in de toekomst voorkomt. Bij het intekenen wordt er zo veel mogelijk voor laadpleinen gekozen doordat dit laadzekerheid aan de e-rijder biedt, dit tijdens de ontwerpfase makkelijk in te passen is in een te ontwikkelen wijk en doordat een laadplein met een enkele stroomaansluiting de beschikbare stroom slimmer kan verdelen doormiddel van energiemanagement.
3.1.2 Locatie- en inrichtingscriteria MRA-e
In Bijlage 1 zijn de locatiecriteria van MRA-e opgenomen waaraan nieuwe locaties worden getoetst door MRA-e. De eisen genoemd in dit document gelden als standaard eisen voor elke locatie, waarbij de gemeente Almere aanvullende eisen en wensen opstelt middels de onderdelen uit de plaatsingsregels.
Figuur 8: Overzichtskaart globale ligging kabels en leidingen. Bron: Plankaart
3.2 Reguliere publieke laadinfrastructuur
3.2.1 Eisen reguliere publieke laadinfrastructuur
•Veiligheid: Bij de plaatsing van een laadpaal moet er rekening worden gehouden met struikelgevaar. Zo mag de laadkabel niet over de stoep komen te liggen en mag zowel de laadpaal als de kabels de doorloop niet belemmeren. Ook mag de plaatsing van een laadpaal niet het zicht van weggebruikers beperken of andere onveilige verkeerssituaties veroorzaken.
•Kabels en Leidingen: Laadpalen mogen niet boven bestaande kabels en leidingen geplaatst worden. Er wordt daarbij minimaal 75cm afstand gehouden van bestaande kabels en leidingen en er wordt rekening gehouden met toekomstige tracés. Laadpaal locaties en de aansluiting van de laadpaal worden getoetst aan de geldende Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren
5Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren gemeente Almere 2016 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)
en bijbehorende toelichting
6Toelichting_AVOI_Almere_2016_18-1-2016.pdf
en het Handboek Kabels en Leidingen
7Handboek Kabels & Leidingen (almere.nl)
.
•Eigendom van overheid: Laadpalen worden geplaatst op parkeervakken en gronden in eigendom van de gemeente Almere of van samenwerkende overheden.
•Vrije (doorloop) ruimte: Rondom de laadpaal moet minimaal 50cm werkruimte overblijven voor onderhoud aan de laadpaal. Bij de plaatsing van laadpalen op de stoep moet bij voorkeur 120 centimeter doorloopruimte overblijven, de minimale doorloopruimte is 90 centimeter.
•Hinder objecten: Bij de plaatsing van laadpalen mag er geen hinder plaatsvinden aan andere objecten zoals bomen (en boomwortels), lichtmasten, straatmeubilair en containers.
•Loopafstand: Bij een aanvraag gestuurde plaatsing moet de laadpaal binnen 200m van een eventuele aanvrager geplaatst worden. In maatwerksituaties kan hiervan worden afgeweken.
•Elektriciteitsnet: Laadpalen worden waar mogelijk binnen 25 meter van het elektriciteitsnet van Liander (laagspanningsnet) geplaatst. Dit in verband met de meerkosten voor kabels die langer dan 25 meter zijn en de impact op de openbare ruimte bij de aansluit werkzaamheden.
•Bestaand parkeervak: Laadpalen worden waar mogelijk gerealiseerd in het bestaande parkeerareaal op locaties met minimaal 2 parkeervakken naast elkaar gelegen.
3.2.2 Wensen reguliere publieke laadinfrastructuur
•Laadpleinen: We geven de voorkeur aan het plaatsen van laadpalen op grote parkeerpleinen, parkeerhofjes, parkeerstroken en parkeerterreinen met minimaal 4 naast elkaar gelegen vakken, zodat er mogelijkheid is tot (strategische of datagestuurde) uitbreiding naar laadpleinen.
•Concentreren: Zodra er voldoende dekking is bereikt in een omgeving heeft het clusteren van laadpalen altijd de voorkeur boven losse laadpalen in de openbare ruimte. Hiermee voorkomen we versnippering.
•Gezamenlijke netaansluiting: Bij het clusteren en uitbreiden geven we de voorkeur aan het realiseren van laadpleinen op een gezamenlijke netaansluiting en/of het gebruiken van een bestaande netaansluiting van een bestaande laadpaal binnen dezelfde concessie.
•Aanlegwerkzaamheden: We geven de voorkeur aan het plaatsen van laadpalen aan de kant van de straat waar ook het laagspanningsnet ligt. Dit zorgt voor minder graafwerkzaamheden, een kortere aansluitkabel en minder impact op de omgeving.
•Inpasbaarheid: We geven de voorkeur aan het plaatsen van laadpalen op locaties die goed inpasbaar zijn in de ruimte, zijnde: niet in het groen (struiken, bosschages, beeldbepalende groenstructuren), in de buurt van woningen zonder eigen oprit, tegen blinde gevel, verlichte locaties, sociaal veilige locaties.
•Aanvrager: Bij voorkeur wordt een laadpaal niet op het parkeervak voor de deur van een eventuele aanvrager geplaatst, om te voorkomen dat aanvrager en omwonenden het laadpunt ervaren als ‘eigen’.
•Parkeersituatie: Bij de locatiekeuze houden we waar mogelijk rekening met de parkeersituatie en parkeerdruk, maar zijn de technische mogelijkheden doorslaggevend.
3.3 Publieke snellaadinfrastructuur
3.3.1 Eisen publieke snellaadinfrastructuur
•Veiligheid: Bij de plaatsing van snellaadinfrastructuur moet er rekening worden gehouden met struikelgevaar. Zo mag de laadkabel niet over de stoep komen te liggen en mag zowel het snellaadpunt als de kabel de doorloop niet belemmeren. Ook mag de plaatsing van snellaadinfrastructuur niet het zicht van weggebruikers beperken of andere mogelijke onveilige verkeerssituaties veroorzaken.
•Plaatsingsruimtehardware: Er moet rekening worden gehouden met voldoende ruimte voor de realisatie van ondersteunende hardware bij grotere aansluitingen voor snellaadinfrastructuur zoals een transformatorstation (trafo) en omvormers waarbij er voldoende doorloopruimte (minimaal 90 cm) overblijft indien de hardware op de stoep moet worden geplaatst.
•Verkeersaantrekking: Minimale geluidsoverlast voor de omgeving en een adequate afstand van woonbebouwing m.b.t. externe veiligheid.
•Impactopenbareruimte: Minimale impact openbare ruimte, zoals het behoud van een goede doorstroming en bereikbaarheid van een locatie en een minimaal visueel effect van het snellaadpunt.
•KabelsenLeidingen: Snellaadinfrastructuur mag niet boven bestaande kabels en leidingen geplaatst worden. Er wordt daarbij minimaal 75cm afstand gehouden van bestaande kabels en leidingen en er wordt rekening gehouden met toekomstige tracés. Snellaadinfrastructuur locaties en de aansluiting worden getoetst aan de geldende Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren
8Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren gemeente Almere 2016 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)
en bijbehorende toelichting
9Toelichting_AVOI_Almere_2016_18-1-2016.pdf
en het Handboek Kabels en Leidingen
10Handboek Kabels & Leidingen (almere.nl)
.
•Eigendom van overheid; Snellaadinfrastructuur wordt geplaatst op parkeervakken en gronden in beheer en eigendom van de gemeente Almere of van samenwerkende overheden.
•Hinder objecten: Bij de plaatsing van snellaadinfrastructuur mag er geen hinder plaatsvinden aan andere objecten zoals bomen (en boomwortels), lichtmasten, straatmeubilair en containers.
•Elektriciteitsnet: Snellaadinfrastructuur wordt binnen 25 meter van het elektriciteitsnet (laagspanningsnet en/of middenspanningsnet) gerealiseerd. Snellaadinfrastructuur met vermogens boven 100.000 kWh (groter dan 3x80A) wordt aangesloten op het middenspanningsnet en mag maximaal op 25m afstand liggen. Snellaadinfrastructuur tot 100.000 kWh (kleiner of gelijk aan 3x80A) wordt aangesloten op het laagspanningsnet waarbij een aansluiting binnen 25m de voorkeur heeft.
•Bestaand parkeervak: Snellaadinfrastructuur wordt waar mogelijk gerealiseerd in het bestaande parkeerareaal op locaties met minimaal 4 parkeervakken naast elkaar gelegen. In maatwerk situaties kan hiervan worden afgeweken of kunnen er nieuwe parkeervakken worden aangelegd.
•Netcongestie: De komst van een snellaadpunt wordt bij voorkeur geplaatst op locaties waar een overschot aan elektriciteit is. Er zal per potentiële snellaadlocatie moeten worden gekeken naar de mogelijkheden om een stroomaansluiting te voorzien, waarbij er ook per locatie een afweging zal moeten worden gemaakt met oog op andere maatschappelijk belangrijke voorzieningen die een aansluiting nodig hebben. Voor de plaatsing van snellaadpalen stemmen we af met de netbeheerder en het kernteam netcongestie. Ook houdt de gemeente praktische oplossingen en ontwikkelingen in de gaten.
3.3.2 Wensen publieke snellaadinfrastructuur
•Bereikbaarheid: Locaties in de nabijheid of grenzend aan van wijkontsluitingswegen, uitvalswegen of N-wegen hebben de voorkeur voor het plaatsen van snellaadinfrastructuur.
•Voorzieningen: Snellaadinfrastructuur wordt geplaatst op locaties met voorzieningen waar men kort verblijft, bijvoorbeeld supermarkten en sportaccommodaties
•Inpasbaarheid: We geven de voorkeur aan het plaatsen van snellaadinfrastructuur op locaties die goed inpasbaar zijn in de ruimte, zijnde: niet in het groen (struiken, bosschages, beeldbepalende groenstructuren), verlichte locaties, sociaal veilige locaties.
3.4 Laadinfrastructuur Parkeergarages
3.4.1 Eisen laadinfrastructuur Parkeergarages
•Veiligheid Stroom: Laadpunten dienen voorzien te zijn van beveiligingsmechanismen waardoor o.a. het beschikbare vermogen van de groep niet wordt overschreden. Elk laadpunt dient geschikt te zijn voor zowel enkelfaseladen met 3,7 kW als voor 3 fasen-laden met 22 kW, waarbij laadpunten in staat moeten zijn om het actueel maximaal beschikbare vermogen dat vanuit de meterkast of hoofdverdeelkast beschikbaar wordt gesteld voor de laadpunten, volledig te gebruiken voor laden (dynamic load balancing), voor zover dit 22 kW per laadpunt niet overstijgt. Uitzondering op het toepassen van dynamic load balancing is wanneer het energiesysteem van de parkeergarage niet toereikend is om dynamic load balancing te implementeren.
•Veiligheid omgeving: Een laadpunt moet zo gesitueerd worden dat de laadkabel de doorloop niet belemmeren. Ook mag de plaatsing van een laadpunt niet het zicht van weggebruikers beperken of andere onveilige verkeerssituaties veroorzaken.
•Normeringen Laadpunt: Het laadpunt voldoet aan de veiligheidsnormen en standaarden die hiervoor in internationaal verband gesteld zijn, zoals – maar niet uitsluitend - NEN1010, IEC61851-1:2017, IEC 62196-2, aanvulling bescherming omhulsel elektrische componenten IP44 en alle elektrische componenten van het laadpunt zijn beschermd en voldoen minimaal aan IP54. Ook dient er een aardlekschakelaar per laadpunt aanwezig te zijn.
•Normeringen installaties: De technische installaties van de parkeergarages dienen te voldoen aan de Nederlandse wetgeving en de laatste stand van normeringen, voorschriften en regelgeving bouwbesluit, waaronder, maar niet uitsluitend: NEN2443, NEN1010, ESPA normering.
3.4.2 Wensen laadinfrastructuur Parkeergarages
•Parkeersituatie: Bij de locatiekeuze houden we waar mogelijk rekening met de parkeersituatie en drukte in de parkeergarages, maar zijn de technische mogelijkheden doorslaggevend.
3.5 Laadinfrastructuur nieuwbouwgebiede
3.5.1 Eisen laadinfrastructuur nieuwbouwgebieden
•Veiligheid: Bij de plaatsing van laadinfrastructuur moet er rekening worden gehouden met struikelgevaar. Zo mag de laadkabel niet over de stoep komen te liggen en mag zowel de laadpaal als de kabels de doorloop niet belemmeren. Ook mag de plaatsing van een laadpaal niet het zicht van weggebruikers beperken of andere onveilige verkeerssituaties veroorzaken. Hier moet rekening mee worden gehouden in het ontwerp van de parkeer en verkeerssituatie.
•Aantal Parkeervakken: Op het inrichtingsplan dient in totaal 10% van het aantal publieke parkeervakken te worden voorzien van een laadpunt. Deze 10% wordt bij voorkeur ingetekend als laadplein locaties op centrale plekken of bij de wijkontsluiting. Om voldoende dekking te creëren worden er aanvullend losse laadpaal locaties ingetekend. Bij de daadwerkelijke aanleg van de wijk wordt 3% van het aantal publieke parkeervakken ook daadwerkelijk voorzien van een laadpunt en wordt de resterende 7% als toekomstige reservering aangehouden. In de praktijk betekend dit dat bij laadplein locaties de eerste laadpaal al geplaatst wordt en de resterende laadpalen als reservering dienen. Deze percentages worden jaarlijks geïndexeerd.
•Kabels en Leidingen: Het bepalen van laadpaal locaties moet worden afgestemd met de (toekomstige) ligging van kabels en leidingen. Laadpaal locaties en de aansluiting van de laadpaal worden getoetst aan de geldende Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren
14Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren gemeente Almere 2016 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)
en bijbehorende toelichting
15Toelichting_AVOI_Almere_2016_18-1-2016.pdf
en het Handboek Kabels en Leidingen
16Handboek Kabels & Leidingen (almere.nl)
.
•Eigendom van overheid: Laadpalen worden geplaatst op parkeervakken en gronden in eigendom van de gemeente Almere of van samenwerkende overheden.
•Vrije (doorloop) ruimte: Rondom de laadpaal moet minimaal 50cm werkruimte overblijven voor onderhoud aan de laadpaal. Bij de plaatsing van laadpalen op de stoep moet bij voorkeur 120 centimeter doorloopruimte overblijven, de minimale doorloopruimte is 90 centimeter.
•Hinder objecten: Bij de plaatsing van laadpalen mag er geen hinder plaatsvinden aan andere objecten zoals bomen (en boomwortels), lichtmasten, straatmeubilair en containers.
•Elektriciteitsnet: In nieuwbouwgebieden wordt tijdens de voorbereidende (grond) werkzaamheden de benodigde bekabeling al aangelegd. Bij laadplein locaties wordt een aansluitkabel aangelegd tot aan de eerste laadpaal. Losse laadpalen worden ingetekend op locaties binnen 25 meter van het elektriciteitsnet van Liander (laagspanningsnet). Dit in verband met de meerkosten voor kabels die langer dan 25 meter zijn en de impact op de openbare ruimte bij de aansluit werkzaamheden.
3.5.2 Wensen laadinfrastructuur nieuwbouwgebieden
•Laadpleinen: We geven de voorkeur aan het intekenen van laadpalen op grote parkeerpleinen, stroken en parkeerterreinen met minimaal 4 naast elkaar gelegen parkeervakken, zodat er mogelijkheid is tot (strategische of datagestuurde) uitbreiding naar laadpleinen.
•Inpasbaarheid: In de ontwerpfase wordt er waar mogelijk gehouden met de inpasbaarheid in de openbare ruimte, zijnde: niet in het groen (struiken, bosschages, beeldbepalende groenstructuren), in de buurt van woningen zonder eigen oprit, tegen blinde gevel, verlichte locaties, sociaal veilige locaties.
•Gezamenlijke netaansluiting: Bij het clusteren en uitbreiden geven we de voorkeur aan het realiseren van laadpleinen op een gezamenlijke netaansluiting en/of het gebruiken van een bestaande netaansluiting van een bestaande laadpaal binnen dezelfde concessie.
•Snellaadinfrastructuur: Bij grootschalige nieuwbouwplannen voor grote woonwijken, bedrijventerreinen of complete stadsdelen wordt er waar mogelijk rekening gehouden met inpassingsmogelijkheden van toekomstige snellaadinfrastructuur
3.6 Laadinfrastructuur groot onderhoud gebieden
3.6.1 Eisen laadinfrastructuur groot onderhoud gebieden
•Veiligheid: Bij de plaatsing van laadinfrastructuur moet er rekening worden gehouden met struikelgevaar. Zo mag de laadkabel niet over de stoep komen te liggen en mag zowel de laadpaal als de kabels de doorloop niet belemmeren. Ook mag de plaatsing van een laadpaal niet het zicht van weggebruikers beperken of andere onveilige verkeerssituaties veroorzaken. Hier moet rekening mee worden gehouden in het ontwerp van de parkeer en verkeerssituatie.
•Aantal parkeervakken: Op het inrichtingsplan van groot onderhoud wijken dient in totaal 10% van het aantal publieke parkeervakken te worden voorzien van een laadpunt. Deze 10% wordt bij voorkeur ingetekend als laadplein locaties op centrale plekken of bij de wijkontsluiting. Om voldoende dekking te creëren worden er aanvullend losse laadpaal locaties ingetekend. Op basis van de bestaande laadvraag, het aantal gebruikers bij bestaande laadpalen en het aantal aanvragers in een wijk wordt bepaald hoeveel parkeervakken een reservering krijgen en hoeveel laadpalen er worden geplaatst.
•Kabels en leidingen: Het bepalen van laadpaal locaties moet worden afgestemd met de (toekomstige) ligging van kabels en leidingen. Laadpalen mogen niet boven bestaande kabels en leidingen geplaatst worden. Er wordt daarbij minimaal 75cm afstand gehouden van bestaande kabels en leidingen en er wordt rekening gehouden met toekomstige tracés. Bestaande laadpaal locaties dienen verplaatst te worden wanneer de inrichting van de parkeersituatie wijzigt tijdens groot onderhoud. Laadpaal locaties en de aansluiting van de laadpaal worden getoetst aan de geldende Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren
17Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren gemeente Almere 2016 | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl)
en bijbehorende toelichting
18Toelichting_AVOI_Almere_2016_18-1-2016.pdf
en het Handboek Kabels en Leidingen
19Handboek Kabels & Leidingen (almere.nl)
.
•Eigendom van overheid: Laadpalen worden geplaatst op parkeervakken en gronden in eigendom van de gemeente Almere of van samenwerkende overheden.
•Vrije (doorloop) ruimte: Rondom de laadpaal moet minimaal 50cm werkruimte overblijven voor onderhoud aan de laadpaal. Bij de plaatsing van laadpalen op de stoep moet bij voorkeur 120 centimeter doorloopruimte overblijven, de minimale doorloopruimte is 90 centimeter.
•Hinder objecten: Bij de plaatsing van laadpalen mag er geen hinder plaatsvinden aan andere objecten zoals bomen (en boomwortels), lichtmasten, straatmeubilair en containers.
•Elektriciteitsnet: In groot onderhoud gebieden worden de bestaande en toekomstige locaties afgestemd met de netbeheerder. Op basis van een netcheck wordt er gekeken of het bestaande elektriciteitsnet voldoende capaciteit heeft voor toekomstige uitbreidingen. Laadpalen en laadpleinen worden ingetekend op locaties binnen 25 meter van het elektriciteitsnet van Liander (laagspanningsnet). Dit in verband met de meerkosten voor kabels die langer dan 25 meter zijn en de impact op de openbare ruimte bij de aansluit werkzaamheden. Indien er tijdens groot onderhoud straat en/of grond werkzaamheden plaats vinden wordt waar mogelijk de benodigde (toekomstige) bekabeling al aangelegd. Dit kan in de vorm van mantelbuizen wanneer er wegoversteken nodig zijn, nieuwe aansluitkabels bij directe plaatsingen van laadpalen of netuitbreiding wanneer het bestaande elektriciteitsnet niet voldoende capaciteit heeft voor de toekomstige laadpalen.
3.6.2 Wensen laadinfrastructuur groot onderhoud gebieden
•Laadpleinen: We geven de voorkeur aan het intekenen van laadpalen op grote parkeerpleinen, stroken en parkeerterreinen met minimaal 4 naast elkaar gelegen parkeervakken, zodat er mogelijkheid is tot (strategische of datagestuurde) uitbreiding naar laadpleinen.
•Inpasbaarheid: In de ontwerpfase wordt er waar mogelijk gehouden met de inpasbaarheid in de bestaande en toekomstige openbare ruimte, zijnde: niet in het groen (struiken, bosschages, beeldbepalende groenstructuren), in de buurt van woningen zonder eigen oprit, tegen blinde gevel, verlichte locaties, sociaal veilige locaties.
•Gezamenlijke netaansluiting: Bij het clusteren en uitbreiden geven we de voorkeur aan het realiseren van laadpleinen op een gezamenlijke netaansluiting en/of het gebruiken van een bestaande netaansluiting van een bestaande laadpaal binnen dezelfde concessie.
Bijlage 1: Locatie en inrichtingscriteria MRA-e
Criteria en eisen van MRA-Elektrisch en gemeenten bij het aanwijzen van een locatie voor een publieke laadpaal of het opstellen van een laadkaart
Nadat de gemeente een verzoek van een (aanstaande) e-rijder of een datagestuurd verzoek ontvangt en deze goedkeurt, is het belangrijk een geschikte locatie te kiezen voor het realiseren van een laadpaal. Wanneer locatiebepaling proactief gebeurt en dus op basis van een laadkaart, gelden dezelfde criteria en eisen. Bij de keuze voor een locatie dient er met een aantal veiligheids- en technische aspecten rekening gehouden te worden. Goed geplaatste laadpalen lopen ook minder risico op aanrijdingen en kunnen met minder moeite gerealiseerd worden. Ook kan de locatie zodanig gekozen worden dat de gebruikersgroep die bediend wordt met de laadpaal zo groot mogelijk is. Het beoogt een betere acceptatie van laadpalen (er worden geen palen neergezet die nauwelijks gebruikt worden) en effectief gebruik van de openbare ruimte omdat met minder laadpalen meer mensen bediend kunnen worden. Daarnaast is deze benadering ook goed voor de exploitant, omdat zo een laadpaal een betere business case heeft. Tezamen helpen de verschillende soorten criteria en eisen om de (maatschappelijke) kosten van de ontwikkeling van elektrisch vervoer te beheersen.
De laadpaal wordt geplaatst in het midden tussen twee parkeerplaatsen. Om doorlooptijden te versnellen en de kwaliteit van de laadlocaties te verhogen, dient bij het kiezen van een nieuwe oplaadlocatie rekening gehouden te worden met verschillende criteria en eisen. We maken een onderscheid tussen criteria en eisen voor de keuze van de locatie. De criteria sturen de afweging voor de juiste locatie. Alle locaties moeten aan de eisen voldoen. De criteria en eisen zijn geordend volgens onderstaande thema’s. Daarnaast zijn achteraan dit document een aantal veel voorkomende opstellingsvoorbeelden ingevoegd.
7.1 Strategische locatie
7.2 Installatie & onderhoud
7.3 Gebruiksvriendelijkheid & veiligheid
7.4 Vergunningscriteria
7.5 Laadkaarten
7.6 Opstellingsvoorbeelden
Omdat niet in alle gevallen een laadoplossing de vorm van een laadpaal heeft (in de zin van een zuil of sokkel), verwijzen we in onderstaande lijst naar Oplaadobjecten in plaats van laadpalen.
7.1 Strategische locatie
Criteria
•Meerdere typen gebruikers mogelijk (woon + werk + bezoek);
•Zichtbaarheid/vindbaarheid;
o Einde van de straat is zichtbaarder dan midden in de straat;
o Aan doorgaande weg is zichtbaarder/meer gebruikers dan aan niet-doorgaande weg;
•Invloed op parkeerdruk;
o Het belang van het efficiënt kunnen gebruiken van een openbaar oplaadnetwerk prevaleert boven een eventuele lokale parkeerdruk, waarbij;
■ Een elektrisch voertuig veelal in de plaats komt van een regulier voertuig, zodat de parkeerdruk in dat geval in principe gelijk blijft;
■ Gezien de continue uitbreiding van het aantal laadvoorzieningen binnen de gemeente een verschuiving van parkeerdruk aannemelijk is in een ruimere omgeving (wijkniveau);
•Hoge bewonersdichtheid;
•Weinig woningen met eigen parkeervoorziening in de buurt;
•Mogelijkheid tot uitbreiding naar laadplein;
•De gemeente stelt zich zo goed mogelijk op de hoogte van eventueel geplande werkzaamheden in het gebied om te voorkomen dat laadpalen op korte termijn verwijderd en/of verplaatst dienen te worden;
•Type parkeerplek, aflopend naar voorkeur;
o Parkeerplein: Parkeervakken tegenover elkaar, vanaf 4 parkeervakken;
o Dwars parkeren;
o Langsparkeren;
o Schrikstroken (afwijkende verharding tussen parkeervak en voetpad of fietspad);
7.2 Installatie & onderhoud
B1.1 Installatie & onderhoud eisen MRA-e
•Onderhoud en installatie moet veilig uitgevoerd kunnen worden (gelet op oriëntatie ten opzichte van verkeersstromen);
•Oplaadobject dient in het midden tussen twee vakken geplaatst te worden;
•Oplaadobject dient op gelijke hoogte (+/- hoogte trottoir) met de parkeervakken geplaatst te worden;
•Oplaadobject dient op gemeentegrond geplaatst te worden;
•Rondom de Oplaadobject dient tenminste 50cm ruimte voor onderhoud beschikbaar te zijn;
•Het Oplaadobject dient minimaal even ver van de boom te staan als de kruin van de boom breed is met een minimum van 1 meter;
•Openbreken van een betonnen- of asfalt weg is niet mogelijk. Boringen onder een betonnen- of asfaltweg zijn alleen mogelijk tot 6 meter;
•Oplaadobject dient op minimaal 3 meter van een elektriciteitskast (LS-kast, LS/MS-kast, MS-kast) te worden geplaatst.
•Oplaadobject dient op minimaal 1 meter van het MS-net te worden geplaatst.
•Indien wel in groenstrook gewenst, raden we de gemeente aan zorg te dragen voor;
o Het aanbrengen van verharde ondergrond rondom het Oplaadobject (bijvoorbeeld rij stoeptegels). Werkzaamheden kunnen tegen meerwerkkosten worden uitgevoerd door exploitant;
o Het op eigen kosten vrijhouden van minimaal 50cm bosschages/groenwerk rondom het Oplaadobject. Werkzaamheden kunnen initieel kosteloos door exploitant worden uitgevoerd;
•Oplaadobject dient niet aanrijdgevoelig opgesteld te worden;
o Minimale afstand vanaf stoeprand: 1 stoeptegel + band ( +/- 45 cm);
o Indien toch gekozen wordt voor locatie met aanrijdrisico, dan dient de exploitant zorg te dragen voor het aanbrengen van aanrijdbeveiliging; de volgende aanrijdbeveiliging is in de concessie inbegrepen; Diamantkoppaaltjes;
o Indien de gemeente een ander soort aanrijdbeveiliging wenst kan de gemeente hier zelf zorg voor dragen of de exploitant kan een andere optie aanrijdbeveiliging tegen een meerprijs laten uitvoeren. Indien gemeente meerwerk door de exploitant wil laten verzorgen, moet dit in de precheck van het locatievoorstel worden aangegeven (zie MRA-E portaal);
Criteria
•Kortst mogelijke afstand tot aanwezige laagspanningskabel (LS-net) en bij voorkeur binnen 25 meter;
•Minimale hoeveelheid noodzakelijke weg/bosschage- opbrekingen;
o LS stroomkabel bij voorkeur aan dezelfde kant van de weg als het Oplaadobject;
•Het voorkomen van beschadiging van boomwortels en bomen, niet onder de kruin van een boom;
•Niet tussen het struikgewas of (boom)wortels;
•Werkzaamheden dienen op gemeentegrond uitgevoerd te kunnen worden;
•Oplaadobjecten kunnen niet worden geplaatst op een schuin talud;
7.3 Gebruiksvriendelijkheid & veiligheid
B1.2 Gebruiksvriendelijkheid & veiligheid eisen MRA-e
•Doorgang van het trottoir na plaatsing Oplaadobject: meer dan 120 cm (4 stoeptegels 30 x 30 cm);
o Bij uitzondering kan er een doorloopruimte van 90 cm (3 stoeptegels van 30x30cm) geaccepteerd worden. Het oplaadbject en het verkeersbord betreffen een puntversmalling van minder dan 50x50cm waardoor bij uitzondering ook een minimale effectieve breedte van 90 cm aangehouden kan worden.
o Ook een uitstapstrookje is een uitzondering, want hier hoeft geen kinderwagen of rollator langs;
•Voorkomen van wegversperring voor aanrijdroutes van hulpdiensten;
Criteria
•Voorkomen struikelgevaar door kabels;
o Streven naar minimale afstand van parkeervakken tot Oplaadobject;
•Haakse en parallel gelegen parkeervakken worden geprefereerd boven parkeervakken die schuin aan de weg zijn gepositioneerd;
•Het voorkomen van belemmering voor doorstroming van het overige wegverkeer, langzame verkeersstromen etc.;
•Het voorkomen van Oplaadobjecten aan hoofdverkeerswegen;
•Het voorkomen van Oplaadobjecten in gebieden met een afwijkend parkeerregime (zoals blauwe-zones, winkelstraten of andere locaties met een parkeerduurbeperking;
•Het Oplaadobject wordt bij voorkeur niet geplaatst voor de deur of het raam van een woonhuis. We hanteren de volgende oriëntatie t.o.v. bebouwing, aflopend naar voorkeur;
o Blinde gevel;
o Zijgevel;
o Voorgevel;
•Oplaadobject niet in de directe nabijheid van andere objecten in de openbare ruimte zoals fietsenrekken, vuilcontainers, struiken, bomen en straatmeubilair;
•Houd rekening met de toegankelijkheid van het laadobject voor minder valide e-rijders;
o Zo mogelijk bij een reeds aanwezige gereserveerde mindervalide parkeerplaats;
o Bij voorkeur niet midden tussen andere parkeervakken (i.v.m. ruimte voor uitstappen);
o Bij voorkeur zo dicht mogelijk in de buurt van meest gebruikte bestemming;
7.4 Vergunningscriteria
Onderstaand het type vergunningen (inclusief doorlooptijden) waarmee rekening gehouden dient te worden in de locatiekeuze. Des te meer vergunningen noodzakelijk zijn, des te langer de doorlooptijd is tot realisatie Oplaadobject en des te hoger de onzekerheid over het verkrijgen van de nodige vergunningen.
•Tracélengte & wegoversteken (40 werkdagen);
•WIOR (>25m). WIOR staat voor Werken in de Openbare Ruimte. Er is een vergunning nodig als u de grond gaat openbreken;
•Breekvergunning. Het is een vergunning om in de grond te mogen breken, ook wel opbreekvergunning genoemd;
•Persing/boring. Het is een vergunning voor een gestuurde boring. Hierbij wordt vooraf gekeken over niet overige infra in de grond wordt geraakt;
•Open ontgraving. Bij het open graven van de grond, heb je vaak een graafvergunning nodig. Voorafgaand is hier een klik melding voor nodig, omdat er wordt gekeken of er geen leidingen in de grond worden geraakt;
•Bodemonderzoek/vervuilde grond/BUS-melding (=Besluit Uniforme Sanering)
•Verkeersplan (omleiding);
•ProRail (40-65 werkdagen);
o 11 meter uit hart spoor;
o Oversteek onder spoor door;
•Rijkswaterstaat en waterschappen (40-65 werkdagen);
o Dijken waterlichamen. Hierbij is een vergunning nodig. De reden hiervan is dat alles wat aan aangrenzend water is gelegen zoals o.a. dijkenliggers gegraven moet worden;
o Rijkswegen;
o Van oktober tot april dijksluiting;
•Zakelijk recht (maatwerk);
o Kruising privaat terrein;
o Recht van overpad;
o Recht van opstal;
7.5 Laadkaarten
Bij het opstellen van laadkaarten wordt een locatievoorstel niet naar aanleiding van een verzoek van een inwoner of bedrijf opgesteld. Hierdoor is bij de locatiebepaling het adres van het bedrijf of de inwoner niet vanzelfsprekend het startpunt voor het aanwijzen van een nieuwe laadlocatie. Ook is niet al vooraf bepaald of de e-rijder terecht kan bij een private parkeervoorziening. Daarom benoemen we hieronder de volgende aanvullende criteria bij het opstellen van laadkaarten:
•Binnen door gemeente bepaalde reële loopafstand (zie beleidsregels) van potentiële vraag vanaf het woon- of werkadres van bewoners of forenzen;
•Doelgroep stuurt de locatie van de Oplaadobject;
o Bewoners (dominante doelgroep) centraal in de wijk;
o Bezoekers / forenzen (dominante doelgroep): zichtlocatie;
•Bij voorkeur privaat laden boven publiek of semi-publiek laden;
•Laadpalen mogen worden geplaatst in een blauwe zone wanneer de dominante laadbehoefte van bezoekers komt (~2 uur parkeren is dan acceptabel), plaatsen in blauwe zones wordt vermeden wanneer de laadvraag van bewoners en forenzen komt;
•Bij locatiebepaling van meer dan één Oplaadobject hanteren we ten behoeve van een balans tussen spreiding en verdichting de volgende logica;
o Binnen elk hexagoon van 200m diameter: 2 locaties, daarna clustering;
o Minimum aantal geclusterde laadpunten: 4 laadpunten;
o Maximaal aantal geclusterde laadpunten: 8 laadpunten;
•Voor de realisatie van clusters van Oplaadobjecten hanteren we dezelfde eisen en criteria als voor reguliere laadpalen, maar in het bijzonder zijn de volgende criteria relevant;
o Goede zichtbaarheid vanaf doorgaande weg, niet verscholen in de wijk;
o Meerdere typen gebruikers mogelijk (woon + werk + bezoek etc.);
o Voldoende aantal parkeerplekken in de wijk zodat er nog voldoende parkeerruimte is voor fossiele voertuigen;
•Laadpalen mogen in het centrum worden geplaatst;
o Wanneer het mogelijk is om uit wijken naar laadlocatie buiten het hart van de stad (waarbij loopafstand van 200-300m niet in geding komt), dan heeft dit de voorkeur;
•Concentratie of dekking: eerst zorgen voor een dekkend netwerk en dan pas clusteren;
7.6 Opstellingsvoorbeelden
Onderstaande opstellingsvoorbeelden zijn een concrete toepassing van de verschillende criteria en eisen, ze maken op zich geen onderdeel uit van het toetsingskader.
#1 - Opstellingsvoorbeeld: plaatsing Oplaadobject op trottoir
Toelichting minimale afmetingen zoals weergeven in afbeelding:
•Minimale afmetingen parkeervak:500 x 250 cm
32Bron: ASVV (CROW) 2012
•Lengte bestelbussen: ~600 cm.
•Minimale doorloopruimte o.b.v. beleidsregels: 120 cm (+/- 4 stoeptegels)
•Oppervlak Oplaadobject:~1 stoeptegel
33De breedte/diepte van de laadpalen varieert maar is doorgaans tussen de 20-25 cm.
(30 x 30 cm)
•50 cm ruimte rondom om de Oplaadobject voor werkzaamheden.
•Minimale afstand tussen Oplaadobject en parkeervak: +- 45 cm (1 stoeptegel + trottoirband)
•Let op: in nieuwbouwwijken kom het steeds vaker voor dat een stoep een afmeting heeft van max. 180 cm, in dit geval kan overwogen worden om toch de afstand van parkeervak tot laadpaal in te korten teneinde wel de beoogde doorloopruimte van 90 - 120 cm te bereiken, dit dient per geval te worden beoordeeld.
#2 - Opstellingsvoorbeeld #2: plaatsing Oplaadobject op vrije / groene ruimte
Toelichting minimale afmetingen zoals weergeven in afbeelding
•Minimale afmetingen parkeervak:500 x 250 cm
•Lengte bestelbussen: ~600 cm
•Minimale doorloopruimte o.b.v. beleidsregels 120 cm (+/- 4 stoeptegels)
•Oppervlak Oplaadobject ~1 stoeptegel (30 x 30 cm)
•50 cm ruimte rondom om de Oplaadobject voor werkzaamheden.
•Minimale afstand tussen Oplaadobject en parkeervak: +- 45 cm (1 stoeptegel + trottoirband)
#3 - Opstellingsvoorbeeld: plaatsing Oplaadobject in parkeervak (incl. aanrijdbeveiliging)
Toelichting minimale afmetingen zoals weergeven in afbeelding
•Volgens CROW-richtlijnen zijn de minimale afmetingen van een parkeervak 500 x 250 cm. Deze richtlijn hanteren ontwikkelaars. Wanneer een laadpaal in het parkeervak wordt geplaatst, dient het parkeervak minimaal 580 cm lang te zijn om oversteek van het voertuig op de weg te voorkomen. Het kan daarom gewenst om te sturen op het realiseren van de laadpalen buiten de parkeervakken (zie opstellingsvoorbeeld #1, #2 en #4) .
•Minimale afmetingen parkeervak:
o 580 x 250 cm
34Zodat een elektrisch voertuig met een lengte van 5.0 m (vb. Tesla model X) veilig kan parkeren en niet uit het parkeervak steekt over de weg).
o Minimale lengte van einde parkeervak tot laadpaal: 500 cm
o Lengte bestelbussen: ~600 cm.
•Minimale doorloopruimte o.b.v. beleidsregels
o N.v.t.
•Oppervlak Oplaadobject ~1 stoeptegel (30 x 30 cm)
•50 cm ruimte rondom Oplaadobject voor werkzaamheden.
#4 - Opstellingsvoorbeeld: plaatsing Oplaadobject bij langs parkeervakken
Toelichting minimale afmetingen zoals weergeven in afbeelding:
•Minimale afmetingen parkeervak: 200 x 600 cm
•Lengte bestelbussen: ~600 cm.
•Minimale doorloopruimte o.b.v. beleidsregels: 120 cm (+/- 4 stoeptegels), hier is de uitzondering voor minimaal 90 cm toegepast.
•Oppervlak Oplaadobject: ~1 stoeptegel (30 x 30 cm)
•50 cm ruimte rondom om de Oplaadobject voor werkzaamheden.
•Minimale afstand tussen Oplaadobject en parkeervak: +- 45 cm (1 stoeptegel + trottoirband)
Bijlage 2: Uitbreidingscriteria en werkwijze MRA-e
Dit document beschrijft de criteria die worden gehanteerd door MRA-Elektrisch.
De volgende criteria worden beschreven:
1- Reserveren tweede parkeervak bij een laadpaal t.b.v. laden elektrisch voertuig
2- Uitbreiden laadnetwerk naar aanleiding van een verzoek van een e-rijder
3- Datagestuurd uitbreiden laadnetwerk
4- Hoeveelheid te realiseren laadpunten bij gebiedsontwikkeling
Tot slot is ook de berekening van de in de criteria genoemde bezettingsgraad beschreven in deel 5.
B2.1 Reserveren tweede parkeervak bij een laadpaal t.b.v. laden elektrisch voertuig
Enkele gemeenten gebruiken de uitzonderingsmogelijkheid om bij de plaatsing van een laadpaal aanvankelijk één parkeervak te realiseren. Wanneer aan het criterium is voldaan reserveert de gemeente alsnog ook het tweede parkeervak.
Criterium
Gemeente wijst een 2e parkeervak voor het laden van elektrische voertuigen aan bij een laadpaal als:
•De gemiddelde bezettingsgraad op de laadpaal hoger dan 40% was gedurende de voorafgaande drie maanden in een dagdeel (ochtend 6-12, middag 12-6, avond 6-12, nacht 0-6).
B2.2 Uitbreiden laadnetwerk naar aanleiding van een verzoek van een e-rijder
E-rijders kunnen een verzoek indienen bij de gemeente voor het uitbreiden van het laadnetwerk in hun buurt. De hier beschreven criteria worden toegepast om te bepalen of het een valide verzoek is en vervolgens het verzoek geaccepteerd wordt. Bij acceptatie wordt een nieuwe locatievoorstel opgesteld of wordt het verzoek gekoppeld aan een lopend locatievoorstel.
Criterium
Gemeente accepteert een valide verzoek van de e-rijder indien:
•Er geen publieke laadpaal binnen 200 meter loopafstand in bedrijf is;
•OF publieke laadpalen aanwezig binnen 200 meter loopafstand hebben een gemiddelde bezettingsgraad hoger dan 40% gedurende de voorafgaande drie maanden in een dagdeel (ochtend 6-12, middag 12-6, avond 6-12, nacht 0-6);
•EN aan de overige criteria voor het behandelen van e-rijder verzoeken is voldaan:
o Indiener van het verzoek woont of werkt aantoonbaar minimaal 18 uur per week in de betreffende Gemeente (aantoonbaar);
o Indiener verzoek beschikt over een elektrische auto
35Overeenkomstig met eerste lid van artikel 1 sub c, van de Wegenverkeerswet 1994 en nader bepaald in de Regeling auto en die is geregistreerd bij de Rijksdienst voor Wegverkeer: zijnde een personen-of bedrijfsauto die geheel of gedeeltelijk - met een minimaal volledig elektrisch bereik van 45 km - door een elektromotor wordt aangedreven, waarvoor de elektrische energie geleverd wordt door een batterij en waarvan deze batterij wordt opgeladen door middel van een voorziening buiten de auto.
. met een minimaal elektrisch bereik van 45 km. Indiener moet dit aantonen door middel van een (voorlopige) koop- of leaseovereenkomst, eigendomsbewijs of document met vergelijkbare bewijskracht;
o Indiener is voor het parkeren van de elektrische auto afhankelijk van een publieke parkeerplaats op straat. Dit betekent dat de indiener niet beschikt over eigen parkeerterrein. Onder eigen terrein vallen ook VVE parkeerplaatsen en/of de (verplichte) mogelijkheid tot het huren/kopen van een parkeerplaats in combinatie met appartement.
Gemeenten kunnen besluiten om de bovengenoemde maximale loopafstand te verminderen tot 150meter. Gemeenten melden een wijziging van de maximale loopafstand bij MRA-Elektrisch.
B2.3 Datagestuurd uitbreiden laadnetwerk
Bij datagestuurde uitbreiding passen we de gebruiksdata van laadpalen toe om te bepalen in welke omgeving uitbreiding van het laadnetwerk gewenst is.
Werkwijze
1De laadpalen die voldoen aan het criterium worden door MRA-E in een apart overzicht geplaatst in het MRA-E portaal.
2MRA-E of een concessiehouder voorziet een datagestuurd verzoek van een voorstel voor de locatie waar wordt uitgebreid, inclusief een boven- en een zijaanzicht
3Gemeenten beoordelen de datagestuurde verzoeken.
4Bij akkoord kunnen de concept-locatie en de boven- en zijaanzichten worden overgenomen in een locatievoorstel.
Criterium
Een datagestuurd verzoek voor uitbreiding wordt opgesteld voor:
1Laadpalen met een gemiddeld maandelijks afzet volume vanaf 1.000 kWh over de afgelopen 3 maanden;
2EN een gemiddelde bezettingsgraad hoger dan 40% gedurende de voorafgaande drie maanden in een specifiek dagdeel;
3EN waarvan NIET binnen 150 meter hemelsbreed al een nieuwe laadpaal in voorbereiding of in de afgelopen 3 maanden in bedrijf gesteld is;
4Criterium 1 en 2 toepassen op laadpalen in bedrijf binnen 150 meter hemelsbreed.
B2.4 Hoeveelheid te realiseren laadpunten bij gebiedsontwikkeling
Gemeenten kunnen kosteloos en zonder concrete vraag bij gebiedsontwikkeling publieke laadpunten laten realiseren. Het percentage openbare parkeerplaatsen dat bij oplevering van een gebiedsontwikkeling kosteloos kan worden voorzien van een publieke oplaadpunt is in ieder geval gelijk aan 2% (jaargang 2022), elk jaar na 2022 te verhogen met 0,5 procent.
Uitgangspunten:
•Zorgen voor minimaal dekkend netwerk van publieke laadinfrastructuur bij oplevering gebiedsontwikkeling;
•Gebiedsontwikkeling kan bestaan uit zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties;
•Bij gebiedsontwikkeling bestaat merendeel uit woningbouw en aantal nieuwe woningen is minimaal 30;
Voorwaarden:
Algemeen
•Maximale loopafstand (dan wel hemelsbrede afstand) tot laadpunt is gelijk aan afstand o.b.v. gemeentelijk beleid;
•Locaties te realiseren publieke laadpalen bij oplevering liggen maximaal 25m van LS-net, bij voorkeur 5m en bij voorkeur vrij van obstakels en bij voorkeur vrij van bestrating;
•Locaties te realiseren publieke laadpalen bij oplevering zijn zo gelegen dat deze zijn uit te breiden naar 2 of 3 laadpalen (en deze uitbreiding wordt opgenomen als voorkeurslocaties);
•Voorbereiding van ondergrondse infrastructuur voor voorkeurslocaties bestaat in principe uit LS-net nabij de locatie van een laadpaal ten behoeve van netaansluiting voor vermogen/energievraag die in 2030 verwacht kan worden, te weten 9% parkeervakken met een laadpunt. Bij uitzondering kunnen – in plaats van directe aansluiting op het LS-net –mantelbuizen naar de parkeervakken worden toegepast, mits de uitzondering wordt onderbouwd en goedgekeurd door gemeente en MRA-E.
Gemeente
•Gemeente zorgt voor aanwijzing locaties te realiseren publieke laadpalen dan wel laat dit uitvoeren door MRA-E. Hierbij zijn reguliere voorwaarden en eisen uit concessie en gemeentelijke beleidsregel van toepassing;
•Gemeente zorgt voor een laadkaart met voorkeurslocaties van de betreffende gebiedsontwikkeling met bijhorend ontwerp voor ondergrondse infrastructuur als onderdeel van ontwerp openbare ruimte dan wel laat dit uitvoeren en stelt dit vast. Gemeente heeft afstemming met de concessiehouder en netbeheerder voorafgaand aan het vaststellen van het ontwerp ondergrondse infrastructuur.
•De bij oplevering te realiseren publieke laadpalen maken onderdeel van uit van de vast te stellen voorkeurslocaties;
•Gemeente zorgt bij het opstellen van de laadkaart dat er bij voorkeur locatievoorstellen worden aangewezen waarbij uitbreiding mogelijk is;
•Gemeente neemt voorkeurslocaties op in communicatie over gebiedsontwikkeling dan wel laat dit door ontwikkelaar opnemen;
•Gemeente zorgt voor verzamelverkeersbesluit voor alle voorkeurslocaties;
•Gemeente zorgt in afstemming met netbeheerder voor ondergrondse infrastructuur ten behoeve van te realiseren laadpalen dan wel laat dit uitvoeren door de ontwikkelaar;
•Gemeente zorgt voor voorbereiding van ondergrondse infrastructuur op voorkeurslocaties door netbeheerder dan wel laat de ontwikkelaar hiervoor zorgdragen;
•Gemeente zorgt voor (voorlopige) bestrating (ook zijnde half-verharding) ten behoeve van gereserveerde parkeerplaatsen en te realiseren publieke laadpalen voorafgaand aan oplevering 1e woning dan wel laat dit uitvoeren door de ontwikkelaar. Belangrijk uitgangspunt is dat publieke laadpaal niet verplaatst hoeft te worden bij realisatie definitieve bestrating.
Concessiehouder
•Concessiehouder realiseert kosteloos te realiseren publieke laadpalen met bijbehorende bebording binnen 1 maand na oplevering (voorlopige) bestrating (ook zijnde halfverharding), mits tevens woningen zijn opgeleverd en laadpaal bij realisatie definitieve bestrating niet opnieuw hoeft te worden verplaatst. Hierbij is de 1e laadpaal sowieso gerealiseerd bij oplevering 1e woning;
•Indien gewenst vanuit de gemeente realiseert de concessiehouder de laadinfrastructuur inclusief mantelbuizen voor de aangrenzende parkeervakken zodat eenvoudig opgeschaald kan worden naar een groter aantal laadpalen. De concessiehouder levert een (digitale) bouwtekening aan waarin de mantelbuizen staan opgenomen.
•Concessiehouder controleert uiterlijk 4 weken voor aanvang werkzaamheden t.b.v. te realiseren publieke laadpaal bij gemeente of oplevering (voorlopige) bestrating en woningen volgens planning verloopt;
•Concessiehouder plaats conform overige concessievoorwaarden datagestuurd, vraaggestuurd of aanbodgestuurd extra publieke laadpalen bij.
B2.5 Gemiddelde bezettingsgraad over drie maanden
De gemiddelde bezettingsgraad per laadpaal in een dagdeel (ochtend 6:00 -12:00, middag 12:00 -18:00, avond 18:00 – 24:00, nacht 0:00-6:00) wordt als volgt berekend: