Hoofdstuk 2 Tarieven Persoonsgebonden budget (Pgb)
Artikel 2.1 Hoogte Pgb
De hoogte van een Pgb maatschappelijke ondersteuning:
1De hoogte van een Pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Onder de goedkoopste adequate maatwerkvoorziening wordt ook verstaan (gebruikte) hulpmiddelen die op het moment van de melding beschikbaar zijn bij de daartoe gecontracteerde aanbieder. Het betreft daarbij de maximale kostprijs.
2Het Pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het Pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.
3De hoogte van het Pgb, bij dienstverlening, wordt voor de professionele aanbieder bepaald op basis van 80% van het tarief voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Het betreft een all-in tarief.
4De hoogte van het Pgb voor informele hulp is gelijk aan:
a.Bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren;
b.Bij individuele begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, ter vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
5Het Pgb wordt uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren of dagdelen. Uitbetaling in de vorm van een maandloon is niet toegestaan.
6Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
7Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het Pgb voor ten hoogste 13 weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de cliënt het Pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
8De hoogte van het Pgb voor professionele hulp bedraagt 80% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Het betreft een all-in tarief.
9Als het op basis van lid 1 vastgestelde Pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen en deze ondersteuning niet wordt aangeboden door het gecontracteerde aanbod van jeugdhulp, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
10De hoogte van het Pgb voor informele hulp is gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Dit tarief geldt ongeacht de diploma’s en werkervaring van de informele hulp.
11Het Pgb wordt uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren of dagdelen. Uitbetaling in de vorm van een maandloon is niet toegestaan.
12Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
13Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het Pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de cliënt het Pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
De hoogte van een Pgb jeugdhulp:
Artikel 2.2 Hoogte Pgb vervoersvoorzieningen
1De hoogte van het Pgb voor aanschaf van een vervoersvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura.
2De goedkoopst adequate vervoersvoorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting, uit een door de gemeente met een gecontracteerde leverancier afgesloten overeenkomst, of de laagst geoffreerde aanschafprijs.
3Indien een Pgb voor aanschaf van een vervoersvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een Pgb voor onderhoud, service en verzekering (instandhoudingskosten) worden toegekend.
4Het Pgb voor onderhoud, service en verzekering wordt jaarlijks betaald gedurende de technische levensduur van de vervoersvoorziening.
5De hoogte van een Pgb voor instandhoudingskosten bedraagt het door het college vastgestelde tarief of het goedkoopst geoffreerde tarief. De door het college vastgestelde tarieven zijn:
Categorie
Soort voorziening
Tarief 2024 in €
Index 20251
Tarief
2025 in €
Handbewogen rolstoelen
Actief
73,28
4,25%
76,39
Handbewogen rolstoelen
Actief en incidenteel
31,85
4,25%
33,20
Handbewogen rolstoelen
Semi-permanent
94,12
4,25%
98,12
Handbewogen rolstoelen
Permanent
127,53
4,25%
132,95
Electrische rolstoel
Electrische rolstoel
372,33
4,25%
388,15
Scootmobiel
Scootmobiel
246,67
4,25%
257,15
Aangepaste fietsen
Driewielfiets
67,27
4,25%
70,13
Aangepaste fietsen
Tandem
94,39
4,25%
98,40
Voorziening kinderen
Duwwandelwagen
85,68
4,25%
89,32
Voorziening kinderen
Handbewogen rolstoel
97,24
4,25%
101,37
Voorziening kinderen
Electrische rolstoel
401,03
4,25%
418,07
1Indexering 2025 op basis van 70% CPI en 30% OVA
6ndien de inwoner het Pgb aanwendt voor het huren van een vervoersvoorziening ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren. Voor een vervoersvoorziening wordt een economische afschrijvingstermijn van 7 jaren gehanteerd.
7De vervoersvoorzieningen in natura worden in bruikleen verstrekt.
8Vervoersvoorzieningen verstrekt in de vorm van een Pgb kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de cliënt, het niet adequaat zijn van de voorziening of indien er geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening. De restwaarde van de vervoersvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:
Bij overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening of geen gebruik maken van de voorziening
Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget
Eerste jaar
60%
Tweede jaar
50%
Derde jaar
40%
Vierde jaar
30%
Vijfde jaar
20%
Zesde jaar
10%
Zevende jaar
0%
Artikel 2.3 Hoogte Pgb voor woonvoorzieningen
1De hoogte van het Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate woonvoorziening in natura.
2De goedkoopst adequate woonvoorziening blijkt uit door ten minste drie leveranciers laagst geoffreerde bedrag.
3Indien een Pgb voor aanschaf van een woonvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een Pgb voor instandhoudingskosten worden toegekend.
4Het Pgb voor instandhoudingskosten wordt jaarlijks betaald gedurende de technische levensduur van de woonvoorziening.
5De hoogte van een Pgb voor instandhoudingskosten bedraagt het door het college vastgestelde tarief of het goedkoopst adequaat geoffreerde tarief. De door de het college vastgestelde tarieven zijn:
Categorie
Soort voorziening
Tarief 2024 in €
Index 20251
Tarief
2025 in €
Tillift
Tillift
118,69
4,25%
123,79
Douche- en toiletstoel
Douche- en toiletstoel
22,13
4,25%
23,07
1Indexering 2025 op basis van 70% CPI en 30% OVA
6De vergoeding wordt door de gemeente aan de persoon die de facturen heeft betaald, uitbetaald, na overleg van de gereedmelding en facturen van de gerealiseerde aanpassingen.
7Als de cliënt een bouwkundige woningaanpassing in natura wenst, betaalt de gemeente de facturen aan de aannemer.
8Woonvoorzieningen in natura als bedoeld in artikel 3.7 van de verordening duurder dan € 350,- worden in bruikleen verstrekt. (Verordening artikel 3.1 lid 6)
9Indien het college een woningaanpassing heeft verstrekt en de cliënt verhuist binnen 10 jaar, nadat de woningaanpassing is verstrekt, dan dient de meerwaarde van de woning door de woningaanpassing – onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 8.2 - te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing.
10Woonvoorzieningen verstrekt in de vorm van een Pgb kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de cliënt, het niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen van de cliënt. De restwaarde van de woonvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:
Bij overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen
Restwaarde als percentage van het verstrekte persoonsgebonden budget
Eerste jaar
60%
Tweede jaar
50%
Derde jaar
40%
Vierde jaar
30%
Vijfde jaar
20%
Zesde jaar
10%
Zevende jaar
0%
Artikel 2.4 Hoogte verhuis– en herinrichtingskosten en financiële tegemoetkoming woningsanering 2.4.1 Hoogte verhuis– en herinrichtingskosten
1Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding bedraagt € 2.500,-;
2Een persoon, die op verzoek van de gemeente bereid is te verhuizen uit een voor een gehandicapte aangepaste woning, bestemd voor permanente bewoning, ontvangt een vergoeding van € 3.500,-.
3Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken als genoemd in artikel 3.7 lid 2 sub b van de verordening en artikel 3.5 lid 6 van de beleidsregels bedraagt € 1.500,-.
4Kosten van tijdelijke huisvesting worden in beginsel vergoed als eenmalig te verstrekken Pgb met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag tot een periode van maximaal zes maanden.
2.4.2 Financiële tegemoetkoming voor woningsanering
Inwoners kunnen in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat betrokkenen zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten.
2.4.2.1 Vergoeding
In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien:
a.De aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren;
b.Vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is.
2.4.2.2 Geen vergoeding wordt verstrekt indien:
Geen vergoeding wordt verstrekt indien:
a.Het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt;
b.De cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert.
De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager jonger is dan vier jaar.
2.4.2.3 Afschrijvingstermijn
Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is afgeschreven (in de regel na 7 jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verleend.
Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de afschrijvingsperiode: Indien het artikel zeven jaar of ouder is, wordt geen vergoeding verstrekt.
Hetzelfde geldt bij een verhuizing, omdat bij verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten.
Afschrijvingsperiode
Afschrijvingspercentage
Indien het artikel nieuwer is dan twee jaar
100%
Indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is
75%
Indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is
50%
Indien het artikel tussen de zes en zeven jaar oud is
25%
2.4.2.4 Normbedragen
Als normbedragen worden gehanteerd:
a.Voor zeil of linoleum € 61,- per meter (uitgaande van een gemiddelde lengte van de rol van vier meter), inclusief egalisatiekosten;
b.Gordijnen: € 25,- per meter (175 cm hoog) voor rolgordijnen of een ander soort gladde gordijnen.
Hoofdstuk 4 Eigen bijdrage
Artikel 4.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorzieningen en vervoersvoorzieningen
1Voor een maatwerkvoorziening is de cliënt de maximale bijdrage in de kosten verschuldigd, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015.
2De bijdrage in de kosten bedraagt maximaal de kostprijs van de voorziening per periode van 4 weken, waarbij:
3de kostprijs van een eenmalige Pgb per periode gelijk is aan de hoogte van het toegekende Pgb gedeeld door de afschrijvingstermijn;
4de kostprijs van een periodiek verstrekte Pgb gelijk is aan de hoogte van het Pgb dat per periode is toegekend;
5de kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening per periode gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is gedeeld door de afschrijvingstermijn;
6de kostprijs van een periodiek verstrekte maatwerkvoorziening gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor per periode verschuldigd is.
7Een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige Pgb of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt.
8Dit artikel is niet van toepassing op rolstoelen, collectief vervoer en doventolk.
9De bijdragen voor maatschappelijke opvang worden vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft.
10Bij de verstrekking van een woningaanpassing voor een cliënt onder de 18 jaar kan een bijdrage in de kosten worden opgelegd.
Artikel 4.2 Eigen ritbijdrage collectief vervoer
1De Regiotaxi is een open collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem (CVV) voor vervoer per taxi (personenauto of bus) van deur tot deur tot maximaal 30 kilometer vanaf het huisadres. Er geldt een eigen ritbijdrage welke jaarlijks vastgesteld/geïndexeerd wordt en beschouwd wordt als een besparingsmiddel ten aanzien van de onkosten die anders gemaakt zouden worden vanuit een eigen vervoersmiddel. Vanaf 25 tot 30 kilometer geldt een hoger tarief per kilometer. De inwoner kan vanaf 25 kilometer met Valys reizen.
2De eigen ritbijdrage wordt berekend op basis van het werkelijk aantal gereisde kilometers.
3De eigen ritbijdrage wordt voldaan aan de vervoerder.
Artikel 4.3 Eigen bijdrage woonvoorzieningen volwassenen
1Voor een woonvoorziening is de cliënt de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning, verschuldigd.
2De bijdrage in de kosten bedraagt maximaal de kostprijs van de voorziening per periode van 4 weken, waarbij:
a.de kostprijs van een eenmalige Pgb per periode gelijk is aan de hoogte van het toegekende Pgb gedeeld door de afschrijvingstermijn;
b.de kostprijs van een periodiek verstrekte Pgb gelijk is aan de hoogte van het Pgb dat per periode is toegekend;
c.de kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening per periode gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is gedeeld door de afschrijvingstermijn;
d.de kostprijs van een periodiek verstrekte woonvoorziening gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor per periode verschuldigd is.
3Een bijdrage in de kosten van een woonvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige Pgb of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt.
Artikel 4.4 Eigen bijdrage woningaanpassingen jeugd
Als een woningaanpassing wordt gerealiseerd voor een minderjarige is een eigen bijdrage verschuldigd. In dat geval wordt gekeken naar het inkomen en vermogen van de ouders of degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige. De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van een voorziening gebruik wordt gemaakt, maar deze mag niet meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening.
Artikel 4.5 Bepalen kostprijs voorziening
De kostprijs van een maatwerkvoorziening die in de vorm van een Pgb wordt verstrekt, is gelijk aan het bedrag van het Pgb. De kostprijs van een voorziening die in natura wordt verstrekt is gelijk aan het bedrag dat de gemeente betaalt voor deze voorziening aan de aanbieder die door de gemeente gecontracteerd is. Voor hulpmiddelen (woon- en vervoersvoorzieningen) wordt uitgegaan van de kostenopgave van de door de gemeente gecontracteerde leverancier.
De kostprijs zal vervolgens moeten worden berekend naar een periode van vier weken (in aansluiting op de eigen bijdrage periode die door het CAK wordt gehanteerd). De wijze waarop de toerekening naar een periode van vier weken plaatsvindt, is afhankelijk van de verstrekte voorziening. Er zijn vier situaties mogelijk:
•Voor de voorziening is een uur- of dagdeeltarief van toepassing;
•De voorziening wordt ineens betaald (ondersteuning mobiliteit of ondersteuning zelfstandig wonen);
•Er is sprake van financiering (huishoudelijke ondersteuning);
•Werkelijke kosten van de voorziening.
Uur- en dagdeeltarief
Indien een voorziening wordt toegekend in uren of dagdelen per week wordt de kostprijs als volgt
berekend: uurtarief (of dagdeeltarief) x aantal uren (dagdelen) per week ondersteuning x 4.
Hulpmiddelen
Indien een hulpmiddel wordt toegekend waarvoor een bedrag ineens moet worden betaald (hetzij door de gemeente als de voorziening in natura wordt verstrekt hetzij door de ondersteuningsvrager als de voorziening wordt verstrekt in de vorm van een Pgb, wordt de kostprijs als volgt berekend:
aankoopbedrag voorziening/afschrijvingstermijn.
De afschrijvingstermijn in jaren wordt vermenigvuldigd met dertien (per jaar zijn er namelijk dertien perioden van vier weken): dit is het aantal perioden waarover het aankoopbedrag wordt afgeschreven (dit is economische levensduur). Het berekende bedrag is het maximale bedrag van de eigen bijdrage per periode.
Indien op basis van het inkomen en vermogen een lagere eigen bijdrage wordt vastgesteld dan het berekende maximale bedrag per periode van vier weken, wordt de eigen bijdrage voortgezet totdat het aankoopbedrag is bereikt. De eigen bijdrage wordt beëindigd als geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening.
Financiering huishoudelijke ondersteuning
De kostprijs is gelijk aan het bedrag dat de aanbieder per periode van vier weken voor een ondersteuningsvrager ontvangt voor het leveren van de voorziening. Voor financiële tegemoetkomingen geldt dezelfde berekeningsmethode voor het bepalen van de kostprijs.
Werkelijke kosten
Indien de werkelijke kosten van een voorziening bekend zijn en de kosten niet goed toegedeeld kunnen worden naar een uur- of dagdeeltarief, wordt uitgegaan van de werkelijke kosten per periode van 4 weken om te bepalen hoe hoog de eigen bijdrage maximaal mag zijn.
Hoofdstuk 5 Beëindigen voorzieningen
Artikel 5.1 Beëindigen voorzieningen
1Bij overlijden van de cliënt wordt de maatwerkvoorziening of het pgb de dag na overlijden beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen.
2Bij overlijden van de cliënt die een inwonende partner heeft wordt de hulp bij het huishouden in natura na beoordeling door de coach, na vier weken beëindigd.
3Bij verhuizen van de cliënt naar een andere gemeente wordt de maatwerkvoorziening of het Pgb per datum verhuizing in het Basisregistratie Personen (BRP) beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen
Artikel 6.1 Evaluatie en indexering
Het Financieel Besluit wordt jaarlijks geëvalueerd. De tarieven worden geïndexeerd op basis van de indexeringssystematiek per product. Indien deze evaluatie of indexeringssystematiek daartoe aanleiding geeft wordt het Financieel Besluit aangepast. De indexatie van de tarieven per 1 januari 2025 zijn verwerkt in dit Financieel Besluit.
Artikel 6.2 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in dit Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Almelo 2025, indien toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 6.3 Citeertitel en inwerkingtreding
Dit Besluit wordt aangehaald als: 'Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Almelo 2025'.
Dit Besluit treedt in werking op 16 juni 2025.